Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BY9698

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
W 12/2012
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Verzoeker is kennelijk van mening dat de rechter hem niet dan wel onvoldoende deelgenoot heeft gemaakt van haar processuele beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende achtergronden en beweegredenen, acht daardoor onder meer het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en ziet daarin een schijn van vooringenomenheid van de rechter. Geen schending van hoor en wederhoor. Wrakingsverzoek ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Wrakingskamer

Zittingsplaats Roermond

Nummer: W 12/2012

Beslissing op het verzoek tot wraking van de rechter mr. [de rechter], welk verzoek is gedaan door de heer ing. [de verzoeker] (verder aangeduid als verzoeker).

1. De procedure

1.1. In de bestuursrechtelijke zaken van verzoeker als eiser tegen het algemeen bestuur van de voorziening tot samenwerking Politie Nederland als verweerder (verder

aangeduid als verweerder) met procedurenummers AWB [A] en [B] heeft verzoeker op 28 november 2012 tijdens de behandeling van die zaken op een openbare zitting de behandelend rechter mr. [de rechter] (verder ook aangeduid als de rechter) gewraakt.

1.2. Van die openbare behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat door de rechter en de griffier is ondertekend. Dit proces-verbaal is voor een reactie aan verzoeker gezonden. Verzoeker heeft in zijn brief van 13 december 2012 op het proces-verbaal gereageerd, zijn wrakingsverzoek herhaald en dit nader onderbouwd.

1.3. Op 19 december 2012 is een kopie van de brief van 13 december 2012 aan de rechter en aan verweerder gezonden; aan verweerder is toen ook een kopie van het proces-verbaal van de zitting van 28 november 2012 gezonden.

1.4. Op 10 januari 2013 heeft de rechter schriftelijk gereageerd op het verzoek(schrift) tot wraking, van welke reactie een kopie aan verzoeker en verweerder is gezonden.

1.5. Bij e-mail van 14 januari 2013 heeft verzoeker de wrakingskamer onder meer verzocht kennis te nemen van de dossiers in de bodemzaken met de hiervoor vermelde procedurenummers, dit met het oog op een juiste behandeling van het wrakingsverzoek en om toezending van een kopie van de brief van 16 november 2012 waarin de rechtbank verweerder verzoekt inhoudelijk verweer te voeren na de deadline van 16 november 2012 voor de indiening van stukken.

1.6. Op 15 januari 2013 heeft verzoeker een pleitnotitie aan de wrakingskamer gezonden.

1.7. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van 16 januari 2013. Bij deze behandeling is zijn de verzoeker en de rechter verschenen en door de wrakingskamer in elkaars aanwezigheid gehoord. Verweerder is niet verschenen. Aan de rechter is een kopie van de pleitnotitie van verzoeker verstrekt en zij is in de gelegenheid gesteld van de inhoud daarvan kennis te nemen.

2. De gronden van het wrakingsverzoek

2.1. Het wrakingsverzoek is - samengevat en zakelijk weergegeven - gebaseerd op het volgende.

2.2. De rechter heeft op de zitting besloten het e-mailbericht van 28 september 2011 ondanks het feit dat dit na de termijn voor indiening van stukken (16 november 2012) door verweerder naar de rechtbank is gestuurd te betrekken in de beoordeling van het beroep van verzoeker. De rechter heeft dat gedaan zonder juiste, zorgvuldige, deugdelijke en zeer zwaarwegende gronden. Daarmee zijn de beginselen van hoor en wederhoor, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van onpartijdigheid geschonden.

2.3. Naar aanleiding van de eis van verzoeker op de zitting om loondoorbetaling van twee medewerkers van verweerder op te schorten, heeft de rechter verklaard dat zij daartoe niet bevoegd is. De rechter heeft de beweerde onbevoegdheid niet juist, zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd met een artikel uit de wet- en regelgeving, waaruit een schending van het beginsel van hoor en wederhoor volgt.

