Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8518

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
03/703048-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Live”: Veroordelingen wegens (onder andere) langdurige bijstandsfraude en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/703048-09

Datum uitspraak: 6 november 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres 1].

Raadsvrouw is mr. L. Schyns, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25 en 26 februari 2013, waarbij de officier van justitie, de raadsvrouw en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 6 maart 2013 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten. Op 20 maart 2013 werd de heropening van het onderzoek ter terechtzitting bevolen. De zaak is daarna inhoudelijk behandeld op 23 oktober 2013, waarbij de officier van justitie en de raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet samen met [medeverdachte 1] bijstandsfraude heeft gepleegd door opzettelijk na te laten de instantie waarvan zij en/of [medeverdachte 1] een uitkering kreeg in kennis te stellen van de werkzaamheden die zij en/of [medeverdachte 1] verichtte en/of inkomsten die zij en/of [medeverdachte 1] genoot;

feit 2: valsheid in geschrifte heeft gepleegd;

feit 3: geld en goederen heeft witgewassen;

feit 4: al dan niet samen met een ander een wapen voorhanden heeft gehad;

feit 5: al dan niet samen met een ander of anderen opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad;

feit 6: al dan niet samen met een ander of anderen opzettelijk harddrugs aanwezig heeft gehad;

feit 7: al dan niet samen met een ander of anderen zich heeft schuldig gemaakt aan opzetheling;

feit 8: al dan niet samen met een ander of anderen elektriciteit en gas heeft gestolen.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat feit 1 van de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv). De verfeitelijking in de tenlastelegging is te algemeen en in te ruime bewoordingen geformuleerd, zodat niet duidelijk is waartegen verdachte zich dient te verdedigen.

De raadsvrouw heeft voorts verzocht de tenlastelegging onder feit 2 nietig te verklaren, nu ook deze te ruim is geformuleerd. De formulering is daarnaast innerlijk tegenstrijdig, nu aan verdachte wordt verweten dat ze dezelfde gedragingen zowel heeft nagelaten als heeft gepleegd.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat geen sprake is van nietigheid van de dagvaarding, aangezien de verdenking voldoende duidelijk is.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de feiten 1 en 2 van de dagvaarding voldoen aan de eisen gesteld in artikel 261 Sv. De rechtbank overweegt daartoe dat in de tenlasteleggingen voldoende feitelijk en duidelijk is omschreven waaruit de verweten feitelijke gedragingen bestaan.

De rechtbank overweegt dat de feiten moeten worden begrepen tegen de achtergrond van het dossier. De verdediging heeft een adequate verdediging kunnen voeren. De rechtbank acht de dagvaarding dan ook geldig en verwerpt het desbetreffende verweer.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de start van het onderzoek naar voren gebracht dat de sociale recherche gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden die haar toekomen. De gegevens zijn op correcte wijze opgevraagd. Er is dan ook volgens de officier van justitie geen sprake van misbruik van bevoegdheden. Daarnaast hebben de onderzoekshandelingen binnen proporties plaatsgevonden.

Ten aanzien van het bewijs heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en [medeverdachte 1] - gelet op de omvangrijke geldstromen - inkomsten hebben gegenereerd, die niet werden gemeld aan de gemeente Sittard-Geleen.

Ook feit 3 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en [medeverdachte 1] een zeer luxueus leven hebben geleid, hetgeen werd bekostigd uit criminele gelden, omdat de verschillende uitgaven niet alleen uit een bijstandsuitkering bekostigd kunnen worden. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar de kasopstelling.

De officier van justitie heeft betoogd dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard op grond van het aantreffen van het wapen in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] en het onderzoek naar dat wapen door de forensische recherche. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben het wapen samen voorhanden gehad.

Ten aanzien van de feiten 5 en 6 heeft de officier van justitie gevorderd de feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de drugs in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] werden aangetroffen. Het NFI heeft de drugs onderzocht. Nu verdachte en [medeverdachte 1] beiden in de woning woonden en de drugs op verschillende plaatsen in de woning werden aangetroffen, hebben zij deze feiten samen gepleegd.

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat feit 7 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de gestolen kleding met labels in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] werd aangetroffen. Deze situatie ‘schreeuwt’ volgens de officier van justitie om uitleg. Verdachte heeft zich beroepen op haar zwijgrecht. Dit kan tegen haar worden gebruikt. De officier van justitie acht ook bij feit 7 bewezen dat sprake is van medeplegen.

