Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BY9299

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
AWB 12 / 2162, AWB 12 / 2163 en AWB 12 / 2164
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen drie besluiten van 7 december 2012 waarbij verweerder de aan verzoekster verleende accreditaties met terugwerkende kracht heeft ingetrokken. Verzoeken afgewezen, nu de belangen die verweerder behartigt dienen te prevaleren boven de belangen van verzoekster bij toewijzing van de verzoeken. Daarbij heeft de voorzieningenrechter onder meer van belang geacht dat toewijzing van de verzoeken tot gevolg zou kunnen hebben dat conformiteitsbeoordelende activiteiten onverminderd worden uitgevoerd, waarvan – indien in de (mogelijke) hoofdzaken zou komen vast te staan dat verweerder (wel) terecht tot intrekking van de accreditaties is overgegaan – later zou kunnen worden vastgesteld dat zij geen of weinig waarde hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12 / 2162, AWB 12 / 2163 en AWB 12 / 2164

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2013 in de zaken tussen

MKB-Certificatie BV, verzoekster,

en

het bestuur van de Raad voor Accreditatie, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 7 december 2012

Kenmerk: RvA 32920, RvA 32968 en RvA 32960

Procesverloop

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten heeft verweerder de aan verzoekster verleende accreditaties met registratienummers C150, l126 respectievelijk C254 met terugwerkende kracht vanaf 30 november 2012 ingetrokken.

Verzoekster heeft bij verweerder een bezwaarschrift doen indienen tegen deze besluiten. Voorts is de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te treffen.

Verweerder heeft de stukken die op de zaken betrekking hebben ingezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 16 januari 2013, alwaar voor verzoekster zijn verschenen [naam A], [naam B] en [naam C], bijgestaan door mr. G.A.M. van de Wouw, werkzaam bij Adelmeijer Hoyng Advocaten te Maastricht. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. T. Ponte en

M.A.J. Pijnenburg, beiden werkzaam bij de Raad voor Accreditatie.

Overwegingen

De voorzieningenrechter overweegt allereerst ambtshalve dat op de verzoeken het recht van toepassing is zoals dat gold tot en met 31 december 2012, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in verbinding met deel C, artikel 1, tweede lid, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht. Voorts wordt als volgt overwogen.

In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, is bepaald dat, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt vast, dat aan de eerste twee in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu verzoekster bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van verweerder van 7 december 2012 ter zake waarvan een voorlopige voorziening is gevraagd en deze rechtbank bevoegd moet worden geacht om van de (mogelijke) hoofdzaken kennis te nemen. Ook de vereiste onverwijlde spoed acht de voorzieningenrechter, mede gelet op het verhandelde ter zitting, voldoende aannemelijk gemaakt.

Tot het treffen van een voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor de indiener van het verzoek uit een bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. In het kader van deze belangen¬afweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter over het geschil in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.

Verzoekster heeft de inhoud van het aan de besluiten (onder meer) ten grondslag gelegde beoordelings¬rapport van 26 november 2012 (gemotiveerd) bestreden. Verzoekster heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de beoordelingen van verweerder onjuistheden bevatten en niet als (voldoende) objectief kunnen worden aangemerkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of er, gelet op de inhoud van voornoemd rapport, concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de juistheid en objectiviteit hiervan zich minder goed leent voor beantwoording in een procedure als de onderhavige. Dit geldt eveneens voor de vraag of in dit kader aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, van de Awb. Naar dezerzijds oordeel dienen dergelijke vragen te worden beantwoord door de rechter in de (mogelijke) hoofdzaken, bij voorkeur door de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Gelet op het voorgaande zullen de onderhavige verzoeken worden beoordeeld aan de hand van een belangenafweging, waarin de beoordeling van de mate van ingrijpendheid van toewijzing van de verzoeken, het nadeel van de ene partij in verhouding tot dat van de andere partij én de mate van onomkeerbaarheid van het wel of niet treffen van een voorlopige voorziening centraal staan.

