Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9485

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
03/700133-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belaging middels social media. Oplegging van een taakstraf van 120 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700133-12

Parketnummer : 03/873269-11 (tul)

Datum uitspraak : 4 december 2013

Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat te Heerlen.

1 Het onderzoek van de zaak

De zaak is op 22 mei 2012 door de politierechter behandeld en aangehouden. Op 24 oktober 2012 is de zaak door de politierechter vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer. De meervoudige kamer heeft op 2 oktober 2013 het onderzoek in de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden. Ter terechtzitting van van 20 november 2013 is de zaak inhoudelijk behandeld, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun respectieve standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij in of omstreeks de periode van 8 april 2011 tot en met 22 december 2011,

in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk

stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer

van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer]

[slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te

dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte herhaaldelijk

getracht in contact te komen met die [slachtoffer] door haar berichten via MSN

en/of Facebook en/of Badoo, in elk geval middels sociale media, toe te zenden;

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de belaging heeft plaatsgevonden in Landgraaf, zijnde de woonplaats van verdachte, in de periode van 11 mei 2011 tot en met 21 december 2011. De officier van justitie verwijst in dit verband onder meer naar de aangifte van [slachtoffer]. De officier van justitie is van mening dat er sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], mede gelet op het feit dat verdachte reeds eerder ter zake van belaging van [slachtoffer] is veroordeeld en aan hem een contactverbod was opgelegd. De officier van justitie wijst er op dat de door de raadsman overgelegde berichten tussen verdachte en [slachtoffer] uit 2012 stammen en daarmee buiten de ten laste gelegde periode vallen, om welke reden deze berichtgeving in casu niet ter zake doende is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit. De raadsman voert daartoe aan dat er geen bewijs is dat verdachte de door [slachtoffer] overgelegde berichten aan haar heeft verzonden, nu hiernaar geen nader onderzoek is gedaan bij de provider. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij op 9, 20 en 21 december 2011 contact met [slachtoffer] heeft opgenomen, maar bij deze contacten was geen sprake van enig oogmerk [slachtoffer] ergens toe te dwingen, iets te laten doen of dulden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 22 december 2011 heeft [slachtoffer] aangifte en klacht gedaan van stalking door verdachte. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte op 8 april 2010 is veroordeeld wegens stalking van haar, waarbij aan verdachte onder meer een contactverbod, verbonden aan een proeftijd van 2 jaren, met aangeefster is opgelegd. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte na deze veroordeling herhaaldelijk via verschillende sociale media, zoals Hyves, Facebook en Badoo, contact met haar heeft gezocht. Zij heeft daartoe kopiestukken van enkele berichten - gedateerd 11 mei 2011, 3 september 2011, 9 en 10 december 2011 en 19, 20 en 21 december 2011 - aan de politie overgelegd. Aangeefster heeft verklaard dat zij bang is dat verdachte haar iets aan doet.2 Aangeefster is ter zitting van 20 november 2013 als getuige gehoord. Zij heeft ter terechtzitting verklaard dat de door haar overgelegde, uitgeschreven conversatie van 19 en 20 december 2011, waarvan tevens gelijkluidende printscreens van een telefoonscherm zijn overgelegd, ziet op berichten die verdachte aan haar via de website Facebook heeft verzonden. Zij heeft voorts verklaard dat zij met haar telefoon printscreens heeft gemaakt van deze berichten via Facebook.3

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 9 december 2011, 20 december 2011 en 21 december 2011 contact heeft gezocht met aangeefster.4 Verdachte heeft verklaard dat hij zich de andere contacten niet kan herinneren.

