Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8558

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
C/04/123337 / KG ZA 13-116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstrekken informatie aan Belastingdienst inzake de rekening(en) bij de KB Luxbank.

Verweer:

1. Belastingdienst niet-ontvankelijk:

- jegens gedaagde sub 2, want geen rekeninghouder?

- jegens beide gedaagden want aan vordering is reeds voldaan (Verklaring en Opgaaf zijn ingevuld) en Belastingdienst heeft mogelijkheid van o.m. hoorgesprek?

2. Vorderingen moeten worden afgewezen want:

- misbruik van procesrecht (Belastingdienst probeert d.m.v. onderhavige procedure onder bewijslast in bestuursrechtelijke procedure uit te komen)?

- bewijsnood (o.m. wettelijke bewaartermijn staat aan info-plicht in de weg)?

Vorderingen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/8
FutD 2013-2793
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/04/123337 / KG ZA 13-116

Vonnis in kort geding van 6 november 2013

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

MINISTERIE VAN FINANCIËN,

DIRECTORAAT-GENERAAL BELASTINGDIENST,

gevestigd te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. drs. W.I. Wisman te Den Haag,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. drs. S. Bharatsingh te Hilversum.

Partijen zullen hierna de Belastingdienst en [gedaagde sub 1] (mannelijk enkelvoud) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de twee pleitnota’s van de Belastingdienst

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Belastingdienst heeft, in het kader van de in artikel 4 van Richtlijn 77/799/EEG gegeven mogelijkheid voor bevoegde autoriteiten van lidstaten om op het gebied van de directe belastingen gegevens te verstrekken aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, bij brief van 27 oktober 2000 van de Belgische autoriteiten fotokopieën van afgedrukte microfiches verstrekt gekregen. Deze microfiches zijn afkomstig uit de interne administratie van de Luxemburgse KB Luxbank en hadden betrekking op Nederlandse ingezetenen. Op de betreffende microfiches zijn saldi vermeld op rekeningen bij de KB Luxbank per 31 januari 1994.

2.2.

Het onderzoek van de Belastingdienst aan de hand van de verkregen fotokopieën staat bekend als het Rekeningenproject.

2.3.

Aan de hand van deze microfiches heeft de Belastingdienst onderzoek gedaan naar de identiteit van de rekeninghouders. Van deze identificaties zijn processen-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject opgemaakt. Het proces-verbaal van identificatie met betrekking tot [gedaagde sub 1] is gedateerd 24 september 2002. Genoemd proces verbaal bevat een algemene uiteenzetting van de wijze waarop het onderzoek is verricht en vermeld als resultaat van het onderzoek ten aanzien van [gedaagde sub 1] het volgende:

“Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:
1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

.

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu [gedaagde sub 1] gehuwd met [gedaagde sub 2].

3.  Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij [gedaagde sub 1] de partner is van [gedaagde sub 2]. Dit is [gedaagde sub 1], geboren op

[geboortedatum gedaagde sub 1]-1947, met sofinummer [sofinummer gedaagde sub 1], gehuwd [gedaagde sub 2], geboren op

[geboortedatum gedaagde sub 2]-1958, sofinummer [sofinummer gedaagde sub 2].

4.  Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de eerste voornaam van [gedaagde sub 1] is: [voornaam gedaagde sub 1].

5. Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat is ingegaan per [datum huwelijk].

Conclusie:

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie [gedaagde sub1/gedaagde sub 2] als rekeninghouder(s) in aanmerking, zoals hiervoor vermeld onder punt 3.”

2.4.

[gedaagde sub 1] is als één van de rekeninghouders meermalen aangeschreven, voor de eerste keer in 2002, met het verzoek dan wel de sommatie om opgave te doen van (het verloop van) de door hen aangehouden buitenlandse bankrekening(en). De verplichting om dergelijke informatie te verstrekken vloeit voort uit artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

2.5.

[gedaagde sub 1] is bij brief van 13 mei 2013 een laatste termijn geboden tot uiterlijk 23 mei 2013 om verklaring en nadere opgaaf te doen. [gedaagde sub 1] heeft de verzochte gegevens niet verstrekt.

