Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BY8829

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
C/03/166072 / HA ZA 11-790
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1131
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap, Marokkaans recht, Mudawwana, Mud, IJI,

Samenvatting:

Partijen zijn in 1973 gehuwd in Marokko. Dit huwelijk is op 19 december 2002 naar Marokkaans recht ontbonden in Marokko. Bij beschikking van 23 juni 2004 heeft de rechtbank te Maastricht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de verdeling van de aan partijen gemeenschappelijk toebehorende goederen bevolen. Deze beschikking is op 6 augustus 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In een verstrekvonnis van 1 juni 2011 heeft de rechtbank te Maastricht op verzoek van de vrouw de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld en verdeeld. De man is tegen dit verstekvonnis in verzet gekomen, omdat – zo stelt hij als meest vertrekkend verweer – er naar Marokkaans recht nimmer enige huwelijksgoederengemeenschap kan ontstaan tijdens een huwelijk. De rechtbank volgt de man niet in deze stelling. Gelet op de bewoordingen van artikel 49 van het Marokkaanse wetboek van familie- en erfrecht (de Mudawwana of Mud), zulks bezien in het licht van bevindingen van het Internationaal Juridisch Instituut te ’s-Gravenhage (IJI) in andere zaken die ook in dit geval relevant zijn, en relevante passages uit het proefschrift van mr. L. Jordens-Cotran “Nieuw Marokkaans Familierecht en Nederland IPR” (2007), is de rechtbank van oordeel dat de vrouw bij ontbinding van het huwelijk een deel van de waarde van de huwelijksgoederengemeenschap kan opeisen indien zij bewijst dat zij door haar inspanning en werkzaamheden aan die waarde heeft bijgedragen en dat artikel 49 Mud mede omvat werkzaamheden die de vrouw gedurende het huwelijk in de huishouding heeft verricht. Gelet op de lengte van het huwelijk, waarbinnen drie kinderen zijn geboren en het feit dat de man in staat was loon uit arbeid te verwerven terwijl de vrouw zorgde voor het huishouden en de (opgroeiend) kinderen, zulks bezien in het licht van artikel 49 Mud en de diverse toelichtingen daarop, acht de rechtbank het redelijk een verdeling op basis van 50/50 te hanteren.

De rechtbank stelt partijen vervolgens in de gelegenheid zich nader uit te laten over de waarden van bepaalde te verdelen goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/166072 / HA ZA 11-790

Vonnis van 16 januari 2013

in de zaak van

[eiser in het verzet],

wonende te Heerlen,

eiser in het verzet (opposant),

advocaat mr. C.M.A. Fens te Heerlen (toevoeging),

tegen

[gedaagde in het verzet],

wonende te Heerlen,

gedaagde in het verzet (geopposeerde),

advocaat mr. E.R.T.A. Luijten te Heerlen (toevoeging).

Partijen zullen hierna [eiser in het verzet] en [gedaagde in het verzet] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 november 2011,

- het proces-verbaal van comparitie van 22 maart 2012,

- de akte overlegging nadere stukken van de zijde van [eiser in het verzet],

- de akte houdende een productie van de zijde van [gedaagde in het verzet].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald en wel nader op heden.

2. De feiten

2.1. [eiser in het verzet] en [gedaagde in het verzet] zijn op 31 maart 1973 te Ouled Teima (Marokko) met elkaar getrouwd. Ze bezitten beiden de Marokkaanse nationaliteit.

2.2. Op 23 oktober 2002 hebben partijen op het consulaat-generaal van het Koninkrijk Marokko te ’s-Hertogenbosch aangegeven een echtscheiding te wensen. Dit is neergelegd in een proces-verbaal ter zake een poging tot verzoening in aanwezigheid van beide echtgenoten (productie 4 bij akte [eiser in het verzet]).

