Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BY9471

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
AWB 12/1004
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat niet in geding is dat de litigieuze uitingen zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. De rechtbank overweegt voorts dat deze uitingen slechts aan het publiek kenbaar maken dat het pand met “nr. 3” aldaar is gelegen. De uitingen verschillen in zoverre niet van een nummeraanduiding op de gevel van een gebouw. Mede gelet op de grootte van het aangebrachte nummer volgt de rechtbank verweerder weliswaar in zijn stelling dat eiser met de uitingen de aandacht trekt van het publiek, maar zij is evenwel niet van oordeel dat hiermee de aandacht van het publiek wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap. In casu gaat het slechts om een nummeraanduiding. De bijzondere vormgeving van het aangebrachte nummer maakt het oordeel niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/218
Belastingblad 2013/95 met annotatie van M.P. van der Burg
FutD 2013-0359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1004

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2013 in de zaak tussen

[eiser], te Oirsbeek, eiser

(gemachtigde: mr. G.A.J.M. Niederer),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder

(gemachtigde: J.M. Hermans).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn - hieronder nader te duiden - aanslag reclamebelasting van 31 maart 2012 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het besluit van 18 april 2012 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de op zaken betrekking hebben ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 januari 2013, alwaar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser is eigenaar en gebruiker van het pand [adres]. In het pand is eisers kapsalon gevestigd. Aan het pand en op de etalage van het pand is het huisnummer [nr] ter grootte van respectievelijk 0,8m bij 0,8m respectievelijk 0,8m bij 1,0m aangebracht. Verweerder heeft bij besluit van 31 maart 2012 ten aanzien van deze uitingen aan eiser een aanslag reclamebelasting opgelegd voor het belastingjaar 2012. Het hiertegen gerichte bezwaar van eiser heeft verweerder bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft in beroep betoogd dat de enkele vermelding van het een huisnummer niet als een uiting als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Verordening Reclamebelasting Sittard-Geleen 2012 (Verordening) kan worden aangemerkt. Deze bepaling bepaalt immers dat een openbare aankondiging alleen in letters, symbolen, kleuren of een combinatie daarvan in houdt en in deze bepaling worden cijfers niet genoemd. De enkele vermelding van een huisnummer legt geen enkele relatie met de exploitatie van een onderneming, meer in het bijzonder een kapsalon. Het huisnummer houdt geen enkel verband met de door eiser gedreven handelsnaam “[naam bedrijf] Voorts heeft eiser zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Aan een ondernemer, gevestigd aan de [adres 1] is geen aanslag opgelegd, terwijl deze ondernemer gebruik maakt van eenzelfde vermelding als eiser, te weten een huisnummervermelding op het etalageraam. Verder maakt een branchegenoot gebruik van het tonen in de etalage van symbolen in de vorm van kappersapparatuur en (hoofd)modellen. Daarnaast is op desbetreffende etalage een openingstijdenvermelding met aan het hoofd [naam bedrijf X] vermeld. Ook aan deze ondernemer is geen aanslag opgelegd.

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder de aanslag reclamebelasting in bezwaar terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd. Zij overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kan ter zake van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg een reclamebelasting worden geheven. De term ‘openbare aankondigingen’ ziet op alle tot het publiek gerichte mededelingen, welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd.

De raad van de gemeente Sittard-Geleen heeft op 14 december 2011 de Verordening vastgesteld. De Verordening luidt - voor zover van belang - als volgt:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a.reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg (…).

Artikel 3 Belastbaar feit

Onder de titel ‘reclamebelasting’ wordt, onder de in de bij deze verordening behorende tarieventabel gestelde voorwaarden, binnen de gebieden als bedoeld in artikel 2 een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg.

Artikel 4 Belastingplicht

1.De reclamebelasting wordt geheven van wie, dan wel ten behoeve van wie, al dan niet met vergunning, de reclameobjecten worden aangetroffen (…).

Artikel 5 Maatstaf van heffing

1.De reclamebelasting wordt geheven naar de oppervlakte van een reclameobject, met inachtneming van het overige in deze verordening bepaalde (…).

Volgens vaste jurisprudentie van de belastingrechter (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2007, LJN AX21540) valt onder het wettelijk begrip ‘openbare aankondiging’ niet slechts reclame in engere zin, maar meer in het algemeen elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap. Hieruit valt af te leiden dat het niet gaat om de vraag of het opschrift tot doel heeft de aandacht van het publiek te trekken voor dit object of onderwerp; ook ideële uitingen voor een bepaalde boodschap vallen volgens de genoemde jurisprudentie onder het begrip ‘openbare aankondiging’. In die zin is voor de vraag of een opschrift al dan niet als openbare aankondiging belastingplichtig is, niet relevant wat de achterliggende gedachte is voor het trekken van de aandacht van het publiek. Het is dus ook niet relevant of er met een opschrift al dan niet beoogd wordt reclame te maken.

Niet in geding is dat de litigieuze uitingen zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. De rechtbank overweegt voorts met verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 januari 2012 (LJN BV6469) dat deze uitingen slechts aan het publiek kenbaar maken dat het pand met [nr] aldaar is gelegen. De uitingen verschillen in zoverre niet van een nummeraanduiding op de gevel van een gebouw. Mede gelet op de grootte van het aangebrachte nummer volgt de rechtbank verweerder weliswaar in zijn stelling dat eiser met de uitingen de aandacht trekt van het publiek, maar zij is evenwel niet van oordeel dat hiermee de aandacht van het publiek wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap. In casu gaat het slechts om een nummeraanduiding. De bijzondere vormgeving van het aangebrachte nummer maakt het oordeel niet anders.

Dit brengt met zich dat de aanslag reclamebelasting ten onrechte aan eiser is opgelegd. De overige beroepsgronden behoeven derhalve geen bespreking meer.

Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het beroep is gegrond te achten; het besteden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal, onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf recht doen in de zaak en de aanslag reclamebelasting herroepen.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 472, - toe voor de indiening van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 472,- x 1 = € 944,-. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-herroept de aanslag reclamebelasting, aanslagnummer 25108654, van 31 maart 2012;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €42, - aan eiser te vergoeden;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van €944, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Oosterman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.J. Wenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2013.

w.g. S. Wenders w.g. Oosterman

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 januari 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.