De rechtbank constateert dat uit de door aangeefster overgelegde kopiestukken volgt dat verdachte inderdaad op 9 december 2011, 20 december 2011 en 21 december 2011 via Badoo, Facebook en Hyves contact met aangeefster heeft gezocht. Zo heeft verdachte op 20 december 2011 tussen 12:31 uur en 22:18 uur 22 berichten via de website Facebook aan aangeefster gestuurd, waarin verdachte onder meer vraagt of aangeefster met hem wil afspreken en of hij haar nummer mag hebben. Bovendien vraagt hij herhaaldelijk of aangeefster wil antwoorden en vraagt hij waarom ze niet antwoordt.5 Uit een door aangeefster overgelegde uitdraai volgt voorts dat verdachte op 21 december 2011 een bericht aan het Hyves-profiel van aangeefster heeft verzonden, waarin hij schrijft: “wat moet je van mij heb je niet genoeg geld ofzo blijf in godsnaam van badoo profiel of ik ga jou aanklagen voor stalking achterlijk wijf wat je bent”.6

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte frequenter contact met aangeefster heeft gezocht dan hij bij de politie heeft verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster omtrent de contactpogingen van verdachte op 11 mei 2011, 10 december 2011 en 19 december 2011, te meer niet nu deze door de door aangeefster overgelegde uitdraaien worden gesteund én deze berichten qua vorm en strekking sterke gelijkenis vertonen met de berichten waarvan verdachte heeft bekend deze te hebben verzonden. Uit de uitgeschreven uitdraai van een gesprek via de website Badoo volgt aldus dat verdachte, anders dan hij bij de politie heeft verklaard, niet alleen op 9 december 2011 heeft geprobeerd om in contact te treden met aangeefster, maar ook op 10 december 2011.7 Uit een door aangeefster overgelegde uitdraai volgt voorts dat verdachte op 11 mei 2011 een bericht aan het Hyves-profiel van aangeefster heeft verzonden, waarin hij onder meer schrijft: “Ik weet dat ik eigenlijk contact verbod met jou heb”.8 Ten slotte blijkt uit de door aangeefster overgelegde stukken dat verdachte op 19 december 2011 tussen 19:00 uur en 22:31 uur 7 berichten via de website Facebook aan aangeefster heeft gestuurd.9

Het verweer van de raadsman, inhoudende dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte enig bericht aan aangeefster heeft verzonden, vindt weerlegging in de bewijsmiddelen en faalt.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 mei 2011, op 9 en 10 december 2011 en op 19, 20 en 21 december 2011 via sociale media heeft geprobeerd om in contact te komen met aangeefster. De rechtbank overweegt in dit verband dat zij niet bewezen acht dat verdachte aangeefster op 3 september 2011 heeft benaderd, nu deze datum enkel handgeschreven op het door aangeefster overgelegde kopiestuk staat genoteerd en deze datum niet daadwerkelijk uit de berichtgeving volgt. Dat, zoals aangeefster heeft verklaard, verdachte haar tussen 11 mei 2011 en 3 september 2011 benaderd zou hebben middels e-mailtjes kan de rechtbank ook niet staven middels een tweede bewijsmiddel. Reden waarom de rechtbank ook dat buiten beschouwing zal laten.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte door deze pogingen tot het leggen van contact wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]. Bij de beantwoording van deze vraag moet in aanmerking worden genomen de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, alsmede de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden.

Verdachte is reeds eerder veroordeeld voor de belaging van [slachtoffer] en wel op 8 april 2010. Verdachte wist daarmee, en dat blijkt ook uit zijn bericht van 11 mei 2011, dat hij geen contact mocht hebben met [slachtoffer]. De contacten waren daarmee wederrechtelijk. En verdachte wist dat dus ook.

Het enkele contact op 11 mei 2011, hoe vervelend ook, levert naar het oordeel van de rechtbank echter nog geen belaging op. Daarvoor staat dit contact te zeer op zichzelf. De rechtbank acht wel sprake te zijn van belaging in de periode van 9 december 2011 tot en met 21 december 2011. De contacten in deze periode waren omvangrijk in aantal, opdringerig en intimiderend naar aard en strekking en vormden een grove inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]. . De berichten van verdachte waren, zo blijkt uit de lezing daarvan, bedoeld om aangeefster te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen. Illustratief hiervoor is dat verdachte onophoudelijk een reactie van aangeefster op zijn berichten vraagt, een reden voor haar stilzwijgen vraagt, haar nummer vraagt, vraagt of aangeefster met hem wil afspreken en haar dreigt met een rechtszaak.

