Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9102

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
C/03183962 / JE RK 13-1328 en C/03/183964 / JE RK 13-1329
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling op verzoek van de Raad (Bureau Jeugdzorg wilde niet verlengen):

Gronden voor ondertoezichtstelling blijven aanwezig. Uit de toelichting bij artikel 1:257 lid 1 BW blijkt dat de in dat artikel voorgeschreven hulp en steun geen vrijblijvende richtlijn maar een verplichting voor Bureau Jeugdzorg inhoudt. Bureau Jeugdzorg heeft verzuimd deze verplichting na te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 4 oktober 2013

Zaaknummers: C/03/183962 / JE RK 13-1328 en C/03/183964 / JE RK 13-1329

BESCHIKKING OP VERZOEKEN VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarigen:

[minderjarige A], geboren te [geboorteplaats] op [2005],

verder te noemen: [minderjarige A],

en

[minderjarige B], geboren te [geboorteplaats] op [2009],

verder te noemen: [minderjarige B],

kinderen van:

[belanghebbende X], verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats], [adres],

advocaat mr. K.G.J. Verbong, kantoorhoudende te Hoensbroek,

en

[belanghebbende Y], verder te noemen: de vader,

wonende te, wonende te [woonplaats], [adres].

1 Verloop van de procedure

Op 12 september 2013 heeft de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, verder te noemen: de raad, een verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstellingen ingediend.

Op 23 september 2013 heeft de raad een rapportage ingediend.

Bij brief van 26 september 2013 heeft de vader gereageerd op het rapport van de raad.

De zaken zijn behandeld ter zitting van 27 september 2013.

De vader, hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen ter zitting.

2 Feiten

[minderjarige A] en [minderjarige B] zijn geboren uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader. De kinderen zijn erkend door de vader en de ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag. Ze verblijven bij de moeder.

De kinderen staan sinds 5 oktober 2012 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, verder te noemen: bureau jeugdzorg. Bij beschikking van 5 oktober 2012 zijn de ondertoezichtstellingen verleend voor de duur van één jaar. Bureau jeugdzorg heeft schriftelijk aan de raad laten weten dat niet verzocht zal worden de ondertoezichtstellingen van de kinderen te verlengen.

3 Verzoek en verweer

3.1

De raad heeft verzocht de ondertoezichtstellingen van [minderjarige A] en [minderjarige B] te verlengen voor de periode van één jaar, nu de ontwikkeling van de kinderen nog onverminderd wordt bedreigd. De raad constateert dat de grootste bedreiging van de kinderen voortkomt uit de spanningen tussen de ouders en het gebrek aan samenspraak tussen hen beiden. De kinderen worden betrokken in de aanhoudende ex-partnerstrijd, waarbij de ouders elkaar over en weer diskwalificeren. Hierdoor zitten de kinderen klem en vertoont [minderjarige A] ernstige loyaliteitsproblemen. Hoewel [minderjarige B] op dit moment nog weinig klachtgedrag vertoont, kopieert zij het gedrag van [minderjarige A] en is niet onaannemelijk dat ook zij in de toekomst last zal krijgen van loyaliteitsproblematiek. Iedere vorm van contact tussen de vader en de moeder geeft aanleiding tot spanningen, waardoor de kinderen ook belemmerd worden om op ongedwongen wijze contact te hebben met de beide ouders. Nu de ouders de belangen van de kinderen uit het oog verliezen in de aanhoudende strijd, worden de kinderen ernstig bedreigd in hun ontwikkeling.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de raad verklaard dat de door bureau jeugdzorg gestelde doelen van de ondertoezichtstellingen niet behaald zijn. Bureau jeugdzorg heeft voornamelijk geprobeerd de houding van de ouders te veranderen, maar dit is niet mogelijk gebleken. Dit betekent echter niet dat geen hulp aan de kinderen kan worden geboden. De raad is van mening dat de kinderen moeten worden geholpen om te gaan met de ex-partnerstrijd.