Ter zake de mate van onomkeerbaarheid van het wel of niet treffen van een voorlopige voor¬ziening, overweegt de voorzieningenrechter dat het niet treffen hiervan kan leiden tot een situatie waarin onomkeerbare gevolgen voor verzoekster ontstaan. Verzoekster heeft immers (onbestreden) gesteld dat haar werkzaamheden uitsluitend verband houden met de drie accreditaties, zodat de intrekking van deze accreditaties feitelijk tot sluiting van de onderneming zouden kunnen leiden. Derhalve is het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening groot te achten. Daarbij merkt de voorzieningenrechter wel op dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat het verzoekster thans – dus ook hangende de onderhavige procedures – vrijstaat een nieuwe aanvraag voor accreditatie in te dienen (bij verweerder), zodat de gevolgen van de onderhavige intrekkingen wellicht daarmee beperkt zouden kunnen worden.

De voorzieningenrechter overweegt evenwel dat de bestreden besluiten ter bescherming van belangen van derden strekken, zijnde de ondernemingen ten aanzien van wie verzoekster conformiteitsbeoordelende activiteiten uitvoert. Anders gezegd: tegenover de belangen van ver¬zoekster bij toewijzing van de verzoeken staan de belangen van vele ondernemingen, alsmede de belangen van de consument. Dit dient in het licht geplaatst te worden van de Verordening (EG) nr. 765/2008 van 9 juli 2008, ter implementatie waarvan verweerder als nationale accreditatie-instantie is aangewezen. Deze verordening strekt ertoe te waarborgen dat producten die vallen onder het vrije verkeer van goederen binnen de Europese Gemeenschap voldoen aan eisen die een hoog beschermings¬niveau bieden voor algemene belangen, zoals (onder meer) gezondheid en veiligheid in het algemeen, gezondheid en veiligheid op het werk en consumentenbescherming. Zoals door verweerder is gesteld, blijkt uit de preambule van voornoemde verordening dat accreditatie deel uit maakt van een ruimer systeem dat ook de conformiteitsbeoordeling en het markttoezicht omvat en dat is opgezet om overeenstemming met de toepasselijke eisen te controleren en te garanderen. Voorts volgt uit de preambule dat de bijzondere waarde van accreditatie erin bestaat dat hierbij een gezaghebbende verklaring wordt afgegeven over de technische bekwaamheid van instanties die overeenstemming met de toepasselijke eisen moeten waarborgen. Toewijzing van de onderhavige verzoeken zou tot gevolg hebben dat conformiteitsbeoor¬delende activiteiten onverminderd worden uitgevoerd, waarvan – indien in de (mogelijke) hoofdzaken zou komen vast te staan dat verweerder (wel) terecht tot intrekking van de accreditaties is overgegaan – later zou kunnen worden vastgesteld dat zij geen of weinig waarde hebben.

De voorzieningenrechter overweegt daarnaast dat indien in de (mogelijke) hoofdzaken zou komen vast te staan dat verweerder de in het beoordelingsrapport van 26 november 2012 genoemde afwijkingen terecht heeft vastgesteld, dit eveneens tot het oordeel zou kunnen leiden dat – voor zover betrekking hebbende op de gestelde A-afwijking – de door verzoekster reeds uitgevoerde conformiteitsbeoor¬delende activiteiten geen of weinig waarde hebben en voor zover betrekking hebbende op de gestelde B-afwijkingen in de toekomst de door verzoekster reeds uitgevoerde conformiteitsbeoor¬delende activiteiten geen of weinig waarde zouden kunnen hebben, als bedoeld in artikel 3 van de Beleidsregel Afwijkingen en Corrigerende maatregelen.

Gelet op de ratio van deze regelgeving is de voorzieningenrechter onder voornoemde omstandigheden van oordeel dat de belangen die verweerder behartigt dienen te prevaleren boven de belangen van verzoekster bij toewijzing van de verzoeken. Bij dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter voorts dat de onderhavige intrekkingen niet de eerste maatregelen zijn die verweerder in dezen heeft genomen. Ver¬weerder heeft immers reeds bij (onherroepelijke) besluiten van 3 mei 2012 de drie accreditaties geschorst voor de periode van 1 mei 2012 tot uiterlijk 1 november 2012, welke schorsingen bij besluiten van

2 november 2012 tot 1 december 2012 zijn verlengd.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de verzoeken om een voorlopige voorziening te worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt dan ook als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H.S. Ayre, rechter, in aanwezigheid van Z.C.J. Adams, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.

w.g. Z. Adams w.g. S. Ayre

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.