Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BY7756

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-01-2013
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
04/800247-11(2)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:3791, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag. Exacte toedracht als gevolg van zwijgen verdachte niet duidelijk geworden. Bloedsporen in woning verdachte in combinatie met vaststelling van onmiddellijk bewustzijnsverlies na toebrengen geweld brengt rechtbank tot conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte doodslag heeft gepleegd. Van bijzonder belang is dat geen met bewezenverklaring strijdige feiten en omstandigheden zijn gebleken of bekend zijn geworden, terwijl ook geen andere scenario's aannemelijk zijn geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Sector strafrecht

Parketnummer: 04/800247-11

Datum uitspraak: 04 januari 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken, zitting houdende te Roermond,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

5 oktober 2012, 11 december 2012 en 4 januari 2013.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat - na nadere omschrijving van de tenlastelegging - terecht ter zake dat:

hij in of omstreeks de periode van 9 september 2011 tot en met 1 november 2011 te Herkenbosch, in elk geval in de gemeente Roerdalen, opzettelijk en met voorbedachten rade althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen met een hard voorwerp op/tegen het hoofd geslagen en/of samendrukkend/omsnoerend geweld uitgeoefend op de hals/keel van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijs

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 5 oktober 2012 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de primair ten laste gelegde moord zal worden vrijgesproken en dat subsidiair ten laste gelegde doodslag zal worden bewezen verklaard.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van al het ten laste gelegde. Daartoe is een aantal verweren gevoerd, die hieronder, voor zover te beschouwen als uitdrukkelijk onderbouwd en/of relevant, zullen worden besproken.

7.2.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

7.2.1 Inleidende overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de bewijsmiddelen, mede in reactie op gevoerde verweren.

De raadsman heeft betoogd dat er sprake zou zijn van tunnelvisie bij het politieonderzoek, omdat verdachte op 23 september 2011 als verdachte is aangemerkt, maar niet duidelijk is op basis van welke feiten en omstandigheden en er vanaf die datum niets of weinig is gedaan met andere feiten en omstandigheden. Vele sporen zouden daardoor verloren kunnen zijn gegaan.

Hoewel de raadsman aan deze stelling geen conclusie heeft verbonden, hecht de rechtbank eraan om het verwijt ten aanzien van een mogelijke tunnelvisie gedurende het onderzoek te bespreken. De rechtbank constateert dat er, zoals blijkt uit het proces-verbaal, vanaf het begin van het onderzoek zeer breed en uitgebreid is gerechercheerd, waarbij voortdurend verschillende opties zijn open gehouden en steeds uitgebreid verslag van de bevindingen is gedaan. Er hebben uitgebreide onderzoekshandelingen plaatsgevonden met betrekking tot de aangetroffen auto van het slachtoffer, diens woning op Reewoude, een buurtonderzoek en telefoongesprekken. Door middel van rechtshulpverzoeken werden voorts onderzoeken in Duitsland verricht. Ook na 23 september 2011 heeft zeer uitvoerig en nauwgezet onderzoek plaatsgevonden, niet alleen naar mogelijke betrokkenheid van verdachte bij de vermissing van [slachtoffer], maar ook werd nadrukkelijk gekeken naar andere opties. Dit leverde echter geen reële aanwijzingen op richting de overige hypothesen en scenario’s, maar slechts details die de verdenkingen rondom verdachte versterkten.

De rechtbank is dan ook niet gebleken van een mogelijke tunnelvisie in het politieonderzoek als door de raadsman gesteld.

De raadsman heeft voorts gesteld dat uitspraken van verdachte niet in vrijheid zijn afgelegd en niet gezien kunnen worden als indirecte (bekennende) verklaringen.

De rechtbank weet niet wat verstaan moet worden onder indirecte (bekennende) verklaringen, maar neemt aan dat de raadsman heeft bedoeld te stellen dat de verklaringen van verdachte niet voor de beoordeling van het bewijs mogen worden gebruikt. Verdachte heeft een aantal verklaringen afgelegd en van ongeoorloofde druk, althans zodanige druk dat die verklaringen niet in vrijheid zouden zijn afgelegd, is de rechtbank niet gebleken. Het verweer wordt verworpen. De verklaringen van verdachte kunnen en zullen door de rechtbank voor de beoordeling van het bewijs worden gebezigd, echter met de navolgende restrictie. Verdachte heeft op onderdelen wisselende verklaringen afgelegd en om denatureren te voorkomen zal de rechtbank de verklaringen slechts bezigen voor zover deze steun vinden in andere bewijsmiddelen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verklaringen van getuigen sterk zijn beïnvloed door veel onderlinge contacten en groeiende antipathie tegen verdachte, die voortdurend is verstrekt. Dit heeft met name te gelden voor de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

De rechtbank begrijpt de stelling van de raadsman aldus dat de getuigenverklaringen niet zouden mogen worden gebezigd voor bewijs. In de eerste plaats merkt de rechtbank op dat bij een aantal getuigen van onderlinge beïnvloeding geen sprake zal zijn geweest nu zij niet tot de door de raadsman gestelde invloedssfeer behoorden. Het gaat dan bijvoorbeeld over de getuigen [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6]. Bij de overige getuigen, waarvan in het bijzonder [getuige 3] vermeld moet worden, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van zodanige beïnvloeding dat de verklaringen niet (meer) betrouwbaar zouden zijn. Daar komt overigens nog bij dat eventuele bezwaren tegen het gebruik van die verklaringen als ondervangen kunnen worden beschouwd door het feit dat de gebezigde verklaringen in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. Het verweer treft geen doel.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat ten aanzien van het tweede rapport van de deskundige D. Botter van 27 november 2012 sprake is van een vormverzuim, omdat niet is gehandeld in overeenstemming met het gestelde in artikel 228 van het Wetboek van Strafvordering, zodat dit als onrechtmatig van het bewijs dient te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt dat door de gang van zaken niet is gehandeld in overeenstemming met het gestelde in artikel 228 van het Wetboek van Strafvordering. Zo dit al opgevat moet worden als een vormverzuim, betreft het echter geen onherstelbaar verzuim. Aan de verdediging is aangeboden om alsnog vragen aan de deskundige te stellen, nader onderzoek te verrichten of commentaar op het rapport te geven en daarvan is geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft overigens geen aanleiding om te twijfelen aan de objectiviteit en deskundigheid van de rapporteur en de juistheid van de rapportage. Het standpunt van de raadsman wordt dan ook verworpen.

7.2.2 Bewijsmiddelen

Inleiding

Op zaterdag 10 september 2011 te 16.30 uur werd door [nabestaande 1] en [getuige 10] bij de politie Limburg-Noord, Bureau Roermond, melding gemaakt van de vermissing van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], wonende te [adres], doch gedurende de weekeinden verblijvende te [adres].

[getuige 10] verklaart op 18 september 2011 :

[slachtoffer] en ik zouden elkaar vrijdagavond 9 september 2011 zien. Vrijdagmiddag heb ik hem een sms’je gestuurd. Ik heb hem toen rond 18.00 uur gebeld maar zijn telefoon stond uit. Ondertussen was het al 20.00 uur en ik had nog steeds niets gehoord. Dat vond ik raar want de week daarvoor was hij 5 minuten te laat en kreeg ik meteen meerdere sms’jes waarin hij aangaf dat hij later was.

Ik heb die avond omstreeks 20.30-21.15 uur [nabestaande 1], de broer van [slachtoffer], gebeld. Ik vroeg of hij [slachtoffer] gezien had want dat ik met hem afgesproken had. [nabestaande 1] wist het niet maar [slachtoffer] had wel tegen [nabestaande 1] gezegd “tot vrijdag”, dus [nabestaande 1] wist wel dat [slachtoffer] die vrijdag zou komen. [nabestaande 1] belde ’s nachts nog rond 00.30 uur of nog later en zei dat hij nog steeds niets van [slachtoffer] gehoord had.

Er was een geval over dakplaten en er was een geval over betonstorten van Kalle en Bakker. [slachtoffer] had geld overgemaakt naar [verdachte], zodat [verdachte] het aan dat bedrijf kon geven. Een paar maanden later kreeg de broer van [slachtoffer], [nabestaande 1], een brief dat hij aangeklaagd werd over een betaling van beton van Kalle en Bakker. Dat bedrag was opgelopen tot 3000 euro en dat moest hij kennelijk betalen. Het moest [slachtoffer] zijn en niet [nabestaande 1]. Maar wel raar is dat alle brieven weg zijn en we weten dat [verdachte] wel de post van [slachtoffer] beheerde. [verdachte] zegt dat hij wel betaald heeft maar hij heeft geen bonnetje van de betaling.

