Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9479

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
03/866191-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor het kraken van een bedrijfspand. De rechtbank heeft het verweer van de verdediging inhoudende dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn recht tot vervolging wegens het rauwelijks dagvaarden van verdachte verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/26

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866191-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres 1].

Raadsman is mr. H. Külcü, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is op 22 april 2013, nadat de verdediging een preliminair verweer had gevoerd en de officier van justitie daarop had gereageerd, door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer. De meervoudige kamer heeft de zaak inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 november 2013, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Ten gevolge van een kennelijke schrijffout staat in de eerste regel van de tenlastelegging 20011 vermeld in plaats van 2011. De rechtbank herstelt deze fout, aangezien dit mogelijk is zonder dat de verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met anderen een gebouw heeft gekraakt.

3 De voorvragen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is, nu er vormen zijn verzuimd. In strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde is namelijk rauwelijks overgegaan tot het dagvaarden van de verdachte. In het onderhavige geval had de zaak afgedaan moeten worden middels een sepot, een transactie of een strafbeschikking.

Voorts is betoogd, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 28 oktober 2011 (LJN BO7063), dat er vormen zijn verzuimd doordat verdachte niet de gelegenheid is geboden de dreigende aantasting van het huisrecht in rechte te laten beoordelen. In dat kader heeft de verdediging, in woorden en weergave van de rechtbank, betoogd dat de ontruiming van een pand, ook als het een kraakpand betreft, een zeer ernstige aantasting van het huisrecht vormt en dat eenieder die het risico loopt op een dergelijke zeer vergaande inmenging in de uitoefening van zijn huisrecht in beginsel de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit van het gebruik van deze maatregel te laten toetsen door een onafhankelijke rechter met het oog op beantwoording van de vraag of deze inbreuk in concreto voldoet aan de eisen van art. 8 EVRM. Daarbij gaat het erom dat toereikende procedurele waarborgen dienen te bestaan dat degene op wiens huisrecht een inbreuk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt, de proportionaliteit van de maatregel aan de rechter kan voorleggen.

Nu de verdachte die mogelijkheid niet is geboden maar direct gesommeerd werd om weg te gaan, is hem daarmee het beroep op de rechter onthouden. Derhalve is er sprake van een verzuim in het voorbereidend onderzoek dat volgens de raadsman primair de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg zou moeten hebben en subsidiair zou moeten leiden tot strafvermindering.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ontvankelijk is in zijn recht tot vervolging. Door het, om gegronde redenen, dagvaarden van verdachte heeft het openbaar ministerie niet in strijd met enige richtlijn gehandeld, maar enkel gebruik gemaakt van een discretionaire bevoegdheid. De officier van justitie heeft bij requisitoir toegelicht waarom in deze zaak is gekozen voor het dagvaarden van verdachte. Met name hebben de volgende omstandigheden de doorslag gegeven:

  • -

    in casu is sprake van een verdenking van kraken door meerdere personen, waarbij te verwachten viel dat de zaak politiek en/of mediagevoelig is;

  • -

    nu de verdachten worden verdacht van kraken en vier van de vijf verdachten bij verhoor door de politie een beroep hebben gedaan op het zwijgrecht, was voorzienbaar dat verdachten principiële verweren zouden gaan voeren dan wel hun gedrag als niet-strafwaardig zouden beschouwen;

  • -

    er is geen grond om, in het kader van de strafrechtelijke documentatie van een verdachte, aan te nemen dat een veroordelend vonnis zwaarder weegt dan wanneer ter zake van hetzelfde feit een strafbeschikking zou zijn opgelegd.

Voorts is de officier van justitie van mening dat de politie, door de aanhouding van verdachte in het gebouw waar hij en zijn medeverdachten wederrechtelijk waren binnengedrongen, geen inbreuk heeft gemaakt op het in artikel 8 van het EVRM beschermde huisrecht. Immers, het huisrecht was nog niet gevestigd nu de verdachten reeds enkele minuten na het forceren van de deur van genoemd gebouw en het aldaar wederrechtelijk binnendringen door de politie zijn aangehouden.