Alles overwegende acht de rechtbank het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte dit in de periode van 9 december 2011 tot en met 21 december 2011 heeft gepleegd.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 9 december 2011 tot en met 21 december 2011 in Nederland wederrechtelijk telselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte herhaaldelijk getracht in contact te komen met die [slachtoffer] door haar berichten middels sociale media toe te zenden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

belaging

Het misdrijf voornoemd is strafbaar gesteld bij artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van reclasseringstoezicht. Aan dit reclasseringstoezicht dienen een meldingsgebod en een contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarden te worden verbonden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vrijspraak van verdachte bepleit en geen nader onderbouwd standpunt ingenomen ter zake van eventuele strafoplegging.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het belagen van het slachtoffer [slachtoffer]. Daarmee heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Het slachtoffer is door verdachte onder psychische druk gezet. Een druk die bij [slachtoffer], zo is de rechtbank ter zitting gebleken, de nodige sporen heeft nagelaten. [slachtoffer] is nog immer bevreesd voor verdachte. En dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Een jonge vrouw als [slachtoffer] behoort onbekommerd en onbevreesd door het leven te kunnen gaan. Verdachte heeft daar echter, ook gegeven zijn eerdere veroordeling voor de belaging van [slachtoffer], kennelijk geen oog en oor voor.

Wie niet horen wil, zou dan eigenlijk moeten voelen.

De rechtbank acht het feit dusdanig ernstig dat een gevangenisstraf hier op zijn plaats zou zijn. De persoonlijke omstandigheden, en dan in het bijzonder zijn verstandelijke beperking en (vermoedelijk) autisme, blijkend uit het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies, weerhouden de rechtbank ervan deze gevangenisstraf thans onvoorwaardelijk te laten zijn. Verdachte krijgt nog een laatste kans. De gevangenisstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd. Het opleggen van deze voorwaardelijke gevangenisstraf moet verdachte enerzijds duidelijk maken dat hij de persoonlijke levenssfeer van anderen moet respecteren. Anderzijds wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt immers dat verdachte reeds tweemaal eerder ter zake van belaging is veroordeeld, waarvan eenmaal ter zake van de belaging van dit slachtoffer. De rechtbank is er om deze reden niet van overtuigd dat verdachte er volledig van doordrongen is dat zijn toenaderingen ongewenst waren en zijn en achterwege hadden moeten blijven en moeten blijven. Om deze reden zal de rechtbank aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van drie jaren verbinden, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldingsgebod en een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer].

Voorts acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de duur van het voorarrest, passend en geëigend.

8 De benadeelde partij

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 4.844,26 ter zake van het ten laste gelegde feit, waarvan € 3.044,26 ziet op materiële schade en

€ 1.800,00 op immateriële schade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat een bedrag van € 1.744,26 dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ter zake van de materiële schade de post ‘intake en behandeling’ van € 50,00, de tweetal posten ‘behandeling’ van