[getuige 4] verklaart op 12 september 2011 :

Op 7 september 2011 gaf [slachtoffer] aan dat hij naar Nederland moest om geld in ontvangst te nemen van een Nederlands manspersoon die de zaken rond de bouw van zijn woning in Nederland regelt. Donderdag 8 september 2011 vertelde hij mij dat hij de vrijdag (9 september 2011) er heen wilde gaan om met die man af te spreken. Later die ochtend vertelde [slachtoffer] mij dat hij de man die de bouwzaken voor hem regelde geld had gegeven voor bouwmaterialen. Deze had de materialen echter niet geleverd en [slachtoffer] wilde zijn geld terug. Kort daarna vertelde hij mij dat hij aardig wat geld van deze persoon kreeg. Hij zei dat het meer dan € 8.000,-- was. [slachtoffer] gaf aan dat hij mij nog zou bellen als het definitief noodzakelijk zou zijn dat ik zijn dienst over zou nemen. Hij heeft echter niet gebeld. Hij is niet meer weg geweest naar Nederland. Op 8 september, omstreeks 14.00 uur, hoorde ik [slachtoffer] bellen met de mobiele diensttelefoon. Hij had tegen mij gezegd dat hij de man die de bouwzaken voor hem regelde nog een keer ging bellen. Ik hoorde dat hij tegen de man zei dat hij nog steeds zijn geld niet had en dat hij het geld terug wilde hebben en dat hij met hem wilde afspreken. [slachtoffer] zei tegen hem dat hij met hem in persoon wilde praten, niet over de telefoon. Ik hoorde dat [slachtoffer] via de telefoon tegen de man zei dat hij voor de vrijdag, 9 september 2011, om 14.00 uur, wilde afspreken. Ik kan de sfeer van het telefoongesprek van [slachtoffer] met de bewuste man omschrijven als kortaf. Ik weet van [slachtoffer] dat wanneer hij zich ergens aan ergert, hij nogal kortaf wordt. Hij zei tegen mij dat als hij zijn geld vrijdag niet terug kreeg, hij nog wel mensen kon inschakelen, die je liever niet tegen wil komen.

[getuige 5] verklaart op 13 september 2011 :

Ongeveer eind augustus 2011 vertelde [slachtoffer] mij dat hij problemen had met een persoon van wie hij nog geld tegoed had. [slachtoffer] vertelde dat hij deze man vier tot acht weken eerder geld had gegeven voor bouwmaterialen. [slachtoffer] vertelde dat hij de bewuste persoon op 2 of 3 september 2011 zou treffen. Op 6 september 2011 vertelde [slachtoffer] mij dat de bewuste persoon niet was komen opdagen en het geld ook niet op zijn rekening was gestort. Woensdagmorgen, 7 september 2011, omstreeks 07.10 uur, was [slachtoffer] op het onderdeel. Tegen 10.15 uur zag [slachtoffer] dat wederom het geld niet was overgemaakt. Hij wilde ’s avonds naar huis rijden om de zaken te regelen. Wij hadden echter nog dienst en [slachtoffer] was duidelijk te moe om dat stuk nog te rijden. Hij gaf aan dat hij dan mogelijk vrijdag de 9e september 2011 naar huis zou rijden en alles zou regelen. ’s Avonds, tegen 20.00 à 20.30 uur, heeft [slachtoffer] wederom contact opgenomen met deze persoon. Op donderdag 8 september 2011 zijn [slachtoffer] en ik tegen 07.10 uur gaan ontbijten. Tegen 14.00 à 14.30 uur sprak ik [slachtoffer] op het oefenterrein. Hij vertelde dat hij weer telefonisch contact had gehad en dat hij met de persoon van de bouwmaterialen een afspraak had gemaakt voor vrijdagmiddag de 9e september 2011 om 14.00 uur. Op vrijdag 9 september 2011 zijn we tegen 06.30 uur opgestaan. Circa 08.15 uur ben ik samen met [slachtoffer] naar de Prins Clauskazerne te Münster gereden. We zijn samen naar de Manfred von Richthofenkaserne gereden waar we omstreeks 10.30 uur aankwamen. [slachtoffer] is om 12.05 uur weggereden. Op vrijdagavond 9 september 2011, omstreeks 19.15 uur, werd ik gebeld door de broer van [slachtoffer]. Hij vroeg of ik wist waar [slachtoffer] was.

[getuige 3] verklaart op 18 september 2011 :

Op 5 september 2011 vertelde [slachtoffer] dat hij zich goed genaaid voelde. Hij vroeg mij toen hoe ik ermee om zou gaan als zou blijken dat [verdachte] hem belazerd zou hebben. Het ging om plus minus € 7.000,--. [slachtoffer] zat met de tranen in zijn ogen van teleurstelling. Hij was ook kwaad. Ik heb voor het laatst contact met [slachtoffer] gehad de vrijdag dat hij verdwenen is. Hij belde mij op om 13.53 uur op mijn GSM. [slachtoffer] belde mij op en vertelde mij dat hij nu op Reewoude was, dat hij zijn kat te eten ging geven en dat hij daarna naar [verdachte] ging want hij had om 14.00 uur een afspraak met [verdachte] op [verdachte] zijn adres [adres]. [verdachte] zou namelijk zijn bankafschrift laten zien waarop zou staan dat hij het geld had overgemaakt naar [slachtoffer] en daarna zouden zij naar de bank van [slachtoffer] gaan om te kijken wat er verkeerd was gegaan met de overschrijving. Ik heb toen afgesproken dat [slachtoffer] mij terug zou bellen zo gauw hij iets meer wist. Hij heeft nooit meer gebeld.

[getuige 7] verklaart op 30 november 2011 :

Ik ben de vriendin van [getuige 3]. Wij wonen samen. Op 5 september 2011 was [slachtoffer] bij ons. [slachtoffer] vertelde dat [verdachte] [slachtoffer] geld had beloofd. [slachtoffer] vertelde dat zijn geld op was en dat [verdachte] tegen hem had gezegd dat [slachtoffer] die benodigde bouwmaterialen maar moest bestellen. [verdachte] beloofde dat hij die materialen dan zou betalen. Dat was al een tijd daarvoor geweest en [slachtoffer] had die bouwmaterialen ook al een tijd daarvoor ontvangen. Vervolgens kwam het geld er niet. [verdachte] had steeds een ander smoesje. De maandagavond 5 september 2011 was [slachtoffer] heel emotioneel en verdrietig omdat [verdachte] nog steeds geen geld voor hem had. Hij zat met de tranen in zijn ogen en hij was diep teleurgesteld in [verdachte].

Op 9 september 2011, rond 16.15 uur, ben ik thuis gekomen. [getuige 3] komt ongeveer 16.45 uur à 17.00 uur thuis. [getuige 3] vertelde dat [slachtoffer] hem om 13.53 uur gebeld had en hem verteld had dat hij op Reewoude was en dat hij naar [verdachte] zou gaan. Dat bezoek had te maken met dat financiële gebeuren. [getuige 3] vertelde dat [slachtoffer] hem gezegd had dat wanneer hij bij [verdachte] zou vertrekken, hij [getuige 3] zou bellen. Dat was echter niet gebeurd.

[getuige 8] verklaart op 16 september 2011 :

Ik woon op het adres [adres]. Ik reed afgelopen vrijdag 9 september om ongeveer 14.00 uur weg vanuit mijn werk naar huis. Dit is een rit van circa 16 minuten. Om ongeveer 14.15 uur kwam ik op Reewoude aan, waar ik de auto van [slachtoffer] geparkeerd zag staan voor de poorten van huisnummer [nummer]. er zat niemand in de auto. In de woning waar de auto stond woont [verdachte].

Verdachte verklaart op 11 september 2011 :

In april 2010 kreeg ik bericht dat ik het pand [adres] kon huren. Wij kregen de sleutel op 10 augustus 2011. Ik heb [slachtoffer] maandag 5 september j.l. nog gezien en gesproken. Wij hebben gesproken over de verbouwing. Hij vroeg of ik nog geld voor hem had. Ik heb aangegeven dat ik zou kijken en dat ik hem daar later iets over kon zeggen. Vervolgens heb ik de rest van de week telefonisch contact en sms-contact gehad. Hij sms’te mij dat hij vrijdag 9 september 2011 om 14.00 uur bij mij zou zijn. Hij was er ook op het afgesproken tijdstip. Ik heb met [slachtoffer] gesproken. Ik denk dat wij ongeveer 10 minuten samen hebben gesproken. Vanaf vrijdag 9 september 2011 te 14.00 uur ben ik thuis geweest. Ik ben wel rond 17.00 uur naar [getuige 3] geweest.

