Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8695

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
AWB-12_1592u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de aanpassing en uitbreiding van een milieu-inrichting (varkenshouderij). De rechtbank overweegt dat het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) niet van toepassing zijn op de opslag van propaan binnen de inrichting. Er bestaat dan ook geen verplichting tot het maken van een kwantitatieve risicoanalyse. Eisers hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat verweerder nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten verbinden in het verband met het nemen van maatregelen bij een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het houden van gespeende biggen bij een vleesvarkensbedrijf niet mogelijk is. Verder heeft verweerder de toets luchtkwaliteit fijnstof (PM10) met het model ISL3a heeft mogen uitvoeren. Het akoestisch onderzoek voldoet aan de daaraan te stellen eisen en daaruit blijkt dat de geluidgrenswaarden ook voor de nachtperiode (mesttransporten) niet worden overschreden. Tevens is geoordeeld dat het besluit uit 2009 dat een milieu-effectrapportage niet noodzakelijk is, nog steeds valide is nu de milieubelasting van de inrichting sterk is afgenomen. Verder is geoordeeld dat de Wet geurhinder en veehouderij niet in strijd is met artikel 8 en 14 van het EVRM. Ten slotte is geoordeeld dat de geurhinder door het mestbassin niet door de vergunning, maar via het Besluit mestbassins en vanaf 1 januari 2013 door het Activiteitenbesluit is geregeld. Ten overvloede is gewezen op de in het Activiteitenbesluit opgenomen mogelijkheid maatwerkvoorschriften vast te (laten) stellen.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 3.51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/20 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 1592

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2013 in de zaak tussen

[naam 1]en anderen, te Maasbree, eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder

(gemachtigden: mr. R.F.E. Kees en ing. C.A.J. Janssen),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te Grashoek,

(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan

[vergunninghouder] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de aanpassing en uitbreiding van een milieu-inrichting aan de [locatie] te Grashoek.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak met procedurenummer 12 / 1114 plaatsgevonden op 28 augustus 2013. Van eisers zijn [naam 1]en [naam 2] (vergezeld door zijn echtgenote) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Na de gevoegde behandeling van genoemde beroepen op de zitting van 28 augustus 2013 doet de rechtbank afzonderlijk uitspraak.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het procesrecht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Op 18 december 2011 heeft verweerder een aanvraag ontvangen van [vergunninghouder] (vergunninghouder) voor een omgevingsvergunning voor de aanpassing en uitbreiding van de milieu-inrichting aan de [locatie] te Grashoek. De aanvraag betreft de uitbreiding van de bestaande stal met 2.880 vleesvarkens en 720 gespeende biggen, het oprichten van een rundveestal met 100 stuks fokstieren en overig rundvee en het plaatsen van een mestscheider. De uitbreiding van de stal en de bestaande stal zullen worden voorzien van een gecombineerd biologisch luchtwassysteem BWL 2009.12 (85% ammoniak- en geurreductie).

3.

Verweerder heeft op 17 februari 2012 een ontwerp-omgevingsvergunning eerste fase vastgesteld. Binnen de termijn van ter inzage legging hebben eisers zienswijzen kenbaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder e, in verbinding met artikel 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan vergunninghouder een omgevingsvergunning eerste fase als bedoeld in artikel 2.5 van de Wabo verleend voor de uitbreiding en aanpassing van de inrichting aan de [locatie] te Grashoek.

4.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden bij een besluit waarbij een milieuvergunning wordt verleend. De AbRS heeft in haar uitspraak van 13-02-2013 (LJN: BZ1260) vastgesteld dat de woningen van [naam3] en [naam 4] aan de [adres 1] te Grashoek en de [adres 2] te Grashoek op een afstand van ongeveer 900 meter van de inrichting staan en geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat ter plaatse van deze woningen nog milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om in de onderhavige zaak, waarin sprake is van een significante afname van de ammoniak- en geuremissie ten opzichte van de bestaande, vergunde situatie, anders te oordelen. Het beroep voor zover dat door genoemde eisers is ingesteld, is dan ook niet-ontvankelijk.

5.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2º en 3º, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk.

In artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo is het volgende bepaald: Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of mijnbouwwerk of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2º of 3º, en met betrekking tot die inrichting of dat mijnbouwwerk al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend, kan het bevoegd gezag bepalen dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd met betrekking tot die verandering en het in werking hebben van de betrokken inrichting of het betrokken mijnbouwwerk na die verandering.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1º, van de Wabo neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast. In het zesde lid, van artikel 2.14 van de Wabo is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden bepaald.

Ingevolge artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in samenhang met artikel 9.2, eerste en derde lid, van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor), houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in tabel 2 van de bijlage bij de Mor.

Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens onder meer artikel 2.14 van de Wabo.

Bij de toepassing van de hierboven genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

6.

Eisers voeren aan dat verweerder de aanvraag niet in behandeling had mogen nemen omdat er geen gegevens over de externe veiligheid zijn bijgevoegd. Eisers betogen dat op grond van artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder e, in verbinding met artikel 4.2 van de Mor een kwantitatieve risicoanalyse gemaakt had moeten worden omdat een propaantank is aangevraagd. Tevens is door eisers betoogd dat de aanvraag onvolledig is omdat een verhoogde kans op ongevallen aanwezig is, gelet op de aangevraagde propaantank.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) in het onderhavige geval niet van toepassing zijn, omdat vergunninghouder een bovengronds reservoir voor de opslag van propaan met een inhoud van 8 m³ heeft aangevraagd. De aangevraagde propaantank valt onder het Activiteitenbesluit en de voorschriften en veiligheidsafstanden met betrekking tot de opslag van het propaan, zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit, zijn hierop van toepassing. In verband met de omstandigheid dat sprake is van opslag van propaan bij een IPPC – inrichting en het Activiteitenbesluit daarop na 1 januari 2013 niet langer van toepassing is, heeft verweerder voor de periode na 1 januari 2013 voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden.

De rechtbank overweegt dat verweerder zich, gelet op het bepaalde in artikel 2 van het Bevi in verbinding met artikel 1b, aanhef en onder c, van het Revi, terecht op het standpunt heeft gesteld dat genoemde regelingen in het onderhavige geval niet van toepassing zijn op de opslag van propaan binnen de inrichting. Er is immers geen sprake van een inrichting waar meer dan 13m³ propaan in een insluitsysteem aanwezig is. Gelet daarop is een verplichting tot het maken van een berekening van het plaatsgebonden risico en groepsrisico, zoals door eisers wordt voorgestaan, niet aan de orde. De rechtbank vermag niet in te zien dat zo een verplichting voort zou kunnen vloeien uit het bepaalde in artikel 4.1 en 4.2 van de Mor, indien het Bevi niet van toepassing is.

In het onderhavige geval is sprake van het opslaan van propaan in opslagtanks als bedoeld in artikel 3.27 van het Activiteitenbesluit. De wijze waarop dat moet gebeuren en de in aanmerking te nemen veiligheidsafstanden zijn (gelet op artikel 6.7, vierde lid, van het Activiteitenbesluit tot 1 januari 2013) geregeld in artikel 3.28 van het Activiteitenbesluit. Verweerder heeft voor de periode na 1 januari 2013 voorschriften in de vergunning opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat verweerder nadere voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden in verband met het nemen van maatregelen bij een ongewoon voorval binnen de inrichting. Eisers hebben hun stelling dat in het onderhavige geval ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer redelijkerwijs mogelijk zijn te achten, niet nader onderbouwd. De beroepsgrond faalt.

7.

Eisers voeren aan dat het houden van gespeende biggen zich enkel voordoet bij een fokzeugenbedrijf, maar niet bij een vleesvarkensbedrijf. Zij betogen dat de gespeende biggen qua geur- en ammoniakemissie als vleesvarkens moeten worden geteld. Uit de tekening die bij de aanvraag is gevoegd, blijkt volgens eisers niet dat er in de bedrijfsvoering een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen vleesvarkens en gespeende biggen. Volgens eisers is de huisvesting identiek en zij zijn van mening dat in die situatie geen onderscheid moet worden gemaakt tussen varkens lichter of zwaarder dan 30 kg.

Verweerder heeft aangevoerd dat het niet ongebruikelijk is dat gespeende biggen worden gehouden bij een vleesvarkensbedrijf. Daartoe is gewezen op de gevallen waarover is geoordeeld in de uitspraken van de AbRS van 17 december 2008, LJN: BG7162 en van 9 maart 2011, LJN: BP7193. Verder heeft verweerder gesteld dat uit de bij de aanvraag gevoegde tekening duidelijk blijkt van een verschil in maatvoering van de huisvesting van de biggen en de vleesvarkens. Ook qua plaats van de hokken is er een duidelijk verschil tussen beide diercategorieën, aldus verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat er geen valide redenen zijn om huisvesting van gespeende biggen bij een vleesvarkensbedrijf niet mogelijk te achten. Uit de tekening bij de aanvraag en uit de verleende vergunning, zoals bij de behandeling ter zitting door verweerders gemachtigde is toegelicht, blijkt dat er een verschil in huisvesting is tussen de biggen en de vleesvarkens en dat de daarbij behorende in de bijlage bij artikel 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) vermelde emissiefactoren zijn gehanteerd. De beroepsgrond slaagt niet.