3 Het geschil

3.1.

De Belastingdienst vordert om [gedaagde sub 1] bij vonnis te bevelen om:

  1. op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) [gedaagde sub 1] na 31 januari 1994 bij KB Luxbank - en bij eventuele andere buitenlandse banken - heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt;

  2. opgaaf te doen van de onder a) bedoelde buitenlandse rekening(en) van [gedaagde sub 1] door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994-heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;

  3. een mondelinge toelichting te geven op de onder a) en b) omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de Inspecteur nader te bepalen termijn;

  4. binnen zeven dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn aan het onder a) en b) omschreven bevel en binnen de door de Inspecteur nader te bepalen termijn aan het onder c) omschreven bevel te voldoen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 5.000,=, althans ter hoogte van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde sub 1] daarmee in gebreke blijven;

  5. met veroordeling van [gedaagde sub 1] in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis;

  6. met veroordeling van [gedaagde sub 1] in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 131,= dan wel, in geval van betekening, € 199,=;

  7. met verklaring dat het vonnis met de proceskostenveroordelingen daaronder begrepen uitvoerbaar bij voorraad zijn.

3.2.

[gedaagde sub 1] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De ontvankelijkheid:

De vordering jegens mevrouw [gedaagde sub 2]

4.1.

Door [gedaagde sub 1] is voorop gesteld dat de Belastingdienst niet ontvankelijk is in haar vordering jegens mevrouw [gedaagde sub 2]. Daartoe is aangevoerd dat het echtpaar [gedaagde sub1/gedaagde sub 2] inmiddels is gescheiden en dat mevrouw [gedaagde sub 2] niets weet van een rekening bij de KB Lux. Subsidiair is aangevoerd dat mevrouw [gedaagde sub 2] geen rekeninghouder is (geweest). De vermelding van de naam [X]” duidt volgens [gedaagde sub 1] op een rekeninghouder met de naam [gedaagde sub 1] die gehuwd is met een vrouw met de achternaam [gedaagde sub 2]. De aanduiding betekent niet dat de vrouw met de naam [gedaagde sub 2] ook tevens houder van de rekening is. Verder is aangevoerd dat mevrouw [gedaagde sub 2] pas met ingang van het belastingjaar 2001 in de inkomstenbelasting is betrokken, zuiver en alleen vanwege de fictie van artikel 2.17 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 dat de helft van het vermogen aan haar wordt toegerekend.

4.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter treffen deze verweren geen doel. Zoals door de Belastingdienst terecht is betoogd strekt de informatieplicht van artikel

47 AWR zich ook uit tot mevrouw [gedaagde sub 2]. De voorzieningenrechter overweegt daartoe vooreerst dat door de Belastingdienst onvoldoende weersproken - en onder verwijzing naar relevante jurisprudentie - is gesteld dat een tweede achternaam die van de eerste achternaam is gescheiden door een liggend streepje betekent dat sprake is van twee rekeninghouders. In het onderhavige geval kan er derhalve van worden uitgegaan dat zowel de heer [gedaagde sub 1] als mevrouw [gedaagde sub 2] rekeninghouder zijn (geweest). Door de Belastingdienst is verder onweersproken gesteld dat de echtelieden in elk geval tot 2003 fiscale partners zijn geweest. Ingevolge artikel 2.17 tweede lid van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 worden gemeenschappelijke inkomens- en vermogensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner geacht op te komen respectievelijk tot hun vermogen te behoren in de onderlinge verhouding die zij daarvoor bij de aangifte kiezen. Daaruit volgt dat (het doen van juiste aangiften terzake van) buitenlands vermogen van de heer [gedaagde sub 1] evenzeer een verantwoordelijkheid is van mevrouw [gedaagde sub 2] als van de heer [gedaagde sub 1] zelf. Verder valt - veronderstellenderwijze uitgaande van de juistheid van de stellingen van de Belastingdienst - niet uit te sluiten dat een deel van het vermogen bij de KB Lux na de echtscheiding is toegedeeld aan mevrouw [gedaagde sub 2], in welk geval op haar ook na 2003 een informatieplicht rust. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de Belastingdienst op grond van het vorenstaande ontvankelijk in haar vordering jegens mevrouw [gedaagde sub 2]. Dat mevrouw [gedaagde sub 2] niet over informatie omtrent de rekening bij de KB Lux zou (kunnen) beschikken doet aan het vorenstaande niets af.