Verdachte verklaart op 3 november 2011 :

Door de Roermondse bouwhandel RBH werden in april/mei 2011 dakplaten geleverd voor de woning van [slachtoffer]. Het kan ook in juni zijn geweest. Die dakplaten zou ik betalen maar ik had het geld er niet voor. Ik had met [slachtoffer] afgesproken dat ik platen aan RBH zou betalen. Tegen [slachtoffer] heb ik gezegd dat het geld uit België moest komen. Het ging om rond de € 4240,--. Je kunt het zo noemen dat ik hem oplichtte. Ik heb tegen RBH verteld dat ik het geld aan [slachtoffer] had doorgesluisd en dan zou [slachtoffer] het wel in orde maken. Ik heb niet betaald voor die dakplaten.

Aantreffen stoffelijk overschot op 16 november 2011

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren op 17 november 2011 :

Op 16 november 2011, omstreeks 11.00 uur, kwamen wij met [verbalisant 3] aan op de zuidkant van de tuin van perceel [adres]. Omstreeks 11.35 uur zag ik dat [verbalisant 3] en [verbalisant 2] ongeveer 5 à 10 meter het omgeploegde maïsveld inliepen gelegen aan de rand van de tuin van perceel [adres]. Nadat ik, [verbalisant 1], een meter of vijf gelopen had, zag ik aan mijn linkerkant op drie meter van mij in het omgeploegde maïsveld een schoen liggen. Ik ben in de richting van die schoen gelopen, ik zag toen dat er aan deze schoen vermoedelijk een been zat dat uit de grond naar boven kwam. Ik zag aan het einde van dit been een voor mij herkenbare plek. Ik herkende deze plek als een camouflagebroek. In afwachting van de komst van de Forensische Opsporing hebben wij constant zicht gehad over het maïsveld en het been. Omstreeks 12.15 uur waren collega [verbalisant 4] van de Forensische opsporing en [verbalisant 5], teamleider TGO, ter plaatse.

De deskundigen drs. W.J. Groen en drs.ing. R. de Leeuwe verklaren op 29 november 2011 :

In en nabij de grafkuil werd op zes locaties bemonsterd. De grafkuil werd aangetroffen ten westen van het bungalowpark ‘Reewoude’, dit op circa vier meter afstand vanaf de vegetatierand en perceelgrens met de woning met het adres [adres].

De verbalisant [verbalisant 6] relateert op 30 november 2011 :

In mijn bijzijn werd op 16 november 2011 omstreeks 22.30 uur door drs. W.C. Sedee, forensisch odontoloog het identificatieonderzoek uitgevoerd van het stoffelijk overschot, dat op 16 november 2011 was aangetroffen in een gerooid maïsveld nabij bungalowpark Reewoude te Herkenbosch. Het identificatieonderzoek werd uitgevoerd aan de hand van de op 11 november 2011 van wachtmeester [naam] (Koninklijke Marechaussee Münster Duitsland) ontvangen actuele tandstatus van de vermiste [slachtoffer]. Op 17 november 2011 kreeg ik telefonisch het bericht van collega [naam], werkzaam op de afdeling Forensische Opsporing, regiopolitie Limburg-Noord, dat door forensisch odontoloog W. Sedee het stoffelijk overschot was geïdentificeerd als [slachtoffer], geboren [geboortedatum] en woonachtig [adres].

De verbalisant [verbalisant 5] relateert op 22 november 2011 :

Op 16 november 2011 omstreeks 11.35 uur werd begraven in een maïsveld, gelegen in de gemeente Roerdalen (Herkenbosch) een stoffelijk overschot aangetroffen, dat later die dag aan de hand van de tandstatus werd geïdentificeerd als het stoffelijk overschot van [slachtoffer], geboren [geboortedatum]. Met verlof van mij werd het stoffelijk overschot op 16 november 2011 overgebracht naar het mortuarium in het Laurentius Ziekenhuis te Roermond. De lijkschouw werd verricht door J. van Gastel, forensisch arts en als gemeentelijke lijkschouwer werkzaam te Roerdalen. Het opgraven van het stoffelijk overschot vond plaats op 16 november 2011 en heeft enkele uren in beslag genomen. De genoemde lijkschouwer is aanwezig geweest bij het opgraven en verrichtte meteen hierop volgend ter plaatse van het aantreffen de lijkschouw. De verwondingen aan het lichaam werden vastgesteld middels een Total body scan en een sectie door de patholoog anatoom. Op 18 november 2011 is het stoffelijk overschot overgebracht naar het sectielokaal alwaar door de patholoog-anatoom sectie is verricht.

Onderzoek stoffelijk overschot

De deskundige A. Maes, arts en patholoog bij het NFI te Den Haag verklaart op 13 februari 2012 :

De intake, uit- en inwendige schouwing en voorlopige verslaglegging werden begonnen te Den Haag op 18 november 2011 omstreeks 14.00 uur en werden beëindigd omstreeks 16.30 uur.

Het lichaam van [slachtoffer] werd mij aangewezen en daarna overhandigd door de heer [verbalisant 6] van de regiopolitie Limburg Noord.

A4. Er was links in de behaarde hoofdhuid op 182 cm van de voetzolen en circa 8 cm links van het midden een ruwrandig huidletsel van circa 5 cm met ondermijnen van de hoofdhuid en rode en zwarte verkleuring in de wondranden. Er was op het gezicht een dikke laag zwart materiaal dat ook in beide gehoorgangen aanwezig was. Het zwarte materiaal had het aspect van postmortaal veranderd bloed.

A5. Er was midden op de kruin in de behaarde hoofdhuid een halvemaanvormig ruwrandig huidletsel van circa 7 cm lang. In de wondranden en in de omgeving rode verkleuringen als gevolg van begeleidende onderhuidse bloeduitstortingen.

B1. In relatie met de hoofdwonden beschreven onder A4 en A5 waren er beiderzijds in het schedeldak impressiefracturen (naar binnenwaartse verplaatsing van de breukdelen) met veel losse botfragmenten en doorlopend van breuklijnen naar de achterzijde van de schedel en beiderzijds tot in de schedelbasis in de middelste schedelgroeve. Daarbij was er zichtbare bloeduitstorting en/of bloedstuwing in de beide rotsbeenderen. De breuk verliep links ook in de schedelbasis ter plekke van de inwendige halsslagader. Het harde hersenvlies was bovenop de hersenen intact, niet gescheurd. Onder het harde hersenvlies was er beiderzijds zwart materiaal op de hersenen met het aspect van postmortaal veranderd bloed (subduraal). Dit zwarte materiaal was ook aanwezig in de bovenste luchtwegen.

B2. Van het strottenhoofd leken de beide bovenste hoorntjes macroscopisch gebroken en er was links goed zichtbare begeleidende bloeduitstorting in de weke delen naast het strottenhoofd.

B3. Er waren macroscopisch en microscopisch geen ziekelijke orgaanafwijkingen van betekenis voor het overlijden. De beoordeling was beperkt mogelijk wegens de postmortale veranderingen.

Interpretatie van resultaten

Voorafgaand aan de sectie werden door middel van postmortaal beeldvormend onderzoek meerdere botbreuken aan de schedel gezien. Er waren geen voor projectiel verdachte schaduwen in het lichaam. Het lichaam werd voor sectie op sporen bemonsterd.

Bij sectie werd het sterk postmortaal veranderde lichaam van een man gezien. Er waren op het hoofd twee ruwrandige huidletsels met daarbij twee impressiefracturen gelokaliseerd links op het hoofd en vrijwel midden op het hoofd. In relatie met beide impressiefracturen was er beiderzijds doorlopen van breuklijnen zowel op het schedeldak als beiderzijds in de schedelbasis. Er waren veel losse botstukjes in de breukvlakken. Er was zichtbare gerelateerde bloeduitstorting zowel in de schedelhuid als onder het harde hersenvlies. Er was veel zwart, op postmortaal veranderd bloed gelijkend, materiaal in de bovenste luchtwegen. De letsels op het hoofd zijn bij leven opgelopen als gevolg van ten minste twee maal toegepast heftig uitwendig inwerkend botsend geweld op het hoofd. De letsels passen niet bij een val of vallen waarbij het hoofd ergens tegenaan is gebotst maar bij meermalen (ten minste tweemaal) op het hoofd geslagen worden met een voorwerp. Over de aard van het voorwerp waarmee is geslagen geven de sectiebevindingen geen uitsluitsel. Van het strottenhoofd leken de beide bovenste hoorntjes macroscopisch gebroken en er was goed zichtbare begeleidende bloeduitstorting. Bij microscopisch onderzoek was er beiderzijds een sesambeentje wat de aanleiding vormde voor de abnormale beweeglijkheid van de hoorntjes, er werden geen breuken van het strottenhoofd gevonden. De bloeduitstorting naast het strottenhoofd is het gevolg geweest van bij leven opgelopen geweld op de hals, zoals door botsen, samendrukken of een combinatie daarvan kan ontstaan. Het overlijden kan goed worden verklaard door functieverlies van de hersenen als gevolg van de opgelopen schedel- en hoogstwaarschijnlijk ook hersenletsels al dan niet gecombineerd met massaal bloedverlies door verscheuring van de inwendige halsslagader in de schedelbasis. Ook inademen van bloed in de bovenste luchtwegen met afsluiten van de doorgang kan aanleiding hebben gegeven tot verstikkingsverschijnselen en zodoende mogelijk aan het overlijden hebben bijgedragen. Daarnaast kan ook verstikking door geweld op de hals een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden.

