Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BY8751

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
117575 - HA ZA 12-248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reikwijdte aansprakelijkheid werkgever op grond van art: 7:611 BW

Het betreft de schadestaatprocedure tussen een voormalig werknemer en werkgever naar aanleiding van een verkeersongeval dat de voormalig werknemer in het kader van dienstbetrekking is overkomen en de daaruit voortgevloeide schade. In de hoofdprocedure is in meerdere instanties aansprakelijkheid van de werkgever vastgesteld op grond van artikel 7:611 BW. partijen verschillen indringend van mening over de beantwoording van de vraag hoe (het dictum van) de arresten van het hof en de Hoge Raad in de hoofdprocedure moeten worden uitgelegd.

Anders gezegd: dient alle materiële en immateriële schade vergoed te worden die ten gevolge van het ongeval is geleden of komt slechts voor vergoeding in aanmerking de schade die als gevolg van het niet hebben afgesloten van een adequate verzekering aan de werkgever kan worden toegerekend. De rechtbank komt in dit tussenvonnis, waartegen tussentijds hoger beroep is toegelaten, tot het oordeel dat aan de voormalige werknemer alle materiële en immateriële schade vergoed dient te worden die hij ten gevolge van het ongeval heeft geleden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0030
NJF 2013/88
Prg. 2013/88
JAR 2013/50
JA 2013/55
JA 2013/69 met annotatie van mr. F.I. van Dorsser
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Burgerlijk Recht

zaaknummer / rolnummer: 117575 / HA ZA 12-248

Vonnis van 16 januari 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.F. Vermeulen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASTRUM AUTOMOTIVE B.V.,

statutair gevestigd te Apeldoorn, kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. P.A.J.M. Lodestijn.

Partijen zullen hierna [eiser] en Astrum worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 juli 2012, waarbij de zaak is doorverwezen naar de meervoudige kamer van de sector civielrecht, en de in dat vonnis genoemde stukken;

- de bij brief van 7 september 2012 namens [eiser] ten behoeve van de comparitie overgelegde productie;

- de bij brief van 10 september 2012 namens [eiser] ten behoeve van de comparitie overgelegde producties;

- de bij brief van 11 september 2012 namens Astrum ten behoeve van de comparitie overgelegde producties;

- het proces-verbaal van comparitie van 17 september 2012. Mr. Vermeulen heeft een pleitnotitie overgelegd;

- de rolbeslissing van 9 januari 2013.

1.2. Daarna is vonnis bepaald.

2. De feiten, voor zover thans van belang

2.1. [eiser], geboren op [geboortedatum] 1976, is in 1993 in dienst getreden bij Automobielbedrijf Nabuurs Bergen B.V.

2.2. Astrum is (na respectievelijk Autoster Bergen B.V. en Autoster Beheer) aan te merken als rechtsopvolger van Automobielbedrijf Nabuurs Bergen B.V.

2.3. Op 22 juli 1998 is [eiser] terwijl hij een autoambulance van zijn werkgever bestuurde, betrokken geraakt bij een verkeersongeval. [eiser] heeft door dit ongeval ernstig blijvend letsel opgelopen, zoals een hersenkneuzing met een halfzijdige verlamming aan de rechterzijde, een ernstige achteruitgang van het gezichtsvermogen en substantieel orthopedisch letsel.

2.4. [eiser] heeft Astrum (althans haar rechtsvoorgangers) aangesproken tot betaling van alle ten gevolge van het ongeval geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Partijen zijn vervolgens in geschil geraakt over de vraag of Astrum aansprakelijk is.

2.5.1. In de hoofdprocedure heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) bij arrest van 17 april 2007 de rechtsvoorganger van Astrum veroordeeld tot betaling van de door [eiser] naar aanleiding van het ongeval van 22 juli 1998 geleden schade, nader op te maken bij staat.

