Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8782

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
C/03/185047 / KG ZA 13-469
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Voetbalclub vordert verbod aan Gemeente tot tenuitvoerlegging van veroordeling tot ontruiming van clubhuis na einde erfpacht. Geen misbruik van bevoegdheid door Gemeente. De door de club ondervonden problemen op de door de Gemeente geboden vervangende locatie leveren geen noodtoestand op die executie door Gemeente onaanvaardbaar maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/185047 / KG ZA 13-469

Vonnis in kort geding van 15 november 2013

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

R.K.V.V. HEKSENBERG,

gevestigd te Heerlen,

eiseres,

advocaat mr. M.J. Mookhram te Heerlen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE HEERLEN,

zetelend te Heerlen,

gedaagde,

advocaat mr. I.K. Decupere te Maastricht.

Partijen zullen hierna Heksenberg en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 oktober 2013;

  • -

    de mondelinge behandeling op 7 november 2013;

  • -

    de door beide partijen overgelegde producties;

  • -

    de pleitnota van Heksenberg;

  • -

    de pleitnota van de Gemeente.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1

Heksenberg is een voetbalvereniging. Tussen Heksenberg en de Gemeente is een geschil ontstaan over, samengevat, het recht van Heksenberg om het gebruik voort te zetten van de aan de Gemeente in eigendom toebehorende sportaccommodatie aan de Kamperheideweg in Heerlen, welke accommodatie de Gemeente wenste te sluiten. Tussen partijen is voor de kantonrechter te Heerlen een (bodem)procedure gevoerd over het in 1983 door de Gemeente voor een periode van dertig jaar aan Heksenberg in erfpacht gegeven perceel waarop het clubhuis van Heksenberg is gebouwd. Bij vonnis van 24 juli 2013 (zaaknummer 509204) heeft de kantonrechter te Heerlen onder meer het volgende beslist:

“A) Verklaart voor recht dat de onderhavige overeenkomst van erfpacht en het onderhavige recht van erfpacht van rechtswege eindigen op 25 juli 2013 door verloop van de duur van dertig jaren waarvoor de overeenkomst werd aangegaan en het recht werd gevestigd.

B) Veroordeelt de vereniging tot het ontruimen van het in erfpacht aan de vereniging uitgegeven perceel en tot het leeg en in schone staat aan de gemeente opleveren c.q. ter beschikking stellen daarvan, uiterlijk binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 30.000,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat de vereniging in gebreke zal blijven aan de uit te spreken veroordeling(en) te voldoen.

C) Machtigt de gemeente om, in het geval de vereniging niet zal voldoen aan het vonnis, voor rekening van de vereniging de onder B genoemde werkzaamheden zelf te mogen (doen) uitvoeren en het perceel zelf te mogen ontruimen, zo nodig met behulp van de sterke arm.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.”

2.2.

De Gemeente heeft het vonnis van de kantonrechter op 30 juli 2013 aan Heksenberg laten betekenen. Heksenberg heeft op 7 oktober 2013 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.

2.3.

Heksenberg vordert  samengevat – schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter te Heerlen van 24 juli 2013, totdat door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zal zijn beslist op het door Heksenberg tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep. Subsidiair vordert Heksenberg een door de voorzieningenrechter passend geachte voorziening.

2.4.

De Gemeente voert verweer.

3 De beoordeling

3.1.

Vooropgesteld wordt dat in een executiegeschil de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts kan schorsen of verbieden, indien hij van oordeel is dat de executant  mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

3.2.

In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat het vonnis van 24 juli 2013 een klaarblijkelijke misslag bevat. Het vonnis van de kantonrechter en hetgeen daarbij is beslist over de rechtspositie van partijen moet in het kader van dit kort geding dan ook als een gegeven worden beschouwd. Uitgangspunt is derhalve dat de erfpachtovereenkomst tussen de Gemeente en Heksenberg met betrekking tot het perceel waarop het clubgebouw is gebouwd op 25 juli 2013 is geëindigd en dat Heksenberg gehouden was en is dat perceel te ontruimen. Daarbij is niet relevant de stelling van de Gemeente dat Heksenberg in de procedure voor de kantonrechter heeft toegezegd dat zij zich bij de door de kantonrechter te nemen beslissing zou neerleggen. Vonnissen moeten worden nageleefd, ook door partijen die dit niet op voorhand hebben toegezegd of die zich niet in de beslissing kunnen vinden.

