Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BY8391

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
14-01-2013
Zaaknummer
105171 / FA RK 10-1828
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij de vader is sprake van forse problematiek en hij is met perioden niet bereikbaar (geweest), zodat de moeder feitelijk al jaren alleen het gezag over de minderjarigen uitoefent. Derechtbank stelt vast dat de vader thans door omstandigheden in de de onmogelijkheid verkeert het ouderlijk gezag uit te oefenen, zodat zijn gezag geschorst is ex artikel 1:253r BW. De rechtbank gaat er voorshands van uit deze onmogelijkheid voor de vader om het gezag uit te oefenen nog zeker zes maanden zal voortduren, gelet op de problematiek die al jaren speelt en waarvoor eerst recent hulpverlening en therapie zijn ingezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en Jeugd

Zaaknummer: 105171 / FA RK 10-1828

Beschikking van 09 januari 2013 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden

in de zaak van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de moeder,

advocaat: mr. J.A.N. Lap;

tegen:

[de vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de vader.

Als belanghebbende merkt de rechtbank tevens aan de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het volgende:

- de tussen partijen gegeven beschikking d.d. 13 juli 2011 waarbij een voorlopige omgangsregeling is bepaald en de beslissing omtrent het gezag en de definitieve omgangsregeling is aangehouden en de raad voor de kinderbescherming is verzocht rapport en advies uit te brengen;

- het op 27 september 2012 ingekomen rapport en advies van de raad voor de kinderbescherming te Roermond;

- de nadere mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 29 november 2012 en waarbij zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door mr. Lap;

- de vader;

- mevrouw [X], vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

2. Het oordeel van de rechtbank

2.1. De raad voor de kinderbescherming adviseert het verzoek van de moeder, om haar alleen te belasten met het gezag, af te wijzen en het gezamenlijk gezag in stand te laten.

Voorts adviseert de raad om geen structurele omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de minderjarigen.

De raad geeft daarbij aan dat de labiele psychische gesteldheid van de vader maakt dat de vader te weinig draagkracht heeft en onvoldoende basale zorg en veiligheid kan bieden aan zijn minderjarigen. De raad stelt voor dat er incidenteel kortdurend contact is naar de draagkracht van de vader, de behoefte van de minderjarigen, en met instemming van de moeder.

Ter zitting geeft de vertegenwoordiger aan dat onderzocht is of er bij de minderjarigen sprake is van het klemcriterium. De vader houdt beslissingen omtrent de minderjarigen niet tegen en communicatie tussen de ouders is mogelijk. De vertegenwoordiger onderkent dat de moeder erg belast wordt en dat het initiatief en alle verantwoordelijkheid alleen bij de moeder ligt. Hoewel het geen ideale situatie is, is er volgens de vertegenwoordiger geen sprake van een klemcriterium.

2.2. De vader geeft ter zitting aan dat uit onderzoek is gebleken dat hij een verslavingsstoornis en waarschijnlijk een persoonlijkheidsstoornis heeft. De vader is hiervoor in behandeling bij Kairos.

De vader begrijpt de mening van de moeder, maar hij wil het ouderlijk gezag niet afstaan.

Hoewel de vader niet in staat is om een hele dag voor de minderjarigen te zorgen, zou hij wel graag geregeld gedurende een paar uur omgang met de minderjarigen willen.

2.3. De moeder geeft aan dat zij niet begrijpt dat de raad voor de kinderbescherming adviseert om het gezamenlijk gezag in stand te laten. De afgelopen vier jaar heeft de moeder alleen zorg gedragen voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen alsmede voor de hiermee gepaard gaande kosten. De vader erkent dat hij op dit moment de verantwoordelijkheid voor de minderjarigen niet aankan. De moeder vraagt zich af hoe zij zaken voor de minderjarigen moet regelen, als de vader niet bereikbaar is. De moeder is van mening dat het klemcriterium te beperkt is. Hoewel er geen ruzie tussen de ouders is en de minderjarigen niet klem zitten, bestaat vanwege de problematiek bij de vader wel een probleem in de uitvoering van het gezamenlijk gezag. Dit alles heeft haar de laatste jaren erg veel energie gekost. Ze weet niet hoe lang ze dit nog kan opbrengen, zeker nu de vader, in verband met zijn eigen therapie, in de praktijk opnieuw niet of nauwelijks als gezagdragende ouder beschikbaar zal zijn voor overleg met haar over de minderjarigen. Dat de minderjarigen niet klem komen te zitten, wordt voor een groot deel veroorzaakt door alle energie die de moeder steekt in pogingen om de vader er bij te betrekken, juist omdat ze het steeds belangrijk heeft gevonden dat de vader een rol speelt in het leven van de minderjarigen. In feite is de vader, zeker de komende periode, niet in staat het gezag goed uit te oefenen. Voor zover mogelijk verzoekt de moeder de vader in de uitoefening van het gezag te schorsen.

De moeder heeft anderhalf jaar lang getracht een zorgregeling op gang te krijgen. Tijdens het eerste omgangscontact dat heeft plaatsgevonden, is het helemaal mis gegaan. De moeder wil de minderjarigen niet bij de vader weghouden, maar het contact moet wel verantwoord zijn. De moeder is bereid om, in overleg met de begeleider(s) van de vader vanuit Kairos, het contact tussen de vader en de minderjarigen te regelen. De veiligheid van de minderjarigen staat daarbij voorop

2.4. Gelet op de inhoud van de gedingstukken -waarvan met name de rapportage van de raad voor de kinderbescherming- alsmede het verhandelde ter zitting oordeelt de rechtbank dat er geen geschil bestaat over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. De rechtbank zal derhalve het verzoek van de moeder toewijzen en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder bepalen.

