Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9759

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
C/03/165493 FA RK 11-1294
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek van de moeder tot vaststelling van een verdeling van zorg- en opvoedingstaken afgewezen. Raad adviseert een regeling vast te stellen waarbij de minderjarige tweemaal per jaar onder professionele begeleiding een ontmoeting met de moeder heeft.

Rechtbank oordeelt dat het belang van de moeder dient te wijken voor het belang van de minderjarige en het gezin waartoe zij behoort. Na jaren, waarin de minderjarige is blijven aangeven dat zij geen contact met de moeder wil, is het moment gekomen dat de pogingen tot contactherstel worden gestaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 12 november 2013

Zaaknummer: 165493 / FA RK 11-1294

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. E.E. Nauta-Rijsdijk, kantoorhoudende te Rotterdam,

en

[verweerder],

wederpartij, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M. Kikken, kantoorhoudende te Vaals.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op
9 juli 2012 uitgesproken beschikking.

1 Het verdere verloop van de procedure

De Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht (verder te noemen: de raad) heeft op 
25 april 2013 een rapport uitgebracht.

2 Het advies van de raad

De raad adviseert de rechtbank om een contactregeling, in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, tussen [minderjarige] en de moeder vast te stellen waarbij [minderjarige] één keer per half jaar onder professionele begeleiding een ontmoeting van twee uur heeft met de moeder.

3 De standpunten ter zitting van 29 oktober 2013

De vader heeft ter zitting aangevoerd de conclusies van de raad niet te delen. Hij staat niet onwelwillend tegenover contact tussen [minderjarige] en haar moeder. Het is echter steeds zijn insteek geweest om ruimte aan [minderjarige] te bieden voor contactherstel met de moeder in het tempo dat [minderjarige] aangeeft. [minderjarige] wil op het moment nog geen contact met haar moeder. Vanaf het moment dat er sprake is van de voorbereiding op herstel van het contact met de moeder vertoont [minderjarige] een forse terugval in haar gedrag, zowel in de thuissituatie als op school. Het heeft er alle schijn van dat de raad bij het formuleren van haar advies het belang van [minderjarige] heeft geobjectiveerd en redeneert vanuit modellen zonder daarbij rekening te houden met [minderjarige] specifieke problematiek. [minderjarige] staat op het punt om een keuze te maken voor de middelbare school. De huidige situatie heeft een negatieve invloed op haar schoolresultaten en daarmee op de keuze voor haar middelbare schoolopleiding. Haar schoolresultaten zijn een goede graadmeter voor wat deze situatie van [minderjarige] vergt. De situatie vraagt bovendien veel van het gezin en vooral van het halfbroertje van [minderjarige]. Het verzoek dient te worden afgewezen in het belang van [minderjarige].

De moeder is om onbekende redenen niet ter zitting verschenen. De advocaat van de moeder heeft ter zitting aangevoerd dat het wel van belang is om juist op dit moment, na alle voorbereiding die in het contactherstel is gestoken, door te zetten. Er komt een moment dat [minderjarige] er zelf belang bij heeft dat er contact is tussen haar en de moeder. Ze is er uiteindelijk niet bij gebaat om geen contact te hebben met de moeder. Het valt overigens te betwijfelen of de terugval in schoolprestaties van [minderjarige] een rechtstreeks gevolg is van het contact met de moeder. Er is veel geïnvesteerd in het contactherstel en het is de moeite waard om de ingeslagen weg te vervolgen.

[minderjarige] heeft ter zitting, in aanwezigheid van slechts de gezinsvoogdes, aangegeven dat zij geen contact met haar moeder wenst.

Bureau Jeugdzorg heeft als informant tijdens de zitting naar voren gebracht niet afwijzend te staan tegenover het contactherstel. Het standpunt van bureau jeugdzorg in deze is echter dat het van belang is om daarbij het tempo van [minderjarige] te volgen. Volgens de aanwezige gedragsdeskundige van bureau jeugdzorg vraagt hechtingsproblematiek niet om dwang en onnodige terugkeer naar heet verleden. Het is te vroeg voor [minderjarige] om het contact met de moeder op te bouwen. Contactherstel kan ook prima op latere leeftijd plaatsvinden.

De raad heeft ter zitting gepersisteerd bij zijn standpunt zoals verwoord in het raadsrapport van 25 april 2013. De keuze voor het herstel van het contact moet niet bij [minderjarige] worden gelegd. Een dergelijke keuze is te belastend voor [minderjarige]. Nu drs. Voragen, psycholoog, zich heeft teruggetrokken als vertrouwenspersoon zou de gezinsvoogd de aangewezen persoon zijn om [minderjarige] te begeleiden. De omstandigheid dat de gezinsvoogd een andere mening is toegedaan over het moment van het herstel van het contact maakt de situatie echter gecompliceerd.

