Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9313

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
03/700465-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700465-11

Datum uitspraak : 19 november 2013

Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteland] op [geboortedatum],

wonende te [adres 1]

Raadsman van de verdachte is mr. W.R. Smeets, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

Door het indienen van een daartoe bestemd formulier heeft:

[slachtoffer 1] ,

geboren [geboortedatum so 1] te [geboorteplaats],

wonende te [adres 2],

zich als benadeelde partij in het geding gevoegd.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 25 september en van 5 november 2013.

De rechtbank heeft op 25 september en op 5 november 2013 de officier van justitie en de raadsman van de verdachte gehoord. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat, na wijziging van de tenlastelegging, terecht ter zake dat hij:

1.

op of omstreeks 15 juli 2011 in de gemeente Heerlen door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte die [slachtoffer 1] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] duwde/bracht, en bestaande dat geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 1] op een bed heeft getrokken/geduwd en/of

- op de (boven)benen van die [slachtoffer 1] heeft gezeten terwijl die [slachtoffer 1] op haar rug lag en/of

- tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of

- ( meermalen) met een vuist een slaande beweging naar/in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt en/of

- de benen van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/vastgehouden en/of de benen van

die [slachtoffer 1] heeft dubbel gevouwen en/of

- aan de kleding van die [slachtoffer 1] heeft getrokken en/of

- de borsten van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/vastgehouden en/of

- over de borsten van die [slachtoffer 1] heeft gewreven en/of

- ( daarbij, met boze/indringende toon) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd - zakelijk weergegeven- ;

* dat hij haar niet liet gaan omdat zij zijn meisje was en/of

* dat hij doet wat hij wil en/of

* dat hij haar niet zou loslaten want dan zou zij weer weglopen en/of

* dat zij moest oppassen hoe zij tegen hem sprak en/of

* dat zij haar BH moest uitdoen en/of

* dat zij hem niet boos moest maken en/of

* dat zij pas weg mocht gaan wanneer hij dat zei en/of

* dat zij niet weg kon komen en datzij het alleen maar moeilijker voor zich

zelf zou maken en/of

* dat zij weg mocht als hij was klaargekomen en/of

* dat zij op haar knieen moest gaan zitten en/of

* dat als zij dit tegen iemand zou vertellen hij een kogel door haar kop zou

schieten

en/of (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat hij:

op of omstreeks 15 juli 2011 in de gemeente Heerlen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het vastpakken/vasthouden/strelen van de borsten van die [slachtoffer 1] en/of het kussen van de vagina van die [slachtoffer 1] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 1] op een bed heeft getrokken/geduwd en/of

- op de (boven)benen van die [slachtoffer 1] heeft gezeten terwijl die [slachtoffer 1] op haar rug lag en/of

- tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of

- ( meermalen) met een vuist een slaande beweging naar/in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt en/of

- de benen van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/vastgehouden en/of de benen van die [slachtoffer 1] heeft dubbel gevouwen en/of aan de kleding van die [slachtoffer 1] heeft getrokken en/of

- de borsten van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/vastgehouden en/of

- over de borsten van die [slachtoffer 1] heeft gewreven en/of

- ( daarbij, met boze/indringende toon) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd -

zakelijk weergegeven- ;

* dat hij haar niet liet gaan omdat zij zijn meisje was en/of

* dat hij doet wat hij wil en/of

* dat hij haar niet zou loslaten want dan zou zij weer weglopen en/of

* dat zij moest oppassen hoe zij tegen hem sprak en/of

* dat zij haar BH moest uitdoen en/of

* dat zij hem niet boos moest maken en/of

* dat zij pas weg mocht gaan wanneer hij dat zei en/of

* dat zij niet weg kon komen en datzij het alleen maar moeilijker voor zich

zelf zou maken en/of

* dat zij weg mocht als hij was klaargekomen en/of

* dat zij op haar knieen moest gaan zitten en/of

* dat als zij dit tegen iemand zou vertellen hij een kogel door haar kop zou

schieten.