2.5.2. Blijkens rechtsoverweging 4.13.3. van dit arrest heeft [eiser] destijds wat betreft artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek (BW) aangevoerd dat Astrum aansprakelijk is, omdat [eiser] de schade heeft opgelopen tijdens de deelname aan het verkeer in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden. Blijkens diezelfde rechtsoverweging heeft Astrum aansprakelijkheid destijds betwist op de grond dat het uitsluitend ging om normaal woon-werkverkeer, waarbij [eiser] onverplicht gebruik maakte van de autoambulance.

In rechtsoverweging 4.13.4. heeft het hof als de te beantwoorden vraag geformuleerd: of het gebruik door [eiser] van de betreffende autoambulance voor woon-werkverkeer, terwijl hij die dag nooddienst had, moet worden aangemerkt als een bezigheid die op één lijn is te stellen met de in de uitoefening van de aan [eiser] opgedragen werkzaamheden. Het hof heeft vervolgens geoordeeld, dat dit het geval is en heeft vervolgens overwogen:

“Onder deze omstandigheden is Autoster aansprakelijk te achten voor de door [eiser] bij of door het ongeval geleden schade, omdat deelname aan het verkeer in een werksituatie nu eenmaal een bepaald risico in het leven roept, waaraan niet afdoet dat wel vast staat dat het ongeval is veroorzaakt door toedoen van [eiser], nu immers van opzet of bewuste roekeloosheid van [eiser] -naar Autoster ook erkent- geen sprake is geweest.

Daaraan doet voorts niet af dat Autoster een collectieve ongevallenverzekering heeft gesloten. Gezien de aard van deze beperkte dekking tot maximaal fl. 60.000,= kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat daarmee Autoster aan haar verplichting als bedoeld in artikel 7:611 BW heeft voldaan. De aard en omvang van het risico bij deelname aan het verkeer in dienstbetrekking is immers van dien aard dat een verzekering met een dergelijke -beperkte- dekking niet adequaat is te noemen.

(. .)

4.14. Nu Autoster niet betwist heeft dat [eiser] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden, komt de vordering tot betaling door Autoster van de door [eiser] geleden schade (. .) derhalve voor toewijzing in aanmerking.”.

2.6. De Hoge Raad heeft vervolgens in zijn arrest van 19 december 2008 in rechtsoverweging 3.3. eerst in zijn algemeenheid overwogen dat een werkgever in beginsel niet aansprakelijk is voor schade die een werknemer lijdt als gevolg van een verkeersongeval tijdens woon-werkverkeer, maar dat onder omstandigheden de mogelijkheid bestaat dat het vervoer op één lijn moet worden gesteld met het vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. De Hoge Raad heeft vervolgens in zijn algemeenheid overwogen, dat de werkgever op grond van artikel 7:611 BW gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van de werknemer wiens werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat hij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raakt bij een verkeersongeval. Indien de werkgever tekort is geschoten in de nakoming van deze verplichting, is hij aansprakelijk jegens de werknemer voor zover deze door die tekortkoming schade heeft geleden. In rechtsoverweging 3.4. gaat de Hoge Raad in op onderhavige zaak en heeft hij geoordeeld, dat het hof met zijn oordeel dat het gebruik dat [eiser] maakte van de autoambulance op één lijn moet worden gesteld met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel brengt verwerping van het middel en daarmee het beroep mee.

3. Het geschil

3.1. [eiser] heeft gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

a) Astrum te veroordelen tot betaling van € 951.765,00 binnen veertien dagen na het wijzen van vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2012, althans tot betaling van een door de rechtbank te bepalen vergoeding en/of ingangsdatum wettelijke rente;

b) Astrum te gebieden om binnen veertien dagen na het wijzen van vonnis aan [eiser] een belastinggarantie af te geven met de inhoud als opgenomen in punt 126 van de dagvaarding, op grond waarvan Astrum gehouden zal zijn de belastingschade voor zijn rekening te nemen indien de inspecteur der belastingen de van de zijde van Astrum aan [eiser] ter zake van het ongeval van 22 juli 1998 betaalde vergoedingen beschouwt als belastbaar inkomen uit werk en woning

(box 1), op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per maand;

c) Astrum te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de beslagkosten, te vermeerderen met de nakosten en indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na het wijzen van vonnis worden voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten.

