Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8711

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
04/860204-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, verdachte lijdt aan dementie en is volledig ontoerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/860204-12

Datum uitspraak : 13 november 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans verblijvende in de FPA Vincent van Gogh te Venray.

Raadsman is mr. Y. Quint, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 oktober 2013.

De rechtbank heeft op 30 oktober 2013 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 13 april 2012 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een (stanley)mes, in elk geval met een scherp voorwerp, meermalen althans eenmaal, in het gezicht en/of in de/een arm(en) en/of hand(en) heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

artikel 289 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht;

althans indien ter zake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 13 april 2012 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een (stanley)mes, in elk geval met een scherp voorwerp, meermalen althans eenmaal, in het gezicht en/of in de/een arm(en) en/of hand(en) heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht;

althans indien ter zake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 13 april 2012 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een (stanley)mes, in elk geval met een scherp voorwerp, meermalen althans eenmaal, in het gezicht en/of in de/een arm(en) en/of hand(en) heeft gestoken en/of gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    ter zitting is het verzoek tot schorsing van de vervolging op grond van artikel 16 van het Wetboek van Strafvordering afgewezen. Overigens zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Daartoe heeft de raadsman ten aanzien van het primair ten laste gelegde – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een gemoedsopwelling en derhalve, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, geen sprake kan zijn van voorbedachte rade.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman – zakelijke weergegeven – betoogd dat er gelet op het geconstateerde letsel, geen sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer. Uit de aanvullende rapportage letselschade blijkt immers dat bij het letsel aan het hoofd de slagader in de slaap niet is geraakt en dat ook de snijwonden aan de hand en de pols van het slachtoffer niet levensbedreigend waren. Enkel de snijwond in de linker pols had tot een slagaderlijke bloeding kunnen leiden als deze dieper was geweest. Dit is echter niet gebeurd. Voorts heeft verdachte, gelet op zijn psychische toestand, deze kans niet bewust aanvaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen1, in onderlinge samenhang beschouwd. Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Aangeefster [slachtoffer]2 verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik heb met mijn echtgenoot [verdachte], roepnaam [verdachte], afgesproken op 13 april 2012 om 18.00 uur bij café [naam cafe] in Tegelen. Wij hebben daar iets gedronken en met elkaar gesproken. Rond 19.00 uur heb ik hem gevraagd of hij met mij mee wilde rijden, dan zou ik hem naar huis brengen. [verdachte] vond dit goed en is op de bijrijdersstoel van de auto gaan zitten. Ik ben achter het stuur gaan zitten en deed mijn gordel om. Toen [verdachte] in de auto zat, pakte hij een grijs stanleymes en hield dit tegen de zijde van mijn keel. Ik hoorde dat hij kwaad en agressief was en met verheven stem zei: “Rijden, anders snij ik je keel door. Wij rijden naar de stuw. Ik dood, jij dood”. Ik stond op dat moment doodsangsten uit. Ik ben verder gaan rijden en moest stoppen op de [straatnaam] in Tegelen voor de verkeerslichten. Toen ik mijn gordel los klikte zag ik dat [verdachte] met het stanleymes in mijn hand stak en vervolgens in mijn arm. Ik ondervond pijn hiervan. Ik heb de hand van [verdachte] afgeweerd met mijn rechter elleboog. [verdachte] stak vervolgens in de richting van mijn gezicht met het stanleymes. Ik voelde dat hij een snee maakte met het stanleymes in mijn gezicht. Ik ondervond hiervan veel pijn. Mijn gezicht en handen bloedden op dat moment hevig. Ik heb uit wanhoop geclaxonneerd en zag dat enkele mensen naar mijn auto kwamen en werd door een van hen uit de auto getrokken. Ik heb snijwonden aan mijn beide handen en aan mijn arm. Verder heb ik een snee van tien centimeter aan de linkerzijde van mijn gezicht”.

Forensisch geneeskundige M. Verhagen rapporteert – zakelijk weergegeven – in de Rapportage letselschade3 betreffende [slachtoffer]:

“Bevindingen: Gelaat/voorhoofd links, vlak voor haargrens: forse zwelling en nog bloedende snijwond van circa 8 cm lengte; snijverwonding 4e vinger links aan pinkzijde over linker kootje naar de rugzijde van dezelfde vinger, vlak onder eerste vingergewricht. Aan wijsvinger en 3e vinger rechts ter hoogte van twee vingergewrichten snijverwonding van circa 1 cm. Aan binnenzijde linker pols aan de zijde van de pink, een niet geheel rechte oppervlakkige snijverwonding/schram van zo’n 4 cm lengte.

Conclusie: diverse snijverwondingen door scherp voorwerp zoals mes in gelaat, linker pols en beide handen; geen levensbedreigende situatie; het letsel op de pols links had echter als het dieper was geweest wel tot slagaderlijke bloeding kunnen leiden.”