Ten slotte heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 8 aangevoerd dat de zegels waren verbroken, waardoor stroom werd gestolen. Hij acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben ook dit feit samen gepleegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Start van het onderzoek

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, nu sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Omdat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, dient dit te worden uitgesloten. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het onderzoek uiterst vaag en onvoldoende toetsbaar heeft plaatsgevonden, omdat niet kan worden vastgesteld op welk moment het bestuursrechtelijk onderzoek is overgegaan in een strafrechtelijk onderzoek. Bij de start van het strafrechtelijk onderzoek is meer dan beperkt en ongerechtvaardigd inbreuk gemaakt op fundamentele burgerrechten. Een verwijzing naar artikel 2 van de Politiewet, als grondslag van die start, is daartoe onvoldoende.

Na het verkrijgen van anonieme informatie omtrent verdachte en [medeverdachte 1] zijn direct strafvorderlijke bevoegdheden ingezet. De gedane waarnemingen gaan verder dan wettelijk is toegestaan en daarbij zijn de grenzen van de proportionaliteit overschreden. Ook het vergaren van informatie tijdens de startfase is zonder wettelijke basis gebeurd, nu sprake was van stelselmatige observatie. Ook werd verdachte ten onrechte op internet nagetrokken. De grenzen van het toelaatbare werden hierdoor overschreden. De onderzoeksbevindingen waren vervolgens aanleiding voor een bevel tot observatie. Dat bevel is onrechtmatig afgegeven, nu geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Dit dient als gevolg te hebben dat de uit de observaties verkregen resultaten niet mogen worden gebruikt voor het bewijs. De resultaten van de daarop volgende (bijzondere) opsporingsmethoden dienen eveneens te worden uitgesloten van het bewijs, nu deze gelden als “fruits of the poisonous tree”, aldus de raadsvrouw.

De raadsvrouw heeft betoogd, dat indien de rechtbank van oordeel mocht zijn dat wel sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, de ingezette bijzondere opsporingsmiddelen disproportioneel waren, met als gevolg dat al het nadien verkregen bewijs evenmin voor het bewijs kan worden gebruikt.

De raadsvrouw heeft ten slotte aangevoerd dat sprake is geweest van misbruik van bevoegdheden, nu controlebevoegdheden in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 voor een ander doel werden ingezet. Daarmee werd een dermate ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat daardoor doelbewust, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan. Het voorgaande dient volgens de raadsvrouw eveneens te leiden tot bewijsuitsluiting in de zin van artikel 359a Sv.

Bewijs ten aanzien van het tenlastegelegde

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van feit 1. Verdachte woonde in de tenlastegelegde periode bij haar vader. In die periode ontving zij geen uitkering van de gemeente Sittard-Geleen en had zij bovendien geen werkzaamheden of inkomsten die zij conform op haar rustende verplichtingen op grond van de Wet werk en bijstand (hierna Wwb) had moeten melden. Van medeplegen is evenmin sprake, zodat verdachte ook niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de werkzaamheden of inkomsten van haar partner, [medeverdachte 1].

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw vrijspraak betoogd. Niet kan worden bewezen dat verdachte werkzaamheden heeft verricht of inkomsten heeft gehad als bedoeld in de Wwb. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte samenwoonde met [medeverdachte 1]. De verklaring van de moeder van verdachte is, vanwege hun verstoorde verhouding, onbetrouwbaar en daarom niet voor het bewijs bruikbaar. De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen.

Feit 3 kan volgens de raadsvrouw niet bewezen worden, aangezien niet kan worden vastgesteld dat verdachte het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag zelf heeft witgewassen. Bovendien kan niet bewezen worden dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde handelingen heeft verricht. De aan het dossier toegevoegde facturen vallen grotendeels buiten de tenlastegelegde periode en staan bovendien niet op naam van verdachte. Ook kan niet bewezen worden dat verdachte wist van de criminele herkomst van gelden dan wel goederen, mocht hiervan al sprake zijn.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 4 evenmin bewezen kan worden, nu niet vastgesteld kan worden dat verdachte wist dat het wapen in de woning lag, laat staan dat zij enige beschikkingsmacht had over het wapen.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet duidelijk is welke drugs waar zijn aangetroffen. Zij verzoekt verdachte partieel vrij te spreken van de tenlastegelegde hoeveelheid van 2.287,9 gram hennep. Met betrekking tot de in de kelder aangetroffen hennep heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid ervan. Het betreft een gezamenlijke kelder, waar ook andere bewoners van het pand [adres 1] komen.

Ten aanzien van feit 6 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat onduidelijk is welke drugs waar zijn aangetroffen. Zij heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de hoeveelheid MDMA, aangezien verdachte niet wist dat zich MDMA in haar woning bevond. Voor zover de verdovende middelen zichtbaar in de woning lagen, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsvrouw heeft vrijspraak betoogd van feit 7. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist van de partij kinderkleding in haar woning, laat staan dat zij wist dat deze kleding gestolen was.

