Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9370

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
C/03/183030 / BZ RK 13-499
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 35 Wet Bopz. Schadevergoedingszaak. Onrechtmatige vrijheidsbeneming. De rechtbank handelt in strijd met artikel 5 EVRM door een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen op basis van een geneeskundige verklaring van een psychiater die niet als “niet bij de behandeling betrokken” kan worden aangemerkt, nu deze psychiater tot drie maanden daarvoor nog de behandelend psychiater van betrokkene was. Geen “objective medical expertise” en daardoor is de Staat aansprakelijk voor de door verzoeker geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum beschikking: 26 november 2013

Zaaknummer: C/03/183030 / BZ RK 13/499

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [1978],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen verzoeker,

advocaat mr. H.C. Ingelse, kantoorhoudende te Maastricht,

tegen

de Staat der Nederlanden,

zetelende te s-Gravenhage,

verder te noemen verweerder,

geen advocaat gesteld hebbende.

1 Het procesverloop

Bij beschikking van 17 februari 2013 heeft de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen, op de voet van artikel 20 van de Wet Bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) een last tot inbewaringstelling van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis gegeven.

Op 18 februari 2013 heeft de officier van justitie een verzoekschrift strekkende tot voortzetting van de inbewaringstelling van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis ingediend. Aan dit verzoekschrift is door de griffie van deze rechtbank het zaaknummer C/03/178619 / BZ RK 13-93 toegekend.

Bij beschikking van 22 februari 2013, gegeven onder voornoemd zaaknummer, heeft deze rechtbank het verzoek van de officier van justitie gehonoreerd en een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling verleend.

Door verzoeker is tegen die beschikking beroep in cassatie ingesteld.

Bij beschikking van 21 juni 2013 heeft de Hoge Raad de beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2013 vernietigd en heeft hij de zaak (terug)verwezen naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Bij beschikking van deze rechtbank van 8 juli 2013 is het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen afgewezen.

Verzoeker heeft op 2 augustus 2013 op de voet van artikel 35 Wet Bopz een verzoekschrift strekkende tot schadevergoeding ingediend.

Op 3 september 2013 is een brief van de officier van justitie ter griffie binnengekomen.

Op 9 september 2013 is een brief, met bijlage, van verzoeker ter griffie binnengekomen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 september 2013. Bij die gelegenheid heeft verzoeker een pleitnotitie in het geding gebracht.

Verweerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 Het verzoek en het verweer

2.1.

Verzoeker verzoekt aan hem op de voet van artikel 35 van de Wet Bopz, ten laste van verweerder, uitvoerbaar bij voorraad, een schadevergoeding toe te kennen van, in totaal, € 2.710,00 ter zake door hem geleden immateriële schade, alsmede verweerder te veroordelen in de aan de zijde van verzoeker gevallen proceskosten, althans vaststelling van een zodanige schadevergoeding en proceskostenveroordeling als de rechtbank redelijk en billijk acht.

Ter onderbouwing van dit verzoek stelt verzoeker dat hij op basis van een door de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen, gegeven last tot inbewaringstelling vanaf 17 februari 2013 tot en met 22 februari 2013 in bewaring is gesteld en aldus van zijn vrijheid is beroofd. Die last tot inbewaringstelling is onrechtmatig gebleken, aangezien deze is gegeven op grond van een geneeskundige verklaring van een psychiater die als niet als onafhankelijk kan worden beschouwd, omdat hij kort tevoren, tot 5 december 2012, bij de behandeling van verzoeker betrokken is geweest. Na zijn inbewaringstelling is verzoeker evenmin door een niet-behandelend psychiater onderzocht. Desondanks heeft de rechtbank bij beschikking van 22 februari 2013 naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend, waarbij zij zich op diezelfde geneeskundige verklaring heeft gebaseerd. De Hoge Raad heeft, naar aanleiding van het door verzoeker ingesteld cassatieberoep, bij beschikking van 21 juni 2013, de beschikking van de rechtbank van 22 februari 2013 om die reden vernietigd. Dit betekent dat verzoeker op basis van de door de rechtbank bij beschikking van 22 februari 2013 verleende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in de periode van 22 februari 2013 tot en met 11 maart 2013 onrechtmatig van zijn vrijheid is beroofd. Verzoeker heeft hierdoor immateriële schade geleden, welke door hem wordt begroot op € 150,00 per dag dat hij op basis van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van zijn vrijheid is beroofd. Daarnaast heeft verzoeker immateriële schade geleden, omdat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Die schending is gelegen in de omstandigheid dat verzoeker door de rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de brief van psychiater drs. P.F.M. Koevoets van 22 februari 2013 waarin hij aan de rechtbank, op haar verzoek, inlichtingen verstrekt met betrekking tot zijn behandelrelatie tot verzoeker. Verzoeker verzoekt daarom om toekenning van een schadevergoeding van € 10,00.

2.2.

Verweerder heeft geen verweer gevoerd tegen toewijzing van het verzoek.

2.3.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hij door indiening van het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling niet in strijd met artikel 21 en de overige bepalingen van hoofdstuk II van de Wet Bopz heeft gehandeld. Uit het bepaalde in artikel 21 van de Wet Bopz volgt dat de schriftelijke verklaring bij voorkeur door een niet behandelend psychiater dient te worden afgegeven, maar dat zelfs een arts, niet zijnde een psychiater, de verklaring kan afgeven. De door verzoeker in dit verband aangehaalde jurisprudentie regardeert de beslissing van de rechtbank, maar niet het verzoek van de officier van justitie. Bovendien volgt uit de jurisprudentie niet dat de schriftelijke verklaring altijd dient te worden afgegeven door een psychiater die al ten minste een jaar niet meer bij de behandeling betrokken is. Ten slotte kon de officier van justitie ten tijde van de indiening van het verzoek niet vermoeden dat de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft afgegeven bij de behandeling betrokken was, nu deze die vraag in de geneeskundige verklaring heeft beantwoord met “nee.” Zelfs indien de officier van justitie wel ervan op de hoogte was dat de psychiater door wie de geneeskundige verklaring is afgegeven tot 5 december 2012 bij de behandeling betrokken was, had dit niet aan indiening van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling in de weg gestaan.

Het verzoek tot schadevergoeding dient daarom te worden afgewezen.

2.4.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verzoeker zijn standpunt nog toegelicht, aan de hand van de door hem in het geding gebrachte pleitnotitie.

3 De beoordeling

3.1.

In artikel 35 van de Wet Bopz is bepaald dat indien degene ten aanzien van wie door de officier van justitie een verzoek is gedaan tot het verlenen van een der machtigingen als bedoeld in hoofdstuk II, dan wel tot het geven van een beslissing inzake ontslag als bedoeld in artikel 49, derde of tiende lid, nadeel heeft geleden doordat de rechter of de officier van justitie een der bepalingen, vervat in hoofdstuk II of in artikel 49, niet in acht heeft genomen, de rechter deze op verzoek van betrokkene een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toekent ten laste van de Staat.

Een dergelijk verzoek tot schadevergoeding kan worden gedaan bij een zelfstandig verzoek bij een verweerschrift als bedoeld in artikel 282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene dan wel bij een afzonderlijk verzoekschrift, binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene redelijkerwijs bekend kon zijn met de schending van het voorschrift waarop zijn verzoek betrekking heeft, of, indien in beroep in cassatie over die schending is geklaagd, binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking van de Hoge Raad.

3.1.1.

Door verzoeker is in cassatie geklaagd over de schending van het vormvoorschrift waarop het onderhavige verzoek betrekking heeft. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 21 juni 2013 uitspraak gedaan. Het onderhavige verzoek is op 2 augustus 2013 en daarmee binnen de in de wet gestelde termijn van zes weken na dagtekening van de beschikking van de Hoge Raad ingediend.

De rechtbank zal verzoeker daarom in zijn verzoek ontvangen.

3.1.2.