3.2. [eiser] beroept zich voor toewijzing van deze vorderingen onder meer op de door het hof gegeven en door de Hoge Raad in stand gelaten beslissing in de hoofdprocedure. Volgens [eiser] is in de hoofdprocedure bepaald, dat Astrum gehouden is tot betaling van alle materiële en immateriële schade die [eiser] ten gevolge van het ongeval heeft geleden. Meer concreet voert [eiser] de volgende posten op: verlies van arbeidsvermogen, ziekenhuisdaggeldvergoeding, kilometervergoeding, verzorgingskosten, kosten huishoudelijke hulp, medische kosten, kosten aanpassen woning, zelfwerkzaamheid, immateriële schade, kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid, schade en buitengerechtelijke kosten, een en ander te verminderen met een drietal uitgekeerde bedragen door respectievelijk verzekeringsmaatschappij Bovemij, Astrum en het ziekenhuis en te vermeerderen met wettelijke rente.

3.3. Astrum heeft bij conclusie van antwoord slechts in beperkte mate inhoudelijk verweer gevoerd tegen de door [eiser] opgevoerde posten. Zij heeft aangevoerd, dat de rechtbank eerst zou moeten oordelen over de vraag hoe het dictum van het arrest van het hof moet worden gelezen. Volgens Astrum moeten de arresten van het hof en de Hoge Raad zo worden begrepen dat de voorganger van Astrum niet heeft voldaan aan haar verplichting als bedoeld in artikel 7:611 BW doordat zij geen adequate verzekering had afgesloten ter dekking van het verkeersrisico van [eiser]. Het gevolg hiervan is volgens Astrum, dat slechts voor vergoeding in aanmerking komt de schade die als gevolg van de inadequate dekking aan de werkgever kan worden toegerekend.

3.4. In reactie op het standpunt van Astrum heeft [eiser] aangevoerd, dat de door Astrum aangevoerde stelling thuishoort in de hoofdprocedure en ook daadwerkelijk is behandeld in de hoofdprocedure. [eiser] heeft geconcludeerd, dat het in strijd met de wet en/of de eisen van een goede procesorde is om in deze schadestaatprocedure een verweer aan te voeren dat thuishoort in de hoofdprocedure en waar bovendien al op is beslist.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen hebben tot in cassatie geprocedeerd over de aansprakelijkheidsvraag. Gegeven de arresten van het hof van 17 april 2007 en de Hoge Raad van

19 december 2008 staat vast dat Astrum jegens [eiser] aansprakelijk is. Terecht heeft [eiser] opgemerkt dat die aansprakelijkheid niet in de schadestaatprocedure ter discussie kan worden gesteld. De beslissing van het hof, door de Hoge Raad in stand gelaten, om Astrum (althans haar rechtsvoorganger) aansprakelijk te achten, heeft bindende kracht tussen partijen.

4.2. De rechtbank begrijpt de stellingen van partijen aldus, dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat het opnieuw beoordelen en vaststellen c.q. alsnog beperken van de aansprakelijkheid in dit stadium van de procedure niet meer mogelijk is, terwijl Astrum betoogt dat het verweer moet worden geplaatst in de sleutel van uitleg van de grondslag en reikwijdte van de aansprakelijkheid van Astrum zoals vastgesteld in de hoofdprocedure. De rechtbank is van oordeel dat juist is dat het opnieuw vaststellen c.q. beperken van de aansprakelijkheid niet meer aan de orde is. Het hof heeft (onherroepelijk) beslist dat Astrum aansprakelijk is op grond van artikel 7:611 BW. Echter, gelet op de onderbouwing van het verweer van Astrum, dient de reikwijdte van de op voormeld artikel gebaseerde aansprakelijkheid door de rechtbank wel te worden beoordeeld. Nu het verweer zich richt tegen de door [eiser] voorgestane uitleg van het dictum in de hoofdprocedure, bestaat er geen grondslag om te oordelen dat dit verweer niet meer gevoerd mocht worden. Het antwoord op deze vraag is van belang voor het verdere verloop van deze procedure. Volgens [eiser] dient de rechtbank immers te beoordelen of de door [eiser] opgevoerde schadeposten voor toewijzing in aanmerking komen, terwijl volgens Astrum een heel ander type schade ter beoordeling voorligt, namelijk het hebben moeten missen van een uitkering die [eiser] op grond van een behoorlijke verzekering zou zijn toegekomen.

