Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9071

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
AWB-12_1240u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3429, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep betreft omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw met hellingbaan voor een scheepswerf.

De rechtbank is van oordeel dat de hellingbaan, waaronder ook het buiten de bedrijfshal gesitueerde (kleinere) deel, noch bouwkundig noch functioneel los kan worden gezien van de bedrijfshal, zodat deze gezamenlijk als één gebouw zijn te beschouwen. Dit betekent tevens dat het bouwvlak van het bestemmingsplan wordt overschreden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de aangevraagde vergunning voor bouwen niet tevens betrekking heeft op een activiteit die ertoe leidt dat, samen met in de nabijheid gelegen installaties, één vergunningplichtige inrichting ontstaat. Derhalve is geen sprake van schending van de verplichting van artikel 2.7 van de Wabo en heeft verweerder de aanvraag zoals deze is gedaan in behandeling mogen nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 1240

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 november 2013 in de zaak tussen

Antonius Vesselheads BV, te Maasbracht, eiseres

(gemachtigde: mr. G.A.M. van de Wouw),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder

(gemachtigde: N.J.S. Maas-Houben),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [rechtspersoon] te Maasbracht, vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans).

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan vergunninghoudster verleend voor het bouwen van een bedrijfsgebouw.

Bij besluit van 16 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit onder aanvulling van de motivering van dat besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2013.

Eiseres en vergunninghoudster hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het procesrecht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Vergunninghoudster heeft op 23 augustus 2011 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen van een bedrijfsgebouw (bedrijfshal en kantoor) met een scheepshelling die deels binnen en deels buiten het bedrijfsgebouw is geprojecteerd alsmede het plaatsen van een stalen damwand. Het bouwplan is gesitueerd aan de [locatie] te Maasbracht. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Kern Maasbracht. Het bouwplan valt grotendeels onder de bestemming “handelsdoeleinden III” met de aanduiding “waterbergend winterbed” en voor een klein deel in de bestemming “haven”. In verband met het bouwplan is op 23 augustus 2011 tevens op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit) een melding gedaan over de oprichting van een inrichting (voornamelijk) bestaande uit het samenstellen van geprefabriceerde elementen tot vaartuigen en het in gebruik hebben van een scheepshelling ten behoeve van het te water laten van vaartuigen. Verweerder heeft die melding geaccepteerd en is er daarbij van uitgegaan dat het gaat om een scheepswerf voor het bouwen van pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 25 meter. Verweerder heeft in verband daarmee vergunninghoudster erop gewezen dat voor het oprichten van een inrichting voor werkzaamheden aan schepen voor de beroepsvaart wel een omgevingsvergunning nodig is.

3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend. Het door eiseres tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij verweerder zich heeft geschaard achter het advies van de commissie bezwaarschriften van verweerders gemeente met toevoeging van enkele overwegingen.

4.

De beroepsgronden van eiseres strekken ertoe dat het bestreden besluit om twee redenen in rechte geen stand kan houden, namelijk omdat het met de aanvraag beoogde bouwplan op enkele punten in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en omdat bij de aanvraag het bepaalde in artikel 2.7 van de Wabo niet in acht zou zijn genomen. Over de desbetreffende beroepsgronden overweegt de rechtbank als volgt.

Beroepsgronden betreffende het bestemmingsplan.

5.

Eiseres heeft betoogd dat een gedeelte van de scheepshelling buiten het bouwvlak van het bestemmingsplan is geprojecteerd en dat het bouwplan daarom in zoverre in strijd met het bestemmingsplan is. De overdekte scheepshelling maakt immers deel uit van de aanvraag voor het bouwplan en zal deels binnen de bedrijfshal worden gerealiseerd. Volgens eiseres moet het bouwplan in zijn geheel worden beschouwd en mag het niet enerzijds als gebouw en anderzijds als ander bouwwerk worden beschouwd.

Volgens verweerder is het bouwplan op dit punt wel in overeenstemming met het bestemmingsplan Kern Maasbracht en past het in de bestemming Handelsdoeleinden III met aanduiding waterbergend winterbed. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat de bedrijfshal en kantoor, zonder de scheepshelling, binnen het bouwvlak zijn geprojecteerd. Uit

artikel. 29, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften is af te leiden dat andere bouwwerken dan gebouwen buiten het bouwvlak mogen worden opgericht. Omdat de scheepshelling een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is, mag dit volgens verweerder dus wel buiten het bouwvlak worden gesitueerd.