2.3. Blijkens de (beëdigde Nederlandse vertaling van de) “Akte van herroepbare

scheiding” heeft een tweetal notariële getuigen (toevoeging rechtbank: de zogenoemde Adl) op 3 december 2002 (voor zover thans relevant) de volgende getuigenis ontvangen, waarvan de tekst luidt:

“(...) Op grond van de toestemming tot echtscheiding, uitgevaardigd door mr. Mohamed Nesmi, rechter belast met legalisatie en familiezaken bij de centrale rechtbank van Ouled Teima en de eronder ressorterende districtsrechtbanken, d.d. 26/11/2002, dossier herroepbare echtscheiding no. 167/2002, toestemming no.: 40/2002, gebaseerd op het proces-verbaal inzake het falen van verzoening, afgegeven door het consulaat-generaal van het Koninkrijk Marokko te ’s-Hertogenbosch in Nederland op 23/10/2002, is voor ons, te onzen kantore, verschenen [[eiser in het verzet]] (...), die aan ons heeft verklaard dat hij van zijn echtgenote is gescheiden, te weten: [[gedaagde in het verzet]], (...) en dit middels een eenmalige, eerste, herroepbare verstoting, waarbij hij haar als echtgenote terug kan nemen binnen de termijn van haar wachtperiode na de echtscheiding [‘idda’], (...), aldus zijn verklaring, en dit nadat hij voor haar in de kas van de centrale rechtbank te Ouled Teima een geldbedrag ter hoogte van achtenzestig duizend vierhonderdnegentig dirham (68.490,00 MAD) heeft gedeponeerd (...), als waarborgsom ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de verplichtingen die voortvloeien uit de echtscheiding, hetgeen heeft plaatsgevonden bij verstek van de echtgenote. (...) Waarvan akte, opgemaakt op (...) 15 december 2002 A.D. (...)”

Hieronder volgen de handtekeningen van de twee notariële getuigen (Adl), waaronder een stempel en de woorden “Lof aan God alleen, De juistheid van deze akte is vastgesteld op (...) 19 december 2002”, gevolgd door een handtekening en een naamstempel waarop staat “mr. Mohamed Nesmi”, waarbij een ronde stempel met daarop “Koninkrijk Marokko – Ministerie van Justitie Centrale rechtbank te Ouled Teima De legalisatierechter”, en een stempel rechtsonder waarop staat “kopie conform origineel, gelegaliseerd door de voorzitter van de [onleesbaar] raad van de gemeente El Guerdane. Datum 24 december 2002”, waarbij een handtekening en een stempel staan.

2.4. Op 5 november 2002 heeft [eiser in het verzet] een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorziening ingediend bij deze rechtbank, sector civiel. Blijkens de overwegingen in de beschikking van de rechtbank van 23 juni 2004 heeft [eiser in het verzet] gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat hij echtscheiding verzoekt alsmede een bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen. De rechtbank heeft op voornoemde datum vervolgens de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de verdeling van de aan partijen gemeenschappelijk toebehorende goederen bevolen. Deze beschikking is op 6 augustus 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage.

3. Het geschil

3.1. [eiser in het verzet] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (1) hem te ontheffen van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij vonnis van de rechtbank te Maastricht op

1 juni 2011 tussen hem als gedaagde en [gedaagde in het verzet] als eiseres, (2) de vordering van [gedaagde in het verzet] niet ontvankelijk te verklaren, hetzij haar de vordering te ontzeggen, met veroordeling in de kosten van dit geding.

3.2. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat ter comparitie al is geoordeeld dat het verzet van [eiser in het verzet] tijdig is ingesteld, zodat [eiser in het verzet] in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2. In het verstekvonnis van 1 juni 2011 (met zaaknummer 156331 / HA ZA), waartegen [eiser in het verzet] in verzet is gekomen, heeft de rechtbank onder 3 het volgende beslist:

“verklaart eiseres [toevoeging rechtbank: [gedaagde in het verzet]] niet-ontvankelijk in haar vordering sub 1;

stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap aldus vast dat:

aan eiseres wordt toegedeeld:

- het saldo van de spaarrekening met nummer XXXXXXXXX bij de Rabobank Kerkrade e.o. , ten bedrage van € 7.700,--;

- een bedrag van € 91.877,70, wegens overbedeling van gedaagde [toevoeging rechtbank: [eiser in het verzet]]

aan gedaagde wordt toegedeeld:

- de eigendom van het complex van vier gebouwen, gelegen te Sebt El Guerdane, provincie Taroudant, Marokko (als bedoeld in productie 8 van eiseres);

- acht terreinen van 100 m², gelegen te Douar Lakhnanfif Caïdat Ouled Mhazlla, provincie Taroudant (als bedoeld in productie 8 van eiseres);

verstaat dat partijen hun medewerking zullen verlenen aan de levering van de in de verdeling betrokken goederen;

veroordeelt gedaagde wegens overbedeling tot betaling aan [eiser in het verzet] van € 91.877,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na levering van het aandeel van de eigendom van eiseres in de onroerende zaken aan gedaagde, tot de dag der voldoening;

bepaalt dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af. (...)”