€ 37,50, de post ‘lotion’ van € 18,26 en de post ‘eigen bijdrage rechtshulp’ van € 101,00 voldoende zijn onderbouwd. De overige posten ter zake van materiële schade acht de officier van justitie te ingewikkeld van aard en daarmee een onevenredige belasting voor het strafproces vormen. Volgens de officier van justitie dient de benadeelde partij ter zake deze overige posten niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade acht de officier van justitie een bedrag van € 1.500,00 toewijsbaar. Voor het overige dient de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard te worden.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De vordering van de benadeelde partij is volgens de raadsman onvoldoende onderbouwd. Er staat niet vast dat de 50 behandelingen, waarvan de benadeelde partij vergoeding vraagt, in onlosmakelijk verband staan tot het ten laste gelegde feit. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat bij afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de vordering door de benadeelde partij aan verdachte vergoeding van kosten rechtsbijstand dient te worden vergoed ter hoogte van één punt van het liquidatietarief.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht door het bewezenverklaarde. De materiële schade ten aanzien van de kosten ‘intake en behandeling, ‘behandeling’ op 12 december 2011 en 6 januari 2012, ‘lotion’ en ‘eigen bijdrage rechtshulp’ dient te worden toegewezen, nu deze posten voldoende onderbouwd zijn. Ten aanzien van de post ’50 behandelingen’ is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende is onderbouwd, nu geen stukken zijn overgelegd omtrent de aard van deze behandeling en op welke wijze deze behandeling verband houdt met het ten laste gelegde feit. De rechtbank zal dit onderdeel van de schadevordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Zij zal echter het gevorderde bedrag matigen en acht een bedrag van € 1.500,00 redelijk en billijk. De rechtbank zal de resterende vordering ter zake van immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. Daarvoor kan de benadeelde partij desgewenst een vordering bij de civiele rechter aanhangig maken.

De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een werkstraf voor de duur van 30 uren, aan verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank te Maastricht d.d. 30 november 2011, gewezen onder parketnummer 03/873269-11. De proeftijd is ingegaan op 15 december 2011.

De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte niet kon weten dat de proeftijd van deze zaak reeds was ingegaan, nu pas op 31 januari 2012 een kennisgeving ter zake is verzonden. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de proeftijd dient te worden verlengd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan, zijn niet aanwezig. De rechtbank overweegt in dit verband dat verdachte, hoewel de kennisgeving pas op 31 januari 2012 aan hem is toegezonden, wel degelijk op de hoogte was van de aan hem opgelegde proeftijd, nu het vonnis van 30 november 2011 op tegenspraak is gewezen. Hij was dus aanwezig bij de uitspraak waarbij hem de voorwaardelijke straf (en proeftijd) werd opgelegd. Artikel 14c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht brengt met zich dat strafbare feiten begaan voor het einde van de proeftijd kunnen leiden tot een tenuitvoerlegging. Redenen om daar in dit geval van af te wijken, zijn niet aanwezig.

De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarden heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en,

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

  • -

    zich dient te houden aan een meldingsgebod;

  • -

    zich dient te houden aaneen contactverbod met mevrouw [slachtoffer], zolang de Reclassering dit nodig acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

  • -

    veroordeelt verdachte tot taakstraf voor de duur van 120 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf, naar rato van twee uur per dag.

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres], te betalen een bedrag van € 1.744,26 (zeventienhonderdvierenveertig euro en zesentwintig eurocent);

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 27 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer] vervalt en omgekeerd.

Vordering tot tenuitvoerlegging:

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 30 november 2011 is opgelegd in de zaak met parketnummer 03/873269-11, te weten een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. A.J. Hazen en

mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 december 2013.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700133-12

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 4 december 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat te Heerlen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2011150676 d.d.18 januari 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal klachte d.d. 30 december 2011, p. 3 en 4.

3 Verklaring van getuige [slachtoffer], afgelegd ter terechtzitting van 20 november 2013.

4 P-v verhoor verdachte d.d. 18 januari 2012, p. 20 – 22.

5 Uitdraai Badoo-conversatie p. 9 en uitdraai printscreens telefoonscherm, p. 10 – 12.

6 Uitdraai d.d. 21 december 2011, p. 13.

7 Uitdraai Badoo-conversatie, p. 8.

8 Uitdraai hyves-bericht d.d. 11 mei 2011, p. 6.

9 Uitdraai Badoo-conversatie p. 8 – 9 en uitdraai printscreens telefoonscherm, p. 10.