2.

hij in of omstreeks 1 augustus 2009 tot en met 21 januari 2010 in de gemeente(n) Heerlen en/of Landgraaf, met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum so 2], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is niet gebleken dat de dagvaarding niet aan de volgens de wet daar aan te stellen eisen voldoet;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    is niet van het bestaan van omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan; de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    is niet van het bestaan van gronden voor een schorsing van de vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zowel feit 1. primair, als feit 2. bewezen zijn.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat voor de tenlastegelegde feiten het bewijs ontoereikend is. Hij heeft geconcludeerd tot vrijspraak van beide tenlastegelegde feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 2.

De rechtbank stelt ter zake feit 2. vast dat uit het uittreksel uit het geboorteregister van de gemeente Sittard-Geleen van 25 september 2013 is komen vast te staan dat [slachtoffer 2] is geboren op 21 januari 1994. Aldus heeft zij op 21 januari 2010 de leeftijd van zestien jaren bereikt. Op grond van de verklaringen van [slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 2] kan worden vastgesteld dat tussen de verdachte en [slachtoffer 2] een seksuele relatie heeft bestaan, mede omvattende het seksueel binnen dringen door de verdachte van het lichaam van [slachtoffer 2]. Deze verklaringen zijn echter onvoldoende om met enige zekerheid vast te stellen gedurende welke periode deze relatie heeft bestaan. De informatie in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] is onvoldoende specifiek over de periode waarin deze relatie heeft bestaan. Door [slachtoffer 2] wordt het moment van het begin van deze relatie gekoppeld aan het aanbrengen van een piercing in haar tong. Op 4 juli 2013 heeft [slachtoffer 2] tegenover de rechter-commissaris daarover verklaard: “Ik weet dat ik voor mijn zestiende verjaardag seks met [verdachte] had omdat ik op mijn zestiende verjaardag een tongpiercing kreeg en daarvoor al seks had met hem.” Deze verklaring biedt onvoldoende zekerheid over het tijdstip waarop de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer 2] is aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank moet de verdachte van het onder 2. tenlastegelegde worden vrijgesproken omdat niet is komen vast te staan dat bij aanvang van de relatie tussen [slachtoffer 2] en de verdachte, [slachtoffer 2] niet de leeftijd van zestien jaren had bereikt.

Feit 1.

Inleiding

Strafzaken op het gebied van zeden kenmerken zich doorgaans onder meer door het feit dat er slechts twee personen aanwezig zijn bij de handelingen die het strafbare feit opleveren. Gewoonlijk zijn dat een persoon die kan worden aangeduid als slachtoffer en de persoon die als dader moet worden aangemerkt. In dit opzicht wijkt deze casus niet af van de meeste andere casus in zedenzaken. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich dat slechts de verklaringen van het slachtoffer als bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden die door die aangever/getuige worden genoemd op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat hier echter tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het slachtoffer toch het volgens de wet vereiste minimum aan bewijs kan opleveren.

Bewijs

Op 16 juli 2011 om 2.29 uur is door ambtenaren van politie een informatief gesprek gehouden met [slachtoffer 1], die vertelde kort tevoren, namelijk in de avonduren van 15 juli 2011, te zijn verkracht door een persoon, die zij kent onder de naam [verdachte] en bij wie zij eerder al eens normale vriendschappelijke bezoeken had afgelegd.2 Vooafgaande aan dat gesprek heeft een medisch forensisch onderzoek plaats gevonden en daarbij zijn biologische sporen afgenomen. Voorts is de kleding van [slachtoffer 1], die zij die avond had gedragen, in beslaggenomen, Deze kleding is bemonsterd en daarvan zijn eveneens sporen onderzocht.

Door [slachtoffer 1] zijn een aantal schriftelijke weergaven van zogenaamde ‘pinggesprekken’, die volgens haar opgave met deze [verdachte] op 16, 17 en 18 juli 2011 zijn gevoerd, voor onderzoek ter beschikking van de politie gesteld. Tot slot heeft [slachtoffer 1] op 19 juli 2011 aangifte van verkrachting gedaan.