De rechtbank oordeelt als volgt:

Het dagvaarden van verdachte

Het openbaar ministerie is bevoegd maar niet verplicht tot het seponeren, tot het aanbieden van een transactie of tot het gebruik maken van de mogelijkheid om een zaak af te doen met een strafbeschikking. Het gaat om discretionaire bevoegdheden. Een verdachte kan zich op grond van de beginselen van een behoorlijke procesorde beroepen op de uitgangspunten die in de wet of in gepubliceerde richtlijnen zijn geformuleerd, maar het staat het openbaar ministerie vrij om gemotiveerd af te wijken van genoemde uitgangspunten. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie aangevoerde argumenten voor het dagvaarden van verdachte valide zijn en dat geen sprake is van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. De rechtbank verwerpt het verweer. De officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen.

Het huisrecht

Op 20 november 2011 werd verdachte tezamen met drie anderen in het pand aan de [adres 2] te Maastricht aangetroffen. Zij vertoefden daarmee in het pand. Betrof zulks een wederrechtelijk vertoeven? Het staat buiten twijfel dat verdachte noch een van zijn medeverdachten eigenaar of huurder van het pand was of uit anderen hoofde een gebruiksrecht had ten aanzien van het pand. Gesteld zou echter kunnen worden dat, zodra er sprake is van een huisrecht, dat ook aan krakers toe kan komen, er bij de bezitters van het huisrecht geen sprake is van een wederrechtelijk vertoeven.

In het onderhavige geval waren de verdachten nog maar enkele minuten in het pand alvorens de politie ter plaatse kwam en zij gesommeerd werden het pand te verlaten. De politie trof daarbij in het pand geen huisraad aan.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het tijdsbestek van nog geen 8 minuten, reeds vanwege deze zeer beperkte duur, geen ongestoord woongenot opgebouwd. Ook verder is niet gebleken dat de verdachten in een tijdsbestek van 8 minuten een privé-huiselijk leven in het pand hebben geleid. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank door de verdachten nog geen huisrecht opgebouwd met betrekking tot het pas gekraakte pand.

Van een huisrecht en een dreigende inbreuk daarop was derhalve nog geen sprake. Bij gebreke aan een dergelijk recht behoefde de verdachten niet de mogelijkheid te worden geboden dat zij, alvorens zij het pand moesten verlaten, de geplande ontruiming van het pand in rechte konden betwisten. In zoverre is er geen sprake van een vormverzuim.

De verweren van de raadsman falen. De officier van justitie kan ontvangen worden in de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen is.

Ten aanzien van de aanhouding van verdachte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze rechtmatig was, aangezien verdachte het vermoedelijk gekraakte pand naar binnen wilde gaan en vervolgens tegen de aanwezige verbalisanten heeft gezegd dat het pand gekraakt was.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, aangezien verdachte niet in het pand aan de [adres 2] is geweest en er evenmin sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, die wel in het pand zijn geweest. Verdachte heeft namelijk geen uitvoeringshandelingen verricht, noch hebben verdachte en de medeverdachten een planning gemaakt met betrekking tot het onderhavige feit.

Tevens heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de aanhouding onrechtmatig was, nu er ten tijde van de aanhouding geen aanleiding was voor een redelijk vermoeden van schuld.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op zondag 20 november 2011 om 14.50 uur kregen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de melding om zich te begeven naar het pand aan de [adres 2], aangezien in dat pand enkele mensen waren die zojuist met een koevoet de deur hadden geforceerd. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren om 14.58 uur ter plaatse. Zij zagen dat het pand aan de [adres 2] voorzien was van houten schotten voor de ramen en de deur. [verbalisant 2] zag diverse braaksporen op de voordeur. Toen hij tegen de voordeur duwde, ging deze open. Vervolgens zagen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat een persoon (naar later bleek: verdachte) aan kwam rennen in de richting van het pand op nummer 13. In de hal van het pand zagen zij vier personen (naar later bleek: de medeverdachten [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]). [verbalisant 1] sommeerde toen allen om het pand te verlaten en buiten te gaan staan. [verbalisant 1] zag dat verdachte eerdergenoemd pand wilde binnengaan, maar [verbalisant 1] duwde hem terug. [verbalisant 1] hoorde een van de jongeren zeggen: “Dit pand is officieel gekraakt.” [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen in het pand geen bed, tafel of kast. Daarna deelde verdachte mede dat het pand gekraakt was. [verbalisant 2] zag in het pand twee koevoeten.