3.3.

De kantonrechter heeft zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, hetgeen betekent dat het door Heksenberg ingestelde hoger beroep geen schorsende werking heeft. De kantonrechter heeft daarover het volgende overwogen:

“3.20. Er is rechtens geen reden om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De maatstaf voor het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis is of het belang van degene die een toewijzend vonnis (met veroordeling van de wederpartij) verkrijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij die in hoger beroep wil gaan en belang heeft bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

3.21.

Aan die maatstaf uit 3.20 is voldaan. Het civielrechtelijk belang van de gemeente om als eigenaar haar eigendom zo spoedig mogelijk ter vrije beschikking te krijgen, weegt - nu de zaak civielrechtelijk ook zo duidelijk ligt - zwaarder dan het civielrechtelijk belang van de vereniging om de grond te blijven gebruiken zolang de hogere rechters nog niet hebben beslist.”

De omstandigheid dat door Heksenberg is geappelleerd tegen het vonnis van de kantonrechter hoeft de Gemeente er dus niet van te weerhouden thans de ontruiming van het perceel af te dwingen.

3.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is evenmin gebleken van nieuwe feiten die een noodtoestand veroorzaken als hiervoor onder 3.1. bedoeld. Dat Heksenberg door de ontruiming zonder clubgebouw komt te zitten en dat daarmee haar mogelijkheden om deel te nemen aan de voetbalcompetitie en zelfs haar voortbestaan in gevaar komen, zijn gevolgen die uit de aard van de ontruimingsveroordeling voortvloeien. Daarmee is door de kantonrechter bij zijn beslissing reeds rekening gehouden.

3.5.

Bij het voorgaande komt dat de Gemeente aan Heksenberg het alternatief heeft geboden uit te wijken naar sportcomplex Meezenbroek. Ter zitting is gebleken dat dit door Heksenberg als een aanzienlijke achteruitgang wordt beschouwd en dat de eerste ervaringen van Heksenberg met het voetballen te Meezenbroek ongunstig zijn. Bovendien is volgens Heksenberg sprake van bedreigingen en een grimmige sfeer, verband houdende met de verhuizing van Heksenberg naar Meezenbroek, en dreigt Heksenberg haar twee belangrijkste sponsors daardoor te verliezen. Dit alles is zonder meer zeer belastend voor Heksenberg en haar leden, ook met het door de Gemeente ingestelde extra toezicht, maar levert geen noodtoestand op op grond waarvan de Gemeente niet tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter zou mogen overgaan.

3.6.

Heksenberg heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat vrijwel zeker is dat de Gemeente, na de komende gemeenteraadsverkiezingen, een ander beleid zal voeren ten aanzien van sportaccommodaties in het algemeen en ten aanzien van Heksenberg in het bijzonder. Zij wijst er daarbij op dat onlangs in de Heerlense gemeenteraad een motie is aangenomen die ertoe strekte dat het college Heksenberg weer diende toe te laten tot haar oude clubgebouw en velden. Ter zitting is echter komen vast te staan dat het college geen uitvoering heeft willen geven aan die motie en dat de gemeenteraad zich daarbij uiteindelijk heeft neergelegd. In dit kort geding moet derhalve nog onverkort worden uitgegaan van het standpunt van de Gemeente dat Heksenberg uitvoering moet geven aan het ontruimingsvonnis. Op een mogelijke uitslag van gemeenteraadsverkiezingen en de eventuele consequenties daarvan voor het te voeren gemeentelijk beleid kan in rechte niet worden vooruitgelopen. Reeds om die reden leggen de door Heksenberg voorziene politieke ontwikkelingen bij de beoordeling in dit kort geding geen gewicht in de schaal.

3.7.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Gemeente geen misbruik van bevoegdheid maakt door het vonnis van de kantonrechter ten uitvoer te leggen. De primaire vordering van Heksenberg zal dan ook worden afgewezen. Voor het treffen van enige andere voorziening, zoals subsidiair gevorderd, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond. Heksenberg zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst af het gevorderde;

veroordeelt Heksenberg in de kosten van dit kort geding, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 589,- aan griffierecht en € 816,- voor salaris advocaat;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis in is gewezen door mr. P.E. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2013.