Het (spoedeisende) belang

4.3.

[gedaagde sub 1] heeft verder aangevoerd dat de Belastingdienst geen (spoedeisend) belang heeft bij haar vorderingen. Volgens [gedaagde sub 1] heeft hij al aan de bevelen voldaan: hij heeft de formulieren “Verklaring” en “Opgaaf” al ingevuld en aan de Inspecteur toegezonden. Op het formulier “Verklaring” is aangegeven dat er na 1994 geen rekening bij een buitenlandse bank is aangehouden, dus ook niet bij de KB Lux. [gedaagde sub 1] heeft daarnaast aangevoerd dat Inspecteur de mogelijkheid heeft om hem in de reeds aanhangige bezwaarschriftenprocedures te horen, aangezien er al een bestuursrechtelijke procedure aanhangig is waarbij de Inspecteur de mogelijkheid heeft [gedaagde sub 1] uit te nodigen voor een hoorgesprek. Ook had de Belastingdienst de mogelijkheid om nadere vragen te stellen over de door hem ingevulde “Verklaring”.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter treffen deze verweren geen doel. Gelet op de gegevens, waarover de Belastingdienst beschikt en die de voorzieningenrechter - mede gelet op de jurisprudentie daarover - voldoende betrouwbaar acht, kan met een hoge mate van zekerheid aangenomen worden dat [gedaagde sub 1] rekeninghouder bij de KB Lux is (geweest). Door op de “Verklaring” (en waarschijnlijk ook op de “Opgaaf”) in te vullen dat er na 1994 geen rekening bij een buitenlandse bank is aangehouden, dus ook niet bij de KB Lux, heeft [gedaagde sub 1] niet adequaat gereageerd op de herhaalde verzoeken van de Belastingdienst aan [gedaagde sub 1] om nadere informatie over (het verloop van) de buitenlandse rekening te verstrekken. Op grond daarvan staat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niets aan in de weg dat door de Belastingdienst een hernieuwde “Verklaring” en “Opgaaf” van [gedaagde sub 1] wordt gevorderd en niet hoeft te volstaan met het verzoek om een toelichting op de door [gedaagde sub 1] reeds ingevulde “Verklaring” en “Opgaaf”. Aan het verweer van [gedaagde sub 1] dat de vorderingen zijn gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de uitspraak van het hof Den Haag van 24 april 2012 (LJN BW4595) gaat de voorzieningenrechter voorbij. In dat arrest ging het om een onbevredigende beantwoording van gestelde vragen over de buitenlandse rekening: in dat geval kan verzocht worden om nadere informatie. In het onderhavige geval gaat het echter niet om onbevredigende antwoorden over de buitenlandse rekening, maar - in weerwil van de contra-indicaties - om een blote ontkenning van het hebben van een buitenlandse rekening. Daar komt bij dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet goed valt in te zien en door [gedaagde sub 1] ook niet is gesteld welke toelichting gegeven zou kunnen worden op de verklaring van [gedaagde sub 1] dat er geen buitenlandse rekening wordt aangehouden. Dat de Belastingdienst in een ander geschil - en in een ander project - op grond van eenzelfde verweer, namelijk dat de “Verklaring” al was ingevuld, haar eis heeft gewijzigd doet aan het vorenstaande niets af.

4.5.

Ook het feit dat voor de Belastingdienst ook andere wegen open staan om de door haar gewenste informatie te verkrijgen staat, gezien de jurisprudentie (verwezen wordt naar de uitspraak van de Hoge Raad van 8 januari 1986, BNB 1986/128) aan de onderhavige vorderingen niet in de weg.

4.6.