8.

Eisers hebben in beroep hun zienswijze herhaald dat verweerder de toets luchtkwaliteit fijnstof (PM10) niet had mogen uitvoeren met het rekenmodel ISL3a. Verweerder heeft op deze zienswijze gereageerd en toegelicht dat sprake is van een algemeen geaccepteerd model. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder de toets luchtkwaliteit fijnstof niet heeft mogen uitvoeren met genoemd model. Eisers hebben geen stukken of argumenten in het geding gebracht waardoor de juistheid van het standpunt van verweerder dat dit een algemeen aanvaard rekenmodel is, wordt weerlegd. De omstandigheid dat het geen wettelijk voorgeschreven model is, betekent niet dat het geen geschikt middel is om de gevolgen voor de luchtkwaliteit qua fijnstof in kaart te brengen. Verder hebben eisers de uitkomsten van de met dit model uitgevoerde berekening niet betwist. De beroepsgrond slaagt niet.

9.

Eisers hebben in beroep hun zienswijze herhaald dat het laden en het transport van mest in de nachtperiode niet voldoet aan de eis dat de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

Verweerder heeft aangevoerd dat hij de aanvraag dient te beoordelen zoals die is ingediend en dat uit het akoestisch rapport blijkt dat kan worden voldaan aan de geluidgrenswaarden die voor de representatieve bedrijfssituatie in de nachtperiode gelden. Daarnaast heeft verweerder aangevoerd dat de mesttransporten eigenlijk onder de incidentele bedrijfssituatie vallen, omdat zij slechts 2 maal per jaar plaatsvinden en het laden en transporteren van mest een in deze branche gebruikelijke activiteit is.

De rechtbank overweegt dat uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek van G&O Consult van 9 februari 2012 blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie de geluidgrenswaarden op de omliggende geluidgevoelige objecten niet worden overschreden. Daarbij zijn de richtwaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gehanteerd, uitgaande van een landelijke omgeving. In de representatieve bedrijfssituatie vindt afvoer van mest tot ten hoogste 10 vrachten in de dagperiode plaats. Twee vrachten worden in de nachtperiode (vanaf ca. 05.30 uur) afgevoerd, zodat er in totaal rekening is gehouden met 24 vervoerbewegingen met een vrachtwagen van derden. Daarnaast is rekening gehouden met de geluidbelasting door het laden van mest dat met een pomp gebeurt en 20 minuten per vracht in beslag neemt. Nu uit het akoestisch rapport blijkt dat de geluidgrenswaarden ook voor de nachtperiode niet worden overschreden en de juistheid van het uitgevoerde onderzoek niet is bestreden, vormt de geluidproductie van de inrichting naar het oordeel van de rechtbank geen grond om de vergunning te weigeren. Er bestaat verder geen grond voor het oordeel dat incidenteel transport van mest in de nachtperiode uit een oogpunt van toepassing van de beste beschikbare technieken niet toelaatbaar zou zijn. De beroepsgrond faalt.

10.

Eisers hebben in beroep hun zienswijze herhaald dat het bij de aanvraag gevoegde collegebesluit van 28 april 2009 dat een milieueffectrapport niet noodzakelijk is, niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd. Volgens eisers is sprake van gewijzigde omstandigheden door de vestiging van een nieuw bedrijf aan de Lorbaan 43 te Grashoek. Hierdoor zijn cumulatieve effecten van geurhinder ontstaan sinds de vorige beoordeling en die zijn in strijd met bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (Mer) niet meegenomen.

Verweerder heeft erop gewezen dat de vergunde uitbreiding zowel onder de oude (vóór 1 april 2011) als onder de nieuwe regeling Mer - beoordelingsplichtig is, waarbij geen wijziging is gebracht in de te beoordelen aspecten. Op grond van bijlage III bij de Mer heeft verweerder in het besluit van 28 april 2009 onder meer de cumulatieve aspecten in de beoordeling betrokken. Verweerder ziet geen reden voor een nieuwe beoordeling omdat in de thans vergunde situatie de emissie van ammoniak, geur en fijnstof door toepassing van de beste beschikbare technieken wordt gereduceerd ten opzichte van de aanmeldnotitie.