Nu [eiser in het verzet] tegen voornoemd vonnis in verzet is gekomen, ligt dit (als uitvloeisel van de oorspronkelijk door [gedaagde in het verzet] ingestelde dagvaarding) thans ter beoordeling voor.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat hun huwelijk naar Marokkaans recht op

19 december 2002 in Marokko is ontbonden door middel van een herroepbare scheiding, hetgeen blijkt uit de overgelegde akte van herroepbare scheiding (zie onder 2.3.), die op

15 december 2002 is opgemaakt door Adl en die op 19 december 2002 is bekrachtigd door de legalisatie/homologatierechter. De rechtbank begrijpt hierbij dat de door [eiser in het verzet] genoemde datum van 3 december 2002 abusievelijk als ontbindingsdatum is genoemd, nu hij op die datum zijn verklaring tegenover de Adl heeft afgelegd, terwijl het huwelijk naar Marokkaans recht eerst wordt ontbonden door homologatie van de naar aanleiding daarvan door de Adl opgestelde akte door een legalisatie/homologatierechter, hetgeen op

19 december 2002 is gebeurd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat als peildatum

voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap 19 december 2002 dient te worden gehanteerd.

4.4. De rechtbank stelt vast dat [eiser in het verzet] vrijwel gelijktijdig met de opgestarte Marokkaanse scheidingsprocedure een verzoekschrift bij de rechtbank te Maastricht heeft ingediend met het verzoek het huwelijk te ontbinden én te bevelen de huwelijksgoederengemeenschap te verdelen. De uitspraak in die zaak is gedaan op

23 juni 2004 en de beschikking is op 6 augustus 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. In deze beschikking is tevens geoordeeld dat Marokkaans huwelijksvermogensrecht van toepassing is op het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, hetgeen de rechtbank als vaststaand aanneemt. Nu deze beschikking op verzoek van [eiser in het verzet] is genomen en deze beschikking onherroepelijk is, is de rechtbank van oordeel dat op de thans voorliggende verzochte verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van toepassing is het Marokkaanse wetboek van familie- en erfrecht (hierna: Mudawwana of Mud) dat op 5 februari 2004 – dus vóór gemelde inschrijving – in werking is getreden en dat geen overgangsrecht kent. Hieraan doet niet af dat als peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap 19 december 2002 heeft te gelden.

4.5. Met het oog op de hierna onder 4.8. en volgende te beoordelen vraagpunten en verweren, neemt de rechtbank onder 4.5. tot en met 4.7. hiervoor relevante bepalingen en uitleg op. Artikel 49 Mud luidt (volgens de vertaling van mr. drs. M.S. Berger, Nijmegen 2004) als volgt:

- “Beide echtgenoten behouden de bevoegdheid om over hun vermogen te beschikken, onafhankelijk van die van de ander. Binnen het kader van het beheer van vermogensbestanddelen welke zijn verworven gedurende het huwelijk kunnen beide [echtgenoten] overeenstemming bereiken over het vermogensrechtelijk gebruik en de verdeling ervan.

Deze overeenstemming wordt opgenomen in een akte welke onafhankelijk is van de huwelijksovereenkomst.

- De twee Adl’s stellen de twee partijen bij hun huwelijk in kennis van voormelde bepalingen.

Indien er geen overeenstemming is, wordt gebruik gemaakt van de algemene beginselen van het bewijsrecht, met inachtneming van de werkzaamheden van ieder van beide echtgenoten, alsmede met wat is ingebracht aan inspanningen en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin.”

