Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9492

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
03/700542-13 en 03/133157-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag; voorwaardelijk opzet; met auto inrijden op voetganger; mede gelet op eigen aandeel slachtoffer gevangenisstraf 16 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een rijontzegging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2014/4
NJFS 2014/27

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummers: 03/700542-13 en 03/133157-12 (VTVV)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 november 2013, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is [W.K.] als deskundige gehoord.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft naar voren gebracht dat de verklaringen van verdachte en zijn vriendin, getuige [getuige 1], een andere lezing van het gebeuren geven dan de verklaring van aangever [slachtoffer]. De verklaring van aangever vindt echter steun in de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 3]. [getuige 3] is aan te merken als een onafhankelijke getuige. Daarbij komt dat op pagina 88 van het dossier sprake is van een andere onbekend gebleven onafhankelijke getuige, die tegen de meldkamer zegt dat er zojuist een jongen omver is gereden. Ook het sporenonderzoek onderschrijft de verklaring van aangever en weerspreekt juist de verklaring van verdachte. Volgens de Verkeersongevallenanalyse kan het niet anders dan dat [slachtoffer] recht voor de auto heeft gestaan op het moment van de aanrijding. Volgens jurisprudentie hoeft als bewijs dat een auto met aanzienlijke snelheid heeft gereden niet perse te worden vastgesteld hoe hard deze auto absoluut gezien reed. Het bewijs voor aanzienlijke snelheid kan ook op basis van verschillende verklaringen vastgesteld worden. In de onderhavige zaak blijkt dat met aanmerkelijke snelheid is gereden uit de piepende banden, het breken van de voorruit en het feit dat er menselijke resten in het glas van de voorruit aanwezig waren.

Uit het technisch onderzoek aan de telefoon van verdachte komt bovendien naar voren dat verdachte kwaad was op de aangever. Volgens de officier van justitie is niet uit te sluiten dat deze boosheid bij het inrijden op de aangever mee heeft gespeeld.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair een algehele vrijspraak bepleit. Aangever zou immers zelf op de auto zijn gesprongen en verdachte treft geen blaam.

Zou de rechtbank dat niet aannemen, dan moet er toch nog steeds vrijspraak volgen. Dan is immers van belang hoe het rijgedrag van verdachte is geweest vlak voor de aanrijding. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte met een hoge of aanmerkelijke snelheid heeft gereden. Slechts één getuige heeft verklaard over piepende banden. Uitgaande van de positionering van de voertuigen door de getuigen kan gesteld worden dat verdachte slechts een korte aanloop heeft gehad tot de plaats waar de aangever zich bevond. Daarbij komt dat de auto van verdachte, een Mercedes, een zware auto is, die op dat korte stuk geen aanzienlijke snelheid kan ontwikkelen. Dat de voorruit is gebarsten en dat daarin menselijke resten zijn aangetroffen, zegt niets over de snelheid.

In de Verkeersongevallenanalyse is gerelateerd dat niet kan worden vastgesteld wat de snelheid van de auto was, omdat een ijkpunt voor een meting ontbreekt. De deskundige heeft ter terechtzitting bovendien verklaard geen verband te kunnen leggen tussen het breken van de voorruit en de gereden snelheid.

Voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, poging doodslag, is de gereden snelheid essentieel. Niet iedere aanrijding tussen een auto en een voetganger heeft immers de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg of levert een aanmerkelijke kans daartoe op. Daarvoor moet de snelheid van de auto immers aanzienlijk zijn. Indien alle informatie daaromtrent ontbreekt, kan niet worden gesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever op de koop heeft toegenomen.