De rechtbank overweegt dat in dit geval artikel 2, vijfde lid, van het Besluit Mer, zoals dat op 1 april 2011 in werking is getreden, van toepassing is, omdat de aanvraag voor de omgevingsvergunning na 1 april 2011 is ingediend. Ingevolge het bepaalde in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit Mer dient het bevoegd gezag te beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld indien op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de Mer - richtlijn, waaronder de cumulatie met andere projecten, niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In hetgeen eisers ter zake hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet (langer) in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het maken van een milieueffectrapportage in het onderhavige geval niet noodzakelijk is. Verweerder heeft daarbij van doorslaggevende betekenis mogen achten dat de criteria voor de beoordeling of de aangevraagde activiteiten vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, niet zijn gewijzigd en dat de milieubelastende emissies ten opzichte van de bij het besluit van 28 april 2009 beoordeelde situatie (sterk) zijn gereduceerd. Verder is in dit verband van belang dat de inrichting niet is gelegen binnen een afstand van 250 meter tot een kwetsbaar gebied als bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij. De beroepsgrond slaagt niet.

11.

Eisers hebben hun zienswijze herhaald dat de toegestane geurbelasting in strijd is met Europese regels, waaronder artikel 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder op goede gronden heeft gewezen op de tussen partijen gewezen uitspraken van de AbRS van 19 september 2012, LJN: BX7700 en LJN: BX7699, waarin de AbRS geen grond heeft gezien voor het oordeel om artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij wegens strijd met de artikelen 8 en 14 van het EVRM buiten toepassing te laten. De rechtbank stelt vast dat eisers in de onderhavige zaak opnieuw soortgelijke beroepsgronden hebben aangevoerd. Zij ziet geen reden om daarover anders te oordelen dan de AbRS in voornoemde uitspraken heeft gedaan. Deze beroepsgronden slagen niet.

12.

Eisers hebben aangevoerd dat de mestopslag in het mestbassin in strijd met de daarvoor geldende regels is. Bij de behandeling ter zitting hebben eisers betoogd dat het bij het bedrijf aanwezige mestbassin voor ernstige geurhinder zorgt en dat dit al jaren een probleem vormt voor de omwonenden. Handhavingsverzoeken onder meer op grond van de zorgplichtbepaling en diverse gerechtelijke procedures hebben niet tot verbetering geleid.

Vergunninghouder heeft bij de behandeling ter zitting erkend dat het mestbassin een bron van geurhinder voor de omwonenden is. Dit heeft te maken met het overpompen van de mest vanuit de stal naar het bassin. Hij heeft verklaard in gesprek met de gemeente te zijn over het vinden van een oplossing, bijvoorbeeld door de mest inpandig op te slaan. Hij zou daarvoor zijn bouwplan moeten aanpassen en de mestput verdiept moeten aanleggen. Vergunninghouder heeft zich bij de behandeling ter zitting uitdrukkelijk bereid verklaard mee te werken aan het vinden van een oplossing voor de geurhinder door de mestopslag, mits de omwonenden ook oog hebben voor zijn belang om niet onnodig te worden vertraagd bij zijn uitbreidingsplannen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij wil investeren in een oplossing, maar dat hij dan ook niet onnodig in zijn bedrijfsvoering wil worden belemmerd.

De rechtbank stelt voorop dat de aangevoerde beroepsgrond dat de (wijze van de) opslag van mest in het bassin ontoelaatbare geurhinder veroorzaakt, het bestreden besluit niet raakt. De opslag van mest in het mestbassin is bij het bestreden besluit niet vergund en wordt daarin niet geregeld. De beroepsgrond kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de vergunning of het stellen van nadere voorschriften.

Ten overvloede wijst de rechtbank op het volgende. De regels voor opslag van dunne mest waren tot 1 januari 2013 in het Besluit van 13 december 1990, houdende regels voor het bewaren van dunne mest (Besluit mestbassins) opgenomen. In het Besluit mestbassins was geen mogelijkheid opgenomen om aanvullende eisen (maatwerkvoorschriften) te stellen. Vanaf 1 januari 2013 is de opslag geregeld in § 3.4.6 van het Activiteitenbesluit. Op grond van artikel 3.51, tiende lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, met inachtneming van de NeR, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de situering van het mestbassin, het afdekken van het mestbassin of de frequentie van de aan- en afvoer van de opgeslagen drijfmest en digestaat.

Ter voorkoming van mogelijke verdere procedures over dit onderwerp acht de rechtbank het geraden dat partijen doorgaan met het overleg en het onderzoek naar een oplossing voor de geuroverlast als gevolg van de mestopslag. Mocht dit onverhoopt niet tot een passende oplossing leiden dan bestaat voor de omwonenden de mogelijkheid om op grond van genoemd artikel 3.51, tiende lid, van het Activiteitenbesluit verweerder te vragen om aanvullende eisen te stellen.

13.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van de overige eisers ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover dat is ingesteld door J. en [naam 4] niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, voorzitter, en mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen en mr. R.J.G.H. Seerden, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2013.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier

w.g. mr. Th.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 november 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.