3.2.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij instemt met het verzoek van de raad. De moeder beseft dat de kinderen hulp nodig hebben en zij wil hiervoor ook hulp krijgen. Tot nu toe heeft bureau jeugdzorg echter enkel ingezet op hulpverlening met betrekking tot de ouders en met betrekking tot de omgangsregeling. De kinderen zelf hebben geen hulp gekregen. Hierdoor heeft de moeder onvoldoende vertrouwen in de huidige gezinsvoogd.

3.3.

De vader heeft schriftelijk aangegeven dat hij instemt met het verzoek van de raad, maar dat hij een andere gezinsvoogd zou willen hebben.

3.4.

Bureau jeugdzorg heeft ter zitting verklaard dat de gezinsvoogd, hoewel de kinderen klem zitten tussen de ouders, niets voor het gezin kan betekenen gezien de strijd tussen en de houding van de ouders. De ouders zijn verwikkeld in een enorme ex-partnerstrijd, waar bureau jeugdzorg tracht buiten te blijven. Bureau jeugdzorg kan de kinderen pas helpen als blijkt dat de ouders bereid en in staat zijn te veranderen. Dit is tot nu toe niet het geval, waardoor ook hulpverlening voor de kinderen naar de mening van bureau jeugdzorg geen effect zal hebben.

4 Beoordeling

Op grond van artikel 1:256 van het Burgerlijk Wetboek, verder te noemen: BW, kan de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van onder andere de raad verlengen voor de duur van ten hoogste één jaar, indien de gronden daarvoor nog steeds bestaan.

Uit de stukken en uit de verklaringen ter zitting is de kinderrechter gebleken dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.

Beide kinderen zitten als gevolg van de hevige ex-partnerstrijd klem tussen de ouders; [minderjarige A] vertoont al ernstig klachtgedrag en de verwachting is dat ook [minderjarige B] klachten zal ontwikkelen. De strijd tussen de ouders gaat ook over de roepnaam van [minderjarige B] en heeft tot gevolg dat de ouders ieder een andere naam voor hun dochter gebruiken: zij wordt bij vader [minderjarige B] genoemd en bij moeder [minderjarige B]. Dit acht de kinderrechter schadelijk voor haar ontwikkeling.

Kennelijk lukt het de ouders niet om de belangen van de kinderen centraal te stellen. Beide ouders zeggen dat zij in het belang van de kinderen handelen en wijzen in de richting van de andere ouder als degene die niet in dit belang handelt. Hulp in het gedwongen kader blijft daarom noodzakelijk.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft bureau jeugdzorg gesteld dat een verlenging van de ondertoezichtstelling onvoldoende meerwaarde zal hebben. Volgens bureau jeugdzorg zit de problematiek bij de ouders en is het voor bureau jeugdzorg moeilijk hierin een weg te vinden, omdat bureau jeugdzorg buiten de partnerstrijd wil blijven. Bureau jeugdzorg geeft aan dat zij de kinderen niet kan helpen als de ouders niet veranderen.

De kinderrechter overweegt dat bureau jeugdzorg op grond van artikel 1:257 lid 1 BW toezicht houdt op de minderjarige én zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun wordt geboden teneinde de bedreiging af te wenden. Uit de toelichting op dit artikel blijkt dat de voorgeschreven hulp en steun geen vrijblijvende richtlijn maar een verplichting voor bureau jeugdzorg inhoudt. Dit betekent dat bureau jeugdzorg in het kader van de ondertoezichtstelling zowel aan de kinderen als ook aan hun ouders hulp en steun moet bieden, óók als dit betekent dat bureau jeugdzorg niet buiten de partnerstrijd kan blijven en óók als bureau jeugdzorg het moeilijk acht een weg te vinden. Kennelijk heeft bureau jeugdzorg aan [minderjarige A] en [minderjarige B] nog helemaal geen hulp geboden en dus verzuimd haar verplichting na te komen.

De verzoeken zullen daarom worden toegewezen.

5 Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de termijn waarvoor [minderjarige A], geboren te [geboorteplaats] op

[2005], en [minderjarige B], geboren te [geboorteplaats] op [2009], onder toezicht zijn gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg met ingang van

5 oktober 2013 voor één jaar, derhalve tot 5 oktober 2014;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter, en in het openbaar op 4 oktober 2013 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

JV

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.