Op grond van het vorenstaande en hetgeen verder door de Belastingdienst (niet dan wel niet voldoende gemotiveerd weersproken) is gesteld is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Belastingdienst een voldoende spoedeisend belang heeft bij het gevorderde, dat er dientengevolge geen sprake is van misbruik van recht en dat de Belastingdienst ontvankelijk is in haar vorderingen.

4.7.

Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van misbruik van procesrecht en dat de Belastingdienst ontvankelijk is in haar vorderingen.

Inhoudelijke beoordeling:

Misbruik van procesrecht?

4.8.

[gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat de Belastingdienst langs deze civielrechtelijke weg wil bewerkstellingen dat [gedaagde sub 1] het bewijs levert dat hij vanaf 1994 houder is van de rekening. In de nog te verwachten bestuursrechtelijke procedure rust op de Belastingdienst de bewijslast dat [gedaagde sub 1] daadwerkelijk houder is geweest van een rekening bij de KB Lux en dat hij het op die rekening aanwezige vermogen en daaruit genoten inkomsten niet in zijn aangiften heeft vermeld. Nu de Belastingdienst door middel van de onderhavige procedure probeert onder die bewijslast uit te komen, is sprake van misbruik van procesrecht.

4.9.

Dit verweer treft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doel. In kort geding is het mogelijk een vordering in te stellen die vooruitloopt op een beslissing die in een bodem- (of andere) procedure nog genomen dient te worden. In dat geval is het aan de voorzieningenrechter om een inschatting te maken van de uitkomst van die procedure. Gelet op hetgeen door de Belastingdienst is gesteld ten aanzien van de verrichte onderzoeken acht de voorzieningenrechter de gegevens, waarop de stelling is gebaseerd dat [gedaagde sub 1] rekeninghouder bij de KB Lux is (geweest) - met name ook gelet op de jurisprudentie die inmiddels tot stand is gekomen ten aanzien van de identificatiemethode - voldoende betrouwbaar om op de uitkomsten ervan in een kort geding als het onderhavige te kunnen vertrouwen. Met andere woorden: de voorzieningenrechter acht in hoge mate aannemelijk dat in de fiscale procedure, op basis van hetgeen aan (bewijs)middelen voorhanden is, geoordeeld zal worden dat [gedaagde sub 1] rekeninghouder is (geweest) bij de KB Lux. In dat licht bezien kunnen de vorderingen van de Belastingdienst om informatie over (het verloop van die rekening) niet beschouwd worden als misbruik van procesrecht.

4.10.

De verwijzing door [gedaagde sub 1] naar de uitspraak van het hof Den Haag van

3 februari 2012 met kenmerk BK 04/02513 kan hem niet baten. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat uit die uitspraak niet blijkt dat ook in die zaak - zoals in de onderhavige het geval is - sprake was van een unieke identificatie, vastgelegd in een ambtsedig proces-verbaal. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden (LJN: BM1729) en het als productie 6 overgelegde proces-verbaal van ambtshandeling in het Rekenproject kan [gedaagde sub 1] niet baten, nu in die zaken - anders dan in de onderhavige - door betrokkenen gemotiveerd was aangevoerd dat er personen waren met eenzelfde naam(scombinatie).

De bewaartermijn/bewijsnood

4.11.

[gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat de vorderingen van de Belastingdienst impliceren dat bescheiden moeten worden verstrekt over een tijdvak van inmiddels 19 jaar. Dat impliceert dat [gedaagde sub 1] gehouden zou zijn om gegevens gedurende die periode te bewaren. Die opvatting is volgens [gedaagde sub 1] in strijd met de wettelijke bewaartermijnen. De vorderingen druisen aldus in tegen de wet en tegen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien brengt de Belastingdienst hem met het gevorderde in bewijsnood.

4.12.