Conclusie

Bij sectie op [slachtoffer], 30 jaar oud geworden, kan het overlijden goed worden verklaard door verwikkelingen van bij leven opgelopen meermalen toegepast uitwendig inwerkend botsend geweld op het hoofd. Daarnaast kan verstikking door inademing van bloed, doorgemaakt geweld op de hals of een combinatie daarvan, een bijdrage aan het overlijden hebben geleverd.

De deskundige D. Botter, forensisch arts KNMG bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, verklaart op 12 november 2012 :

In het bijzonder ten aanzien van het bloedverlies.

1. Er zijn bij sectie meerdere letsels bevonden waaruit fors uitwendig bloedverlies is opgetreden:

- er was ruwrandig huidletsel van circa 5 cm in de behaarde hoofdhuid aan de linkerzijde en

- er was een ruwrandig huidletsel van circa 7 cm in de behaarde hoofdhuid bij het midden en rechts zijwaarts.

In relatie tot deze letsels wordt in het sectieverslag beschreven dat de schedelhuid bloederig was en dat de schedelbeenderen indeukingsbreuken toonden. Gezien de omvang van de letsels aan het hoofd zal fors uitwendig bloedverlies zijn opgetreden. Mogelijk was er ook sprake van een verscheuring van de inwendige halsslagader in de schedelbasis. Bij sectie werd ‘zwart materiaal’ aangetroffen hetgeen meest waarschijnlijk afbraakproduct betrof van bloed (in de gehoorgangen, het hoofdhaar, de neusgaten en de mond). Voorts bevond dit materiaal zich ook in de luchtpijp. Uit de huidverscheuringen en de schedelbreuken zal fors bloedverlies zijn opgetreden. Indien sprake is geweest van een verscheuring van de inwendige halsslagader in de schedelbasis dan zal daaruit waarschijnlijk zeer fors bloedverlies zijn opgetreden, o.a. via de mond, neus en oren.

Over de omvang van het bloedverlies is niet nader en niet met zekerheid te verklaren, aangezien het overlijden door meerdere oorzaken zou kunnen worden verklaard. Wanneer de dood snel na toebrengen van genoemde letsels is ingetreden (bijvoorbeeld door verstikking), zal door wegvallen van de bloeddruk het bloedverlies beperkt blijven.

De deskundige D. Botter, forensisch arts KNMG bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, verklaart op 27 november 2012 :

In het bijzonder ten aanzien van het bewustzijnsverlies c.q. het overlijden.

Overlijden wordt (misschien op een enkele uitzondering na) altijd voorafgegaan door bewustzijnsdaling c.q. bewustzijnsverlies. Het delay tussen geweldsinwerking en de snelheid waarmee bewustzijnsdaling optreedt is afhankelijk van meerdere factoren, o.a.:

- de omvang van het primair letsel,

- de betrokken orgaansystemen,

- de omvang van directe fatale verwikkelingen (bijv. bloeding, hersenschade, zuurstofgebrek etc.),

- het optreden van secundaire verwikkelingen (bijv. onderkoeling, orgaanfalen, infecties etc.)

- pre-existente individuele factoren behorend bij het slachtoffer.

Er blijkt een enorme variatie in reactie op geweldsinwerkingen, waardoor geen betrouwbare uitspraak is te doen over delay en snelheid van intreden van bewustzijnsverlies (en overlijden). Zo kan bij zeer gering schedelhersenletsel (bijvoorbeeld een hersenschudding) onmiddellijk bewustzijnsverlies optreden, terwijl het ook voorkomt dat slachtoffers met omvangrijk schedelhersenletsel nog urenlang bij (weliswaar dalend) bewustzijn kunnen blijven.

In de onderhavige casus wordt de voorspelling van het beloop verder bemoeilijkt doordat er sprake is van meerdere ernstige geweldsinwerkingen c.q. verwikkelingen daarvan, die elk afzonderlijk c.q. in samenhang de dood c.q. bewustzijnsverlies zouden kunnen bewerkstelligen, waarbij bovendien onbekend is in welke volgorde zijn zijn uitgevoerd c.q. zijn opgetreden.

Ter toelichting:

Ad a: functieverlies van de hersenen:

Het schedelhersenletsel is dusdanig omvangrijk dat te verwachten is dat bewustzijnsdaling en bewustzijnsverlies snel zullen intreden (waarschijnlijk variërend tussen seconden en enkele minuten);

Ad b: massaal bloedverlies door verscheuring van de inwendige halsslagader:

Indien deze verscheuring is opgetreden dan zal (afhankelijk van de omvang van de lekkage van bloed) verminderde doorbloeding van de hersenen optreden. Er zal vrijwel direct bewustzijnsdaling optreden zodra de doorbloeding oorzaak is van zuurstoftekort in de hersenen. Aangezien de inwendige halsslagader een grote slagader is waarin normaliter een hoge bloeddruk heerst, zal bij verscheuring snel een groot bloedverlies optreden. In geval van een kleine scheur zal het bewustzijn echter langer intact blijven dan bij een grotere scheur; het is in dit kader realistisch te veronderstellen dat het bewustzijn zal dalen binnen de tijdspanne van seconden tot meerdere minuten.

Bij de inwendige schouwing in het sectieverslag is niet feitelijk beschreven dat er sprake was van een scheur in de inwendige halsslagader, deze wordt echter wel genoemd bij de interpretatie van resultaten. De omvang van genoemde scheur is derhalve niet beschreven; op de foto’s van de sectie is geen gescheurde halsslagader waarneembaar.

Ad c: inademing van bloed:

Bewustzijnsverlies en overlijden door verstikking als gevolg van inademing van bloed is in sterke mate afhankelijk van de hoeveelheid vloeistof die per tijdseenheid in de luchtwegen terechtkomt. Voorts kunnen andere oorzaken van bewustzijnsdaling de hoestreflex onderdrukken waardoor de verstikking sneller kan verlopen.

Ad d: verstikking door geweld op de hals:

Geweld op de hals kan op meerdere manieren leiden tot bewustzijnsverlies en overlijden:

- afsluiting van de luchtwegen;

- afsluiting van de halsslagader(s) en/of halsaders;

- druk op de zgn. ‘zwervende zenuw’ (nervus vagus) of de sinuscaroticus (locatie in de halsslagader waar zich bloeddruksensoren bevinden waardoor o.a. het hartritme wordt beïnvloed).

De snelheid (delay, beloop) waarmee bewustzijnsverlies c.q. overlijden optreedt is afhankelijk van:

- welk van bovenstaand mechanisme een hoofdrol speelt;

- de mate van samendrukking van luchtweg en/of bloedvat.

Bij totale afsluiting van de luchtweg is bewustzijnsverlies te verwachten binnen enkele minuten; totale afsluiting van beide halsslagaders kan binnen enkele tientallen seconden leiden tot bewustzijnsverlies.

Stimulering van de nervus vagus of sinus caroticus kan leiden tot onmiddellijk intredende hartritmestoornis (zgn. ‘reflex cardiac arrest’), waarbij binnen enkele seconden bewustzijnsverlies in zal treden.

Reewoude Herkenbosch

[getuige 3] verklaart op 18 september 2012 :

[verdachte] heeft mij om 15.15 uur gebeld. Ik vroeg of [slachtoffer] bij hem was geweest. Ik hoorde toen dat [verdachte] tegen mij zei: “Ja, vijf voor twee was hij bij mij”.

[verdachte] was even na 17.00 uur bij mij. [verdachte] is ongeveer een half uurtje bij mij geweest. Wat mij opviel was dat [verdachte] er uit zag alsof hij een marathon gelopen had. Daarmee bedoel ik dat hij er bleek uitzag, hij het benauwd had en hij bezweet was. [verdachte] vertelde mij dat hij de vloer aan het schuren was.