Bij gelegenheid van deze aangifte3 heeft zij - zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik heb [verdachte] ontmoet op de kermis en ben enige keren bij hem thuis op bezoek geweest. Ik heb tevens met [verdachte] pinggesprekken gevoerd. Ik heb hem gevraagd of hij een telefoontoestel van het merk BlackBerry voor mij kon regelen. Een paar dagen later pingde hij mij dat ik het toestel kon krijgen en dat hij daar niets voor behoefde te hebben. Op 15 juli 2011 ben ik weer naar zijn woning gegaan. Rond 20.30 uur was ik daar. We hebben op het bed gezeten; dat is de enige zitplaats. Hij wilde op een gegeven moment dat ik naast hem kwam liggen. Ik zei hem dat ik dat niet wil. Hij zei toen dat ik moeilijk doe en dat ik daardoor dat toestel nog niet van hem kreeg. Ik wilde weggaan, maar op het moment dat ik wilde opstaan pakte hij me met twee armen om mijn middel vast en trok mij weer op het bed. Ik zei hem dat hij mij moest loslaten, maar hij liet mij niet gaan; hij zei: “jij bent mijn meisje” en “dat ik dat voor altijd zou blijven”. Ik zei hem dat ik een vriend heb, in de hoop dat hij mij zou loslaten. Uiteindelijk liet hij me los. Ik probeerde weer snel op te staan maar toen greep hij me weer vast. Hij ging met zijn handen steeds verder naar boven, in de richting van mijn borsten. Ik duwde zijn handen weer omlaag en zei dat ik daar niet van gediend was. Daarop zei hij: “jammer dan, ik doe wat ik wil”. Toen hij me losliet probeerde ik weg te komen. Hij ging staan en duwde me weer op bed. Hij ging toen boven op mijn benen zitten, net boven mijn knieën. Hij zat met zijn benen over mijn benen met zijn gezicht naar mijn gezicht. Hij zei met stemverheffing dat ik moest doen wat hij zei dat ik moest doen. Hij zei me ook dat ik moest oppassen hoe dat ik tegen hem spreek. Hij deed mijn truitje omhoog, ik duwde het weer naar beneden. Hij maakte vervolgens met zijn linker vuist een slaande beweging in de richting van mijn gezicht, maar raakte mij niet. Ik was bang. Hij schoof me in de lengte van het bed. Hij ging weer op mijn benen zitten en ging met zijn handen onder mijn shirt. Hij zei dat ik mijn BH moest uitdoen. Ik zei dat ik dat niet wilde doen. Hij maakte toen weer met zijn vuist een soort van slaande beweging in mijn richting. Hij schoof toen mijn BH omhoog, waardoor deze boven mijn borsten kwam te zitten.

Ik kon niet wegkomen omdat [verdachte] op mijn benen zat en toen ik rechtop wilde komen drukte hij mij weer op het bed. Wanneer ik tegenstribbelde, maakte hij opnieuw een slaande beweging. Omdat ik hard praatte drukte hij mijn hoofd naar de zijkant. Hij zei dat ik pas weg zou mogen gaan wanneer hij dat goedkeurde.

Hij maakte mijn riem en broek los. Hij heeft mijn benen dubbel geklapt, waardoor hij mijn broek en onderbroek kon uitdoen. Mijn knieën drukten tegen mijn borst. Hij haalde zijn penis uit zijn broek en wilde deze in mijn vagina stoppen. In de hoop dat hij dat niet had, zei ik dat ik geen geslachtsverkeer wenste te hebben zonder condoom. Daarop haalde hij een condoom te voorschijn en deed dat om zijn lid. Daarna ging hij met zijn penis in mijn vagina. Ondanks dat ik vaker heb gezegd dat hij moest stoppen omdat het pijn doet zette hij de gemeenschap voort. Pas nadat hij was klaar gekomen liet hij mij gaan. Toen ik om ongeveer 21.20 uur daar wegging zei hij dat als ik dit tegen iemand zou vertellen, hij een kogel door mijn kop zou schieten.