Ook dit verweer treft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doel. Uit de door de Belastingdienst overgelegde stukken blijkt dat de Belastingdienst reeds in 2002 bij [gedaagde sub 1] heeft gevraagd om informatie. [gedaagde sub 1] had er dus reeds vanaf dat moment voor kunnen zorgdragen dat de gevraagde informatie (bij de KB Lux of elders) beschikbaar zou zijn voor het moment waarop die informatie daadwerkelijk aan de Belastingdienst zou moeten worden overgedragen. Maar ook anderszins is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van strijd met de wettelijke bewaartermijnen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Door de Belastingdienst is - niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist - gesteld dat er weliswaar sprake is van een wettelijk verplichte bewaartermijn, maar dat zulks niet betekent dat banken hun gegevens na ommekomst van die termijn vernietigen en de informatie derhalve niet meer voorhanden is: de Belastingdienst heeft gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat ook oude informatie bij banken, ook bij de KB Lux, nog verkrijgbaar is, zij het dat aan het verstrekken van die informatie (hoge) kosten zijn verbonden. Op grond van het vorenstaande staat de bewaartermijn er niet aan in de weg dat op straffe van verbeurte van een dwangsom informatie wordt opgevraagd vanaf 1994. Van een onmogelijkheid om de gevraagde informatie te verstrekken is niet gebleken, zodat de verwijzing van [gedaagde sub 1] naar het arrest van de Hoge Raad van 21 mei 1976 (NJ 1977,73) hem niet kan baten. Een situatie zoals die in het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2003, NJ 2003, 521, doet zich in het onderhavige geval (nog) niet voor: door [gedaagde sub 1] gesteld noch gebleken is immers dat en welke inspanningen [gedaagde sub 1] heeft verricht ter verkrijging van de gevraagde informatie.

De grenzen aan de navorderingsbevoegdheid

4.13.

Aan hetgeen [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd ten aanzien van de grenzen aan de navorderingsbevoegdheid gaat de voorzieningenrechter voorbij: in de onderhavige procedure is slechts aan de orde het verstrekken van de door de Belastingdienst gevraagde gegevens over (het verloop van) de rekening bij de KB Lux. De vraag of en in hoeverre de te verstrekken gegevens nopen tot navorderingen en zo ja, of sprake is van een grens aan die navorderingsbevoegdheid, ligt thans niet voor.

Het gebruik van de gegevens voor de boete

4.14.

Uit het vorenstaande volgt dat de door de Belastingdienst gevraagde voorzieningen in de zin als hiervoor overwogen zullen worden toegewezen, echter met dien verstande dat vanwege het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013, (ECLI:NL:HR:2013:BZ3640) zal worden bepaald dat de opgevraagde gegevens en inlichtingen, voor zover het wilsafhankelijk materiaal betreft, niet aan de oplegging van fiscale of strafrechtelijke sancties ten grondslag mogen worden gelegd. De hierna te vermelden termijn komt de voorzieningenrechter redelijk voor, nu [gedaagde sub 1] voor het verkrijgen van eventuele bescheiden - gelet op zijn stellingen - naar alle waarschijnlijkheid afhankelijk is van derden. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden. Voor een verdere matiging ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

4.15.

[gedaagde sub 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Belastingdienst worden begroot op:

- dagvaarding € 96,76

- griffierecht 589,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.501,76

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) [gedaagde sub 1] na 31 januari 1994 bij KB Luxbank - en bij eventuele andere buitenlandse

banken - heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om opgaaf te doen van de onder 5.1. bedoelde buitenlandse rekening(en) van [gedaagde sub 1] door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994-heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om een mondelinge toelichting te geven op de onder 5.1. en 5.2. omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de Inspecteur nader te bepalen termijn,

5.4.

bepaalt dat de opgevraagde gegevens en inlichtingen, voor zover het wilsafhankelijk materiaal betreft, niet aan de oplegging van fiscale of strafrechtelijke sancties ten grondslag mogen worden gelegd,

5.5.

beveelt [gedaagde sub 1] binnen zes weken na heden aan het onder 5.1. en 5.2. omschreven bevel en binnen de door de Inspecteur nader te bepalen termijn aan het onder 5.3. omschreven bevel te voldoen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 2.500,= per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde sub 1] daarmee in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van de Belastingdienst tot op heden begroot op € 1.501,76, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.M. de Lange en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.1

1 type: MvA coll: