Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:9037

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
03/702841-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van de Opiumwet. Oplegging 285 dagen gevangenisstraf, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest. Tevens oplegging taakstraf van 150 uren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/702841-12

Datum uitspraak : 22 november 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsman is mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 8 november 2013.

De rechtbank heeft op 8 november 2013 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door haar raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

zij op of omstreeks 11 maart 2012 te Cadier en Keer, in de gemeente

Eijsden-Margraten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van

een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij op of omstreeks 11 maart 2012 te Cadier en Keer, in de gemeente

Eijsden-Margraten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, een pistool, althans een vuurwapen en scherpe munitie, te weten ten

minste 3, in elk geval een aantal scherpe patronen (6.35 kaliber) voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3.

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 10 maart 2012 te

Cadier en Keer, in de gemeente Eijsden-Margraten, althans in het

arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid

van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van het onder feit 2 aan verdachte tenlastegelegde heeft de officier van justitie expliciet aangegeven dat hij hier doelt op het samen met [medeverdachte] voorhanden hebben van het wapen op 11 maart 2012 in Cadier en Keer vóór dat dit in haar schoot werd geworpen. Hij gaat er derhalve niet van uit dat verdachte daarvan pas weet had op dat moment. De officier van justitie wijst er op dat verdachte wist dat medeverdachte [medeverdachte] in 2010 een pistool voorhanden heeft gehad. Nu verdachte enige tijd vóór 11 maart 2012 munitie van verdachte heeft aangetroffen in haar woning, kan redelijkerwijs worden gesteld dat zij op 11 maart 2012 wetenschap had van het feit dat medeverdachte [medeverdachte] over een vuurwapen en over munitie beschikte. Ter zake van feit 3 verwijst de officier van justitie naar de verklaring van verdachte ter zitting, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] bij de politie en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2].

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter zake van de feiten 1 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de raadsman ter zake van feit 2 de vrijspraak van verdachte bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte wetenschap had van het feit dat medeverdachte [medeverdachte] op 11 maart 2012 een wapen en munitie voorhanden had. Bovendien ziet de tenlastelegging enkel op de pleegplaats Cadier en Keer. Voor zover de tenlastelegging ziet op het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen door verdachte, nadat medeverdachte [medeverdachte] dit wapen in de schoot van verdachte wierp, verwijst de raadsman naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2010 (LJN BN7725). Verdachte heeft niet in een machtsrelatie tot het wapen gestaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 november 2013;2

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte], afgelegd bij de politie;3

- de verklaringen van getuige [getuige 2];4

- de verklaring van getuige [getuige 1];5

- het proces-verbaal van bevindingen van de Belgische politie ter zake van het aantreffen van verdovende middelen op [getuige 1];6

- de analyse van verdovende middelen, verricht te België.7

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte op 11 maart 2012 wetenschap had van het feit dat er een geladen vuurwapen in de auto lag, vóórdat [medeverdachte] dit vuurwapen ter hand nam. Verdachte heeft verklaard dat zij enkel op een eerder tijdstip munitie in de woning heeft gezien en ook in handen heeft gehad. Zij verklaart tevens dat zij [medeverdachte] heeft verzocht om de munitie weg te halen omdat zij die niet in de woning wilde hebben. Zij verklaart voorafgaand aan het ter hand nemen van dit wapen in de auto door [medeverdachte] geen wetenschap te hebben gehad van dit wapen. De rechtbank acht bij gebreke van enig bewijs hiervoor dit dan ook niet bewezen. Op het voorhanden hebben van het wapen nádat dit in de auto in haar schoot werd geworpen, zal de rechtbank niet ingaan, nu de officier van justitie uitdrukkelijk heeft aangegeven haar dat niet te willen verwijten.
Nu de rechtbank feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen acht, zal zij verdachte van dit feit vrijspreken.

Feit 3

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 november 2013;8

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte], afgelegd bij de politie;9

- de verklaring van getuige [getuige 2];10

- de verklaring van getuige [getuige 1].11

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 11 maart 2012 te Cadier en Keer, in de gemeente Eijsden-Margraten, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

in de periode van 1 juli 2011 tot en met 10 maart 2012, in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B,