Getuige [getuige]4 verklaart - zakelijk weergegeven – als volgt:

“Op 13 april 2012 om 19.00 uur liep ik over de [straatnaam] te Tegelen. Ik zag dat er een grijze personenauto vanuit de [straatnaam] kwam aangereden en stil stond voor de [straatnaam]. Ik zag dat er een vrouw achter het stuur zat en een man als bijrijder. Ik hoorde dat de man aan het schreeuwen was. Ik zag dat de man een mes vast had. Ik zag dat het een stanleymes betrof. De man schreeuwde tegen de vrouw: “Je had moeten luisteren, je hebt het verdiend, ik ga je snijden”. Ik zag dat de man de vrouw met het stanleymes aan de linkerzijde in het gezicht sneed. Ik zag heel veel bloed in het gezicht van de vrouw.”

Verdachte5 verklaart ter terechtzitting– zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik weet dat ik bij mijn ex-vrouw in de auto zat en dat wij ruzie kregen. Ik had een stanleymes in mijn zak zitten, omdat ik eerder die dag thuis een reparatie in de badkamer had verricht.”

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 april 2012 [slachtoffer] meermalen in het gezicht en/of arm en/of handen heeft gesneden.

Opzet op de dood

De rechtbank constateert dat uit de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, volgt dat de kans op de dood van [slachtoffer] aanmerkelijk was. Verdachte heeft met een mes in het gezicht, de armen en handen van het slachtoffer gesneden. Ondanks de schrik- en afweerreactie van het slachtoffer is verdachte steekbewegingen blijven maken richting het slachtoffer, ten gevolge waarvan [slachtoffer] snijwonden heeft opgelopen in haar handen, in haar gezicht dicht bij de slaap en in haar pols. Uit de algemene ervaringsregels volgt dat de kans op de dood aanmerkelijk is als een persoon met een mes op een dergelijke ongecontroleerde manier in het gezicht en de armen wordt gesneden, nu zich op deze plaatsen van het lichaam de (slag)aders vlak onder het huidoppervlak bevinden. Dat het letsel van het slachtoffer in ernst relatief beperkt gebleven is – zoals door de raadsman is aangevoerd – is niet aan verdachte te danken en sluit, gezien de handelwijze van verdachte, een aanmerkelijke kans op de dood geenszins uit. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank deze kans ook willens en wetens aanvaard. Dat het handelen van verdachte voortkwam uit zijn paranoïde waanideeën (zie onder 6) doet daaraan niet af. Niet gebleken is immers dat verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan is verstoken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet op het voorgaande op zijn minst heeft gehandeld met het voor poging tot doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Voorbedachte rade

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of bij verdachte sprake is geweest van voorbedachten rade. Zowel de officier van justitie als de verdediging achten voorbedachten rade niet aanwezig. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat verdachte het stanleymes heeft meegenomen met de intentie om het slachtoffer te doden. Verdachte heeft immers verklaard dat hij het mes nog in zijn zak had zitten, omdat hij die dag een reparatie in de badkamer had verricht. Voorts blijkt evenmin dat er enig moment is geweest waarop dat voornemen bij verdachte is opgekomen en dat daarbij tevens sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelede.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 13 april 2012 te Tegelen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een stanleymes meermalen in het gezicht en/of in een arm en/of handen heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

poging tot doodslag.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Door prof. dr. C. Jonker is een (gedrags)neurologisch onderzoek ingesteld. De deskundige concludeert dat er bij verdachte sprake is van een hersenorganisch lijden in de zin van vasculaire dementie. Onderdeel van de vasculaire dementie zijn executieve functiestoornissen, waarvan bekend is dat deze gepaard gaan met impulsief, ontremd gedrag. Twintig tot dertig procent van de patiënten met vasculaire dementie ontwikkelt psychotische verschijnselen, met name visuele hallucinaties en paranoïde gedachten. De psychotische verschijnselen bij vasculaire dementie zijn in veel gevallen gelieerd aan (vasculaire) schade in de parieto-occiptale hersengebieden; bij verdachte is er sprake van een opvallende parieto-occipitale atrofie links met uitgebreide wittestof afwijkingen. Ten tijde van het tenlastegelegde bestond het hersenorganisch lijden i.c. de vasculaire dementie reeds en de gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde zijn zonder twijfel hierdoor beïnvloed. Als gevolg van de vasculaire dementie – gecompliceerd door psychotische verschijnselen – ontwikkelde verdachte waanachtige denkbeelden, terwijl hij bij zijn ex-vrouw in de auto zat. Hij overzag en begreep de situatie niet meer en handelde impulsief toen hij zich bedreigd voelde door met het (stanley)mes zijn ex-partner te steken.