Ten aanzien van feit 8 heeft de raadsvrouw betoogd dat sprake is van een vormverzuim. Zij heeft daartoe aangevoerd dat Enexis zonder wettelijke grondslag in de woning is binnengetreden. Het onderzoek is dan ook niet rechtmatig, en het daaruit voortvloeiende bewijs dient te worden uitgesloten. Verdachte dient dan bij gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat ter zake geen sprake is van medeplegen. Verdachte had geen bemoeienis dan wel zeggenschap in de woning, laat staan ten aanzien van de energievoorziening. Bovendien kan de diefstal over de tenlastegelegde periode niet worden vastgesteld, aangezien zich enkel een aangifte in het dossier bevindt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op 5 maart 2008 ontving de sociale recherche van de gemeente Kerkrade een anonieme melding betreffende verdachte en haar partner [medeverdachte 1]. In deze melding werd aangegeven dat verdachte bij haar vader stond ingeschreven, maar feitelijk al twee jaar bij [medeverdachte 1] woonde. Ook werd vermeld dat verdachte en [medeverdachte 1] vier keer per jaar op vakantie gingen.

Na raadpleging van de uitkeringssystemen bleek dat verdachte een bijstandsuitkering ontving van de gemeente Kerkrade als alleenstaande kostganger. [medeverdachte 1] ontving een bijstandsuitkering van de gemeente Sittard-Geleen als alleenstaande. Vervolgens werd een uitgebreid onderzoek gestart naar verdachte en [medeverdachte 1], waarbij verschillende inlichtingen werden ingewonnen. Uiteindelijk werd door de sociale recherche overgegaan tot observaties bij de woning van [medeverdachte 1].

Verweer “onrechtmatigheden tijdens de start van het onderzoek”

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van onrechtmatigheden tijdens de start van het onderzoek, welk vormverzuim tot gevolg heeft dat al het bewijs moet worden uitgesloten.

De verdediging heeft betoogd dat van meet af aan sprake zou zijn geweest van een strafrechtelijk onderzoek. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de anonieme melding van 5 maart 2008 kennelijk een reden was om de sociale recherche in te schakelen. Gelet hierop en gelet op de beweerde lange fraudeperiode was sprake van een strafrechtelijk onderzoek. De verdediging heeft te dier zake verwezen naar de “Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude”, waarin onder paragraaf 4.2 staat vermeld:

“De grens voor strafrechtelijke handhaving en vervolging is gesteld op het totale nadeelbedrag van € 10.000,–. Indien sprake is van een lager nadeel treedt de gemeente corrigerend op, middels maatregelen van verlaging en/of (gedeeltelijke) intrekking van de uitkering en/of anderszins, alsmede – zoveel mogelijk – middels terugvordering van het onterecht uitgekeerde. Wanneer sprake is van een nadeel van € 10.000,– of hoger en/of sprake is van één van de hiervoor onder 3.2.1. genoemde uitzonderingen wordt in principe strafrechtelijk opgespoord en vervolgd.”

Voorop dient te worden gesteld dat de gemeente is belast met de verstrekking van sociale voorzieningen en de controle op de verplichtingen voortvloeiende uit deze verstrekking. De controle vindt plaats in het kader van een bestuurlijk traject. Niet valt echter uit te sluiten dat een bestuurlijk traject onder omstandigheden kan samenlopen met een strafrechtelijk traject, zoals bijvoorbeeld bij een vermoeden van uitkeringsfraude. Uit de “Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude” blijkt immers dat de overgang van bestuurlijke handhaving naar strafrechtelijke handhaving en vervolging een vloeiende overgang is . De grens die hierbij wordt aangenomen is een fraudebedrag van € 10.000,-. Wanneer sprake is van een nadeel van € 10.000,- of hoger wordt in principe via een strafrechtelijk traject opgespoord en vervolgd. Het volgen van het strafrechtelijke traject, waarbij gebruik kan worden gemaakt van strafvorderlijke bevoegdheden, sluit echter niet uit dat daarnaast een bestuurlijk traject wordt gevolgd. Hierbij mogen echter niet de strafvorderlijke rechten van een verdachte worden geschonden.

In de onderhavige strafzaak is onderzoek verricht naar aanleiding van een melding over verdachte en [medeverdachte 1]. Naar aanleiding van deze melding was de sociale recherche bevoegd om onderzoek te verrichten. Men moest immers de juistheid van de melding kunnen controleren en - indien deze melding juist bleek te zijn - de omvang van het fraudebedrag kunnen inschatten. Het door de sociale recherche verrichte onderzoek bestond onder andere uit het observeren van de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 1] in oktober 2008 en in maart en april 2009.

De verdediging heeft aangevoerd dat deze observaties een stelselmatig karakter hadden en dat deze ten onrechte zonder een machtiging ex artikel 126g Sv hebben plaatsgevonden. Artikel 2 van de Politiewet zou volgens de verdediging een onvoldoende legitimatie zijn voor dergelijke observaties.

Teneinde de rechtmatigheid van deze observaties, die zonder een machtiging ex artikel 126g Sv hebben plaatsgevonden, te beoordelen, verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2012, LJN BW9338, waarin is vermeld:

“2.6.2 Observaties als de onderhavige, waarvoor geen machtiging als bedoeld in art. 126g Sv is gegeven, kunnen jegens de geobserveerde onrechtmatig zijn indien zij in verband met de plaats waar zij zijn uitgevoerd, de duur, intensiteit en frequentie ervan, alsmede het gebruik van technische hulpmiddelen, geschikt zijn om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. Indien dat niet het geval is, kan de met het observeren samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als zo beperkt worden beschouwd dat de algemene taakomschrijving van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 2 Politiewet 1993 en art. 141 Sv, daarvoor voldoende legitimatie biedt. Dit zal in het bijzonder het geval zijn indien de observaties slechts in een bepaald gebied en kortstondig worden uitgevoerd, naar aanleiding van omstandigheden waaruit redelijkerwijs een verhoogde kans op strafbare feiten kan worden afgeleid. Uit de verslaglegging van de observaties zal - mede in verband met de vereiste subsidiariteit en proportionaliteit van de uitgevoerde observaties - in voorkomend geval moeten kunnen blijken of zij in deze zin beperkt en kortstondig zijn gebleven.

2.6.3.

Uit het zojuist overwogene vloeit voort dat het ontbreken van een verdenking in de zin van art. 27 Sv niet meebrengt dat dergelijke kortstondige en beperkte observaties onrechtmatig zijn aangevangen. Niettemin zullen zij, als berustend op wettelijke bepalingen waarin de opsporing van strafbare feiten aan de betrokken functionarissen is opgedragen, tot het voorbereidend onderzoek gerekend moeten worden ingeval (mede) door de observaties een verdenking als bedoeld in art. 27 Sv ontstaat en verdergaande opsporingsbevoegdheden worden toegepast. Overschrijding van de grenzen waarbinnen zulke, niet krachtens het in art. 126g Sv bedoelde bevel uitgevoerde, observaties toelaatbaar zijn, moet in zo een geval worden aangemerkt als een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv.”

De rechtbank stelt vast dat de sociale recherche in oktober 2008 vier kortdurende observaties heeft verricht. Daarna vonden 14 observaties plaats in de periode van maart 2009 tot en met 19 mei 2009, waarbij eveneens kortstondige observaties werden verricht. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de uitgevoerde observaties waarvoor geen machtiging ex artikel 126g Sv werd gegeven, slechts van beperkte duur, intensiteit en frequentie zijn geweest, waarbij geen gebruik werd gemaakt van technische hulpmiddelen. Er was dan ook geen sprake van een stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv, zodat dergelijke observaties gelegitimeerd worden door artikel 2 van de Politiewet en artikel 141 Sv. Met ingang van 20 mei 2009 werden de observaties langer, intenser en frequenter. Hiervoor werd echter een machtiging ex artikel 126g Sv afgegeven.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de politie een disproportionele inbreuk heeft gemaakt op de privacy van verdachte, nu zij foto’s heeft verkregen die door verdachte in een beveiligde en niet voor derden toegankelijke gemaakte digitale fotomap waren geplaatst. Deze foto’s bevonden zich op “Partyflock” en “Hyves”. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat via een fictief persoon toegang is verkregen tot de Hyves-pagina van verdachte en de foto’s die op “Partyflock” waren geplaatst. Aangezien de foto’s kennelijk waren afgeschermd voor derden, kan het niet anders dan dat verdachte zelf de toegang van deze fictieve persoon heeft geaccepteerd, niet wetende dat dit een door de opsporingsambtenaar verzonnen persoon was. Ook kan het zo zijn dat verdachte de door haar geplaatste foto’s kennelijk onvoldoende heeft afgeschermd. De rechtbank is in beide gevallen van oordeel dat niet gesproken kan worden van een disproportionele inbreuk op de privacy van verdachte.

Eveneens werden door de sociale recherche inlichtingen opgevraagd bij verschillende instanties. De verdediging heeft aangevoerd dat deze inlichtingen gevorderd hadden moeten worden op grond van artikel 126nd Sv.