4.3. De rechtbank stelt voorop, dat de arresten van het hof en de Hoge Raad leidend zijn in deze schadestaatprocedure. De rechtbank is daarbij van oordeel, dat (latere) ontwikkelingen in de rechtspraak die niet zijn gevoerd (bijvoorbeeld omdat partijen er geen debat over hebben gevoerd) of vanwege de tijdlijn niet konden worden aangevoerd in deze zaak, geen verandering kunnen brengen in dat gegeven. Er dient voor ogen te worden gehouden dat de situatie waarin op een ‘oud geval’ nog moet worden beslist terwijl intussen de opvattingen in de rechtspraak over aansprakelijkheid zijn gewijzigd, een wezenlijk andere situatie oplevert dan het geval waarin op een oud geval onherroepelijk is beslist conform de toen geldende opvattingen, waarna die opvattingen zijn veranderd. Op een geval waarin onherroepelijk is beslist, kan niet worden teruggekomen op de grond dat inmiddels de koers in de rechtspraak is verlegd. Voor zover Astrum (ook) heeft bedoeld dat de rechtbank in afwijking van wat in de hoofdprocedure is geoordeeld thans in de schadestaatprocedure de ontwikkelingen in de rechtspraak die er zijn geweest zou mogen of moeten betrekken, verwerpt de rechtbank derhalve dat standpunt. Wil Astrum zich met succes kunnen beroepen op latere (na het wijzen van arrest door het hof in deze zaak) rechtspraak van de Hoge Raad, dan dient op enigerlei wijze te kunnen worden vastgesteld dat die latere lijn reeds in de in deze zaak gewezen arresten besloten ligt.

4.4. De rechtbank komt thans toe aan de uitleg van de beslissing van het hof in de hoofdprocedure en het daarop gevolgde arrest van de Hoge Raad en is van oordeel dat de aansprakelijkheid van Astrum niet is beperkt tot hetgeen [eiser] bij een behoorlijke verzekering uitgekeerd zou hebben gekregen.

4.5. De rechtbank heeft in de eerste plaats vanuit een taalkundig oogpunt gekeken naar het arrest van het hof. Op basis van overweging 4.13.4. stelt de rechtbank vast dat het hof heeft geoordeeld: “Onder deze omstandigheden is Autoster aansprakelijk te achten voor de door [eiser] bij of door het ongeval geleden schade, omdat deelname aan het verkeer in een werksituatie nu eenmaal een bepaald risico in het leven roept (. .).”

Het woord ‘omdat’ geeft taalkundig aan, dat wat daarna komt te gelden heeft als oorzaak c.q. als reden. Het hof heeft voor aansprakelijkheid redengevend geacht, dat het nu eenmaal zo is dat deelname aan het verkeer in een werksituatie een bepaald risico in het leven roept, welk risico voor rekening van de werkgever behoort te komen. In deze dragende overweging zegt het hof nog niets over het onderwerp verzekering. Waar het hof vervolgens een oordeel geeft over de hoogte van de afgesloten verzekering, gebruikt hij de woorden ‘daaraan doet voorts niet af’. Ofwel, taalkundig gezien, aansprakelijkheid is al op andere grond vastgesteld en de verzekeringskwestie zou Astrum alsnog kunnen vrijwaren van aansprakelijkheid. Hetgeen vervolgens door het hof is overwogen, te weten dat niet gezegd kan worden dat Autoster aan haar verplichtingen heeft voldaan gelet op de hoogte van de collectieve ongevallenverzekering, dient in diezelfde sleutel te worden geplaatst. Het hof heeft niet expliciet overwogen dat aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW aanwezig wordt geacht omdat geen adequate verzekering zou zijn afgesloten en gezien de opzet en gebruikte bewoordingen in het arrest kan het arrest ook niet zo worden begrepen.