2.4. Verzoeker heeft verzocht om behandeling van zijn zaak achter gesloten deuren. Dit verzoek is door de rechter op de zitting afgewezen zonder aandacht te besteden aan de belangrijkste stellingen, bewijsmiddelen en jurisprudentie met betrekking tot een behandeling achter gesloten deuren. De rechter heeft daarmee het motiveringsbeginsel geschonden.

2.5. Met betrekking tot het bezwaar tegen een aan verzoeker toegekende vergoeding van € 1.260,00 heeft de rechter gezegd dat deze kwestie haar niet helemaal duidelijk is en verzoeker verzocht om het haar duidelijk te maken. De rechter heeft nagelaten juist, zorgvuldig en deugdelijk te motiveren wat wel en/of niet helemaal duidelijk was, waaruit volgt een schending van het beginsel van hoor en wederhoor, namelijk het recht van verzoeker om tijdig enige van belang zijnde informatie te ontvangen.

2.6. De bevoegdheden die de rechter zijn toegekend om actief op zoek te gaan naar de materiële waarheid zijn nauwelijks gebruikt, zonder dat daarvoor zwaarwegende gronden aanwezig waren. Hieruit volgt dat er geen sprake is van een eerlijk proces.

2.7. De rechter heeft nagelaten actief en leidend te onderzoeken waar de stelling van verweerder in het verweerschrift staat “dat verweerder zo kort na de Wia-procedure het verzoeker niet wilde aandoen om nogmaals een keuring of onderzoek te ondergaan” en onderzoek te doen naar de relevante feiten over de door verzoeker verrichte werkzaamheden gedurende eisers ziekteverzuimbegeleiding en re-integratie-inspanningen. Hieruit volgt dat er geen sprake is van een eerlijk proces.

2.8. De rechter heeft op de zitting te kennen gegeven dat zij een oordeel moet geven over de besluiten waartegen beroep is ingesteld en dat de procedure daartoe os beperkt. De rechter laat na de beweerde beperking juist, zorgvuldig en deugdelijk te motiveren met een artikel uit de wet- en regelgeving. Daaruit volgt een schending van het beginsel van hoor en wederhoor en een schending van verzoekers recht op een tijdige beslissing over de schade.

2.9. De rechter heeft verzoeker gevraagd of hij twee jaar niet in staat is geweest om te werken. Hieruit volgt een dusdanig onbegrijpelijke procesgang dat er geen andere verklaring is te vinden dan (dat de schijn wordt gewekt) van een fishing expedition, vooringenomenheid en/of partijdigheid.

2.10. De rechter heeft verzoeker niet in de gelegenheid gesteld (pleitnotitie)vragen (onder meer over wel of geen deskundigenbericht) te stellen en zij heeft (het merendeel van) verzoekers (pleitnotitie)vragen niet beantwoord. De rechter heeft gezegd dat zij er niet zit om vragen van verzoeker te beantwoorden, dat zo de regels van de rechtbank zijn en dat zij zich daaraan houdt. De rechter laat na juist, zorgvuldig en deugdelijk te motiveren welke regels van de rechtbank zij bedoelt. De rechter heeft verzoeker op de zitting niet geïnformeerd over de bewijslastverdeling, de toegestane bewijsmiddelen, de bewijswaardering en de schadevaststelling. Uit een en ander volgt een schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

2.11. De rechter heeft met haar verklaring op de zitting “voorlopig kijk ik er zo naar” overwegend aandacht besteed aan de belangrijkste stellingen en bewijsmiddelen van verweerder en onvoldoende dan wel geen aandacht besteed aan verzoekers belangrijkste stellingen en bewijsmiddelen. Hiermee schendt de rechter het beginsel van onpartijdigheid.