2.5. Met betrekking tot het gezamenlijk gezag over de minderjarigen overweegt de rechtbank dat – kort samengevat – er gezamenlijk gezag is tenzij er sprake is van het zogenaamde ‘klem of verloren’ criterium. Artikel 1: 253a BW bepaalt dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hierover aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd en dat de rechtbank vervolgens een beslissing neemt zoals haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

In artikel 1:253r BW wordt bepaald dat, als een met het gezag belaste ouder tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen, het gezag wordt geschorst gedurende de tijd waarin deze omstandigheid zich voordoet. Gedurende de tijd waarin een van de in artikel 1:253 r BW genoemde omstandigheden zich voordoet, is het gezag van die ouder geschorst en wordt het gezag voortaan door de andere ouder alleen uitgeoefend.

2.5.1. De ouders verschillen van mening over de vraag of de vader belast moet blijven met het gezag over de minderjarigen en over de vraag in hoeverre de vader momenteel in staat is het gezag ook feitelijk uit te oefenen.

2.5.2. Gelet op de inhoud van de stukken (waaronder de twee zich in het dossier bevindende rapporten van de raad) en gehoord de ouders ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de vader momenteel niet in staat is feitelijk uitvoering te geven aan de invulling van het gezamenlijk gezag over de minderjarigen. Dat heeft met name te maken met zijn persoonlijke problematiek. Een problematiek waar hij mee aan de slag is gegaan en waarvoor hij therapie volgt.

Mede door de grote inzet van de moeder én de bereidheid van de vader om – indien hij bereikbaar is – vertrouwen te stellen in het ouderschap van de moeder, heeft de beperkte bereikbaarheid van de vader niet geleid tot (grote) problemen voor de minderjarigen. In die zin is er nu nog geen sprake van het zogenaamde ‘klemcriterium’.

2.5.3. De rechtbank signaleert echter wel een risico wanneer de huidige situatie ongewijzigd blijft.

De vader erkent dat hij – voorlopig – niet beschikbaar is voor de minderjarigen, en dat hij voorrang moet geven aan zijn eigen therapie. De rechtbank heeft daar alle begrip voor, zeker nu dit ook van belang is voor een goede band tussen de vader en de minderjarigen in de toekomst.

Voor de moeder zal het onder deze omstandigheden vorm geven aan gezamenlijk gezag echter een extra zware belasting betekenen, waarbij het de vraag is of ze dat kan opbrengen.

Een periode van rust, als het gaat om het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over de minderjarigen, is voor de moeder hard nodig, zeker nu de vader – zoals hiervoor al overwogen - feitelijk het gezag niet kan vormgeven.

2.5.4 Gezien dit alles zal de rechtbank vaststellen dat de vader thans door omstandigheden in de onmogelijkheid verkeert het ouderlijke gezag uit te oefenen, zodat dit geschorst is.

Gelet op de forse problematiek die al jaren speelt en waarvoor eerst recent hulpverlening en therapie zijn ingezet, gaat de rechtbank er voorshands van uit dat deze onmogelijkheid voor de vader om het gezag uit te oefenen, zeker nog zes maanden zal voortduren.

2.5.5. De beslissing op het verzoek van de moeder betreffende het eenhoofdig gezag zal de rechtbank, gelet op al het bovenstaande, aanhouden voor een periode van zes maanden.

In die tijd zal er meer duidelijkheid ontstaan over de voortgang van de behandeling van de vader en zijn mogelijkheden om het gezamenlijk gezag (weer) vorm te geven. Gelet op het feit dat het bij de vader gaat om forse persoonlijke problematiek die al jaren speelt en waarvoor eerst recent hulpverlening en therapie is ingezet, is de verwachting immers dat de vader geruime tijd nodig heeft om te werken aan zijn eigen problematiek

2.6. Op grond van artikel 1:377 a BW stelt de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat er omgang met de vader zal zijn. Een structurele omgangsregeling is op dit moment voor de vader echter niet haalbaar en van de moeder kan niet verlangd worden dat zij daartoe steeds het initiatief neemt. Daar komt bij dat de vader niet altijd in staat is de omgang op een veilige manier te laten plaatsvinden. Nu de vader thans in behandeling bij Kairos is, zal de rechtbank een voorlopige regeling bepalen waarbij het contact tussen de vader en de minderjarigen zal plaatsvinden onder toezicht van en na overleg tussen de begeleider van de vader en de moeder.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:

1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,

2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,

bij de moeder zal zijn;

3.2. stelt vast dat de vader tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen en derhalve uit het gezag is geschorst en stelt vast dat de moeder alleen het gezag uitoefent over de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008;

3.3. stelt vast dat het contact tussen de vader en de minderjarigen voorlopig zal plaatsvinden onder toezicht van en na overleg tussen begeleider van de vader (van Kairos) en de moeder;

3.4. houdt aan de beslissing omtrent het gezag en de omgangsregeling;

3.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.M. Boogaard-Derix, kinderrechter en ter openbare terechtzitting van 09 januari 2013 uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

IB

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.