De rechtbank heeft bij brief van 12 augustus 2013 een afschrift van het thans ter beoordeling voorliggende verzoek ter kennisgeving aan de officier van justitie doen toekomen. De officier van justitie heeft hierin kennelijk aanleiding gezien, bij brief van 3 september 2013, zijn standpunt over het verzoek kenbaar te maken. De rechtbank zal geen acht slaan op de reactie van de officier van justitie nu deze geen procespartij is in deze zaak en ook niet is gesteld of gebleken dat de officier van justitie in deze procedure als gemachtigde namens de Staat der Nederlanden optreedt, in welk geval overigens in ogenschouw zou dienen te worden genomen of, gelet op het bepaalde in artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ook voor verweerder niet geldt dat een verweerschrift niet anders dan door tussenkomst van een advocaat kan worden ingediend.

3.2.

Thans komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek. De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of verzoeker nadeel heeft geleden doordat de rechtbank een van de bepalingen in hoofdstuk II van de Wet Bopz niet in acht heeft genomen. Indien die vraag in bevestigende zin wordt beantwoord kent de rechtbank op verzoek van betrokkene een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding ten laste van de Staat toe.

3.2.1.

Ook in deze zaak stelt de rechtbank voorop dat artikel 21, eerste lid van de Wet Bopz, voor zover hier van belang, bepaalt dat een inbewaringstelling niet wordt gelast dan nadat een, bij voorkeur niet-behandelend, psychiater of, zo dat niet mogelijk is, een, bij voorkeur niet-behandelend arts, niet psychiater zijnde, een schriftelijke verklaring heeft verstrekt waaruit met inachtneming van het bepaalde in het tweede en derde lid, blijkt dat het geval, bedoeld in artikel 20, tweede lid, zich voordoet. Hoewel deze bepaling ruimte biedt voor de mogelijkheid dat de geneeskundige verklaring wordt opgesteld door een behandelend psychiater, strookt dat niet met de vigerende rechtspraak, zoals ingezet door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In zijn arrest van 24 oktober 1979, NJ 1980, 114 (Winterwerp) heeft het EHRM immers de eis gesteld dat aan de betrokkene niet de vrijheid kan worden ontnomen "unless he has been reliably shown to be of “unsound mind”. The very nature of what has to be established before the competent national authority – that is, a true mental disorder – calls for objective medical expertise." Hierop is slechts een uitzondering mogelijk voor door de omstandigheden van het geval te rechtvaardigen "emergency cases".

In navolging van de jurisprudentie van het EHRM oordeelt de Hoge Raad in zijn beschikking van 26 september 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD4375) “De leden 1 en 2 van art. 21 laten de mogelijkheid open dat de burgemeester een inbewaringstelling gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, en wel indien het niet mogelijk is dat een psychiater de verklaring verstrekt. Met inachtneming van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot vrijheidsontneming van als geestesziek aangemerkte personen (art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de door dat hof gestelde eis van "objective medical expertise" aldus moet worden verstaan dat die - behoudens in noodsituaties - een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de betrokkene door een specialist, dat wil zeggen een psychiater als bedoeld in art. 1 lid 1, aanhef en onder j, Wet Bopz, veronderstelt. In een geval waarin de inbewaringstelling gelast is op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, brengt de bepaling van art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM dan ook mee dat de rechter, onverminderd het bepaalde in art. 29 lid 2 Wet Bopz, een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts mag verlenen na te hebben kennisgenomen van een schriftelijke - dan wel ter zitting mondeling afgelegde en in het proces-verbaal van de zitting te vermelden - verklaring van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht.”

De Hoge Raad is aldus van oordeel dat de uit de jurisprudentie van het EHRM voortvloeiende eis van “objective medical expertise” met zich brengt dat de geneeskundige verklaring op basis waarvan in het kader van de Wet Bopz vrijheidsbenemende maatregelen worden genomen dient te zijn opgesteld door een niet behandelend psychiater.

3.2.2.