De rechtbank overweegt hierover allereerst dat, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft te gelden dat een constructie die zowel bouwkundig als functioneel één geheel met een gebouw vormt, niet is te beschouwen als zelfstandig bouwwerk maar als onderdeel van het gebouw. Voor dat oordeel is steun te vinden in de uitspraken van de Afdeling van 9 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AS5479) en 25 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV1834). De hellingbaan, waaronder ook het buiten de bedrijfshal gesitueerde (kleinere) deel, kan daarvan noch bouwkundig noch functioneel los worden gezien. De conclusie moet dan ook zijn dat de bedrijfshal en de hellingbaan gezamenlijk als één gebouw zijn te beschouwen. Dit betekent tevens dat het bouwvlak van het bestemmingsplan wordt overschreden. Het betoog van eiseres slaagt dus.

6.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de hellingbaan, voor zover deze (voor 37 m²) in de bestemming “haven” is gepland, niet in overeenstemming is met de in het bestemmingsplan opgenomen omschrijving “verkeersdoeleinden te water”, zodat deze ook in zoverre in strijd is met het bestemmingsplan.

Verweerder heeft erkend dat een klein deel van het bouwplan, namelijk een stuk van de hellingbaan” valt binnen de bestemming “haven”. Hij heeft daarover aangevoerd dat de scheepshelling qua aard en afmeting past bij die bestemming en ook valt binnen de doeleindenomschrijving “verkeersdoeleinden te water”, waarbij is opgemerkt dat die helling het doorgaand vaarverkeer niet belemmert.

De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat het standpunt van verweerder dat de hellingbaan onder de doeleindenomschrijving “verkeersdoeleinden te water” valt niet houdbaar is. De omstandigheid dat de helling wordt gebruikt om schepen te water te laten en dat het vaarverkeer door dat gebruik niet wordt belemmerd, wat daar verder van zij, is onvoldoende om aan te nemen dat genoemde doeleinden daarmee worden gediend. Reeds daarom gaat het betoog van eiseres op.

7.

Eiseres heeft nog betoogd dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op de bezwaargrond dat het bouwplan, gelet op de tekst bij een overzichtstekening, impliceert dat werkzaamheden zullen plaatsvinden buiten de bedrijfshal alwaar het bestemmingplan zulks niet toelaat. De rechtbank stelt vast dat verweerder inderdaad heeft nagelaten in het bestreden besluit op dit punt in te gaan. In zoverre slaagt het betoog. Uit de door verweerder en vergunninghoudster gegeven toelichting blijkt echter dat bedoelde tekening geen deel uitmaakt van de aanvraag, zodat het betoog van eiseres op dit punt inhoudelijk geen doel treft.

8.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat door realisering van de hellingbaan een ophoging plaatsvindt die betekent dat er wordt opgehoogd in het winterbed van de Maas, hetgeen ook in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder heeft daartegen ingebracht dat uit het bouwplan niet volgt dat er ophoging van het terrein zal plaatsvinden, maar dat er voor de realisering van de hellingbaan juist grond zal worden afgegraven, zodat er geen sprake is van strijd met genoemd voorschrift. De rechtbank constateert dat in artikel 6 van de planvoorschriften een onderscheid wordt gemaakt tussen bouwen en uitvoering van werken. Voor het stroomvoerend deel van het winterbed van de Maas is een bouwverbod en een verbod om bepaalde werken aan te leggen opgenomen. Voor het waterbergend deel is daarentegen slechts een verbod opgenomen om op of in de gronden die daarin zijn gelegen ophogingen aan te brengen. Daarbij wordt kennelijk niet gedoeld op gebouwen of bouwwerken. Nu in dit geval sprake is van het oprichten van een gebouw in het waterbergend deel van de Maas, is naar het oordeel van de rechtbank een verbod als omschreven in artikel 6 van de planvoorschriften niet op het bouwplan van toepassing. Het betoog slaagt niet.

Beroep op schending van artikel 2.7 van de Wabo.

9.

Eiseres heeft voorts als beroepsgrond aangevoerd dat de aanvraag niet alleen betrekking heeft op de activiteit bouwen, maar tevens betrekking heeft op een activiteit die samen met andere activiteiten in de nabijheid van de onderhavige locatie leidt tot het ontstaan van één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer en dat die inrichting in zijn geheel omgevingsvergunningplichtig is. Volgens haar is vergunninghoudster namelijk actief op verschillende sterk met de onderhavige activiteiten verweven en nabij gelegen locaties. Ook stelt zij dat gevoeglijk is aan te nemen dat er technische en functionele bindingen met andere dichtbij gelegen bedrijfsonderdelen bestaan. Derhalve heeft verweerder volgens eiseres ten onrechte aangenomen dat sprake is van een zogeheten type B-inrichting en is een melding niet voldoende, maar had de aanvraag van vergunninghoudster tevens betrekking moeten hebben op het oprichten of veranderen van een (milieu)inrichting. Aldus heeft vergunninghoudster volgens eiseres gehandeld in strijd met hetgeen waartoe hij ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo verplicht was.