Vervolgens werden aangehouden: verdachte en de medeverdachten [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4].2

De rechtmatigheid van de aanhouding

Nu verdachte onder de hierboven omschreven omstandigheden het pand binnen wilde gaan en vervolgens mededeelde dat het pand gekraakt was, was er naar het oordeel van de rechtbank, op het moment dat verdachte werd aangehouden, sprake van een redelijk vermoeden van schuld zoals omschreven in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. De aanhouding van verdachte was derhalve rechtmatig.

Medeverdachte [betrokkene 4] heeft bij verhoor door de politie op 20 november 2011 verklaard dat [verdachte] (naar de rechtbank begrijpt: verdachte) hem een paar dagen eerder had benaderd om mee te gaan kijken naar een leegstaand huis. Verdachte kende namelijk iemand die woonruimte nodig had. Als [betrokkene 4] mee wilde doen, moest hij zich op 20 november 2011 om 12.00 uur melden op het adres van verdachte te Maastricht. [betrokkene 4] was omstreeks genoemd tijdstip bij verdachte alwaar hij nog twee meisjes en een andere jongen aantrof. Na wat gepraat vertrokken ze naar de binnenstad. Verdachte en [betrokkene 4] gingen met een auto die werd bestuurd door verdachte. De rest ging op de fiets. In de stad kwamen ze bij een leegstaand, dichtgetimmerd pand. Nadat ze een rondje hadden gelopen door de buurt, gingen ze terug naar eerdergenoemd pand. Ze hadden een spandoek bij zich evenals een accuboormachine en een rugzak met allerlei gereedschap. [betrokkene 4] wist dat zij de twee koevoeten, die door de politie in beslag zijn genomen, zouden meenemen. Verdachte had de twee koevoeten namelijk in de auto gelegd. Hoewel hij daartoe van niemand toestemming had gekregen, is [betrokkene 4] het pand naar binnen gegaan.

Voordat ze naar de binnenstad waren vertrokken werd in de groep, op straat bij de auto, besproken dat het Jungschlegers taak was om op de uitkijk te staan. Wanneer er mensen zouden komen die het vreemd vonden wat zij bij het pand deden, dan moest hij zeggen dat er niets aan de hand was.3

Het bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] te Maastricht is eigendom van [bedrijf] De directeur van deze besloten vennootschap, de heer [betrokkene 5], heeft op 20 november 2011 namens de vennootschap aangifte gedaan van inbraak in genoemd bedrijfspand. Twee weken voor 20 november 2011 was hij voor het laatst in het bedrijfspand geweest. Bij het verlaten van het pand had hij alle ramen en deuren deugdelijk afgesloten. Op 20 november 2011 was hij gebeld door iemand die woonachtig is aan de [adres 2]. Deze persoon had hem medegedeeld dat een aantal personen de deur van eerdergenoemd bedrijfspand had geforceerd en zich de toegang tot dit bedrijfspand had verschaft. Ook had deze persoon [betrokkene 5] medegedeeld dat zij de politie had gebeld en dat de politie de inbrekers dan wel krakers had aangehouden.

Het gebruik van het pand door de rechthebbende, “[cafe]”, is in 2009 beëindigd, om welke reden het pand aan de [adres 2] leeg staat.4

De wederrechtelijkheid van het binnendringen in het pand en het vervolgens aldaar vertoeven

Zoals de rechtbank reeds hierboven onder 3 heeft overwogen, hadden de verdachten op het moment dat de deur werd geforceerd, geen “huisrecht” of een ander recht dat hen toestond de deur te forceren en zich toegang tot het pand te verschaffen. Het binnendringen in het pand was derhalve wederrechtelijk. Dat verdachte en zijn medeverdachten de bedoeling hadden het pand te kraken, maakt dit niet anders. De intentie om een huisrecht in de zin van art. 8 EVRM te gaan vestigen geeft geen vrijbrief een onbewoond pand binnen te gaan. Een eventueel huisrecht kan wel het vertoeven in een pand niet-wederrechtelijk doen zijn, maar zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, was er van een huisrecht aan de zijde van verdachte en zijn medeverdachten ten tijde van het politie-ingrijpen nog geen sprake. Ook het vertoeven in het pand was derhalve wederrechtelijk.