Op 18 februari 2013 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen. De mondelinge behandeling van dit verzoek heeft plaatsgevonden op 21 februari 2013. Verzoeker heeft bij die gelegenheid verweer gevoerd tegen toewijzing van dat verzoek. Hij heeft onder andere ten verwere aangevoerd dat de geneeskundige verklaring op grond waarvan de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verzocht niet aan de wettelijke vereisten voldoet, omdat het onderzoek niet is verricht door een onafhankelijke psychiater. Bij brief van 22 februari 2013 heeft psychiater drs. P.F.M. Koevoets, door wie de geneeskundige verklaring is afgegeven, op verzoek van de rechtbank inlichtingen verstrekt met betrekking tot zijn behandelrelatie tot verzoeker. In die brief verklaart psychiater drs. P.F.M. Koevoets dat hij sinds 5 december 2012 niet meer de behandelend psychiater van verzoeker is.

3.2.3.

Bij beschikking van 22 februari 2013 heeft de rechtbank vervolgens de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend. Zij heeft daartoe, voor zover thans van belang, het volgende overwogen: “Weliswaar heeft de advocaat vraagtekens geplaatst bij de onafhankelijkheid van de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft uitgeschreven nu betrokkene verklaard dat hij deze bij de vorige opname heeft gesproken. De rechtbank acht deze door de advocaat geuite twijfels door het schrijven van drs. P. Koevoets van 22 februari 2013 genoegzaam weerlegd. Anders dan betrokkene meent is niet gebleken dat de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgemaakt als niet-onafhankelijk zou moeten worden beschouwd.”

De Hoge Raad heeft vervolgens, naar aanleiding van het door verzoeker ingestelde cassatieberoep en onder verwijzing naar zijn beschikking van 16 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BK0342), bij beschikking van 21 juni 2013 geoordeeld dat "in het algemeen moet worden aangenomen dat ten minste een jaar moet zijn verstreken tussen het moment waarop de psychiater voor het laatst behandelcontact met de betrokkene heeft gehad, en het moment waarop die psychiater zijn onderzoek verricht ten behoeve van een op grond van de Wet Bopz vereiste geneeskundige verklaring, om die psychiater te kunnen aanmerken als "niet bij de behandeling betrokken" als bedoeld in art. 5 eerste lid Wet Bopz." In de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 16 oktober 2009, betrof het weliswaar een machtiging tot voortgezet verblijf, maar volgens de Hoge Raad valt niet in te zien "waarom op dit punt anders zou moeten worden geoordeeld in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Ook in het kader van laatstbedoelde machtiging strekt het vereiste dat het onderzoek moet zijn verricht door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was, immers ertoe de waarborgen rond de voortzetting van de gedwongen opname te versterken door het eisen van een onafhankelijk oordeel ter advisering van de rechter. (...) In het licht van vorenstaande vuistregel met betrekking tot het begrip niet bij de behandeling betrokken psychiater is dit oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Het middel slaagt dus.”

3.2.4.

Gelet op de door de Hoge Raad geformuleerde vuistregel dat in het algemeen moet worden aangenomen dat ten minste een jaar moet zijn verstreken tussen het moment waarop de psychiater voor het laatst behandelcontact met de betrokkene heeft gehad, terwijl psychiater drs. P. Koevoets in zijn brief van 22 februari 2013 heeft verklaard dat hij sinds 5 december 2012 niet meer de behandelend psychiater van verzoeker is, is het in deze zaak evident dat psychiater drs. P. Koevoets niet als "niet bij de behandeling betrokken" kan worden aangemerkt. Van uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat en op grond waarvan in deze zaak van die algemene vuistregel zou kunnen of moeten worden afgeweken, zonder afbreuk te doen aan de waarborgen waarmee de vrijheidsbeneming van geestelijk gestoorden is omkleed, is niets gesteld of gebleken. Hiermee staat vast dat het door de Hoge Raad geconstateerde motiveringsgebrek inhoudelijk niet voor herstel vatbaar is. Dit brengt met zich dat de vrijheidsbeneming van verzoeker in de periode van 22 februari 2013 tot en met 11 maart 2013 van meet af aan onrechtmatig is geweest.

3.3.