De raadsman heeft hetzelfde verweer gevoerd ten aanzien van de subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde varianten. Daarbij heeft hij ook aangevoerd dat het letsel van de aangever niet te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank stelt het navolgende vast. Op 7 september 2013 heeft [slachtoffer] verklaard dat hij op 6 september 2013 in een auto zat, bestuurd door zijn vriend [getuige 2]. Hij is gestopt bij het [Tankstation] in Born. Op de weg achter dat tankstation stond een auto met daarin verdachte. Hij heeft al enige tijd onmin met verdachte. Toen verdachte zei: “Kom dan”, is aangever uit zijn auto gestapt en richting de auto van de verdachte gelopen. Verdachte zag dat de aangever plotseling met zijn auto op hem afkwam, extra gas gaf en vooruit op aangever inreed. Aangever kon vlak voordat de auto hem raakte een stuk omhoog springen. Hij merkt op dat indien hij niet was opgesprongen, verdachte zijn benen had geraakt.2

De getuige [getuige 2], die samen met [slachtoffer] in de auto zat, heeft verklaard dat [slachtoffer] is uitgestapt en naar verdachte is toegelopen. Vervolgens gaf verdachte vol gas en werd [slachtoffer] door verdachte geschept, waardoor hij op de motorkap en het raam van de auto terecht kwam.3

De getuige [getuige 3], die met zijn scooter voor een nabij gelegen stoplicht stond te wachten, heeft verklaard dat hij een Mercedes vanaf de uitrit van het tankstation zag optrekken. Vervolgens reed de Mercedes met hoge snelheid richting een persoon die langs de weg stilstond. De auto raakte deze persoon vol met de voorkant van de auto, waardoor deze persoon over de motorkap vloog en de voorruit raakte. Vervolgens vloog de persoon over het dak en viel hij op het asfalt. Dit gebeurde allemaal zonder dat de Mercedes snelheid minderde.4

Verdachte heeft ter terechtzitting op 19 november 2013 verklaard dat hij de bestuurder van de Mercedes was. Toen hij [slachtoffer] op zich af zag komen is hij weggereden. [slachtoffer] kwam schuin van opzij op hem afrennen en sprong op de auto. Op dat moment reed hij ongeveer 30 km/u. Uit angst voor [slachtoffer] is hij doorgereden. Hij heeft direct de politie gebeld.

Op 6 september 2013 is er een verkeersongevallenanalyse gemaakt. In het proces-verbaal wordt gerelateerd dat op het wegdek in het geheel geen recente bandensporen werden waargenomen. De betrokken Mercedes, type C 180, was bedekt met een laagje straatvuil/weeraanslag. Deze laag was aan de rand van de motorkap en de grille verstoord, waardoor een kort veegspoor zichtbaar was. De voorbumper van het voertuig vertoonde geen beschadigingen en op dit onderdeel was geen verstoring van de laag straatvuil/weeraanslag zichtbaar. Het waargenomen sporenbeeld past bij de lezing dat de voetganger is opgesprongen toen de Mercedes naderde, aldus de deskundige. Anders zou er schade aan de bumper te zien zijn geweest en had de voetganger letsel aan de knieën gehad.

Over de motorkap liep evenwijdig aan de lengterichting van het voertuig een veegspoor in de richting van de voorruit. De gelaagde voorruit van de onderzochte Mercedes was in het gezichtsveld van de bestuurder versplinterd. In deze beschadiging waren aan de bovenrand van de ruit resten van lichaamsweefsel te zien.5 Hieruit kon worden afgeleid dat de voetganger zich min of meer recht voor het voertuig bevond ter hoogte van de voorzijde links van het voertuig. De voetganger heeft zich niet zijdelings voor het voertuig langs bewogen.6

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot navolgende conclusies.