Medeplegen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachten elkaar kort voor het plegen van het feit op een afgesproken plaats en tijdstip hebben ontmoet, bij welke ontmoeting in de groep is besproken dat medeverdachte [betrokkene 4] de taak had om op de uitkijk te staan. Een kleine twee uur later zijn de medeverdachten [betrokkene 1], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 2] door de politie aangetroffen in het pand aan de [adres 2]. Verdachte is weliswaar niet in het pand geweest, maar wel is hij na afloop van de hiervoor beschreven ontmoeting samen met medeverdachte [betrokkene 4] in een auto naar de binnenstad van Maastricht gereden, nadat hij voorafgaande aan het vertrek nog twee koevoeten in de auto had gelegd. Voorts heeft verdachte gepoogd om het pand aan de [adres 2] te betreden, nádat verbalisant [verbalisant 1] de medeverdachten [betrokkene 1], [betrokkene 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 2] had gesommeerd om het pand te verlaten en buiten te gaan staan. Tevens heeft verdachte vervolgens medegedeeld dat het pand gekraakt was. Ten slotte heeft verbalisant [verbalisant 2] in het pand twee koevoeten gezien.

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat er tussen verdachte en alle genoemde medeverdachten sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking, om welke reden de rechtbank, anders dan de raadsman, medeplegen wettig en overtuigend bewezen acht.

Op grond van het proces-verbaal van bevindingen, de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] afgelegd bij de politie en de aangifte van [betrokkene 5] namens [bedrijf], in onderlinge samenhang bezien en gelet op het hiervoor overwogene, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 20 november 2011, in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, in een gebouw gelegen aan de [adres 2], waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk is binnengedrongen en wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van kraken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een geldboete van € 260,00, subsidiair 5 dagen hechtenis, op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om, in geval van een bewezenverklaring, te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Daartoe heeft de verdediging onder meer gewezen op de geringe ernst van het feit en de omstandigheid dat een rechterlijke veroordeling veel nadeliger is dan een transactie of een strafbeschikking, mocht verdachte ooit een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aanvragen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich samen met vier anderen schuldig gemaakt aan het kraken van een bedrijfspand in de binnenstad van Maastricht. Het misdrijf kraken is een onaanvaardbare vorm van eigenrichting, waarbij het eigendomsrecht op ontoelaatbare wijze wordt aangetast. De ernst van het feit komt tot uitdrukking in het wettelijk bepaalde strafmaximum, te weten: een gevangenisstraf van een jaar of een geldboete van de derde categorie. Dat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd is een wettelijk bepaalde strafverzwarende omstandigheid, waardoor het strafmaximum met een derde wordt verhoogd.

De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval geen pas geeft om bij de vraag of een straf op zijn plaats is acht te slaan op de (eventuele) nadelige consequenties voor verdachte ingeval hij ooit een VOG zou aanvragen. Van de (mogelijke) nadelige gevolgen van het plegen van een misdrijf had verdachte zich rekenschap moeten geven alvorens over te gaan tot het plegen van het feit.

Gelet op de ernst van het gepleegde feit, bezien in samenhang met de omstandigheid dat verdachte er op geen enkel moment blijk van heeft gegeven dat hij beseft dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf, acht de rechtbank de door de raadsman verzochte toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel) niet passend.

Wel houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Zo zijn sinds de pleegdatum van het onderhavige feit inmiddels twee jaar verstreken.

Het bovenstaande in aanmerking genomen, acht de rechtbank een geldboete van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis, passend. Zij zal bepalen dat daarvan € 150,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk aan verdachte wordt opgelegd met een proeftijd van 2 jaar.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47 en 138a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis, waarvan € 150,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. A.J. Hazen en

mr. E.W.A. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 december 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij, op of omstreeks 20 november 20011, in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een woning of gebouw gelegen aan de [adres 2], waarvan het gebruik

door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk is binnengedrongen en/of

wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/866191-13

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 4 december 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres 1].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Indien in deze zaak hoger beroep wordt ingesteld is het verlofstelsel van toepassing.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. H. Külcü, advocaat te Maastricht.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal als bijlagen opgenomen bij dossier nummer 2011137783, Politie Regio Limburg Zuid, District Maastricht, gedateerd 24 december 2011. Deze bijlagen zijn genummerd 1 tot en met 59.

2 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 20 november 2011, bladzijde 11, 12.

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 4] d.d. 20 november 2011, bladzijde 47, 48, 49.

4 Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 5] namens [bedrijf] d.d. 20 november 2011, bladzijde 8, 9.