2.12. De rechter heeft op de zitting onvoldoende dan wel niet onderzocht de onrechtmatigheid van verweerders besluiten over opschorting van loondoorbetaling tijdens ziekte van verzoeker, verzoekers verplaatsing tijdens ziekte, schending van artikel 94 van het Barp, verweerders te late beslissingen op bezwaren en het niet tijdig indienen van een verweerschrift en stukken door verweerder. Aldus heeft de rechter het beginsel van onpartijdigheid geschonden.

3. Het standpunt van de rechter

3.1. De rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd en de door verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag gelegde gronden voor de wraking gemotiveerd betwist. Voor zover van belang zal de wrakingskamer hierna op de reactie van de rechter nader ingaan.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. De wrakingskamer dient eerst een oordeel te geven over een aantal aangelegenheden van formele aard, die door verzoeker tijdens de mondelinge behandeling naar voren zijn gebracht. Verzoeker heeft gesteld dat de rechter in haar reactie op zijn wrakingsverzoek mogelijk afstand heeft gedaan van haar recht om gehoord te worden on welk geval zij daarop volgens verzoeker niet meer kan terugkomen. Verder heeft verzoeker gesteld dat hij de rechtbank in verband met deze wrakingsprocedure heeft verzocht om toezending van een kopie van een brief van de rechtbank van 16 november 2012, waarin de rechtbank verweerder zou hebben verzocht inhoudelijk verweer te voeren na 16 november 2012, de deadline voor het indienen van stukken. Verzoeker stelt dat hij die kopie (ten onrechte) niet heeft ontvangen. Ten slotte heeft verzoeker de wrakingskamer verzocht om in verband met een juiste behandeling van het wrakingsverzoek kennis te nemen van de dossiers in de bodemzaken. De wrakingskamer oordeelt over deze aangelegenheden als volgt.

4.2. Ook in een wrakingsprocedure is het beginsel van hoor en wederhoor gewaarborgd: zowel de verzoeker als de rechter moet in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord. Ieder van hen kan van het recht op hoor en wederhoor afstand doen en daarmee van de in dat recht besloten liggende rechtsbescherming. De aard en de fundamentele strekking van het beginsel van hoor en wederhoor brengen - in elk geval in het kader van een wrakingsprocedure - met zich dat de verzoeker of de rechter die in eerste instantie heeft besloten niet door de wrakingskamer gehoord te willen worden, op dat besluit mag en kan terugkomen. (Daarbij maakt het overigens niet uit of die afstand mondeling of schriftelijk is gedaan.) Dat zou anders kunnen zijn indien daarmee de goede procesorde en/of het belangen van verzoeker zou(den) zijn geschaad, maar dat is gesteld noch gebleken.

4.3. De rechter heeft zowel in haar schriftelijke reactie als tijdens de mondelinge behandeling (nader) verklaard dat de griffier van de rechtbank (op 16 november 2012) telefonisch bij verweerder heeft geïnformeerd of er een medisch rapport is waarop verweerder zijn ontslagbesluit heeft gebaseerd. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij brief van 22 november 2012 een e-mailbericht van 28 september 2011 aan de rechtbank gezonden. In deze brief heeft verweerder tevens gerefereerd aan een brief van de rechtbank van 16 november 2012. De rechter heeft tijdens de zitting uiteen gezet dat de brief van 16 november 2012 een mededeling aan verweerder inhield dat het onderzoek werd voortgezet nadat op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een uitspraak was gedaan. Deze brief hield volgens de rechter dan ook geen verband met de telefonisch opgevraagde informatie. Op deze toelichting van de rechter heeft verzoeker niet meer gereageerd, waaruit de wrakingskamer afleidt dat verzoeker met die toelichting genoegen heeft genomen en daarom geen verdere bespreking en beoordeling behoeft.