Verdachte is op 6 september 2013 weggereden vanuit de uitrit van een tankstation in Born. Recht voor hem op de weg bevond zich [slachtoffer]. De bewering dat deze van opzij kwam aanrennen verwerpt de rechtbank nu dit niet overeenkomt met het aangetroffen sporenbeeld. Verdachte is toen niet gestopt, hij heeft niet geprobeerd om uit te wijken en hij is tegen [slachtoffer] aangereden. Zijn exacte snelheid bij de aanrijding is onbekend maar volgens verdachte bedroeg deze 30 km/u. De schade aan de voorruit van de auto brengt de rechtbank tot de overtuiging dat die snelheid in ieder geval niet aanmerkelijk lager zal zijn geweest. De rechtbank zal daarom van deze snelheid uitgaan. Aangever [slachtoffer] is vlak voor de aanrijding opgesprongen, heeft de rand van de motorkap geraakt, is over de motorkap heen geschoven, tegen de voorruit van de auto aangekomen en vervolgens omhoog geschoven en via het dak aan de zijkant langs de auto op de grond terecht gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat het inrijden met een personenauto op een zich recht voor die auto bevindende voetganger, met een snelheid van ongeveer 30 km/u, in ieder geval de aanmerkelijke kans op de dood van die voetganger met zich mee brengt. Dat de aangever in dit geval niet is overleden, is vermoedelijk te danken aan het feit dat aangever is opgesprongen. Zou aangever niet zijn opgesprongen, dan zou verdachte tegen zijn benen zijn aangereden en zou er een aanmerkelijke kans hebben bestaan dat aangever was gevallen en voor de auto terecht zou zijn gekomen, waarna hij zou zijn overreden door verdachte. Een voetganger die door een zware auto, zoals een Mercedes C 180, wordt overreden loopt de aanmerkelijke kans dat hij komt te overlijden.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank dat gevolg ook willens en wetens aanvaard. Verdachte wilde naar eigen zeggen wegrijden van de situatie. Verdachte zag dat aangever op hem af kwam lopen en moet hem ook recht voor zijn auto gezien hebben. Toch is hij gewoon doorgereden en heeft geen snelheid verminderd of geprobeerd aangever te ontwijken. Kennelijk wilde hij zo graag wegkomen dat hij de kans dat verdachte daarbij onder de auto zou komen heeft aanvaard.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voorwaardelijk opzet op de dood bewezen. Zij komt daarmee tot een bewezenverklaring van de poging tot doodslag, zoals die primair ten laste is gelegd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 06 september 2013 te Born ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een personenauto is ingereden op die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaar en een rijontzegging voor de duur van drie jaar.

5.2

Het standpunt van de verdediging

Subsidiair heeft de raadsman verzocht het feit te beoordelen als een ongeval. Rekening houdend met het blanco strafblad van verdachte verzoekt de raadsman aan hem op te leggen een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest en een taakstraf. Bij het opleggen van een rijontzegging heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte is met zijn auto ingereden op het slachtoffer [slachtoffer], waardoor er ook daadwerkelijk een aanrijding met deze voetganger is ontstaan. Als gevolg van deze aanrijding heeft [slachtoffer] aanzienlijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder meerdere botbreuken en een hoofdwond, van welke letsels hij nog steeds last ondervindt. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt verder dat hij van mening is dat hij voor het leven verminkt is.

Het feit werd ’s-avonds gepleegd, op een donkere openbare weg achter een tankstation. De kans is groot dat [slachtoffer] dodelijk letsel zou hebben opgelopen, als hij niet was opgesprongen. Dit is een ernstig strafbaar feit. Het is een feit van algemene bekendheid dat er bij slachtoffers van een delict als het bewezenverklaarde, lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid (kunnen) blijven bestaan. Bovendien veroorzaakt een dergelijk feit onrust in de samenleving.

De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte als bestuurder van een personenauto op het onbeschermde slachtoffer is ingereden en dat de gevolgen van dit levensgevaarlijke en uiterst laakbare handelen nog (veel) ernstiger hadden kunnen zijn. Verdachte heeft zijn auto als een “wapen” gebruikt om maar weg te komen bij [slachtoffer]. Met name daarin is voor de rechtbank de reden gelegen om de raadsman niet te volgen in zijn verzoek om deze zaak te bestraffen als ware het een verkeersongeval.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook de enige passende straf.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank echter ook rekening gehouden met de volgende uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden. Voorafgaand aan dit incident hadden het slachtoffer en verdachte ruzie met elkaar. Het slachtoffer is, samen met een vriend, na een woordenwisseling achter verdachte aangereden naar het tankstation. Daar is hij uit de auto gestapt en naar de auto van verdachte toegelopen. De rechtbank kan dit niet anders zien dan dat het slachtoffer de confrontatie zelf heeft opgezocht. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich door deze omstandigheden zo bedreigd voelde dat hij zo snel mogelijk weg wilde komen. Het feit dat het slachtoffer ook een eigen aandeel in het geheel heeft gehad, leidt de rechtbank ertoe deze poging tot doodslag anders te bestraffen dan gebruikelijk is. De rechtbank zal tevens een gedeelte van de straf voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.


Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar, een passende straf.

Eveneens acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid geboden, gelet op de ernst van dit met een auto gepleegde misdrijf en ter bescherming van de verkeersveiligheid. Echter, gelet op de hiervoor geschetste eigen rol van het slachtoffer en het feit dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. Daarnaast zal de rechtbank een deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk opleggen. De rechtbank acht dit voorwaardelijke deel op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank acht een rijontzegging van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2656,11, waarvan € 931, 11 materiële schade en € 1725, - immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van

€ 1631,11, bestaande uit € 381,11 materiële schade en € 1250, - immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2013. Tevens heeft hij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Voor het overige heeft de officier van justitie gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de post “mobiele telefoon” niet in de aangifte is opgevoerd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij matiging gevorderd omdat [slachtoffer] ook een eigen aandeel in het gebeuren heeft gehad.

De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, het standpunt van de officier van justitie te volgen.

De rechtbank overweegt, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en het dossier, dat voldoende vast staat dat [slachtoffer] materiële schade heeft geleden in de zin van medische kosten ad € 350,-, kosten verbonden aan de opname in het ziekenhuis ad € 28,- en reiskosten ad € 3,11 als gevolg van het door verdachte gepleegde feit. Daarnaast staat voldoende vast dat hij immateriële schade heeft geleden. Verdachte is immers met een auto op hem ingereden, waardoor hij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen.

Nu de raadsman geen verweer heeft gevoerd tegen toewijzing van een schadevergoeding ad € 1.631,11 zal de rechtbank daartoe overgaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2013 tot aan de dag van volledige voldoening. Zij zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering. Zij overweegt daartoe dat de post “mobiele telefoon” niet in de aangifte is genoemd en de vordering voor het meerdere ook onvoldoende is onderbouwd.

7 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Maastricht d.d. 16 april 2013 aan verdachte opgelegde voorwaardelijke geldboete van

€ 750, -.

De raadsman heeft primair verzocht de proeftijd te verlengen en subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij vonnis van de politierechter te Maastricht d.d. 16 april 2013 met parketnummer 03/133157-12 is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 750, - met een proeftijd van twee jaren. Nu verdachte in deze proeftijd wederom een strafbaar feit heeft gepleegd, heeft hij zich niet gehouden aan een van de voorwaarden die bij voornoemd vonnis werden bepaald. In de omstandigheid dat tenuitvoerlegging in geen verhouding staat tot de op te leggen straf in onderhavige strafzaak ziet de rechtbank echter aanleiding om af te zien van tenuitvoerlegging. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

  • -

    bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Rijontzegging

  • -

    veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

  • -

    bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 1631,11 (zegge: duizendzeshonderdeenendertig euro en elf eurocent), bestaande uit € 381,11 materiële schade en € 1250, - immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 1631,11 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 26 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer] vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 december 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 06 september 2013 te Born, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een personenauto, met hoge althans aanmerkelijke snelheid tegen die [slachtoffer] is gereden althans is ingereden op die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 06 september 2013 te Born, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken sleutelbeen), heeft toegebracht, door opzettelijk met een personenauto, met hoge althans aanmerkelijke snelheid tegen die [slachtoffer] te rijden althans in te rijden op die [slachtoffer];

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 06 september 2013 te Born, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto, met hoge althans aanmerkelijke snelheid tegen die [slachtoffer] is gereden althans is ingereden op die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700542-13

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 3 december 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 19 november 2013 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman is mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Voor zover de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent. Tenzij anders aangegeven, maken deze bewijsmiddelen deel uit van het eindproces-verbaal van de politie eenheid Limburg, recherche Zuid-West Limburg, met proces-verbaalnummer 2013098486, dat is doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 116 en in de wettelijke vorm is opgemaakt.

2 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer], pagina 62-63.

3 Het proces-verbaal verhoor getuige M. [getuige 2], pagina 84.

4 Het proces-verbaal verhoor getuige T. [getuige 3], pagina 72.

5 Het proces-verbaal Voertuigonderzoek, pagina 93-96.

6 De verklaring van deskundige [W.K.], afgelegd ter terechtzitting van 19 november 2013.