4.6. In de (Franstalige) toelichting op artikel 49 Mud staat het volgende (de rechtbank verwijst ter zake naar de uitspraken van Rechtbank Zutphen van 1 maart 2007, LJN: AZ9734 en Rechtbank Haarlem van 30 maart 2010, LJN: BM5915):

“Il arrive que les conjoints ne parviennent pas à conclure un accord à propos de la gestion desdits biens et que l’un d’eux prétend avoir droit sur les biens acquis par l’autre durant la période de mariage. En cas de litige, chacun peut apporter la preuve de sa participation au développement des biens de l’autre. Dans ce cas, il est fait application des règles générales de la preuve.”

Vrij vertaald komt dit neer op het volgende. Het komt voor dat de echtgenoten er niet in slagen tot overeenstemming te komen over het beheer van hun goederen en dat een van hen aanspraak maakt op vermogensbestanddelen die de ander heeft verworven gedurende het huwelijk. In geval van twist kan elk van hen bewijs aandragen van zijn aandeel in de ontwikkeling van de goederen van de ander. In dat geval worden de algemene bewijsregels toegepast.

4.7. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van

27 september 2011 (LJN: BT8638), waarin weer wordt verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 maart 2010 (LJN: BL9459), herhaalt de rechtbank hetgeen daar (in r.o. 2.12 en 2.13) is overwogen:

“Volgens het rapport van het IJI [toevoeging rechtbank: het Internationaal Juridisch Instituut te ’s-Gravenhage] ontstaat in het algemeen naar Marokkaans recht door het huwelijk als zodanig geen gemeenschappelijk vermogen. Een echtgenoot kan aanspraak maken op vergoeding voor tijdens het huwelijk geleverde inspanningen die hebben bijgedragen aan de vermogensvermeerdering van de andere echtgenoot in de vorm van een deel van de vermogensaanwas. Tijdens de parlementaire behandeling van artikel 49 Mud heeft de regering erop gewezen dat dit artikel ruim geredigeerd is en hiermee de mogelijkheid geeft om allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol te laten spelen in zijn beoordeling. Mede gelet op het feit dat een waardering door de rechter uitsluitend betrekking kan hebben op hetgeen gedurende het huwelijk is verkregen, komt het het IJI voor dat de laatste zin van artikel 49 Mud uitdrukkelijk niet doelt op een concrete bijdrage tot waardevermeerdering. Werkzaamheden in de huishouding door een echtgenoot die hebben bijgedragen aan de vermogensaanwas van de andere echtgenoot, kunnen op grond van artikel 49 Mud een grondslag vormen voor een aanspraak op vergoeding jegens laatstgenoemde echtgenoot. Het is aan de rechter om een dergelijke aanspraak te beoordelen in het licht van de concrete omstandigheden van het geval. Naar het hof begrijpt is er volgens het rapport geen jurisprudentie over de vraag wat dient te worden verstaan onder “de werkzaamheden van ieder van beide echtgenoten, alsmede wat is ingebracht aan inspanningen”. Voorts is in het IJI-rapport vermeld dat in het algemeen geen informatie is aangetroffen over enig onderscheid tussen goederen op naam en goederen niet op naam in het Marokkaanse recht betreffende de vermogens van de respectievelijke echtgenoten.”

In het proefschrift van mr. L. Jordens-Cotran “Nieuw Marokkaans Familierecht en Nederlands IPR, Sdu, 2007” staat, voor zover thans van belang, op pagina’s 780 en 782 het volgende:

“Artikel 49 Mud bevestigt de geldende algehele scheiding van goederen: ieder der echtgenoten beschikt over een eigen, onafhankelijk vermogen. Partijen zijn echter vrij om afspraken te maken over het beheer van het vermogen dat gedurende het huwelijk verkregen zal worden en over de wijze van verdeling ervan [pagina 780 van het proefschrift]. (…)

Hebben partijen geen afspraken bij huwelijkssluiting gemaakt of rijst onenigheid hierover, dan beslist de rechter hierover rekening houdend met ‘wat is ingebracht aan inspanning en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin’ (artikel 49, laatste alinea Mud).