Door de ambtenaren van de politie is de genoemde [verdachte] geïdentificeerd als

[verdachte], geboren te [geboorteland] op [geboortedatum].4

Uit de ‘pinggesprekken’ blijkt dat de verdachte [slachtoffer 1] onder druk probeert te zetten om haar opnieuw te ontmoeten, maar dat [slachtoffer 1] hem antwoordt dat zij dat niet wenst omdat de verdachte haar heeft verkracht.5

Uit een door drs. A.J. Meulenbroek, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, uitgevoerd onderzoek op basis van DNA aan de in beslaggenomen kleding, blijkt dat op de slip en op de BH van [slachtoffer 1] celmateriaal aanwezig was van één mannelijk persoon. Uit een vergelijking van het DNA in dat materiaal en het DNA van de verdachte concludeert hij dat niet kan worden uitgesloten dat het op de slip en op de BH aangetroffen materiaal afkomstig is van de verdachte. Voorts is gebleken dat uit het materiaal verkregen Y‑chromosomaalprofiel niet overeenkomt met een soortgelijk profiel verkregen uit individuen uit een groep van 44.469 personen afkomstig uit 295 verschillende en over de gehele wereld verspreid levende bevolkingsgroepen.6

4.4

De bewezenverklaring

Op 13 september 2011, in de ochtend en in de namiddag, en op 14 september 2011 is de verdachte gehoord naar aanleiding van de aangifte door [slachtoffer 1]. Zakelijk weergegeven heeft de verdachte verklaard:

[slachtoffer 1] heeft vaker valse aangifte gedaan en ook deze aangifte is vals. Voorts heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer 1] een aantal malen heeft ontmoet, onder meer bij zijn woning. [slachtoffer 1] is echter nooit in zijn (kamer)woning geweest en hij heeft haar nooit aangeraakt, laat staan seksuele gemeenschap met haar gehad. De vraag waar het contact met [slachtoffer 1] dan wel uit bestond wordt door de verdachte niet beantwoord en op de vraag waar zij over hebben ‘gepingd’ stelt hij dat niet meer te weten. Ter terechtzitting is de verdachte, hoewel behoorlijk daartoe te zijn opgeroepen, zonder aan de rechtbank kenbaar gemaakte reden niet verschenen. Gelet op zijn ontkenning het onder 1. tenlastegelegde te hebben begaan, heeft er voor de verdachte alle reden bestaan om ter terechtzitting te verschijnen en de bewijsmiddelen te weerspreken of daarop een nuancering aan te brengen, welke deze bewijsmiddelen mogelijk in een ander licht hadden kunnen stellen. Dat is echter niet gebeurd en ook bij gelegenheid van het verhoor door ambtenaren van de politie had de verdachte dit kunnen doen, maar zover daar werd ingegaan op bijzonderheden heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen of verklaard zich niet meer te herinneren. Gelet op zijn (proces-)houding is de rechtbank van oordeel dat aan zijn verklaringen, zover deze een ontkenning van het tenlastegelegde inhouden, betekenis moet worden onthouden.

De rechtbank komt tot de conclusie dat, met inachtneming van het hiervoor geschetste juridisch kader, het door de wet gestelde minimum aan bewijs voorhanden is.

De rechtbank overweegt dat aan de uitkomsten van het door drs. A.J. Meulenbroek uitgevoerde onderzoek slechts marginaal betekenis kan worden toegekend en dat aan de verklaringen van de verdachte uitsluitend als feit kan worden ontleend dat hij en [slachtoffer 1] op zeker moment bepaalde contacten onderhielden. Aan de zeer gedetailleerde verklaringen van [slachtoffer 1], zowel bij gelegenheid van het informatieve gesprek vrijwel direct na de avond van 15 juli 2011, als bij gelegenheid van de aangifte, ontleent de rechtbank de overtuiging dat het onder 1. tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan. Deze overtuiging vindt steun in de inhoud van de meergenoemde ‘pinggesprekken’ tussen [slachtoffer 1] en de verdachte.