De rechtbank stelt vast dat enkele in de Wet werk en bijstand genoemde instanties verplicht zijn desgevraagd opgaven en inlichtingen te verschaffen aan uitkeringsinstanties op grond van artikel 64 Wwb. Uit de “Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude” blijkt niet dat de bevoegdheid tot het opvragen van inlichtingen vervalt op het moment dat (eveneens) sprake zou zijn van een strafrechtelijk traject. Zoals reeds eerder overwogen sluit een strafrechtelijk traject bestuurlijke bevoegdheden niet uit, mits daarbij de strafvorderlijke rechten van de verdachte worden gewaarborgd. Geen enkele strafvorderlijke bepaling verzet zich tegen het inwinnen van informatie bij instanties. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 13 november 2012 (LJN BX8079), waarin werd bepaald dat

“het opsporingsambtenaren in het licht van art. 59 Paspoortwet in verbinding met art. 72 en 73 Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 vrijstaat zich de bedoelde gegevens te doen verstrekken voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de opsporing van strafbare feiten in het kader van het onderzoek waarmee zij zijn belast. Het gestelde in art. 126nf Sv met betrekking tot de zogenoemde gevoelige gegevens doet niet af aan de toelaatbaarheid van de verstrekking van die gegevens door de daartoe bevoegde autoriteiten op grond van deze krachtens de Paspoortwet in het leven geroepen regeling.”

De rechtbank stelt, op grond van voornoemd arrest, vast dat hetzelfde gesteld kan worden ten aanzien van artikel 64 Wwb.

Gelet op het voorgaande kan dus niet worden vastgesteld dat de sociale recherche onterecht bestuurlijke bevoegdheden heeft gebruikt, daar waar zij strafrechtelijke bevoegdheden had moeten gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve geen sprake van zogenaamde détournement de pouvoir.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat sprake was van détournement de pouvoir ten aanzien van een Wegenverkeerswetcontrole die in werkelijkheid een ander doel diende, te weten het vaststellen van de identiteit van de bestuurder, overweegt de rechtbank dat dit proces-verbaal niet voor het bewijs is gebezigd, zodat aan dit verweer voorbij kan worden gegaan.

Alles overwegende is de rechtbank is van oordeel dat geen sprake is onrechtmatigheden tijdens de start van het onderzoek en derhalve geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, welk verzuim niet meer kan worden hersteld. Het desbetreffende verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

Onder feit 1 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 23 juli 2009 samen met [medeverdachte 1], in strijd met een wettelijke verplichting heeft nagelaten tijdig gegevens te verstrekken die van belang konden zijn in het kader van de aan haar en/of [medeverdachte 1] toegekende bijstandsuitkering. Onder feit 2 is aan verdachte valsheid in geschrifte samen met [medeverdachte 1] ten laste gelegd in de periode van 6 januari 2005 tot en met 30 juli 2008. Onder feit 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij geld en goederen heeft witgewassen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 26 januari 2010.

[medeverdachte 1] ontving vanaf 13 november 2006 van de gemeente Sittard-Geleen een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm alleenstaande met een gemeentelijke toeslag van 20%.2 Over de maanden december 2006 (vanaf 13 december 2006) tot en met april 2008 werden door [medeverdachte 1] rechtmatigheidsonderzoeksformulieren ingevuld en ondertekend, waarbij steeds door haar werd vermeld dat in die maanden geen inkomsten waren ontvangen. Ook werd niet aangegeven dat sprake was van een verandering in de gezinssamenstelling of woonsituatie.3 De netto-uitkering aan [medeverdachte 1] bedroeg in de maanden april 2008 tot en met juli 2008 € 840,74 per maand en in de maanden augustus 2008 tot en met januari 2009 € 850,36 per maand. In de maanden februari 2009 tot en met mei 2009 ontving [medeverdachte 1] een bedrag van € 853,76 netto per maand aan bijstandsuitkering.4

Verdachte ontving sedert 3 december 2004 een uitkering ingevolge de Bijstandswet/Wet werk en bijstand naar de norm van alleenstaande. De uitkering werd per 1 oktober 2006 gewijzigd voortgezet naar de norm van een alleenstaande inwonend.5 Over de maanden december 2004 tot en met juli 2008 vulde verdachte rechtmatigheidsformulieren in, waarop zij steeds vermeldde dat geen inkomsten waren ontvangen. Op de rechtmatigheidsformulieren stonden achtereenvolgens de adressen [adres 2], [adres 3] en [adres 4] vermeld.6

Volgens de GBA-gegevens van verdachte woonde zij in de periode van 3 december 2004 tot 16 september 2005 op de [adres 2], in de periode van 16 september 2005 tot 19 april 2006 op de [adres 3], in de periode van 19 april 2006 tot 10 oktober 2006 op de Heiveldstraat 97b te Kerkrade en in de periode van 10 oktober 2006 tot en met 27 juli 2009 op de [adres 4].7

De raadsvrouwe heeft verzocht de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] te horen als getuigen. De rechtbank acht het alsnog horen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] niet noodzakelijk voor enig in deze te nemen beslissing en zal de door deze getuigen afgelegde verklaringen niet bezigen voor het bewijs.

