Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BY8438

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-01-2013
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
AWB 12/725
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geen planologische verslechtering aangenomen omdat de mogelijke aanwezigheid van landbouwverkeer als gevolg van de agrarische bestemming ter plaatse met de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan voorgoed verdwenen is. Verweerder heeft dit standpunt niet onderbouwd met (onderzoeks)gegevens waaruit blijkt dat de (geluids)effecten van het wegvallen van agrarisch verkeer (nagenoeg) gelijk zijn aan die van het toegenomen verkeer in de woonwijk die het gevolg is van het Bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank had dit wel op de weg van verweerder gelegen, temeer nu verweerder de conclusie van de deskundige, dat geen sprake is van wijziging van gebruiksintensiteit van deze gronden, niet volgt. Beroep gegrond en vernietiging van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECTIFICATIE D.D. 14 JANUARI 2013 IN VERBAND MET EEN KENNELIJKE MISSLAG TEN AANZIEN VAN DE PROCESKOSTENVERGOEDING.

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 725

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 december 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Echt, eiser

(gemachtigde: J.G.J.M. Corten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren, verweerder

(gemachtigde: M.L.M. Eijpe),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende],

(gemachtigde: R. Kennis)

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 20 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Voor eiser is verschenen zijn zoon [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser en zijn echtgenote zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. De echtgenote is vanaf 25 april 1968 eigenaar van het perceel, kadastraal bekend gemeente Echt, [sectie], aldaar bekend als [adres] te Echt, waar eiser en de echtgenote ook wonen. Op 3 september 2009 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend ter verkrijging van en vergoeding van planschade, die beweerdelijk is veroorzaakt door het inwerkingtreden van het bestemmingsplan [naam] (hierna: het Bestemmingsplan). Dit Bestemmingsplan is op 1 februari 2007 door de raad van de toenmalige gemeente Echt vastgesteld en is op

6 november 2007 door het college van Gedeputeerde Staten van Limburg (GS) goedgekeurd. In het Bestemmingsplan is het gebied, dat ten zuiden en ten oosten van de woning van eiser is gelegen, bestemd als woongebied. Volgens eiser is met de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan een planologisch nadeliger situatie ontstaan doordat sprake is van een intensiever gebruik van het gebied, waardoor extra verkeersbewegingen, geluid- en lichthinder, verslechtering van luchtkwaliteit, uitzichtvermindering en privacyverlies is opgetreden. Voorheen was feitelijk sprake van een landelijke omgeving. De beweerdelijk geleden schade is in een taxatierapport begroot op 15% van de onderhandse verkoopwaarde van de woning die op 30 juni 2009 is getaxeerd op € 280.000,00.

2. Verweerder heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Johan van Oldenbarnevelt Stichting (hierna: JvO), die op 7 juni 2010 een definitief rapport heeft opgesteld. De conclusie van dat rapport is dat eiser geen schade zal leiden ten gevolge van de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan. Volgens JvO leidt het Bestemmingsplan ten opzichte van het voorheen geldende ‘Uitbreidingsplan aanwijzende bestemmingen in hoofdzaak’ (hierna: het Uitbreidingsplan), zoals dat na de wijziging in 1961 is komen te luiden, niet tot planologische nadelen qua ruimtelijke omgevingskwaliteit, uitzicht, inkijk (privacy) en stank- en geluidsoverlast. Het Uitbreidingsplan stond toe dat in de onmiddellijke nabijheid van de woning aan de [adres] (tot 70 meter ten zuiden van de [straatnaam]) woningen, gebouwen voor kerkelijke en sociale doeleinden, winkels en werken van openbaar nut werden opgericht. Op grotere afstand van de woning (vanaf 70 meter ten zuiden van de [straatnaam]) konden op grond van de bestemming ‘Agrarische doeleinden I’ vrijstaande boerderijen en vrijstaande bedrijfsgebouwen ten dienste van een agrarisch bedrijf worden opgericht. Deze bebouwing kon op grond van de aanvullende werking van de bouwverordening een maximale hoogte van 15 meter bereiken. Het Bestemmingsplan maakt het oprichten van hoofdgebouwen (woningen) mogelijk met een maximale hoogte van 10 meter, eventueel in combinatie met aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een maximale hoogte van 4,5 meter, aldus genoemd advies. Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit het verzoek om planschade conform het advies van JvO afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. In aanvulling op het primaire besluit heeft verweerder nog overwogen dat ook uit de planologische vergelijking van het Bestemmingsplan met het ‘Uitbreidingsplan Hingen (1956)’ geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van een planologische verslechtering.

4. Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een planologische verslechtering, terwijl verweerder in afwijking van het advies van JvO wel het standpunt inneemt dat sprake is van een intensivering van het gebruik van het gebied met de oude bestemming ‘Agrarische doeleinden I’.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. Ingevolge artikel 9.1.1.18, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is op dit geding de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing, zoals deze destijds luidde, met uitzondering van het bepaalde in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro.

7. Artikel 6.1 van de Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. In het tweede lid van artikel 6.1 van de Wro is bepaald dat een oorzaak als bedoeld in het eerste lid – onder meer – is een bepaling van een bestemmingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3,6, eerste lid, of een bepaling van een planwijziging of een planuitwerking, onderscheidenlijk een nadere eis als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, b en d.

8. Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

9. In geschil is de vraag of eiser ten gevolge van de wijziging van de bestemming van het desbetreffende gebied in een nadeliger positie is komen te verkeren, waardoor hij schade heeft geleden in de vorm van waardevermindering van de woning aan de [adres] te Echt. Eiser heeft in dat verband gewezen op de intensivering van het verkeer alsmede de toegenomen inbraakgevoeligheid die het gevolg zijn van het Bestemmingsplan.

10. Wat de gestelde toegenomen inbraakgevoeligheid betreft, heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat dit geen schadefactor is die voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder. Het betreft immers een subjectief element die zich niet voor objectivering leent ter beantwoording van de vraag of sprake is van planschade.

11. Voor zover eiser zich niet kan verenigen met de conclusie van verweerder dat eiser geen schade lijdt door de intensivering van het verkeer die het gevolg is van het Bestemmingsplan, overweegt de rechtbank als volgt.

12. In zijn definitieve rapport van 7 juni 2011 heeft JvO er onder meer op gewezen dat ingevolge het Uitbreidingsplan de gronden ten zuiden van het perceel van eiser de bestemming ‘Gronden bestemd voor de oprichting van woningen en andere bij een woonwijk nodige voorzieningen, zoals gebouwen voor kerkelijke en sociale doeleinden, winkels en werken van openbaar nut’ en ‘Agrarische doeleinden I’ hadden. Eerstgenoemde bestemming had betrekking op een strook grond ten zuiden van de [straatnaam] met een breedte van 70 meter, terwijl laatstgenoemde bestemming drukte op de gronden ten zuiden van dit bestemmingsvlak. Als gevolg van het Bestemmingsplan hebben de gronden ten zuiden van de [straatnaam] de bestemmingen ‘woongebied’ en ‘verkeersdoeleinden’ gekregen. Op de gronden met de verkeersbestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd, met dien verstande dat bij de bestemming behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals masten en terreinafscheidingen, mogelijk blijven.

13. Eiser heeft onder meer betoogd dat invulling van het Uitbreidingsplan direct ten zuiden van zijn perceel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet maximaal gerealiseerd zou worden. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De enkele omstandigheid dat de gronden direct ten zuiden van zijn perceel, op welke gronden het Uitbreidingsplan zag, 70 meter diep is, is daartoe onvoldoende. Niet valt in te zien dat die omvang belette dat op die gronden de in het Uitbreidingsplan aangewezen bestemming niet (deels) gerealiseerd had kunnen worden. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden waaruit is af te leiden dat de planologische mogelijkheden van het Uitbreidingsplan niet maximaal zouden worden benut.

14. Eiser heeft voorts aangevoerd dat JvO ten onrechte heeft aangenomen dat onder ‘werken van openbaar nut’ zoals vermeld in het Uitbreidingsplan bij de bestemming “gronden bestemd voor…openbaar nut”, tevens een infrastructurele voorziening zoals een toegangsweg begrepen moet worden. Deze grond slaagt evenmin. Een infrastructurele voorziening zoals een toegangsweg kan immers aangemerkt worden als een werk dat ten dienste staat aan de betreffende woonwijk, zodat daarmee het openbaar nut gegeven is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in dit verband door JvO gemaakte planvergelijking en de conclusie dat de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan in zoverre niet tot een gewijzigde gebruiksintensiteit van de gronden direct ten zuiden van het perceel van eiser leidt, op voldoende gronden berust.