4.4. De wrakingskamer ziet geen aanleiding kennis te nemen van de dossiers in de bodemzaken. Dat gebeurt alleen indien een of meer onderdelen daarvan voor de behandeling van het wrakingsverzoek van belang zijn. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is nu het verzoek van verzoeker op dit punt onvoldoende gemotiveerd en te weinig concreet is. Ook ambtshalve ziet de wrakingskamer geen gronden om kennis te nemen van (onderdelen van) het dossier.

4.5. De wrakingskamer gaat thans over tot bespreking van het wrakingsverzoek en overweegt daartoe eerst het volgende. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid). Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (objectieve partijdigheid). Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker verklaard dat zijn wrakingsverzoek alleen ziet op de objectieve partijdigheid. De wrakingskamer overweegt als volgt.

4.6. Het behoort tot de normale taak van de (zittings-)rechter om lopende de procedure, onder meer (tussen)beslissingen te nemen over onder meer de inrichting van de procedure, de voortgang en de dossiervorming. Dat kunnen voor een partij in die procedure ongewenste of nadelige beslissingen zijn, maar daartegen dient met een rechtsmiddel opgekomen te worden. Naar het oordeel van de wrakingskamer betreffen de feiten en omstandigheden die verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, allemaal procedurele beslissingen van de rechter. Een procedurele beslissing levert op zichzelf geen feit of omstandigheid op waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit is alleen dan anders, indien (de motivering van) een dergelijke beslissing een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de bij een partij bestaande vrees voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is.

4.7. De wrakingskamer leidt uit het wrakingsverzoek af dat verzoeker van mening is dat de rechter hem niet dan wel onvoldoende deelgenoot heeft gemaakt van haar processuele beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende achtergronden en beweegredenen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 28 november 2012 blijkt dat de rechter verzoeker telkens voorafgaand aan die beslissingen in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt weer te geven. Van een goede procesvoering maakt echter geen onderdeel uit dat de rechter zijn processuele beslissing op de zitting ter discussie stelt noch een processuele beslissing dient te onderbouwen met artikelen uit wet- en regelgeving. Het is de rechter die op de zitting de regie heeft over de zaak, bepaalt op welke wijze de zaak wordt behandeld en aan de hand van de ingediende processtukken bepaalt wat relevant en niet relevant is.

4.8. Van een schending van hoor en wederhoor evenals van een schending van de andere door verzoeker genoemde rechtsbeginselen is niet gebleken, hetgeen ertoe leidt dat van schijn van vooringenomenheid bij de rechter op grond van de door verzoeker gestelde schendingen - objectief gezien - evenmin sprake is. Daarenboven wordt geoordeeld dat ook uit de in het proces-verbaal genoemde processuele en/of (voorlopige inhoudelijke beslissingen, bezien in onderling verband en samenhang, geen schijn van vooringenomenheid van de rechter kan worden afgeleid.

4.9. De wrakingskamer heeft begrepen dat het voor verzoeker bijzonder belangrijk is om overzicht te hebben en dat daarvoor aannames moeten worden uitgesproken. Dat betekent in deze dat verzoeker - wellicht meer dan een gemiddelde procespartij - behoefte heeft aan inzicht in en duidelijkheid over hetgeen op de zitting plaatsvindt en de besluitvorming van de rechter daarbij om de gang van zaken te kunnen volgen en daarop te kunnen reageren. Dit laat echter onverlet dat uit het feit dat er voor verzoeker onduidelijkheden zijn in de procesvoering of in rechterlijke beslissingen verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer - objectief gezien - geen schijn van vooringenomenheid van de rechter kan en heeft kunnen afleiden.

4.10. Uit het proces-verbaal van 28 november 2012 noch uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zijn omstandigheden naar voren gekomen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoeker bestaande vrees voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is.

4.11. Op grond van voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek als ongegrond afgewezen dient te worden.

5. Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

5.1. wijst af het verzoek tot wraking van mr. [de rechter].

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.M.P. Drijkoningen, M.B.T.G. Steeghs en

B.J. Zippelius, bijgestaan door mr. L.G.H. Cox als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2013.