De moeder van verdachte, [getuige 3], werd gehoord op 28 januari 2010. Zij verklaarde dat haar dochter [voornaam verdachte] (verdachte) en [medeverdachte 1] al vijf en half jaar bij elkaar zijn. Verdachte heeft volgens haar wel ingeschreven gestaan op het adres van haar vader [voornaam vader], maar nooit daadwerkelijk op de [adres 4] gewoond. Verdachte heeft altijd in Sittard gewoond.8

Op 9 september 2009 meldden verdachte en [medeverdachte 1] zich bij het UWV Werkbedrijf met het verzoek om in aanmerking te komen voor een gezamenlijke uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand.9 Op 23 juli 2009 werd door verdachte op een wijzigingsformulier van de gemeente Kerkrade vermeld dat zij ging verhuizen naar het adres [adres 1].10

Uit de administratie van Ziggo B.V. bleek dat sedert 3 oktober 2005 een abonnement was afgesloten op naam van [verdachte], [adres 1].11 Uit de administratie van Turien & Co Assuradeuren bleek dat op naam van verdachte sedert 1 januari 2007 een zorgverzekeringpolis was afgesloten, met als adres [adres 1].12 Op 10 september 2007 registreerde verdachte zich als nieuwe klant bij Wehkamp. Zij gaf daarbij op het adres [adres 1].13 Ook bij Neckermann.com is verdachte bekend op dit adres. De laatste bestelling bij Neckermann.com werd door verdachte gedaan op 17 oktober 2008.14 Sedert 13 september 2008 is verdachte als abonnee van Veronica Magazine geregistreerd. Als adres staat ook hier vermeld [adres 1].15

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte met ingang van 3 oktober 2005 een abonnement bij Ziggo heeft afgesloten op het adres aan de [adres 1]. Daarna heeft zij zich bij verschillende bedrijven laten registreren als klant, steeds onder verwijzing naar voormeld adres. De moeder van verdachte heeft verklaard dat verdachte nooit bij haar vader aan de [adres 4] heeft gewoond. Op grond van deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat verdachte sinds 3 oktober 2005 samenwoonde met [medeverdachte 1] op het adres [adres 1]. De door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring dat zij het Ziggo-abonnement voor [medeverdachte 1] afsloot, omdat laatstgenoemde daartoe niet bevoegd zou zijn vanwege een conflict met Ziggo, acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig.

Over de periode van 6 januari 2005 tot en met 30 juli 2008 (periode tenlastelegging feit 2) werden rechtmatigheidsonderzoeksformulieren ingevuld en ondertekend door verdachte. Hierop werd door haar niet vermeld dat zij inmiddels was verhuisd naar het adres [adres 1].16

Uit de bankafschriften van rekeningnummer 4918.35.744 ten name van verdachte blijkt dat in de periode van 8 augustus 2006 tot en met 11 mei 2009 regelmatig grote bedragen worden betaald in winkels of aan bedrijven. Op 8 september 2006 en 18 december 2006 werden sauna-cadeaubonnen aangeschaft voor respectievelijk € 288,- en € 600,50. Aan Iboy hairacademy werd op 20 september 2006 een bedrag van € 1.875,33 betaald. Ook werden regelmatig tickets voor diverse (muziek)evenementen besteld bij Ticket Unlimited BV ten bedrage van onder andere € 570,- (op 7 maart 2007), € 512,50 (op 31 mei 2007) en

€ 972,- (op 26 februari 2008).17 Ook werd een reis geboekt naar Ibiza van 28 augustus 2009 tot en met 4 september 2009 met de contactgegevens van verdachte. Hiervoor werd een bedrag van € 1.326,65 betaald aan Transavia airlines CV,18 welk bedrag op 11 mei 2009 van de bankrekening van verdachte werd afgeschreven.19

Verdachte bracht samen met [medeverdachte 1] vakanties door op Curaçao (2005), Tenerife (2007), Kreta (2007), Chersonissos (2008), in Suriname (2008) en op Ibiza (2008).20