[getuige 7] verklaart op 30 november 2011 :

Op 9 september 2011, rond 17.00 uur à 17.15 uur, kwam [verdachte] bij ons binnen. Ik hoorde dat [getuige 3] tegen [verdachte] vertelde dat hij [slachtoffer] niet te pakken kreeg op zijn telefoon. Ik hoorde dat [getuige 3] tegen [verdachte] vertelde dat [slachtoffer] hem gezegd had dat hij [getuige 3] terug zou bellen en dat [slachtoffer] dat niet gedaan had. Nu kreeg hij [slachtoffer] niet te pakken. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat het klopte dat [slachtoffer] bij hem was geweest. [slachtoffer] zou om 13.55 uur bij hem gekomen zijn. Ik herinner me dat [verdachte] helemaal hartstikke bezweet binnen kwam. Ik zag ook dat hij een bleke huidskleur had. Hij was duidelijk ergens uitgeput van.

Ik weet van [getuige 3] dat [verdachte] [getuige 3] ’s middags rond 15.00 uur nog gebeld heeft om te vragen hoe laat [getuige 3] thuis zou zijn. [getuige 3] zou hem toen verteld hebben dat hij rond 17.00 uur thuis zou zijn.

Verdachte verklaart op 6 november 2011 :

Op 9 september 2011 heb ik de vloer in de woonkamer geschuurd. Daar was ik woensdag al mee begonnen. Ik weet niet wanneer ik klaar was, volgens mij de maandag of dinsdag daarop. Die vrijdag 9 september 2011 is er niemand in mijn woning geweest. Om 14.00 uur is [slachtoffer] geweest.

[getuige 6] verklaart op 20 september 2011 :

Wij hebben van de woning aan de [adres] vanaf 10 juli 2011 de sleutels. Ik meen dat wij vanaf de laatste week van juli in de woning aan de [adres] geslapen hebben. De woensdag voor de vermissing van [slachtoffer] was [verdachte] begonnen met het schuren van de houten vloer in de kamer. Dit was nog niet klaar en derhalve wilde [verdachte] daar die zaterdag mee doorgaan. Hij was daar al die dagen mee bezig geweest. We wilden die vloer schuren en er daarna een kleur beits op zetten.

Vrijdag 9 september 2011 was ik de hele dag bij mijn ouders in Buchten. Ik ben die vrijdag in de avond naar huis gekomen, ik denk na acht uur in de avond.

[getuige 6] verklaart op 1 november 2011 :

Ik meen dat eind augustus is begonnen met de vloer in de woonkamer. De vloer in de woonkamer werd door [verdachte] geschuurd en daarna gebeitst en daarna twee keer met vloerlak afgemaakt. Ik denk dat deze werkzaamheden aan die vloer in de woonkamer anderhalf tot twee weken hebben geduurd. Als je vanuit de gang de woonkamer in komt was deze vloer aan de rechterzijde geschuurd. Aan de linkerzijde was nog niet geschuurd. Daar stonden de meubels. De vloer aan de rechterzijde is eerst afgewerkt en daarna pas de linkerzijde. De dag dat [slachtoffer] vermist werd, die vrijdag, ben ik ’s avonds thuis gekomen van mijn ouders. De vloer in de woonkamer was toen halverwege klaar. Ik bedoel daarmee dat deze vloer halverwege geschuurd was. De zaterdagmiddag na de vermissing heeft [verdachte] het rechter vloergedeelte van de woning gebeitst. Op zondagmorgen werd de vloer licht opgeschuurd door [verdachte]. Die zondagmiddag werd deze vloer licht opgeschuurd door [verdachte] en heb ik die vloer gestofzuigd en gedweild. Die zondagmiddag werd deze vloer voor de tweede keer gelakt. Ik meen op de dinsdag hierna dat we de meubels van de linkerzijde naar de rechterzijde in de woonkamer hebben verplaatst en daarna heeft [verdachte] die linkerzijde van de vloer geschuurd en behandeld. Ik meen de dinsdag hierna dat [verdachte] de linkerzijde van de vloer in de woonkamer geschuurd en behandeld heeft.

Behalve [verdachte] en ik maakt niemand gebruik van de huissleutels van [adres] te Herkenbosch.

Nadat [slachtoffer] bij hem is geweest is [verdachte] verder gegaan met de woonkamervloer. Hij was die vloer toen aan het schuren. Ik weet dit omdat [verdachte] mij dat zelf heeft verteld. Hij heeft die hele middag aan de vloer in de woonkamer gewerkt.

[getuige 6] verklaart op 3 november 2011 :

Vanaf woensdag 7 september 2011 was [verdachte] al begonnen met het rechtergedeelte van de vloer. [verdachte] was klaar met het rechtergedeelte met schuren toen ik op vrijdag 09 september 2011 van mijn moeder thuiskwam omstreeks 20.00 uur. [verdachte] is op zaterdagmiddag 10 september 2011 in de middag begonnen met de eerste keer een beitslaag aan te brengen op het rechter gedeelte van de vloer. Op zondag 11 september 2011 heeft [verdachte] dit gedeelte van de vloer opgeschuurd. Meteen daarna heeft hij de vloer voor de tweede keer afgelakt. Dat gedeelte was dus klaar op 11 september. Zover ik mij kan herinneren zijn op maandag 12 september 2011 de meubels verplaatst van het linker gedeelte naar het rechter gedeelte. [verdachte] is toen bezig gegaan met het schuren en beitsen/lakken van het linker gedeelte van die vloer.

Na het overlijden van mijn vader op 2 oktober jl. heb ik [verdachte] gevraagd of hij een nieuw gedeelte in de vloer wilde maken. Dat heeft [verdachte] toen ook gedaan. Dat is ongeveer 1 ½ week geleden door [verdachte] gemaakt. Ik heb bij een bedrijf genaamd houthandel Parren 18 vloerplanken gekocht. Dat was ongeveer 1½ week geleden. Afgelopen zondag ben ik wel nog een pakket vuren vloerdelen bij de Gamma gaan halen omdat Parren op zondag niet open was. De oude vloerplanken moeten volgens mij in een bak onder de carport liggen. [verdachte] en ik hebben de verandering aan de woonkamervloer samen uitgevoerd. Volgens mij heeft [verdachte] die vloer afgelopen zaterdag open gemaakt en weer dicht gemaakt. Volgens mij hebben wij 18 vloerplanken afgelopen zaterdag bij Parren gekocht.

Die werkzaamheden zijn allemaal door [verdachte] zelf gedaan. Hij heeft dat alleen gedaan.

Ik ben die vrijdagavond thuis gekomen. Ik heb niks aan de vloer gezien, hij was geschuurd, er zat nog geen beits op. De vloer was rechts geschuurd, inclusief het stuk bij de deur.

Onderzoek [adres] en analyses

De verbalisant [verbalisant 7] relateert op 16 januari 2012 :

Op 1 november 2011 werd onderzoek ingesteld naar aanleiding van de vermissing van [slachtoffer]. Hij was op 9 september 2011 het laatst gezien op bungalowpark Reewoude te Herkenbosch. Naar aanleiding daarvan stelde ik op deze datum omstreeks 09.10 uur een onderzoek in met de gecertificeerde lijkenspeurhonden “Iris” en “Bowy” op het perceel [adres] te Herkenbosch. Ik liet Iris zoeken in de woning op voornoemd perceel. Ik zag dat de hond in het midden van de woonkamer gedrag vertoonde dat zij het haar aangeleerde geurbeeld van lijk/delen of bloed had waargenomen. Ik zag dat de hond op de houten vloer begon te krabben. Ik zag dat er zich op die plaats een naad in de vloer bevond en dat de kleur van de planken aan weerszijden van die naad afwijkend van kleur waren. De mogelijkheid bestond dat hier een gedeelte van de houten vloer vervangen was.

De verbalisanten [verbalisant 8], [verbalisant 6] en [verbalisant 9] relateren op 15 december 2011 :