Uit deze woorden zouden twee conclusies getrokken kunnen worden. Ten eerste dat ook zonder het aangaan van een overeenkomst bij het aangaan van het huwelijk, de belanghebbende partij een deel van het opgebouwde vermogen kan opeisen, bijvoorbeeld bij huwelijksontbinding. De tweede conclusie is dat ook de soort ‘inspanning’ en werkzaamheden die tot een verdeling mogen leiden door de rechter beoordeeld moeten worden. Artikel 49 Mud specificeert niet de soort bijdrage die door iedere echtgenoot geleverd moet worden om aanspraak op een deel van het vermogen te doen gelden. Tijdens de parlementaire behandeling wordt door de regering erop gewezen dat artikel 49 Mud ruim geredigeerd is en hiermee aan de rechter de mogelijkheid geeft om allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol te laten spelen in zijn beoordeling. Van essentieel belang hierbij is de mededeling van de Marokkaanse regeling [de rechtbank leest: regering] dat het zwijgen van de wet over de bijdrage van de vrouw aan de huishouding niet mag worden uitgelegd als een uitsluiting hiervan; integendeel. De wet is juist ruim opgesteld ‘om de gelijke behandeling van de man en vrouw in de familiewet te benadrukken’.Van belang zijn ten slotte de ‘geruststellende’ woorden van de toelichting op artikel 49 Mud, die heel waarschijnlijk tot het mannelijke gedeelte van de Marokkaanse bevolking zijn gericht. Hierin benadrukt het ministerie van Justitie dat de evaluatie door de rechter van de inspanning en bijdrage van iedere echtgenoot geenszins tot een verdeling ‘door de helft’ van het vermogen leidt. De strekking van dit verbod is mijns inziens onduidelijk. Ligt hierin een verbod aan de rechter om het vermogen dat tijdens het huwelijk verkregen is gelijkelijk tussen beide echtgenoten te verdelen of wordt hiermee een verbod geuit op een afwijking van de gewone uitsluiting van goederen die nog steeds [de rechtbank begrijpt: geldt] met betrekking tot de goederen die ieder de echtgenoten bij huwelijkssluiting had? [pagina 782 van het proefschrift] (...)”.

4.8. Thans ligt voor of (i) het (Nederlandse) spaargeld (volgens [gedaagde in het verzet] € 7.700,00), (ii) de percelen grond in Marokko (in deze verzetprocedure is gebleken dat het niet gaat over acht terreinen van 100 m² ieder, zoals in het voormelde verstekvonnis is aangenomen, maar dat het twee percelen in Douar Lakhnafif betreft van respectievelijk 451 m² en 200 m²) en (iii) het perceel grond (381 m²) in Marokko genaamd Melk Rtimi, waarop een huis is gebouwd (dat is onderverdeeld in 4 aparte woningen) met een terras, een chique kamer, een cisterne en een garage, binnen de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vallen en zo ja, op welke manier (in het bijzonder volgens welke verdeelsleutel) deze dan tussen partijen dienen te worden verdeeld.

4.9. [eiser in het verzet] heeft als meest verstrekkend verweer gesteld (zo begrijpt de rechtbank) dat er naar Marokkaans recht nimmer enige huwelijksgoederengemeenschap kan ontstaan tijdens het huwelijk. Aangezien de percelen en de woning op zijn naam staan, zijn deze géén gemeenschappelijk eigendom (geworden), zodat deze evenmin tussen partijen hoeven te worden verdeeld. Voorts heeft [eiser in het verzet] betwist dat [gedaagde in het verzet] nog aanspraak heeft op

€ 7.700,00, nu hij bij het verlaten van de echtelijke woning (circa eind december 2001) ten behoeve van [gedaagde in het verzet] een bedrag van € 13.613,40 op bankrekening met nummer XXXX.XXX.XXX heeft achtergelaten.

4.10. [gedaagde in het verzet] heeft gesteld dat het perceel grond van 381 m² en het daarop vervolgens gebouwde huis in Marokko (in 1974) en de percelen grond (in de jaren negentig) tijdens het huwelijk met gemeenschappelijk geld zijn verkregen en gebouwd, waardoor zij gemeenschappelijk vermogen zijn geworden. [gedaagde in het verzet] heeft betwist € 13.613,40 te hebben ontvangen toen [eiser in het verzet] uit de woning is vertrokken. [eiser in het verzet] had (ook) met een pasje toegang tot die rekening. Bovendien had hij in Marokko gelden opgepot, die hij (deels) heeft gebruikt voor de aanschaf van onroerend goed en voor de bouw van woningen, reden waarom zij thans aanspraak maakt op het bedrag van € 7.700,00.

