Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9345

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_836u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:92, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft toepasselijkheid Tegelen-jurisprudentie (LJN: AA4296). Bij het bestreden besluit is via een binnenplanse ontheffing een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning in burgerwoning. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft bij uitspraak van 3 april 2013, LJN: BZ7610, het artikel van het bestemmingsplan, waarin de ontheffingsmogelijkheid is neergelegd, vernietigd. De rechtbank interpreteert de Tegelen-jurisprudentie in die zin dat voor het oordeel van de Afdeling om af te wijken van de in artikel 8:72, tweede lid, van de Awb neergelegde hoofdregel dat een vernietiging met terugwerkende kracht tot de datum van het vernietigde besluit werkt, leidend is geweest dat het (in alle genoemde zaken) bouwvergunningen betrof die op grond van het destijds (artikel 44 van de Woningwet) en thans onder de Wabo (artikel 2.10 van de Wabo) nog steeds geldende limitatief-imperatieve stelsel niet geweigerd konden worden. De rechtbank acht het dan ook - anders dan in de door de AbRS beoordeelde situaties - niet zozeer tegen de rechtszekerheid indruisen om terugwerkende kracht aan vernietiging van een bestemmingsplan toe te kennen voor een op basis daarvan verleende ontheffing als hier aan de orde dat van de in artikel 8:72, tweede lid, van de Awb opgenomen hoofdregel moet worden afgeweken. Door de uitspraak van de AbRS van 3 april 2013 is de grondslag aan het bestreden besluit met terugwerkende kracht komen te ontvallen. Verweerder was dan ook - achteraf bezien - niet bevoegd met toepassing van meergenoemd artikellid ontheffing te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 836

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 november 2013 in de zaak tussen

[naam 1], Gremo Holding B.V. en [naam 2], te Nederweert, eisers

(gemachtigde: mr. G.L.C.C. van den Waardenburg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.A. van Wersch en mr. A.J.P. Philips),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 3], te Nederweert

(gemachtigden: mr. R.A.M. Verkoijen en G.M. van den Boom).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam 3] een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het wijzigen van het gebruik van de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel aan de [locatie] te Ospel in burgerwoning.

Bij besluit van 29 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2013. Van eisers is

[naam 1] in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De overige eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

[naam 3] (hierna: vergunninghouder) heeft bij brief van 8 augustus 2012 een (herhaalde) aanvraag gedaan bij verweerder om hem toestemming te verlenen om de door hem bewoonde voormalige agrarische bedrijfswoning aan de [locatie] te Ospel (Nederweert) te gebruiken voor burgerbewoning. Vergunninghouder is namelijk voornemens om wegens gezondheidsredenen te verhuizen en wil de woning aan een (andere) burger verkopen. Bij de aanvraag is een Fijn stof-, geur- en geluidonderzoek met rapportnummer 11/25620/B/M/JZ van 29 juni 2011 van Aelmans Ruimtelijke Ontwikkeling en Milieu gevoegd.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend, welk besluit na bezwaar van eisers is gehandhaafd. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld.

3.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of opstallen in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1°, van de Wabo, kan een omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, slechts worden verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Ten tijde van het (primaire en het) bestreden besluit gold ter plaatse van het project (de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan) het door de raad van de gemeente Nederweert op 24 april 2011 vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert 1e herziening”.

Ingevolge artikel 3.5, aanhef en onder i, van de planregels wordt tot een met de bestemming “Agrarisch” strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening in ieder geval gerekend het gebruik van de binnen hetzelfde bouwvlak van een veehouderij gelegen agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Dit verbod geldt niet voor bewoningssituaties die reeds op 1 september 2007 bestaand waren dan wel voor situaties waarvoor na 1 september 2007 een tijdelijke persoonsgebonden gedoogbeschikking is verleend.

Ingevolge artikel 3.6.1, aanhef en onder f, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.5, onder i en toestaan dat de agrarische bedrijfswoning, binnen hetzelfde bouwvlak van een veehouderij, wordt gebruikt voor bewoning door burgers, onder de voorwaarden dat:

1.

De bewoning is aangevangen na 1 september 2007;

2.

De woning geen onevenredige milieubelemmeringen ondervindt op de aspecten geluid, trilling, fijnstof of verkeer;

3.

Er mag geen (extra) hinder of belemmering worden veroorzaakt voor omliggende bedrijven.

Bij uitspraak van 3 april 2013, LJN: BZ7610, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) uitspraak gedaan inzake het hiervoor vermelde bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert 1e herziening” en

- voor zover hier van belang - geoordeeld dat het besluit van 24 april 2012 wat betreft

artikel 3.5, onder i en artikel 3.6.1, aanhef en onder f van het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De beroepen van onder meer [naam 1] en Gremo Holding B.V. zijn gegrond verklaard en het bestreden besluit is in zoverre vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.

Partijen worden in de eerste plaats verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of de hiervoor vermelde vernietiging door de Afdeling van het besluit van 24 april 2012 terugwerkende kracht heeft, waardoor de grondslag aan het thans bestreden besluit zou komen te ontvallen en dit besluit eveneens voor vernietiging in aanmerking komt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:72, tweede lid, van de Awb brengt vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee. Aan die bepaling ligt de hoofdregel ten grondslag dat de rechtsgevolgen van een door de rechter vernietigd besluit ongedaan worden gemaakt met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop het besluit werd genomen.