Gelet op de voorgaande overwegingen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte:

1. primair

op 15 juli 2011 in de gemeente Heerlen door geweld en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte die [slachtoffer 1] gedwongen te dulden dat verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] bracht, en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte

- [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en

- [slachtoffer 1] op een bed heeft getrokken/geduwd en

- op de benen van [slachtoffer 1] heeft gezeten terwijl die [slachtoffer 1] op haar rug lag en

- tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geduwd en

- met een vuist een slaande beweging in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gemaakt en

- de benen van [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en de benen van [slachtoffer 1] heeft dubbel gevouwen en

- aan de kleding van [slachtoffer 1] heeft getrokken en

- de borsten van [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en

- over de borsten van [slachtoffer 1] heeft gewreven en

- daarbij tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd - zakelijk weergegeven- ;

* dat hij haar niet liet gaan omdat zij zijn meisje was en

* dat hij doet wat hij wil en

* dat hij haar niet zou loslaten want dan zou zij weer weglopen en

* dat zij moest oppassen hoe zij tegen hem sprak en

* dat zij haar BH moest uitdoen en

* dat zij hem niet boos moest maken en

* dat zij pas weg mocht gaan wanneer hij dat zei en

* dat zij niet weg kon komen en dat zij het alleen maar moeilijker voor zich zelf zou maken

en

* dat als zij dit tegen iemand zou vertellen hij een kogel door haar kop zou schieten en aldus voor [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

verkrachting

Dat misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is niet gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf en/of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft inzake de straf geen verweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, op grond van de omstandigheden waaronder het feit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft [slachtoffer 1] in zijn woning door geweld en bedreiging met geweld en andere feitelijkheden tot geslachtsgemeenschap gedwongen. Dit is een ernstig misdrijf en de verdachte heeft door zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1]. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort misdrijven ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers en dat zij als gevolg nog geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van datgene wat hen is aangedaan. Ook in dit geval heeft het slachtoffer verklaard dat zij sinds het incident angst en gevoelens van onveiligheid ervaart, zoals blijkt uit de zich in het dossier bevindende verklaring van het slachtoffer en de onderbouwing van de door haar gevorderde vergoeding van schade.

De rechtbank houdt verder rekening met het gewelddadig karakter van het handelen van de verdachte en met het uittreksel van de justitiële documentatie ten name van de verdachte van 1 oktober 2013. Daaruit blijkt dat hij in 2010 ter zake een zedenmisdrijf werd veroordeeld en in de periode van 2004 tot en met 2012 verschillende malen wegens geweld werd veroordeeld.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg vakinhoud strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van verkrachting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank, ondanks de veel hogere strafeis van de officier van justitie, maar die betrekking heeft op het onder 1. en onder 2. tenlastegelegde, een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend en geboden. Zij is van oordeel dat deze straf in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, daarbij mede gelet op de persoon van de verdachte, in het bijzonder de eerder uitgesproken veroordelingen. Van het bestaan van omstandigheden die tot een andere strafmaat, of een differentiatie daarvan zouden moeten leiden is aan de rechtbank niet gebleken. In het bijzonder overweegt de rechtbank daartoe dat door de eerdere veroordeling voor een zedendelict, de omstandigheid dat verdachte toen geen medewerking heeft verleend aan de noodzakelijk geachte behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek en de afwezigheid van de verdachte ter terechtzitting de rechtbank van de bepaling dat een gedeelte van de straf onder voorwaarden niet zal worden tenuitvoergelegd geen effect verwacht op het voorkomen van recidive.