van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

in voortgezette handeling met

feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B,

van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

De misdrijven onder 1 en 3 zijn strafbaar gesteld bij de artikelen 2 juncto 10 van de Opiumwet.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de duur van het voorarrest. De officier van justitie heeft bij de formulering van de strafeis rekening gehouden met de actieve rol van verdachte bij de door haar gepleegde feiten. Voorts heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte deze feiten tijdens een aan haar opgelegde proeftijd in verband met een voorwaardelijke veroordeling heeft gepleegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de duur van het voorarrest van verdachte, bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit om aan verdachte een bijkomende, geheel voorwaardelijke, werkstraf op te leggen. Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit om aan verdachte een bijkomende onvoorwaardelijke werkstraf van zeer beperkte omvang op te leggen. De raadsman wijst er op dat verdachte geen serieuze betrokkenheid had bij de aan haar ten laste gelegde feiten. De raadsman benadrukt dat verdachte haar leven een positieve wending heeft gegeven. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, langer dan de duur van het voorarrest van verdachte, zou deze positieve ontwikkeling teniet doen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich, samen met haar partner, gedurende een periode van bijna 9 maanden schuldig gemaakt aan handel in harddrugs.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers ervan. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Het is algemeen bekend dat de inwoners van Zuid-Limburg veel overlast ondervinden van de handel in verdovende middelen. In dit verband kan de rechtbank er niet aan voorbij gaan, dat de drugsdeal op 11 maart 2012 is uitgelopen op een dodelijke schietpartij in een woonwijk. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij door het medeplegen van de drugsfeiten over een langere periode heeft bijgedragen aan voornoemde gezondheidsricico’s voor de gebruikers, de overlast voor de samenleving en de criminele wereld waarin de drugshandel zich afspeelt.

Als uitgangspunt voor het bepalen van de op te leggen straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) ter zake het dealen in harddrugs (artikel 2 onder B van de Opiumwet), die bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf in dit soort zaken doorgaans als uitgangspunt worden gehanteerd. Gelet hierop neemt de rechtbank als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, uitgaande van de categorie ‘het verkopen/afleveren/verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende 6 tot 12 maanden met enige regelmaat’.

Verdachte heeft zich enerzijds laten meeslepen in de handel in verdovende middelen door haar partner. Daarbij is zij anderzijds evenwel niet passief gebleven. Verdachte heeft op enig moment – zoals zij zelf zegt – ”op de winkel gepast” toen [medeverdachte] in het ziekenhuis lag en ook anderszins blijkt uit het dossier dat zij een actieve bijdrage heeft geleverd aan de gezamenlijke drugshandel.

De rechtbank houdt voorts ten nadele van verdachte rekening met het feit dat zij de door haar gepleegde feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling voor eveneens een Opiumwetfeit.

De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met haar jonge leeftijd en vooral met het feit dat zij ter terechtzitting op oprechte wijze inzicht heeft getoond in de onjuistheid van haar handelwijze. Uit de reclasseringsrapportage d.d. 31 oktober 2013 blijkt bovendien dat verdachte haar leven een radicale en positieve wending heeft gegeven en het criminele circuit achter zich heeft gelaten. Zij is met een studie gestart en wil wat maken van haar leven. Verdachte heeft zich gedurende de schorsing van haar voorlopige hechtenis goed aan de aan haar opgelegde voorwaarden gehouden. Deze positieve aspecten maken dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte niet opnieuw vast moet komen te zitten.


De rechtbank houdt er ten slotte rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 285 dagen, waarvan 180 dagen (zijnde 6 maanden) voorwaardelijk, passend en geëigend, met aftrek van de duur van het voorarrest van verdachte (zijnde 105 dagen) en met oplegging van een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank wil op deze wijze de positieve ontwikkeling in het leven van verdachte niet doorkruisen. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt echter wel de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht. Anderzijds wordt daarmee de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Voorts zal de rechtbank, gelet op de aard en ernst van de door verdachte gepleegde feiten, een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uren opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47, 22c, 22d, 56, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van Opiumwet , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 285 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, mr. J.H. Klifman en

mr. C.M.J. van den Acker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 november 2013.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/702841-12

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 22 november 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Tegenwoordig:

mr. , voorzitter,

mr. , rechter,

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr/mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat zij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2012027890 d.d. 16 juli 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 8 november 2013.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 11 april 2012, p. 472 – 473, 483 – 485.

4 Proces-verbaal verhoor van [getuige 2], d.d. 12 april 2013, p. 130 – 131 en 136 en Belgisch proces-verbaal van [getuige 2] d.d. 7 juni 2012, p. 155.

5 Belgisch proces-verbaal verhoor van [getuige 1], d.d. 11 maart 2013, p. 100 - 101.

6 Belgisch proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 maart 2012, p. 9.

7 Belgisch proces-verbaal 005306/2012-14.05.2012, p. 232 – 233.

8 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 8 november 2013.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 11 april 2012, p. 475, 488 en 490.

10 Belgisch proces-verbaal verhoor van [getuige 2], d.d. 12 april 2013, p. 128 – 129 en 136 en Belgisch proces-verbaal van [getuige 2] d.d. 7 juni 2012, p. 152 en 154.

11 Belgisch proces-verbaal verhoor van [getuige 1], d.d. 11 maart 2013, p. 100 – 103.