15. Met betrekking tot de gronden, waarop de bestemming ‘Agrarische doeleinden I’ rustte, heeft JvO in zijn rapport eveneens geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan zal leiden tot een gewijzigde gebruiksintensiteit. Volgens JvO kende de vroegere bestemming reeds een relatief intensief gebruik waarbij het gebruik in de nieuwe situatie (wonen en verbindingswegen) niet kan leiden tot een verdere intensivering van dat grondgebruik. De nieuwe gebruiksintensiteit vormt in vergelijking met de vroegere planologische situatie dan ook geen grotere belasting voor de directe omgeving, aldus JvO. Verweerder heeft zich naar aanleiding van het bezwaar tegen het primaire besluit in zijn pleitnota ten behoeve van de hoorzitting op 2 februari 2011 echter op het standpunt gesteld dat met de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan sprake is van intensivering van het gebruik voor wat betreft de gronden met de (voorheen geldende) bestemming ‘Agrarische doeleinden I’. Verweerder heeft niettemin geen planologische verslechtering aangenomen omdat de mogelijke aanwezigheid van landbouwverkeer als gevolg van de agrarische bestemming ter plaatse met de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan voorgoed verdwenen is. Verweerder heeft dit standpunt ter zitting van de rechtbank herhaald. Zoals eiser terecht heeft opgemerkt, heeft verweerder dit standpunt niet onderbouwd met (onderzoeks)gegevens waaruit blijkt dat de (geluids)effecten van het wegvallen van agrarisch verkeer (nagenoeg) gelijk zijn aan die van het toegenomen verkeer in de woonwijk die het gevolg is van het Bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank had dit wel op de weg van verweerder gelegen, temeer nu verweerder de conclusie van JvO, dat geen sprake is van wijziging van gebruiksintensiteit van deze gronden, niet volgt. De omstandigheid dat direct ten oosten van het perceel al een nieuwe weg was geprojecteerd ter ontsluiting van de gronden ten zuiden van het perceel van eiser doet hier niet aan af. Blijkens het ‘Uitbreidingsplan Hingen (1956)’ liep deze weg niet door naar het achterliggende, ten zuiden van het perceel van eiser gelegen gebied maar was die begrensd, terwijl in het Uitbreidingsplan ten aanzien van het gebied met de bestemming ‘Agrarische doeleinden I’ geen sprake was van gronden die (ook) bestemd waren voor verkeersdoeleinden. De rechtbank acht het standpunt van verweerder, dat het intensievere verkeersgebruik van laatstvermelde gronden met de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan niet tot een voor eiser planologische verslechtering leidt, dan ook niet zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Hieruit volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is en dat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

16. De rechtbank dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de rechtbank voorop, dat de bestuursrechter bij een vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een formele dan wel informele bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

17. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek in de voorbereiding en de motivering van het bestreden besluit, gelet op de daaraan verbonden gevolgen, zich niet voor instandlating van de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit. Evenmin ziet de rechtbank bij gebrek aan deugdelijke onderzoeksresultaten, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal ook geen toepassing geven aan de zogeheten bestuurlijke lus zoals neergelegd in artikel 8:51a van de Awb nu niet duidelijk is hoeveel tijd gemoeid zal zijn met het herstellen van het geconstateerde gebrek, gelet op het ontbreken van onderzoeksgegevens. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen een nieuw besluit op eisers bezwaar te nemen.

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,00. Voor de in aanmerking te nemen proceshandeling wordt (in verband met het indienen van het beroepschrift door J.G.J.M. Corten) 1 punt toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de reiskosten ad € 15,80, die door de gemachtigde ter zitting W.F.N. Corten zijn gemaakt (na rectificatie d.d. 14 januari 2013).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,-- aan eiser te vergoeden.

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 452,80 (€ 437,00(wegens kosten van rechtsbijstand en € 15,80 aan reiskosten) te betalen aan eiser (na rectificatie d.d. 14 januari 2013);

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer (voorzitter), en mr. A.W.P. Letschert en mr. B.J. Zippelius, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2012.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 december 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.