4 De verdere beoordeling

In beginsel heeft een kind recht op contact met beide ouders en is dat in haar belang. Op grond van artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek heeft [minderjarige] het recht op een gelijkwaardige verzorging door haar beide ouders en hebben de ouders de plicht om de ontwikkeling van de banden van [minderjarige] met de andere ouder te bevorderen.

De rechtbank overweegt dat sprake is van een situatie waarin de moeder om een contactregeling in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken heeft verzocht en de raad daarin positief adviseert. De vader en de gezinsvoogdes hebben aangegeven dat er in beginsel contact moet zijn tussen [minderjarige] en de moeder, maar dat dit contact niet moet plaatsvinden zolang [minderjarige] zich daartegen heftig verzet.

Uit de stukken, waaronder de stukken met betrekking tot de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de brief van 17 november 2011 van de behandelend psycholoog van [minderjarige], drs. Voragen, leidt de rechtbank af dat de afgelopen jaren veel inspanningen zijn verricht om tot contactherstel tussen [minderjarige] en haar moeder te komen:

- [minderjarige] woont sinds december 2005 in het gezin van de vader en zijn partner [partner vader]. Zij hebben [minderjarige] de afgelopen jaren steeds gestimuleerd om contact met haar moeder te houden; zij hebben [minderjarige] ertoe aangezet kaartjes en cadeautjes van moeder te beantwoorden.

- Vanaf 2007 was [minderjarige], tegen haar zin, in behandeling bij drs. Voragen. De behandeling was onder meer gericht op herstel van het contact tussen [minderjarige] en haar moeder.

- De gezinsvoogdes heeft onder meer als werkdoel steeds gesteld dat de vader en zijn partner [minderjarige] dienen te stimuleren tot contact met haar moeder. De gezinsvoogdes heeft ter zitting van 29 oktober 2013 aangegeven dat zij zeer onlangs nog met [minderjarige] naar de winkel is gegaan om een kaartje voor moeder uit te zoeken, maar dat [minderjarige] weigerde om dit te doen.

Ondanks alle voormelde inspanningen is het niet gelukt om tot een contactherstel te komen. De rechtbank overweegt dat de vader heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek.

[minderjarige] is zich gedurende de afgelopen jaren heftig blijven verzetten.

De kinderrechter ziet tijdens het verhoor van [minderjarige] op de zitting van 29 oktober 2013 een zeer verdrietige [minderjarige], die aangeeft geen contact met haar moeder te willen.

De rechtbank dient nu de vraag te beantwoorden of tegen de wil van [minderjarige] een contactregeling moet worden opgelegd. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

Het belang van de moeder dient te wijken voor het belang van [minderjarige] én het gezin waartoe zij behoort.

Uit de stukken leidt de rechtbank af dat [minderjarige] een beschadigd kind is dat, zeker in de eerste jaren van haar verblijf bij de vader en zijn partner [partner vader], vanwege onder andere haar hechtingsstoornis heel veel aandacht heeft gevraagd. De vader en [partner vader] hebben beiden veel geïnvesteerd in de ontwikkeling van [minderjarige] en dat heeft tot resultaat gehad dat de ontwikkeling van [minderjarige] ten goede is gekeerd.

Onweersproken heeft de vader gesteld dat [minderjarige], sinds de onderhavige procedure is gestart, een ernstige terugval in haar ontwikkeling doormaakt, zowel thuis als op school, en dat dit zijn weerslag heeft op het hele gezin.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank een contactregeling niet in het belang van [minderjarige]. Voorkomen moet worden dat de terugval in [minderjarige] ontwikkeling, die naar het oordeel van de rechtbank wordt veroorzaakt door de druk van het tot stand brengen van een contactregeling, nog langer voortduurt. Voorkomen moet ook worden dat het gezin waartoe [minderjarige] behoort bezwijkt onder de druk van contactherstel; dat is niet in [minderjarige] belang.

Ten slotte, maar niet in de laatste plaats, dient ook [minderjarige] gehoord te worden: zij is de afgelopen jaren blijven aangeven geen contact met haar moeder te willen. Thans is het moment gekomen dat de pogingen tot contactherstel worden gestaakt, zodat zij rust krijgt en geen druk meer voelt.

Het verzoek van de moeder dient daarom te worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a.  door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b.  door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.