Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9898

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
AWB-11_882u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Zoals ook ter zitting reeds aan de orde is gesteld en door verweerder desgevraagd is erkend, heeft verweerder met het bestreden besluit geen afgerond besluit genomen dat strekt tot bestuursrechtelijke handhaving maar slechts een dergelijk besluit in het vooruitzicht gesteld. Niet kan echter worden volstaan met het in het vooruitzicht stellen van een handhavingsbesluit. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:11 van de Awb genomen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 / 882

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2013 in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. I.M.C. van Leeuwen),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[naam derde-partij 1][naam derde-partij 1][naam derde-partij 1], [woonplaats derde-partij 1]

(gemachtigde: mr. C. Billen),

[naam derde-partij 2], [woonplaats derde-partij 2],

[naam derde-partij 3], [woonplaats derde partij 3]

(gemachtigde: mr. C. Billen),

[naam derde-partij 4], [woonplaats derde-partij 4]

(gemachtigde: mr. C. Billen),

[naam derde-partij 5], [woonplaats derde-partij 5]

(gemachtigde: mr. L.M.H. Schrieder), en

[naam derde-partij 6], [woonplaats derde-partij 6]

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het handhavingsverzoek van eiseres van 8 juli 2010.

Bij besluit van 31 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 3 december 2010 herroepen en positief beslist op het handhavingsverzoek.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer is aangevangen op

28 september 2012. De behandeling van het beroep ter zitting is geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken of het geschil door middel van mediation tot een oplossing kon worden gebracht. Aangezien de mediation niet tot overeenstemming heeft geleid, is het onderzoek ter zitting op 5 november 2013 door de meervoudige kamer hervat.

Namens eiseres waren aanwezig [namen gemachtigden eiseres], bijgestaan door hun gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. F.M.H. Merx,

mr. I. Rezelman en ing. E.J.E. Geurts. Allen bijgestaan door mr. B. Smit, kantoorgenoot van mr. C. Billen voornoemd, zijn als derde-partij verschenen[namen derde-partijen].

Overwegingen

1.

Eiseres heeft op 8 juli 2010 verzocht om handhavend op te treden tegen zonder bouwvergunning opgerichte bouwwerken bij diverse recreatiewoningen (bungalows, gelegen aan de Heide 6, nummers 1 tot en met 27). Het gaat om carports, erf- en perceelafscheidingen, dierenverblijven, uitbreidingen van de recreatiewoningen, speeltoestellen en schuurtjes, aldus eiseres. Hierbij heeft eiseres gesteld dat de bouwwerken nimmer als vergunningsvrij kunnen worden aangemerkt. Evenmin kunnen de illegale bouwwerken gelegaliseerd worden. Er is immers sprake van notarieel vastgelegde afspraken tussen eiseres en de eigenaren van de recreatiewoningen die illegaal bouwen verbieden, zo betoogt eiseres.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het handhavingsverzoek afgewezen. Volgens verweerder is het merendeel van de door eiseres genoemde bouwwerken vergunningsvrij in gevolge het Besluit omgevingsrecht. Voor het overige is verweerder voornemens de bouwwerken te legaliseren omdat er concreet zicht op legalisatie bestaat. Verweerder heeft dan ook aanleiding gezien om van handhaving af te zien.

3.

Na heroverweging heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit bij het bestreden besluit gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit herroepen en positief beslist op het handhavingsverzoek.

4.

Eiseres heeft het bestreden besluit in beroep gemotiveerd bestreden.

5.

Het is thans aan de rechtbank om te beoordelen of het bestreden besluit rechtens stand kan houden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

6.

Zoals ook ter zitting reeds aan de orde is gesteld en door verweerder desgevraagd is erkend, heeft verweerder met het bestreden besluit geen afgerond besluit genomen dat strekt tot bestuursrechtelijke handhaving maar slechts een dergelijk besluit in het vooruitzicht gesteld. Wat er ook zij van de ter zitting te berde gebrachte redenen van verweerder om op deze manier te beslissen, strookt dit in dit geval niet met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het besluit plaats vindt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel herroept het bestuursorgaan het besluit, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. Dit artikel brengt met zich dat als het bestuursorgaan op grond van de heroverweging van een besluit tot afwijzing van een verzoek om handhaving, alsnog tot het oordeel komt dat moet worden gehandhaafd, dat besluit herroept en gelijktijdig een besluit strekkende tot handhaving neemt (zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM2589). Niet kan worden volstaan met het in het vooruitzicht stellen van een handhavingsbesluit. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:11 van de Awb genomen.

7.

De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen geschikte wijze van finale geschilbeslechting binnen haar bereik, nu het resultaat van het door verweerder te verrichten onderzoek en de aard van het te nemen besluit op bezwaar nog ongewis zijn.

8.

Met betrekking tot de grond, dat de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken door verweerder ten onrechte niet zijn vergoed, overweegt de rechtbank het volgende.

9.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist; het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar. Ingevolge artikel 7:15, vierde lid, van de Awb worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

10.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb is hierbij van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

11.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in het bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de door haar in bezwaar gemaakte kosten. Voorts overweegt de rechtbank dat is voldaan aan de vereisten van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb. Verweerder had mitsdien op het verzoek van eiseres aldus moeten beslissen dat een vergoeding voor de gemaakte proceskosten wordt toegekend overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verweerder heeft echter verzuimd dit te doen. De rechtbank ziet, gezien het vorenstaande, aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals dat gold ten tijde hier van belang voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand begroot op € 874,00 in bezwaar (één punt voor het indienen van het bezwaarschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting van de commissie bezwaarschriften op 28 maart 2011).

12.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om de proceskosten in beroep te vergoeden. Deze stelt zij voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals dat gold ten tijde hier van belang vast op € 1416,00. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden drie punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting op 28 september 2012 en één punt voor het verschijnen ter zitting op 5 november 2013). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op [licht/gemiddeld/zwaar] gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaarprocedure, aan de zijde van eiseres begroot op € 874,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan eiseres;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 1416,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan eiseres;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Voncken (voorzitter) en mr.drs. E.J. Govaers en

mr. R.A.M.M. Gijselaers, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.

w.g. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. P.J. Voncken,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 december 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.