In de woning [adres] werd op 1 november 2011 forensisch onderzoek naar sporen verricht. In de woning werd een onderzoek ingesteld door [verbalisant 7] en [verbalisant 10]. Beiden zijn als speurhondengeleider werkzaam bij het Korps Landelijke Politie Diensten. Tijdens dit onderzoek werd door de honden melding gemaakt op de vloer in de woonkamer. Wij zagen dat de honden krassen hadden gemaakt op de houten vloer in de woonkamer. Wij zagen dat deze krassen waren gemaakt op de overgang tussen verschillende houtdelen. Wij zagen dat qua uiterlijke kenmerken negen planken afweken van de rest van de vloer. Wij zagen dat deze negen planken qua kleur en lengte afweken van de rest van de vloer. Deze negen planken bestonden uit twee delen per plank en werden genummerd van 1 tot en met 9L voor de delen van de planken aan de halzijde en 1b tot en met 9b voor de delen aan de haardzijde. Deze planken waren mogelijk vernieuwd. Door mij, [verbalisant 9], werd in de naad tussen de vloerplanken, ter hoogte van de locatie van melding door de speurhond, een monster genomen. Dit monster werd getest middels een indicatieve tetra-base test. Hierbij zagen wij, [verbalisant 8] en [verbalisant 9], een blauwe verkleuring. Hiermee wordt een indicatie verkregen voor de aanwezigheid van bloed. Vervolgens hebben wij de negen afwijkende planken verwijderd. Vervolgens hebben wij stapsgewijs planken verwijderd vanaf het vernieuwde deel in de richting van de zithoek. Deze verwijderde planken werden doorgenummerd van 10a tot en met 16a. Wij zagen dat in de naad van plank 10a bloed zat. Wij zagen dat er ook bloed op de onderzijde van plank 10a en op een steen onder plank 10a zat. Het bloed op de steen werd bemonsterd als spoor [nummer]. Vervolgens hebben wij net zo lang planken verwijderd tot geen bloed meer werd aangetroffen in de naden tussen de planken. De laatste vloerplank, waarop door ons bloed werd aangetroffen, was plank 15a. Buiten de woning werden onder de carport negen vloerdelen aangetroffen die, qua uiterlijk en afmetingen, overeenkomsten vertoonden met de houten vloer in de woonkamer. Deze vloerdelen werden door mij, [verbalisant 9], voorzien van de nummers 1c tot en met 9c. Wij zagen dat deze negen delen oorspronkelijk hoogstwaarschijnlijk één aansluitend geheel hadden gevormd met de vloer in de woonkamer. Wij zagen in de woonkamer een bak met haardhout staan. In deze bak werden door mij [verbalisant 9], diverse kleine delen aangetroffen van planken die overeenkomst vertoonden met de houten vloer in de woonkamer. Op enkele van deze vloerdelen werd door mij, [verbalisant 9], bloed aangetroffen. Enkele van deze vloerdelen konden door ons, [verbalisant 6] en [verbalisant 9], onder andere op basis van de spijkergaten worden teruggeplaatst op de balken van de vloer in de woonkamer.

Wij, [verbalisant 8] en [verbalisant 9], zagen dat op een aantal plaatsen op de vloer in de woonkamer en de vloerdelen die onder de carport waren aangetroffen een op bloed lijkende substantie (spatjes) zat. Uit nader onderzoek werd vastgesteld dat deze spatjes bloed betrof. Deze bloedspatjes waren vermoedelijk afgedekt door de blanke lak die op de vloerplanken zat.

De volgende sporendragers werden onder meer veiliggesteld en voorzien van een SIN:

[nummer] (plank 2c en 5c)

[nummer] (8c)

[nummer] (15a)

[nummer] (16b)

[nummer] (22b)

De verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] relateren op 13 april 2012 :

Bij nader onderzoek van in de woning [adres] te Herkenbosch inbeslaggenomen vloerplanken werd door ons op 105 plaatsen op bloed lijkende vlekken aangetroffen. Op de vloer werd in de naden tussen 5 planken over een lengte van meer dan 100 cm aaneengesloten bloed aangetroffen. Hierdoor werd aangetoond dat er een aanzienlijke bloedvlek op deze plaats op de planken vloer gelegen heeft.

De deskundige Ir. M.L. Hordijk, NFI-deskundige verfonderzoek, verklaart op 31 januari 2012 :

Het onderzoeksmateriaal bestaat uit een groot aantal houten planken (vloerdelen). Op de planken is door de FO de aanwezigheid van (mogelijke) bloedvlekken aangetoond (tetrabase positief). Deze vlekken zijn gemarkeerd met een SIN. De volgende planken zijn in onderzoek genomen:

[nummer] plank 2c en 5c

[nummer] (8c)

[nummer] (15a)

[nummer] (16b)

[nummer] (22b)

“Op de planken is één laag kleurloze verf aanwezig. Met behulp van FTIR is bepaald dat de verf gebaseerd is op een acrylhars als bindmiddel. Op bepaalde plekken is onder deze verflaag rood materiaal aanwezig. Dit materiaal volgt de houtnerf en is zichtbaar als streepvormige vlekjes. Op de dwarsdoorsneden is geen verflaag onder dit rode materiaal zichtbaar. Ook is te zien dat het rode materiaal voor een deel in het hout is getrokken.”

De verbalisant [verbalisant 4] relateert :

Blijkens rapportage van het NFI nr. [nummer], aanvraag 024, d.d. 31 januari 2012, luidt het resultaat van het onderzoek naar de verflagen en bloed op planken als volgt:

“ Op de planken is één laag kleurloze verf aanwezig. Met behulp van FTIR is bepaald dat de verf gebaseerd is op een acrylhars als bindmiddel. Op bepaalde plekken is onder deze verflaag rood materiaal aanwezig. Dit materiaal volgt de houtnerf en is zichtbaar als streepvormige vlekjes. Op de dwarsdoorsneden is geen verflaag onder dit rode materiaal zichtbaar. Ook is te zien dat het rode materiaal voor een deel in het hout is getrokken.”

Bij navraag bij het NFI bleek mij, verbalisant [verbalisant 4], dat het genoemde materiaal bloed is.

De deskundige C. van Kooten van het NFI te Den Haag verklaart op 21 februari 2012 :

Onderzocht werden de bemonsteringen van de vloerplanken 8c ([nummer]), 4c ([nummer]), 15a ([nummer]) en 16b ([nummer]). De DNA-profielen van de referentiemonsters van [nummer] ([slachtoffer]) en [nummer] ([verdachte]) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Dit leverde de volgende interpretatie en conclusie op:

Van het bloed in de bemonstering [nummer] is een onvolledig DNA-profiel verkregen van een man. Dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] en matcht niet met het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] [nummer]. Dit betekent dat het bloed in de bemonstering [nummer] afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het bloed in de bemonstering [nummer] is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man met dit DNA-profiel matcht is kleiner dan één op één miljard.

De deskundige dr. A.G.M. van Gorp van het NFI te Den Haag verklaart op 14 maart 2012

Onderzocht werden de volgende materiale[nummer], een referentiemonster van wangslijmvlies van de getuige [getuige 6] en monster[nummer], [nummer] e[nummer].

Het volgende materiaal is onderworpen aan een aanvullend DNA-onderzoek[nummer], een bemonstering van vloerplank 15a e[nummer], een bemonstering van vloerplank 16b.

De DNA-profielen van het volgende materiaal zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek, [nummer] (een referentiemonster van het bot van [slachtoffer]), [nummer] (een referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte [verdachte]) en [nummer] bemonstering van de houten plank, DNA-mengprofiel gekoppeld aan minimaal vier personen waaronder slachtoffer [slachtoffer].

Onderzoek naar biologische sporen

De bemonsteringen [nummer], [nummer] en [nummer] zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is in alle drie de bemonsteringen bloed aangetroffen. Deze bemonsteringen zijn als [nummer]#01, [nummer]#01 en [nummer]#01 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek

Het refentiemonster wangslijmvlies van de getuige [getuige 6] [nummer] en de bemonsteringen [nummer]#01, [nummer]#01 en [nummer]#01 zijn onderworpen aan een standaard DNA-onderzoek.

De bemonsteringen [nummer] (vloerplank 15a) en [nummer] (vloerplank 16b zijn onderworpen aan een aanvullend DNA-onderoek.

Resultaten.

Van het referentiemonster wangslijmvlies van de getuige [getuige 6] [nummer] en van het DNA in de bemonsteringen [nummer] (vloerplank 15a) en [nummer] (vloerplank 16b) zijn DNA-profielen verkregen.

Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN [nummer] met bloed vloerplank (DNA-mengprofiel): celmateriaal kan afkomstig zijn van minimaal 4 personen waaronder het slachtoffer [slachtoffer] Frequentie en matchkans zijn niet berekend.

[nummer]#01 met bloed vloerplank 15a (onvolledig DNA-profiel): celmateriaal kan afkomstig zijn van slachtoffer [slachtoffer]. Frequentie en matchkans DNA profiel is kleiner dan één op één miljard.

[nummer]#01 met bloed vloerplank 16b (onvolledig DNA-profiel): celmateriaal kan afkomstig zijn van slachtoffer [slachtoffer]. Frequentie en matchkans DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

Aangezien in deze zaak de vraag relevant is wanneer het bloed van [slachtoffer] op de vloer van verdachte terecht is gekomen, stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen de volgende tijdlijn vast.