4.6. De rechtbank is verder van oordeel dat de rechtsoverweging en het dictum van het arrest in dezelfde zin moeten worden gelezen: Astrum is aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van het ongeval. Anders dan Astrum betoogt, is de rechtbank niet van oordeel dat het hof met de woorden ‘naar aanleiding van het ongeval’ bedoeld heeft wat anders te zeggen dan ‘ten gevolge van het ongeval’. Het hof heeft het zelf, zie ook het citaat in overweging 4.5. van dit vonnis, over aansprakelijkheid voor bij of door het ongeval geleden schade. Het hof sluit zijn arrest af in overweging 4.14. met de woorden “Nu Autoster niet betwist heeft dat [eiser] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden, komt de vordering tot betaling door Autoster van de door [eiser] geleden schade (. .) voor toewijzing in aanmerking.” Ook uit deze bewoordingen vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort, dat het hof Astrum aansprakelijk heeft geacht voor de volledige schade die het gevolg is van het ongeval.

4.7. Wat betreft het arrest van de Hoge Raad geldt, dat de Hoge Raad weliswaar in overweging 3.3. in navolging van zijn arresten van 1 februari 2008 het inmiddels door hem gehanteerde kader ter zake van de verzekeringsplicht op grond van artikel 7:611 BW uiteen heeft gezet, maar dat de Hoge Raad dat kader vervolgens niet heeft betrokken (naar het zich laat aanzien ook niet kon betrekken, omdat het cassatiemiddel hier niet op was gericht) op onderhavige zaak. De rechtbank is van oordeel, dat uit het arrest van het hof niet kan worden gedestilleerd dat het hof als grond voor aansprakelijkheid heeft gezien het niet hebben afgesloten van een adequate verzekering. Daaruit vloeit noodzakelijkerwijs voort, dat de Hoge Raad dat ook niet in het arrest van het hof heeft bedoeld te lezen. Als dat anders zou zijn geweest, lag het ook in de rede dat waar de Hoge Raad op deze zaak in concreto is ingegaan (overweging 3.4.) hij daar een overweging aan had besteed. Dat is echter niet het geval geweest.

4.8. Ook wanneer gekeken wordt naar waar het debat tussen partijen zich op heeft gericht, blijkt dat dit debat in elk geval niet is gegaan over de vraag of sprake is van aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW, omdat geen adequate verzekering zou zijn afgesloten met als gevolg dat sprake zou zijn van een schadeplafond (gemiste verzekeringsuitkering). De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar rechtsoverweging 4.13.3. van het arrest van het hof (zie ook overweging 2.5.2. van dit vonnis). De rechtbank verwijst ook naar de conclusie van Advocaat-Generaal Spier bij het arrest van de Hoge Raad in deze zaak, bijvoorbeeld overweging 4.7.1.: “De s.t. namens Autoster onder 31/32 en 40 probeert nog een klacht binnen te smokkelen: de aansprakelijkheid zou niet groter zijn dan het bedrag dat door de ongevallenverzekering is gedekt. Die klacht is evenwel in het middel niet te lezen.” Er kan bezwaarlijk worden aangenomen dat in het arrest van het hof moet worden gelezen dat deze aansprakelijkheid heeft gegrond op het niet hebben afgesloten van een adequate verzekering, terwijl het debat tussen partijen niet daarover -voor zover de rechtbank heeft kunnen nagaan- is gegaan, in die zin dat [eiser] het niet hebben afgesloten van een adequate verzekering niet als grondslag voor zijn vordering heeft aangevoerd.