4.11. De rechtbank begrijpt het standpunt van [gedaagde in het verzet], mede gelet op hetgeen ter zake ter comparitie is verklaard, aldus, dat zij (primair) heeft gesteld dat er (ook naar Marokkaans recht) een gemeenschappelijk vermogen is ontstaan waarop zij thans aanspraak maakt bij de verdeling, nu zij gedurende het huwelijk de zorg voor het huishouden en de kinderen op zich heeft genomen waardoor [eiser in het verzet] buitenshuis betaalde arbeid kon verrichten althans (subsidiair) dat zij een vordering op [eiser in het verzet] heeft in verband met de waardevermeerdering van zijn vermogen, die mede is ontstaan doordat de percelen grond en het huis in Marokko uit het (gezamenlijke) gezinsinkomen van partijen zijn gekocht, gebouwd en/of verfraaid, hetgeen mogelijk was nu [gedaagde in het verzet] gedurende het huwelijk het huishouden en de kinderen heeft verzorgd waardoor [eiser in het verzet] het gezinsinkomen kon verwerven.

4.12. De rechtbank stelt voorop dat hoewel de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten naar Marokkaans recht de hoofdregel is, het samenleven gedurende het huwelijk zeer vaak leidt tot vermenging van goederen waarvan de eigendom na verloop van tijd en bij ontbreken van bewijs moeilijk is vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat ook naar Marokkaans recht, gelet op het hiervoor (onder 4.5.-4.7.) weergegevene, er (anders dan [eiser in het verzet] heeft gesteld) wél een huwelijksgoederengemeenschap kan ontstaan, zulks evenwel afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Uit de bewoordingen van artikel 49 Mud, bezien in onderling verband met de hiervoor geciteerde passages van het IJI – die naar het oordeel van de rechtbank ook in dit geval relevant zijn – alsmede uit de geciteerde passages uit het proefschrift van Jordens-Cotran kan in ieder geval het volgende met betrekking tot de onderhavige procedure worden afgeleid:

(i) [gedaagde in het verzet] kan, ook zonder dat partijen afspraken hebben gemaakt over het vermogensrechtelijk gebruik en de verdeling van vermogensbestanddelen die tijdens het huwelijk zijn verworven, bij ontbinding van het huwelijk een deel van de waarde van de percelen grond en de woning in Marokko opeisen indien zij bewijst dat zij door haar inspanning en werkzaamheden aan die waarde heeft bijgedragen, en

(ii) artikel 49 Mud omvat mede werkzaamheden die [gedaagde in het verzet] gedurende het huwelijk in de huishouding heeft verricht.

4.13. Voor het geval er wel een goederengemeenschap tijdens het huwelijk is ontstaan, heeft [eiser in het verzet] gesteld dat de Marokkaanse rechter in de “Akte van herroepbare scheiding” (zie onder 2.3.) deze al heeft verdeeld en afgewikkeld, nu hij heeft bepaald dat [eiser in het verzet] ter zake 68.490 Dirham ter griffie moest betalen alvorens te kunnen scheiden. Volgens [gedaagde in het verzet] betreft de betaling van dit bedrag een soort van griffierecht, althans het betreft in ieder geval niet de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

4.14. De rechtbank is van oordeel dat uit de artikelen 83, 84 en 97 Mud kan worden afgeleid dat, indien een verzoening niet kan worden bewerkstelligd, de (Marokkaanse) rechtbank binnen 30 dagen een bedrag vaststelt dat de man ter griffie dient te deponeren ter voldoening van (onder andere) het levensonderhoud gedurende de wachtperiode. Nu [eiser in het verzet] zelf heeft gesteld dit bedrag bij de echtscheiding ter plaatse bij de griffie van de (Marokkaanse) rechtbank te hebben betaald, en hij heeft nagelaten nadere feiten en omstandigheden te stellen ter betwisting van de stelling van [gedaagde in het verzet], gaat de rechtbank ervan uit dat dit bedrag betrekking heeft op (i.c.) een bedrag voor levensonderhoud en niet op de (finale) afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van het ontbonden huwelijk van partijen. De rechtbank volgt dan ook niet de stelling van [eiser in het verzet].