Verweerder en vergunninghoudster hebben daarentegen betoogd dat de aanvraag geen betrekking heeft op een activiteit die samen met inrichting met andere bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster is te beschouwen als één geheel en dat de beoogde inrichting enkel ziet op de bouw van pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 25 meter hetgeen een zogenoemde B-inrichting is waarvoor geen vergunningplicht geldt, zodat volstaan kon worden met de melding van 23 augustus 2011 op grond van het Activiteitenbesluit. Als toelichting is daarbij aangevoerd dat het gaat om een nieuwe activiteit van een andere rechtspersoon en dat er geen bindingen zijn in technisch opzicht (perceel is omsloten door percelen van derden en er komen geen gezamenlijke voorzieningen), functioneel opzicht (er vindt geen uitwisseling van personeel en andere bedrijfsmiddelen plaats) of organisatorisch opzicht (vergunninghoudster heeft alleen zeggenschap over de beoogde inrichting en niet over andere bedrijven).

De rechtbank stelt voorop dat het eerste lid van artikel 2.7 van de Wabo, voor zover in dit geding van belang, inhoudt dat de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2. er zorg voor draagt dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten. Daarbij wordt gedoeld op zogeheten onlosmakelijke activiteiten. Gelet op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2986), dient, indien de aanvrager zich daar niet aan houdt, met toepassing van artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid te worden geboden om de aanvraag in die zin aan te vullen dat deze tevens betrekking heeft op de andere onlosmakelijke activiteit(en) en dient, indien aanvulling vervolgens uitblijft, de aanvraag buiten behandeling te worden gesteld. Dit geldt derhalve ook als een aanvraag voor de activiteit bouwen tevens betrekking heeft op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een vergunningplichtige inrichting. Daarbij is nog van belang dat ingevolge artikel 3.10 van de Wabo als hoofdregel geldt dat bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als de laatstgenoemde, de openbare voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd. Anders dan vergunninghoudster ter zitting heeft betoogd is het derhalve niet zo dat het discretionaire karakter van artikel 4:5 van de Awb met zich brengt dat de rechter in een geval als het onderhavige aan de beslissing om van die bevoegdheid geen gebruik te maken geen consequenties voor het nadien genomen besluit op de aanvraag kan verbinden.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder zich op grond van de bij de aanvraag verstrekte gegevens, in samenhang met de melding op grond van het Activiteitenbesluit, terecht op het standpunt heeft gesteld er ten tijde van het in behandeling nemen van de aanvraag geen reden was om aan te nemen dat de aanvraag tevens betrekking had op het oprichten of veranderen van een vergunningplichtige inrichting (artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo). Uit die gegevens blijkt namelijk niet dat de op te richten inrichting zodanige technische, functionele of organisatorische bindingen met in de nabijheid gelegen installaties zal hebben dat deze met elkaar één vergunningplichtige inrichting zullen gaan vormen. Evenmin vormen die gegevens aanleiding voor zodanige twijfel op dit punt dat verweerder vergunninghoudster dienaangaande om opheldering had moeten vragen alvorens de aanvraag in behandeling te nemen.

Al hetgeen eiseres in bezwaar en beroep heeft aangevoerd leidt de rechtbank evenmin tot het oordeel dat verweerder er bij het nemen van het bestreden ten onrechte van is uitgegaan dat de aanvraag niet tevens gericht was op het ontstaan van één vergunningplichtige inrichting. Uit de beschikbare gegevens blijkt namelijk weliswaar dat op omliggende locaties bedrijfsactiviteiten op het gebied van de scheepsbouw worden uitgeoefend onder verantwoordelijkheid van (rechts)personen die juridische banden hebben met vergunninghoudster, doch deze betreffen andere scheepstypes en een ander marktsegment. Verder is in dit verband van belang dat de betrokken locaties niet aan die van het bouwplan grenzen en daarvan door water zijn gescheiden. Dat er sprake zal zijn van gezamenlijke voorzieningen of andere technische bindingen is uit de beschikbare gegevens niet af te leiden. Het betoog faalt dan ook.

10.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit wegens de in de overwegingen 5 en 6 geconstateerde gebreken niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. De rechtbank wijst erop dat daarbij in verband met de geconstateerde strijdigheden met het bestemmingsplan het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, en artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo dient te worden betrokken.

11.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij tevens dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12.

De rechtbank veroordeelt verweerder ten slotte in de door eiseres gemaakte kosten van de beroepsprocedure. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,-- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,--, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout (voorzitter), R.J.G.H. Seerden en

B.J. Zippelius, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2013.

w.g. A. Zweipfenning,

griffier

w.g. T.M. Schelfhout,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 november 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.