Bron/verklaring

Inhoud verklaring Datum/tijd

[getuige 6] Woensdag voor de vermissing van [slachtoffer] begon [verdachte] met schuren van de houten vloer in de kamer. De slaapkamer was toen al klaar. 07-09-2011

Verdachte Verdachte is woensdag begonnen met het schuren van de woonkamervloer. 07-09-2011

[getuige 5] [slachtoffer] is aanwezig op de kazerne 08-09-2011

[getuige 4] [getuige 4] verklaart dat hij zag en hoorde dat [slachtoffer] met zijn diensttelefoon de man die de bouwzaken voor hem regelde belde. Hij hoorde [slachtoffer] zeggen dat hij zijn geld wilde hebben en ze spraken af voor vrijdag 9 september om 14.00 uur. 08-09-2011

[getuige 5] [slachtoffer] is aanwezig op de kazerne. Om 12.05 uur is hij vertrokken. 09-09-2011

[getuige 3] [getuige 3] verklaart dat hij op vrijdag 09-09-2011 om 13.53 uur is gebeld door [slachtoffer] die hem vertelde dat hij op het bungalowpark was. [slachtoffer] zei tegen [getuige 3] dat hij eerst de kat eten ging geven en dan naar [verdachte] zou gaan. [slachtoffer] zei dat hij [getuige 3] hierna terug zou bellen. 09-09-2011 13.53 uur

Verdachte Om 14.00 uur is [slachtoffer] geweest. 09-09-2011 14.00 uur

[getuige 3]

[getuige 7] [verdachte] heeft [getuige 3] om 15.15 uur gebeld. [getuige 3] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem is geweest. [verdachte] vertelde dat [slachtoffer] vijf voor twee bij hem was.

Even na 17.00 uur was [verdachte] bij [getuige 3]. Het viel hem op dat [verdachte] er bleek uitzag, hij het benauwd had en hij bezweet was. [verdachte] vertelde hem dat hij de vloer aan het schuren was. 09-09-2011

Verdachte Verdachte heeft de woonkamervloer geschuurd, daar was hij woensdag (07-09) al mee begonnen. De maandag of dinsdag daarop was hij klaar. 09-09-2011

[getuige 6] Behalve [verdachte] en zij maakt niemand gebruik van de huissleutels van [adres] te Herkenbosch. [verdachte] heeft haar verteld dat nadat [slachtoffer] bij hem was geweest, [verdachte] verder is gegaan met de woonkamervloer. Hij was die vloer toen aan het schuren. Hij heeft die hele middag aan de vloer in de woonkamer gewerkt. 09-09-2011 14.00-20.00 uur

[getuige 6] Zij is die vrijdagavond rond 20.00 uur thuisgekomen. Zij heeft niets aan de vloer gezien, hij was geschuurd, er zat nog geen beits op. 09-09-2011 20.00 uur

[getuige 6] [verdachte] gaat werken aan de vloer van hun woning. Hij beitst en lakt het rechtergedeelte van de vloer. 10-09-2011

[getuige 6] Op zondag schuurt [verdachte] de vloer licht op waarna [getuige 6] de vloer zuigt en dweilt. ’s Middags lakt [verdachte] de vloer opnieuw. 11-09-2011

[getuige 6] De meubels in de woonkamer worden op de rechterzijde gezet. De linkerzijde van de vloer wordt op 12 of 13 september geschuurd en behandeld. 12/13-09-2011

Verdachte Verdachte was maandag of dinsdag helemaal klaar met de vloer. 12/13-09-2011

Verdachte In het weekend van 29 en 30 oktober vervangt verdachte 9 houten planken van de woonkamervloer. 29/30 oktober 2011

[getuige 6] [verdachte] vervangt op verzoek van [getuige 6] wat planken in de vloer. Eind oktober 2011

Uit de bewijsmiddelen en de daarop gebaseerde tijdlijn leidt de rechtbank het volgende af.

Op woensdag 7 september 2011 is verdachte begonnen met het schuren van de vloer van de woonkamer. Uit de omstandigheid dat het bloed van [slachtoffer] zich op de geschuurde plank en onder de lak bevond, leidt de rechtbank af dat het bloed van [slachtoffer] ná 7 september 2011 op de vloer terecht is gekomen. Niet is gebleken dat [slachtoffer] op 7 en/of 8 september op Reewoude is geweest.

Volgens [getuige 6] heeft verdachte de vloer tussen de zaterdagmiddag en de dinsdag na de vermissing van [slachtoffer] gelakt. Verdachte heeft verklaard dat de vloer op maandag (12 september) of dinsdag (13 september) helemaal klaar was. Hieruit leidt de rechtbank af dat het bloed van [slachtoffer] in ieder geval vóór 14 september 2011 op de vloer terecht is gekomen.

Op 9 september 2011 heeft verdachte een afspraak met [slachtoffer] bij [verdachte]. Op vrijdag 9 september 2011 om 13.53 uur had [slachtoffer] het laatste contact met [getuige 3]. [getuige 3] sprak met [slachtoffer] af dat deze hem zou bellen na het gesprek met [verdachte]. [slachtoffer] heeft echter niet meer naar [getuige 3] gebeld. Volgens verdachte is [slachtoffer] om 14.00 uur bij hem geweest. Niemand heeft verklaard [slachtoffer] na 9 september 2011 nog te hebben gezien noch iets van hem te hebben gehoord

De rechtbank stelt vast dat de laklaag niet vóór vrijdag 9 september 2011 om 13.53 uur, het tijdstip waarop [getuige 3] nog contact met [slachtoffer] heeft gehad, op de vloer aangebracht kan zijn. Uit niets is gebleken dat het bloed van [slachtoffer] eerder op de vloer is terechtgekomen.

Op 9 september 2011 omstreeks 20.00 uur kwam [getuige 6] thuis. Verdachte was volgens haar de vloer aan het schuren. [getuige 6] had niets vreemds gezien aan de woonkamervloer en er zat nog geen beits op. Volgens haar lakte [verdachte] het rechtergedeelte van de woonkamervloer op zaterdag 10 september 2011. Volgens verdachte was de vloer op maandag of dinsdag klaar.

De rechtbank leidt hieruit af dat het bloed van [slachtoffer] op vrijdag 9 september 2011 tussen het telefonisch contact van [slachtoffer] en [getuige 3] om 13.53 uur en de thuiskomst van [getuige 6] omstreeks 20.00 uur op de vloer terecht is gekomen.

Op dit punt bespreekt de rechtbank de stelling van de raadsman van verdachte dat niet kan worden uitgesloten dat het bloed al voor 9 september 2011 op de vloer is terechtgekomen en acht in dat kader vele scenario’s mogelijk, waarvan hij er maar één enigszins concretiseert, te weten het scenario waarin [slachtoffer] zich zou hebben bezeerd bij het verwijderen van de vloerbedekking. Verdachte zelf heeft zich over dit scenario niet geuit, ook niet na het opperen ervan door zijn raadsman. Wel heeft verdachte verklaard dat alleen hij en [getuige 6] de vloerbedekking er uit hebben gehaald, hetgeen wordt bevestigd door [getuige 6] . Van hulp van [slachtoffer] bij het verwijderen van de vloerbedekking, laat staan van verwonding daarbij is in hun verklaringen in het geheel geen sprake en is ook overigens niet gebleken.

Ook het begin van aannemelijkheid van andere scenario’s is niet gebleken. Het betoog van de raadsman terzake wordt derhalve gepasseerd.

Nu, zoals hierboven reeds is verwoord, vaststaat dat op 9 september 2011 tussen 13.53 uur en 20.00 uur bloed van [slachtoffer] in de woning van verdachte is terecht gekomen, dient te worden vastgesteld of dat bloed samenhangt met het bij de autopsie geconstateerde letsel door geweldstoepassing op het lichaam van [slachtoffer] en, indien dat het geval is, door wie dat letsel is toegebracht.

De rechtbank stelt daartoe het volgende vast.

[slachtoffer] heeft als gevolg van het voor hem fatale geweld en letsel veel bloed verloren.

Veel bloed van [slachtoffer] heeft op de vloer in de woonkamer van de woning van verdachte gelegen, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat tussen 5 planken over een lengte van meer dan 1 meter aaneengesloten zijn bloed is aangetroffen. Voorts is op een steen onder de vloer een bloedspoor van [slachtoffer] aangetroffen. Het letsel van [slachtoffer] was zodanig dat hij als gevolg daarvan snel het bewustzijn heeft verloren, waardoor het uitgesloten moet worden geacht dat hij daarna de woning van verdachte nog op eigen kracht heeft kunnen verlaten.

[slachtoffer] is na 9 september 2011 niet meer gezien.

De rechtbank leidt uit deze vaststellingen af dat het bloed, dat op 9 september 2011 tussen 13.53 uur en 20.00 uur op de vloer van verdachte is terecht gekomen inderdaad het gevolg is van het bij de autopsie geconstateerde letsel door geweld.

De rechtbank stelt in aansluiting op het vorenstaande het volgende vast.