4.15. Anders dan [eiser in het verzet] heeft gesteld, valt uit de door hem overgelegde (beëdigde) vertalingen van het beroep en hoger beroep niet af te leiden dat door het Gerechtshof dan wel de Hoge Raad in Marokko een (finale) beslissing is genomen met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. De rechtbank volgt daarom deze stelling van [eiser in het verzet] evenmin.

4.16. Uit het voorgaande volgt, dat partijen gedurende hun huwelijk een gemeenschappelijk vermogen hebben opgebouwd, dat thans dient te worden verdeeld. De rechtbank benadrukt hierbij dat het tussen partijen enkel nog gaat over de verdeling van de onder 4.8. weergegeven goederen. De rechtbank zal de te verdelen goederen hierna één voor één beoordelen.

4.16.1. De rechtbank stelt voorop dat [eiser in het verzet] niet heeft weersproken dat [gedaagde in het verzet] gedurende het huwelijk voor de huishouding en de kinderen zorgde, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Gelet op de lengte van het huwelijk tussen partijen, bijna dertig jaren, waarbinnen drie kinderen zijn geboren, en het feit dat [eiser in het verzet] in staat was loon uit arbeid te verwerven terwijl [gedaagde in het verzet] zorgde voor het huishouden en de (opgroeiende) kinderen, zulks bezien in het licht van artikel 49 Mud en de diverse toelichtingen daarop, acht de rechtbank het in de onderhavige procedure redelijk een verdeling op basis van 50/50 te hanteren.

Het bedrag van € 7.700,00

4.16.2. [gedaagde in het verzet] heeft gesteld dat, aangezien [eiser in het verzet] zich gemeenschappelijk geld (dat zich in Marokko bevond) heeft toegeëigend, het volledige bedrag van € 7.700,00 daarom aan haar moet worden toebedeeld. [eiser in het verzet] heeft betwist dat er gemeenschappelijke gelden in Marokko waren en/of dat hij zich die heeft toegeëigend. Gelet op de betwisting van [eiser in het verzet] is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde in het verzet] onvoldoende ter zake heeft gesteld. Aldus valt niet in te zien dat en waarom het gemeenschappelijke (Nederlandse) geld van partijen in zijn geheel aan haar zou moeten worden toebedeeld.

4.16.3. De rechtbank stelt vervolgens echter vast dat [gedaagde in het verzet] een (kopie van een) bankafschrift heeft overgelegd waaruit blijkt dat op 31 december 2005 het saldo van de bankrekening bedroeg € 7.700,00. [eiser in het verzet] heeft een (kopie van een) bankafschrift van die rekening overgelegd, waaruit blijkt dat het saldo op 31 december 2001 bedroeg € 13.613,40. Nu echter van de peildatum 19 december 2002 dient te worden uitgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen bij akte bescheiden (bankafschriften) in het geding te brengen waaruit het saldo op 19 december 2002 blijkt.

Het perceel grond van 451 m²

4.16.4. Nu [eiser in het verzet] ter comparitie heeft gesteld dat deze grond voor 15.000 Dirham met geld uit zijn arbeidsloon tijdens het huwelijk van partijen is gekocht, is de rechtbank van oordeel dat deze grond daardoor gemeenschappelijk eigendom is geworden van partijen.

4.16.5. [gedaagde in het verzet] heeft een (beëdigde) vertaling van een verklaring omtrent taxatie van

20 april 2012 overgelegd, waaruit blijkt dat dit perceel (hoewel daar aangeduid als 460 m², gaat de rechtbank er vanuit dat dit hetzelfde perceel betreft) is getaxeerd op 160.000,00 Dirham.

4.16.6. [eiser in het verzet] heeft een “Dossier technique”, opgesteld in november 2011 in de Franse taal door architect Boubad Said, overgelegd, waaruit blijkt dat de globale geschatte prijs ervan 67.500,00 Dirham bedraagt.