8 De benadeelde partij

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 1], vordert vergoeding van schade wegens het onder 1. tenlastegelegde feit tot een bedrag van € 4.567,90.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering en gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat [slachtoffer 1] in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat de verdachte van het onder 1. tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Voorts heeft hij gemotiveerd bestreden dat er een causaal verband bestaat tussen de als onkosten opgevoerde schade en het strafbare feit. Tot slot heeft hij aangevoerd dat het wegens immateriële schade gevorderde bedrag ten onrechte veel hoger is dan wat in vergelijkbare gevallen door een rechter werd toegewezen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de relatie tussen de als schade gevorderde onkosten en het bewezen te verklaren feit niet zodanig is dat het ontstaan van deze kosten in redelijkheid aan het handelen door de verdachte moet worden toegerekend. Met de raadsman is de rechtbank daarom van oordeel dat de vordering, in zoverre een vergoeding betreft voor materiële schade, moet worden afgewezen. Een uitzondering daarop vormen de kosten wegens het reizen naar de rechtbank ad € 10,00. [slachtoffer 1] is ter terechtzitting van

25 september 2013 en 5 november 2013 verschenen. De aan deze reizen verbonden kosten moeten worden aangemerkt als proceskosten. De immateriële schade wordt door de rechtbank geschat op € 2.500,00.

9 Het beslag

Op de beslaglijst staan de navolgende zaken:

Ondergoed kleur zwart: 1954769, een bh met voorgevormde cup's;

Ondergoed kleur zwart: 1954770, een onderbroek, model short;

Verdovende middelen;

Zedenkit: betreft [slachtoffer 1], [nummer];

Uit het dossier is niet gebleken dat verdovende middelen in beslag zijn genomen. Een kennisgeving daaromtrent werd niet aangetroffen in het dossier. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de, overigens ook niet nader gespecificeerde verdovende middelen abusievelijk op de lijst van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen is opgenomen. Een beslissing daaromtrent kan aldus ook niet worden gegeven. De rechtbank zal bepalen dat het ondergoed wordt teruggegeven aan degene onder wie het goed werd in beslag genomen. Niet is komen vast te staan onder wie de zedenkit in beslag werd genomen of wie in redelijkheid als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom gelasten dat dit voorwerp wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 2. ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat onder 1. primair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert, zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren,

  • -

    bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

De civiele vorderingen

T.a.v. feit 1. primair

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [slachtoffer 1] te betalen € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, deze rente te berekenen over de periode vanaf 15 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken en begroot deze kosten tot heden op € 10,00;

Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregel(en)

T.a.v. feit 1. primair

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] € 2.510,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 15 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- verstaat dat door voldoening aan [slachtoffer 1] of aan de staat, elke andere verplichting inzake de vergoeding van schade vervalt;

Beslag

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

1. bh met voorgevormde cup's (zwart);

1. onderbroek model short (kleur: zwart);

aan de beslagene;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van een zedenkit betreffende [slachtoffer 1].

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. van Maanen Winters, voorzitter,

mr. E.H.A.F.M. Krol en mr. A.M. Schutte, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 november 2013.

Buiten staat

Mr. E.H.A.F.M. Krol en mr. A.M. Schutte zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700465-11

proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de enkelvoudige strafkamer van de rechtbank van 19 november 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteland] op [geboortedatum],

wonende te [adres 1],

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan dit proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. W.R. Smeets, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2430 2011083853 d.d. 27 december 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal informatief gesprek zeden, doorgenummerde dossierpagina’s 7 t/m 11.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], doorgenummerde dossierpagina’s 43 t/m 51.

4 Eindproces-verbaal, doorgenummerde dossierpagina 4.

5 Geschriften, zijnde een aantal schriftelijke weergaven van zogenaamde ‘pinggesprekken’, die volgens [slachtoffer 1]’s opgave met deze [verdachte] op 16, 17 en 18 juli 2011 zijn gevoerd, doorgenummerde dossierpagina’s 31 t/m 35 en 41.

6 Verslag van deskundige drs. A.J. Meulenbroek, werkzaam bij het NFI, betreffende een aanvullend DNA-onderzoek, doorgenummerde dossierpagina’s 86 t/m 95.