4.9. De rechtbank overweegt in dit verband verder, dat Astrum zich ter ondersteuning van haar standpunt niet met succes kan beroepen op bijvoorbeeld het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 september 2010 (Regiotaxi). In dat arrest is uitdrukkelijk gedebatteerd over de vraag of de werkgever heeft voldaan haar verplichtingen door zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van haar werknemer en is daarom niet te vergelijken met onderhavige zaak. Hetzelfde geldt voor de kwestie tussen de Onderlinge Levensverzekeringsmaatschappij ’s-Gravenhage U.A. en haar werknemer. Uit het vonnis en de arresten die zijn gewezen tussen deze werkgever en haar verzekeraar (Nationale Nederlanden) (vonnis van 4 februari 2009 van de rechtbank, arrest van 16 november 2010 van het hof en arrest van 30 maart 2012 van de Hoge Raad) blijkt dat het hof in de hoofdprocedure tussen werkgever en werknemer uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat de werkgever als goed werkgever een adequate verzekering had moeten treffen of de werknemer had moeten waarschuwen dat er geen voorziening was getroffen en dat hij geacht werd zelf een voorziening te treffen. Door dat achterwege te laten heeft de werkgever zich niet als goed werkgever gedragen, aldus het hof. Anders dan in onderhavige zaak, is aansprakelijkheid van de werkgever in die zaak gegrond op het niet hebben afgesloten van een adequate verzekering c.q. het niet hebben gewaarschuwd dat geen voorziening was getroffen.

4.10. De rechtbank heeft in de derde plaats gekeken naar de vraag of de verzekeringsplicht waarvan Astrum stelt dat het hof deze heeft aangenomen, steun vindt in de destijds geldende opvattingen in de rechtspraak. Dat wil zeggen de opvattingen ten tijde van het wijzen van arrest door het hof in de hoofdprocedure.

4.11. De ten tijde van het arrest van het hof in de rechtspraak gevolgde lijn dient te worden afgeleid uit de arresten Vonk / Van der Hoeven (HR 12 januari 2001), De Bont / Oudenallen (HR 9 augustus 2002) en KLM (HR 18 maart 2005). Naar het oordeel van de rechtbank werd de rechtspraak van de Hoge Raad destijds zo begrepen dat aansprakelijkheid werd gevonden in het stelsel van het arbeidsrecht en de eisen van redelijkheid en billijkheid gezien het feit dat deelname aan het verkeer een gevaarlijke situatie opleverde, en niet in het niet hebben afgesloten van een adequate verzekering. In het arrest De Bont / Oudenallen, overweging 3.4. is bijvoorbeeld te lezen “Daaruit vloeit voort dat de werkgever, gezien de aard van de arbeidsovereenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW, in beginsel de niet door een verzekering gedekte schade die de werknemer lijdt doordat hij tijdens vervoer als hiervoor bedoeld een verkeersongeval heeft veroorzaakt, heeft te dragen behouden in het, zich hier niet voordoende, geval van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.”. Ook het KLM-arrest (met name overweging 3.10.2.) biedt handvatten voor het oordeel dat het destijds geen (vaste) jurisprudentie was dat alleen aansprakelijkheid bestond indien geen adequate verzekering was geregeld. De Hoge Raad heeft in dit arrest bovendien overwogen, dat nu het hof het verwijt aan KLM niet in het bijzonder daarin heeft gezocht dat KLM niet heeft gedaan wat een goed werkgever behoort te doen met het oog op het afsluiten van een verzekering, geen grond bestaat voor de opvattingen dat a) KLM ten hoogste aansprakelijk is voor de schade die wordt geleden ten gevolge van het niet zijn afgesloten van een ongevallenverzekering en dat b) KLM niet kan worden veroordeeld tot vergoeding van ook die schade die niet door een adequate verzekering gedekt zou zijn.

4.12. Dat de Hoge Raad in zijn arrest van 1 februari 2008 (NJ 2009, 331) heeft verwezen naar onder andere het arrest De Bont / Oudenallen en heeft geoordeeld dat de in 4.11. geciteerde passage niet zo moet worden uitgelegd dat daarmee is bedoeld dat de werkgever zonder meer en zonder beperking aansprakelijk is voor de door de werknemer geleden schade, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Volgens de Hoge Raad moet de geciteerde passage weliswaar zo worden verstaan dat de werkgever in een dergelijk geval voor een behoorlijke verzekering van de werknemer voor de gevolgen van een dergelijk ongeval dient te zorgen en dat hij, wanneer hij dat heeft nagelaten, in beginsel de dientengevolge niet door verzekering gedekte schade van de werknemer dient te dragen, maar ook hier is sprake van een uitleg achteraf van een passage, terwijl bij de beoordeling moet worden bezien of deze uitleg reeds bij het wijzen van het arrest van het hof op

17 april 2007 usance was. En dat is niet het geval. Dit blijkt ook uit de conclusie van Advocaat-Generaal Spier bij het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2012. In overweging 4.1. overweegt Spier, dat in de rechtspraak waarin artikel 7:611 BW tot leven is gewekt voor bepaalde werkgerelateerde ongevallen, aanvankelijk geen koppeling was aangebracht met verzekeringen en/of verzekerbaarheid. Dat is eerst gebeurd in 2008, aldus Spier. In overweging 9.3. herhaalt Spier dit standpunt door te vermelden dat het hof in die zaak in 2007 een weg is ingeslagen waarvoor in de rechtspraak van de Hoge Raad (nog) geen steun kon worden gevonden. Het ligt dan ook niet voor de hand dat het hof bij zijn arrest in onderhavige zaak heeft bedoeld te zeggen dat Astrum aansprakelijk is omdat zij niet heeft zorggedragen voor een adequate verzekering. Dat brengt mee dat ook het standpunt dat het hof heeft geoordeeld dat Astrum ten hoogste aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het niet zijn afgesloten van een adequate ongevallenverzekering, onaannemelijk moet worden geacht.

4.13. Op bovengenoemde gronden is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure als vertrekpunt heeft te gelden dat Astrum aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het ongeval. Dat dit tot gevolg heeft dat deze zaak mogelijk anders wordt beoordeeld dan zaken waarin de aansprakelijkheid na 1 februari 2008 is vastgesteld, moge zo zijn. Dat is inherent aan het feit dat het recht in ontwikkeling is en daarom niet te vermijden. Bovendien is even zo goed te betogen, dat in het andere geval sprake is van rechtsongelijkheid ten opzichte van werknemers wiens zaak nog voor de koerswijziging van de rechtspraak is afgedaan.

4.14. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Astrum dat [eiser] in de hoofdprocedure in cassatie onvoorwaardelijk heeft erkend dat sprake is van een schadeplafond. Nog los van de vraag of van een dergelijke erkenning sprake is geweest, is uitgangspunt hetgeen het hof en in navolging daarvan de Hoge Raad heeft beslist.

4.15. De overige stellingen van partijen ten aanzien van de door hen genoemde ‘voorvraag’ behoeven verder geen bespreking meer.

4.16. Vanwege het principiële karakter van deze beslissing zal in het dictum van dit vonnis worden bepaald dat daartegen hoger beroep is toegelaten. Indien daarvan gebruik wordt gemaakt, zal in afwachting van het eindarrest van het hof in deze instantie iedere verdere beslissing worden aangehouden. Partijen dienen de rechtbank hierover bij akte te informeren. Gelet op de appèltermijn zal de zaak worden verwezen naar de rol van

17 april 2013 voor akte aan de zijde van beide partijen. Indien geen tussentijds hoger beroep wordt ingesteld, is de rechtbank voornemens een nadere comparitie van partijen te gelasten. Voordat deze plaatsvindt, zal Astrum in de gelegenheid worden gesteld om bij akte haar verweer tegen de gevorderde schadeposten nader te onderbouwen. [eiser] zal daarop bij antwoordakte kunnen reageren.

4.17. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep is toegelaten;

5.2. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen als bedoeld in overweging 4.16. vermeld dienen te verstrekken;

5.3. verwijst daartoe de zaak naar de rol van 17 april 2013 voor het nemen van aktes zijdens beide partijen;

5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.P. Drijkoningen, mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths en mr. I. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.?