4.16.7. De rechtbank stelt vast dat het verschil in de door partijen begrote waarde aanzienlijk is. De rechtbank stelt voorts vast dat de waarde per de peildatum onbekend is, nu partijen een taxatie van respectievelijk november 2011 en april 2012 in het geding hebben gebracht. Gelet hierop zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten of zij een deskundigenbericht ter zake willen dan wel of de rechtbank ex aequo et bono zelf de waarde mag bepalen. De rechtbank geeft in dit verband partijen in overweging mee dat een deskundigenbericht tijdrovend en kostbaar zal kunnen blijken te zijn.

Het perceel grond van 200 m²

4.16.8. [gedaagde in het verzet] heeft een (beëdigde) vertaling van een verklaring omtrent taxatie van

20 april 2012 overgelegd, waaruit blijkt dat dit perceel is getaxeerd op 60.000,00 Dirham.

4.16.9. [eiser in het verzet] heeft (een beëdigde vertaling van) een “Dossier technique”, opgesteld in november 2011 in de Franse taal door architect Boubad Said, overgelegd, waaruit blijkt dat

de globale geschatte prijs ervan 20.000,00 Dirham bedraagt.

4.16.10. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank onder 4.16.7 heeft overwogen, zal de rechtbank partijen ook ten aanzien van de waarde van dit perceel grond in de gelegenheid stellen zich uit te laten.

Het perceel grond van 381 m² met daarop de 4 afzonderlijke woningen, garage, terras, chique kamer en cisterne

4.16.11. [eiser in het verzet] heeft ter comparitie verklaard dit perceel grond in 1974 te hebben gekocht voor 45 Dirham/per m² (dat wil zeggen in totaal voor 17.145 Dirham) met door hem vóór het huwelijk gespaarde middelen, waarna hij met vóór het huwelijk gespaarde middelen de woning (destijds een beneden- en bovenwoning) heeft gebouwd. [gedaagde in het verzet] heeft hiertegen ingebracht dat dit perceel en de woning zijn betaald met gemeenschappelijk geld: [eiser in het verzet] verdiende loon uit arbeid en [gedaagde in het verzet] zorgde voor het huishouden en de kinderen.

4.16.12. De rechtbank volgt [eiser in het verzet] in zijn stelling (partijen waren in 1974 immers pas één jaar gehuwd), nu [gedaagde in het verzet] daar onvoldoende verweer tegen heeft gevoerd. De rechtbank zal dan ook het perceel grond en de woning bij eindvonnis aan [eiser in het verzet] toedelen.

4.16.13. [eiser in het verzet] heeft niet weersproken de stelling van [gedaagde in het verzet] dat de woning gedurende het huwelijk met gemeenschappelijk geld is opgesplitst in 4 aparte woningen, en dat er een garage, een terras, een chique kamer en een cisterne is bijgebouwd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde in het verzet] dient te delen in de waardevermeerdering van het complex.

4.16.14. [gedaagde in het verzet] heeft een (beëdigde) vertaling van een verklaring omtrent taxatie van 20

april 2012 overgelegd, waaruit blijkt dat dit perceel met woningen daarop is getaxeerd op (in totaal) 2.150.000,00 Dirham.

4.16.15. [eiser in het verzet] heeft een “Dossier technique”, opgesteld in november 2011 in de Franse taal door architect Boubad Said, overgelegd, waaruit blijkt dat de globale geschatte prijs ervan bedraagt 900.000,00 Dirham.

4.16.16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat allereerst een waarde dient te worden bepaald van het perceel met de woning meteen na het gereed komen van die woning in 1974. Immers, alleen het perceel kostte destijds 17.145 Dirham, maar wat de daarop gebouwde woning in 1974 kostte is vooralsnog onbekend. Vervolgens dient er een waarde van het perceel met de uitgebreidere woning te worden bepaald per de peildatum. Pas daarna zou een eventuele waardevermeerdering van de woning kunnen worden vastgesteld. De rechtbank zal, onder verwijzing naar hetgeen zij onder 4.16.7. heeft overwogen, partijen in de gelegenheid stellen zich hierover bij akte uit te laten.

4.17. In afwachting van de door partijen te nemen aktes zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verwijst de zaak naar de rol van 27 februari 2013 ten einde bij akte bescheiden (bankafschriften) in het geding te brengen zoals is overwogen onder 4.16.3., alsmede voor akte uitlating omtrent hetgeen is overwogen onder 4.16.7, 4.16.10 en 4.16.16,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.

J.C.