Door de psychiater drs. J.L.M. Dinjens is omtrent de geestvermogens van verdachte op 25 september 2012 een rapportage uitgebracht. Uit het rapport van de deskundige komt – zakelijk weergegeven – naar voren dat bij verdachte sprake is van vasculaire dementie met psychotische kenmerken en een depressieve stemming. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en had een dusdanige invloed dat het ten laste gelegde, indien bewezen, daaruit verklaard zou kunnen worden. Verdachte was bovendien floride psychotisch. Verdachte is vanaf mei 2011 vrijwel continue opgenomen geweest op een gesloten ouderenafdeling in verband met een psychose. Verdachte was enkele dagen voorafgaand aan het ten laste gelegde tegen medisch advies met ontslag gegaan. Hij is in deze periode toenemend angstig en achterdochtig geworden. Als gevolg van de vasculaire dementie met psychotische verschijnselen, ontwikkelde verdachte paranoïde waanbeelden. Terwijl hij met zijn vrouw in de auto zat, overzag en begreep hij de situatie niet meer en handelde impulsief toen hij zich bedreigd voelde, door met het stanleymes zijn ex-partner te steken.

Door de psycholoog drs. B.Y. van Toorn is op 28 september 2012 over verdachte gerapporteerd. Deze deskundige stelt dat er sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van een vasculaire dementie met voornamelijk subcorticale kenmerken en wanen. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en had een dusdanige invloed dat het ten laste gelegde, indien bewezen, daaruit verklaard zou kunnen worden. In aanloop tot het ten laste gelede namen de psychotische en paranoïde belevingen van verdachte steeds verder toe. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een verbroken realiteitscontact, is verdachte de controle over zijn handelen verloren en is hij overgegaan tot het plegen van het ten laste gelegde. Op het moment van het plegen van het ten laste gelegde was het contact met de realiteit verbroken en was verdachte volledig in de ban van paranoïde overtuigingen.

De deskundigen Dinjens en Van Toorn adviseren om verdachte voor het ten laste gelegde als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.



Het bewezenverklaarde kan verdachte derhalve wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens zoals hierboven omschreven, niet worden toegerekend. Verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7 De oplegging van de maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in combinatie een contactverbod met het slachtoffer ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte niet de maatregel van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd, maar dat hij via de BOPZ-maatregel in een geschikte instelling zal worden geplaatst.

7.3

De overwegingen van de rechtbank

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard de poging tot doodslag op zijn ex-vrouw, hetgeen een grote impact op zijn ex-vrouw heeft gehad en waarvan zij blijkens haar schriftelijke slachtofferverklaring tot op de dag van vandaag nog steeds de gevolgen ondervindt.

Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt de rechtbank als volgt:

De deskundigen Dinjens en Van Toorn adviseren beide in hun hiervoor onder 6 genoemde rapporten om aan verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen. Plaatsing zou dienen te geschieden op een gesloten psychogeriatrische afdeling.

Psychiater Dinjens stelt dat behandeling van de psychotische en stemmingsklachten van belang is om het recidiverisico te verminderen. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor de eveneens bestaande systeemproblematiek en dient zijn fysieke gezondheid regelmatig te worden gemonitord.

Psycholoog Van Toorn stelt dat verdachte lijdt aan een progressief dementieel beeld dat in de toekomst alleen maar kan verergeren. De verwachting is dat de paranoia, de psychotische belevingen en de kans op emotionele impulsdoorbraken alleen maar toe zal nemen. De controle op het gedrag zal steeds verder afnemen. Hierdoor is de kans op recidive niet alleen hoog, maar zal deze in de toekomst steeds verder oplopen.

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte gevaarlijk is voor zowel anderen als de algemene veiligheid van personen en dat daarom aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar moet worden opgelegd.

Nu deze maatregel (plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar) met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, is er geen reden om conform het verzoek van de raadsman te onderzoeken of plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis in het kader van de BOPZ aan de orde is.

De rechtbank ziet geen aanleiding om naast deze maatregel aan verdachte een contactverbod met het slachtoffer op te leggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Sinds het bewezenverklaarde is inmiddels anderhalf jaar verstreken en het is de rechtbank niet gebleken dat er, na het bewezenverklaarde feit, enige vorm van contact of poging tot contact tussen verdachte en het slachtoffer is geweest.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte ter zake van het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging;

Maatregeloplegging

- gelast dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst voor een termijn van één jaar.

Vonnis gewezen door mrs. E.J.M. Boogaard-Derix, M.J.A.G. van Baal, G.J. Krens, rechters, van wie mr. E.J.M. Boogaard-Derix voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 13 november 2013.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Noord district Venray opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2012035432 d.d. 16 april 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Ambtsedig proces-verbaal van aangifte d.d. 14 april 2012, bijlage 17.

3 Aanvullend geschrift, zijnde een Rapportage Letselschade, d.d. 13 april 2012.

4 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 april 2012, bijlage 14.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 30 oktober 2013.