Verweerder en vergunninghouder hebben in dit verband een beroep gedaan op de zogenoemde ‘Tegelen - jurisprudentie’, waarin de Afdeling een uitzondering op voornoemde hoofdregel heeft geformuleerd (21 december 1999, LJN: AA4296) . Eisers betogen dat een beroep op deze jurisprudentie in dit geval, nu het een binnenplanse ontheffing en geen bouwvergunning betreft, niet opgaat.

De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in de uitspraken van 22 december 2004 (LJN: AR8013), 12 januari 2011 (LJN: BP0510) en 24 februari 2011 (LJN: BP6324) de ‘Tegelen- jurisprudentie’ ook onder de Wro heeft voortgezet. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat deze jurisprudentie onder de Wabo niet langer zou gelden.

Anders dan verweerder en vergunninghouder interpreteert de rechtbank die jurisprudentie in die zin dat voor het oordeel van de Afdeling om af te wijken van de in artikel 8:72, tweede lid, van de Awb neergelegde hoofdregel dat een vernietiging met terugwerkende kracht tot de datum van het vernietigde besluit werkt, leidend is geweest dat het (in alle genoemde zaken) bouwvergunningen betrof die op grond van het destijds (artikel 44 van de Woningwet) en thans onder de Wabo (artikel 2.10 van de Wabo) nog steeds geldende limitatief-imperatieve stelsel niet geweigerd konden worden. Het zou volgens de Afdeling te zeer tegen de rechtszekerheid indruisen indien een rechterlijke beslissing waarbij een (nieuw) bestemmingsplan buiten werking is gesteld gevolgen zou hebben voor de inmiddels op basis van dat bestemmingsplan verleende bouwvergunningen die het bevoegd gezag

- gegeven het imperatief-limitatieve stelsel - op basis van het toen geldende bestemmingsplan moesten verlenen. De Afdeling heeft daarbij tevens gewezen op de onwenselijkheid van het in de tussenperiode bestaan van onzekerheid over de toepasselijkheid van met straf- en bestuursrechtelijke sancties bedreigde gebruiks- en aanlegvoorschriften. Tegelijkertijd heeft de Afdeling voor deze situatie aan de derde-belanghebbende die een bezwaarschrift tegen de verleende bouwvergunning heeft ingediend de faciliteit geboden om tegelijk met de indiening van het bezwaarschrift bij de voorzitter van de Afdeling het verzoek te kunnen doen om het nieuwe bestemmingsplan te schorsen, teneinde te voorkomen dat het besluit op bezwaar op basis van dat nieuwe bestemmingsplan wordt genomen.

De hier aan de orde zijnde ontheffing wordt weliswaar evenals een verleende bouwvergunning niet van rechtswege ongeldig door de vernietiging van het nieuwe bestemmingsplan, maar staat naar het oordeel van de rechtbank - anders dan voor bouw- of aanlegvergunningen het geval is - wel nog aan vernietiging bloot. De rechtbank heeft bij dat oordeel in aanmerking genomen dat in artikel 3.6.1, aanhef en onder f, een discretionaire bevoegdheid is neergelegd op basis waarvan het bevoegd gezag onder bepaalde voorwaarden ontheffing van het gebruiksverbod kan verlenen. Bij de vaststelling of in een concreet geval aan de in genoemd artikel gestelde voorwaarden is voldaan, heeft het bevoegd gezag bovendien een zekere ruimte. De rechtszekerheid speelt hier veel minder een rol dan bij een gebonden besluit, zoals het verlenen van een vergunning voor de activiteit bouwen die past in het op dat moment geldende bestemmingsplan. Degene die een ontheffing als hier aan de orde aanvraagt, kan er niet zonder meer op vertrouwen dat bij het voldoen aan de voorwaarden daadwerkelijk ontheffing zal worden verleend, en indien dat wel gebeurt, dat een verleende ontheffing die in rechte wordt aangevochten, stand zal houden. De aanvrager van de ontheffing zal er rekening mee moeten houden dat, zelfs als aan de voorwaarden van het bestemmingsplan is voldaan, in het kader van de afweging of gebruik wordt gemaakt van die bevoegdheid, kan worden geconcludeerd dat de belangen van derden daaraan in de weg staan. Het ligt dan ook in de rede dat het gebruik maken van een dergelijke ontheffing, ook als die is verleend in overeenstemming met de daarvoor in het bestemmingsplan gestelde voorwaarden, zolang die niet in rechte onaantastbaar is, op eigen risico geschiedt. De rechtbank acht het dan ook - anders dan in de door de AbRS beoordeelde situaties - niet zozeer tegen de rechtszekerheid indruisen om terugwerkende kracht aan vernietiging van een bestemmingsplan toe te kennen voor een op basis daarvan verleende ontheffing als hier aan de orde dat van de in artikel 8:72, tweede lid, van de Awb opgenomen hoofdregel moet worden afgeweken.

Gelet op het vorenstaande is door de uitspraak van de AbRS van 3 april 2013 de grondslag aan het bestreden besluit met terugwerkende kracht komen te ontvallen. Verweerder was dan ook - achteraf bezien - niet bevoegd met toepassing van meergenoemd artikellid ontheffing te verlenen.

6.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen nu dit besluit aan hetzelfde gebrek als het bestreden besluit lijdt.

7.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

8.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1880,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1888,00, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mr. Th.M. Schelfhout en mr. J.N.F. Sleddens, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.

w.g. Timmers, griffier w.g. Seerden, rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 29 november 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.