Verzoeker stelt dat hij ten gevolge van de onrechtmatige vrijheidsbeneming die krachtens de beschikking van 22 februari 2013 heeft plaatsgevonden immateriële schade heeft geleden. Dit is door verweerder niet betwist. Aldus komt de door verzoeker geleden schade op de voet van artikel 35 van de Wet Bopz voor vergoeding in aanmerking.

Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat bij de toekenning naar billijkheid van een schadevergoeding op de voet van artikel 35 van de Wet Bopz de rechter niet gebonden is aan de grenzen van de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade vervat in artikel 6:106 van het BW. Dat vloeit voort uit de strekking van artikel 35, waarmee mede beoogd is te voldoen aan artikel 5, vijfde lid EVRM dat bepaalt dat een ieder die slachtoffer is geweest van een detentie in strijd met de bepalingen van artikel 5, leden een tot en met vier, van het EVRM recht heeft op schadeloosstelling en waarvan moet worden aangenomen dat het ten minste rechte geeft op een billijke genoegdoening als bedoeld in artikel 50 van het EVRM.

3.3.1

Verzoeker heeft de door hem geleden schade begroot op een bedrag van € 2.700,00 ofwel € 150,00 voor elke dag dat hij onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd is geweest, hetgeen de rechtbank redelijk en billijk voorkomt. Verweerder heeft overigens ook geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de verzochte schadevergoeding. Gelet daarop zal het verzoek in zoverre worden toegewezen, zodat verweerder aan verzoeker een bedrag van € 2.700,00 dient te voldoen ter vergoeding van de door hem ten gevolge van de onrechtmatige vrijheidsbeneming geleden schade.

3.4.

Verzoeker stelt voorts zich op het standpunt dat hij tevens schade heeft geleden omdat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor niet heeft toegepast, hetgeen volgens verzoeker in strijd is met artikel 29 juncto artikel 8 lid 9 van de Wet Bopz. In dit verband voert verzoeker aan dat hij niet in de gelegenheid gesteld is te reageren op de brief van psychiater drs. P.F.M. Koevoets, aan de rechtbank van 22 februari 2013. Verzoeker verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar een door hem als productie 3 in het geding gebrachte brief van de griffier van deze rechtbank van 22 februari 2013 welke brief, voor zover hier van belang luidt: “Bijgevoegd een schrijven van drs. P. Koevoets.

De uitspraak in deze zaak wordt aan u in de loop van de dag gefaxt.”

Hoewel de inhoud van deze brief steun biedt voor de juistheid van de stelling van verzoeker dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de brief van psychiater drs. P.F.M. Koevoets, kan dit niet tot het oordeel leiden dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Uit de door verzoeker als productie 4 in het geding gebrachte brief van 22 februari 2013 blijkt immers dat verzoeker, na ontvangst van voornoemde brief van de griffier, op eigen initiatief, “spontaan” zoals hij dat zelf noemt, heeft gereageerd op de (inhoud van de) brief van psychiater drs. P.F.M. Koevoets. Nu uit de beschikking van de rechtbank van 22 februari 2013 blijkt dat de rechtbank kennis heeft genomen van deze reactie kan niet worden volgehouden dat sprake is van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot schadevergoeding voor zover het betrekking heeft op de schending van het beginsel van hoor en wederhoor worden afgewezen.

3.5.

De rechtbank zal het verzoek om verweerder in de kosten van deze procedure te veroordelen honoreren, nu verweerder overwegend in het ongelijk wordt gesteld. De aan de zijde van verzoeker gevallen proceskosten worden tot op heden begroot op:

- salaris advocaat € 768,00 (2 punten x tarief € 384,00).

3.6.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

4 Beslissing

De rechtbank:

veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan verzoeker een bedrag van € 2.700,00 te voldoen ten titel van vergoeding van de door verzoeker geleden immateriële schade;

veroordeelt de Staat der Nederlanden in de kosten van deze procedure aan de zijde van verzoeker tot op heden begroot op € 768,00;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en uitgesproken

op 26 november 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

NL

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch:

  1. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.