[slachtoffer] had een financieel conflict met verdachte en was daar boos over. [slachtoffer] is op 9 september 2011 naar verdachte gegaan om hem daarover aan te spreken, hetgeen toen en daar wel degelijk, anders dan door de raadsman gesteld, de aanleiding kan zijn geweest voor gewelddadigheden. Niet gesteld of gebleken is dat iemand anders dan verdachte met [slachtoffer] in de bewuste periode in de woning aanwezig is geweest. De aanwezige aanzienlijke hoeveelheid bloed was bij thuiskomst van [getuige 6] zodanig verwijderd, dat het door haar niet meer is opgemerkt. Het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen op korte afstand van het perceel van verdachte op het adres [adres] te Herkenbosch.

Geconcludeerd moet worden dat het dodelijk letsel door verdachte is toegebracht en uit de aard van het letsel blijkt dat dit opzettelijk is gebeurd.

De rechtbank heeft zich rekenschap gegeven van het feit dat uit het onderzoek geen compleet beeld is te krijgen over hetgeen [slachtoffer] op en eventueel na 9 september 2011 om 14.00 uur is overkomen. Zo is niet vast te stellen wat er precies is gebeurd rondom de gewelddadige dood van [slachtoffer]. De bewijsmiddelen kunnen echter bewezenverklaring dragen en eerdergenoemde lacunes doen daar niets aan af. Daarbij is van bijzonder belang dat geen met bewezenverklaring strijdige feiten en omstandigheden zijn gebleken of bekend geworden, terwijl ook geen andere scenario’s aannemelijk zijn geworden. In dit licht had het gelet op de bewijsmiddelen en de daaruit te trekken conclusies op de weg van verdachte gelegen om opheldering te verschaffen en de mogelijke bewezenverklaring te ontzenuwen, hetgeen hij heeft nagelaten door zich te blijven beroepen op zijn zwijgrecht. Slechts éénmaal heeft verdachte zich met betrekking tot de beschuldiging geuit met de woorden “Ik ben onschuldig”, maar ook daarover heeft hij desgevraagd geen nadere uitleg willen geven.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Bij het onderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit geconcludeerd kan worden dat verdachte heeft gehandeld met het vooropgezette plan om [slachtoffer] te doden. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord. Wel acht de rechtbank op grond van het voorgaande de subsidiair ten laste gelegde doodslag bewezen.

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 9 september 2011 te Herkenbosch opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een hard voorwerp op/tegen het hoofd geslagen en samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals/keel van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

doodslag.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

Door de forensisch psycholoog prof.dr. J.J. Baneke en de psychiater drs. J.R. Nijdam is omtrent de geestvermogens van verdachte op 11 respectievelijk 12 april 2012 rapportage uitgebracht. De deskundigen komen niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straf en maatregel

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 5 oktober 2012 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 12 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op het pleidooi voor vrijspraak, onthouden van een standpunt over een straf.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Het toegebrachte letsel wijst op een ernstige mate van geweld. Verdachte heeft daarmee één van de ernstigste misdrijven gepleegd die het Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft door aldus te handelen op flagrante wijze het meest elementaire recht van het slachtoffer geschonden, namelijk het recht te leven.

Verdachte heeft het delict verzwegen en heeft de sporen daarvan trachten uit te wissen. Uiteindelijk is het stoffelijk overschot twee maanden na de dood aangetroffen in een maïsveld nabij de woning van verdachte. Door een feit als dit is de rechtsorde ernstig geschokt.

Het delict heeft zowel binnen als buiten de familie- en de kennissenkring van het slachtoffer afschuw opgeroepen. Verdachte heeft groot en onherstelbaar verdriet toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, een verdriet dat zij voor de rest van hun leven als een schaduw met zich meedragen. De rechtbank verwijst naar de indrukwekkende slachtofferverklaringen van de moeder en de broer van [slachtoffer]. De nabestaanden hebben lange tijd in grote onzekerheid verkeerd over het lot van hun dierbare, totdat het stoffelijk overschot bij toeval werd aangetroffen. Uit de slachtofferverklaringen valt af te leiden dat die twee maanden een afschuwelijke periode waren.

Ook na het aantreffen van het slachtoffer heeft verdachte geweigerd klaarheid te geven over wat werkelijk gebeurd is. Nog steeds laat hij de nabestaanden daarover in onzekerheid. De rechtbank rekent verdachte dit extra zwaar aan.

Bij de strafoplegging neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank kan voor het overige geen rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, nu hij heeft geweigerd mee te werken aan rapportage niet alleen door een psychiater en een psycholoog, maar ook door de reclassering.

Gelet op de bijzondere ernst van het delict en de omstandigheden zoals die bekend zijn, is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar een passende bestraffing vormt.

10.4.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van [nabestaande 2]

[nabestaande 2], wonende [adres], heeft als nabestaande een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[nabestaande 2] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 8.951,63 gesteld en wil die schade vergoed krijgen, alsmede de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Ten laste van verdachte is het hiervoor subsidiair ten laste gelegde feit (artikel 287 Sr) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De vordering is onvoldoende betwist. Verdachte is tot vergoeding van schade gehouden zodat de vorderingen tot dat bedrag zullen worden toegewezen.

Op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kunnen erfgenamen van een overledene een vordering tot schadevergoeding indienen voor terzake een hun onder algemene titel verkregen vordering. Daarnaast is in artikel 108, tweede lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bepaald dat indien iemand die ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, overlijdt, de aansprakelijke verplicht is aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden. Deze persoon wordt eveneens in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemd. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij zich in beide hoedanigheden heeft gesteld.

Op grond van bovenstaande bepalingen is de rechtbank van oordeel dat de door de benadeelde partij, als erfgename van [slachtoffer] gevorderde kosten voor de uitvaart, als kosten van lijkbezorging, tot een bedrag van € 8544,63 voor toewijzing in aanmerking komen. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde kosten van het verzoek instelling afwezigheidsbewind à € 71,-- en telefoonkosten à € 300,-- niet vallen onder de posten die ingevolge de hierboven genoemde bepalingen voor vergoeding in aanmerking komen, op grond waarvan de vordering voor dat deel dient te worden afgewezen.

De rechtbank verwerpt het standpunt van de raadsman van verdachte dat eventueel opkomend voordeel, zoals uitkeringen uit een levens(risico)verzekering(en), betrokken dienen te worden in de schadeberekening, nu daarvan bij het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 8.544,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 9 september 2011 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 77 dagen, te betalen ten behoeve van [nabestaande 2] voornoemd, zoals hierna in de beslissing genoemd.

De vordering van [nabestaande 1]

[nabestaande 1], wonende [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[nabestaande 1] voornoemd heeft de materiële schade, te weten telefoonkosten, op een bedrag van € 429,-- gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kunnen erfgenamen van een overledene een vordering tot schadevergoeding indienen voor terzake een hun onder algemene titel verkregen vordering. Daarnaast is in artikel 108, tweede lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bepaald dat indien iemand die ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, overlijdt, de aansprakelijke verplicht is aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden. Deze persoon wordt eveneens in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemd. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij zich in beide hoedanigheden heeft gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde telefoonkosten niet vallen onder de posten die ingevolge de hierboven genoemde bepalingen voor vergoeding in aanmerking komen, op grond waarvan de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

De vordering van [nabestaande 3]

[nabestaande 3], wonende [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[nabestaande 3] voornoemd heeft de materiële schade, te weten telefoonkosten, op een bedrag van € 415,24 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Op grond van artikel 51f, eerste lid en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, en indien deze ten gevolge van het strafbare feit is overleden, diens erfgenamen zich voegen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, tweede lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, terzake van de daar bedoelde vorderingen. Deze vorderingen hebben betrekking op schade door het derven van levensonderhoud en kosten van lijkbezorging.

Aangezien bij het onderzoek ter terechtzitting niet is kunnen worden vastgesteld dat de benadeelde partij erfgename van [slachtoffer] als bedoeld in artikel 51f, tweede lid, van het wetboek van Strafvordering is en voorts de door de benadeelde partij gevorderde telefoonkosten niet vallen onder de posten die ingevolge de hierboven genoemde bepalingen voor vergoeding in aanmerking komen, dient de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 287.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 10 jaar;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2]:

wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2], [adres] toe tot een bedrag van € 8.544,63;

wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2] voor het overige af;

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 8.544,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 9 september 2011 tot de dag der algehele voldoening;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 8.544,63 subsidiair [77] dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van het subsidiair bewezen verklaarde feit (artikel 287 Sr ) genaamd [nabestaande 2], met dien verstande dat de

toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot

schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8544,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 9 september 2011 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1]:

wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1], [adres] af;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ten behoeve van de verdediging ten aanzien van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 3]:

verklaart de benadeelde partij [nabestaande 3] niet ontvankelijk in haar vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ten behoeve van de verdediging ten aanzien van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. E.H.M. Druijf, M.B.T.G. Steeghs en L.J.A. Crompvoets, rechters, van wie mr. E.H.M. Druijf voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 4 januari 2013.