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte en [medeverdachte 1] aan de [adres 1] op 26 januari 2010 werden diverse bescheiden aangetroffen en in beslag genomen,21 onder meer een kwitantie van “The Kitchen Company” d.d. 5 februari 2003, waarop was vermeld dat dit bedrijf een bedrag van € 6.367,97 had ontvangen van [medeverdachte 1].22 De order bij voornoemd bedrijf werd opgemaakt op naam van [medeverdachte 1], [adres 5], zijnde het voormalige woonadres van [medeverdachte 1].23 Op 6 augustus 2009 werd een bedrag van € 4.764,95 contant betaald voor onder andere een whirlpool met waterluchtmassage en een stoomcabine. De factuur ter zake stond op naam van [medeverdachte 1].24 [medeverdachte 1] had deze whirlpool en stoomcabine tijdens een bezoek aan de leverancier op 8 juni 2009 besteld.25 De whirlpool en de stoomcabine werden tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] en verdachte aangetroffen.26 Op 9 juni 2008 en op 6 augustus 2008 werden bedragen van respectievelijk € 3.700,- en € 1.500,- betaald voor plastisch chirurgische ingrepen.27

Tijdens observaties bij de woning aan de [adres 1], in de periode 11 maart 2009 tot 19 november 2009, werd waargenomen dat verdachte en [medeverdachte 1] in een BMW 323Ci Coupé, met kenteken [XX-XX-XX], reden. Deze auto stond geparkeerd bij of in de directe omgeving van deze woning.28 De auto stond sedert 31 januari 2008 op naam van [medeverdachte 2].29 Eerdere kentekenhouders van deze auto, te weten [getuige 4] en [getuige 5], hebben ten overstaan van de politie verklaard dat zij deze auto nooit hebben gekocht, maar deze enkel op hun naam hadden voor respectievelijk [medeverdachte 1] en iemand van de familie [medeverdachte 1]. De boetes voor overtredingen, die met die auto werden gemaakt, kregen zij steeds terugbetaald.30 In de woning van [medeverdachte 1] en verdachte werden diverse facturen aangetroffen met betrekking tot deze auto.31

De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat de personenauto (BMW) met kenteken [XX-XX-XX] feitelijk in het bezit was van verdachte en [medeverdachte 1]. De rechtbank houdt het ervoor dat deze op eens anders naam werd gesteld, kennelijk om dit vermogen uit zicht te houden in verband met het toekennen van een bijstandsuitkering. Het betreft namelijk een te dure auto voor verdachtes en Verheijens uitkeringspositie.

De rechtbank stelt tevens vast dat de uitgaven aan dure, luxe artikelen en vakanties naar al dan niet verre oorden evenmin passen bij de financiële positie van een uitkeringsgerechtigde. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor deze uitgaven, hetgeen onder de gegeven omstandigheden wel van haar verlangd kon worden. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er dan ook andere inkomsten zijn geweest dan slechts de inkomsten uit uitkeringsgelden.

Ten aanzien van feit 1 stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] in de tenlastegelegde periode van 1 augustus 2008 tot en met 23 juli 2009 een bijstandsuitkering heeft ontvangen van de gemeente Sittard-Geleen. Op de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren tot april 2008 vulde verdachte steeds in dat geen inkomsten waren genoten. De uitkering bleef tot en met juli 2009 nagenoeg ongewijzigd. De rechtbank stelt dan ook vast dat in de periode van april 2008 tot en met eind juli 2009 geen wijzigingen met betrekking tot inkomsten zijn doorgegeven. Verdachte heeft samen met [medeverdachte 1] grote bedragen in de tenlastegelegde periode uitgegeven, onder meer aan tickets voor verschillende (muziek)evenementen en diverse vakanties. De rechtbank heeft reeds overwogen dat deze uitgaven niet uit een bijstandsuitkering bekostigd kunnen worden en dat zij daarom uit andere inkomsten afkomstig moeten zijn geweest. Hiervan werd door [medeverdachte 1] geen melding gemaakt bij de uitkeringsinstantie. [medeverdachte 1] heeft aldus opzettelijk nagelaten inlichtingen te verstrekken, die van belang zijn voor haar recht op dan wel de hoogte van de bijstandsuitkering. Dit kan ook aan verdachte worden verweten. Vastgesteld is dat verdachte en [medeverdachte 1] sedert 3 oktober 2005 samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank is van oordeel dat wanneer partners samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voerden. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat wanneer partners samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren, zij op de hoogte zijn van elkaar inkomenssituatie. Verdachte moet dan ook geweten hebben dat [medeverdachte 1], ook vóórdat zij zich op 9 september 2009 samen meldden bij het UWV Werkbedrijf voor een uitkering, een bijstandsuitkering ontving. Verdachte kan dan ook verweten worden dat geen opgave werd gedaan van genoten inkomsten in de gehele onder feit 1 tenlastegelegde periode. Verdachte heeft daardoor geprofiteerd van de te hoog vastgestelde bijstandsuitkering van [medeverdachte 1]. Zij heeft verder niets gedaan om aan deze onrechtmatige situatie een einde te maken, terwijl dat wel van haar verwacht mocht worden. Onder die omstandigheden kan verdachte als medepleger worden aangemerkt.

Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank vast dat verdachte in de periode van 6 januari 2005 tot en met 30 juli 2008 een bijstandsuitkering van de gemeente Kerkrade heeft ontvangen. Op de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren van deze periode vulde verdachte steeds in dat geen inkomsten waren genoten. Ook werd in oktober 2005 geen adreswijziging doorgegeven, terwijl verdachte - zoals eerder door de rechtbank is vastgesteld - met ingang van 3 oktober 2005 in de gemeente Sittard-Geleen, en niet meer in Kerkrade, woonachtig was.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in strijd met de waarheid niet heeft gemeld dat zij inkomsten heeft genoten, terwijl zij in deze periode uitgaven heeft gedaan, die niet passend zijn bij haar uitkeringssituatie. Ook heeft zij in strijd met de waarheid niet vermeld dat zij niet woonde op het op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier vermelde adres. Verdachte was immers sedert 3 oktober 2005 woonachtig op het adres [adres 1], en niet meer in Kerkrade. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, zoals ten laste gelegd onder feit 2.

Met betrekking tot de verdenking van witwassen (feit 3) overweegt de rechtbank aanvullend nog als volgt.

Op grond van hetgeen hiervoor onder de feiten 1 en 2 reeds is overwogen, kan worden vastgesteld dat verdachte heeft nagelaten genoten inkomsten te melden en daarnaast valsheid in geschrifte heeft gepleegd. De rechtbank stelt ook vast dat indien de (aanzienlijke) inkomsten wel waren gemeld, de uitkering op zijn minst op een lager bedrag was vastgesteld. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan strafbare feiten en daardoor (deels) onterecht een bijstandsuitkering ontvangen c.q. geprofiteerd van een (deels) onterecht door haar partner ontvangen bijstandsuitkering. Er kan dan ook worden vastgesteld dat verdachte inkomsten uit misdrijf heeft verkregen. Daarnaast zijn door verdachte uitgaven gedaan, die niet passen bij de financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde. Verdachte heeft onder meer sauna-cadeaubonnen, tickets voor diverse (muziek)evenementen en reizen betaald. Ook blijkt dat verdachte verschillende malen op vakantie is geweest naar al dan niet verre oorden.

Nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor deze uitgaven en niet vanuit een legale inkomstenbron verantwoord kunnen worden, kan het niet anders dan dat de inkomsten van criminele activiteiten afkomstig zijn. De rechtbank acht feit 3 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4:

Onder feit 4 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander een elektrisch stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.

Op 26 januari 2010 vond een doorzoeking plaats in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] aan de [adres 1].32 In een inloopkast tussen de keuken en de slaapkamer werd een zwarte taser Security Plus aangetroffen.33 Het wapen werd in beslag genomen.34 Onderzoek aan het wapen wees uit dat met dit voorwerp personen door een elektrische stroomstoot weerloos gemaakt kunnen worden of dat pijn kan worden toegebracht. Het wapen valt onder artikel 2, eerste lid, categorie II, onder 5, van de Wet wapens en munitie.35

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] een taser lag. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het wapen niet van haar was en heeft gesuggereerd dat het wapen wellicht door een ander tijdens een van de vele feesten die haar partner en zij in hun woning hielden, is achtergelaten. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig, gelet op de plaats (een inloopkast tussen keuken en slaapkamer) waar het wapen werd aangetroffen. Verdachte kan als bewoner van de woning verantwoordelijk worden gehouden voor de zaken die zich in haar woning bevinden. Het wapen bevond zich in een inloopkast. Deze ruimte was voor verdachte vrij toegankelijk en moet ook bijna dagelijks door haar gebruikt zijn. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen in haar woning. Dit geldt niet alleen voor verdachte, maar ook voor medeverdachte [medeverdachte 1]. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte dit feit samen met een ander heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Onder feit 5 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander of anderen opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad.

Tijdens de op 26 januari 2010 plaatshebbende doorzoeking van de woning van verdachte en [medeverdachte 1] aan de [adres 1] werd – verspreid door de hele woning - in totaal 2.287,9 gram (vermoedelijk) hennep aangetroffen en in beslag

genomen.363738 Onderzoek op basis van een MMC-test wees uit dat de stoffen positief testten op hennep.39

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat op de lijst van inbeslaggenomen goederen de letter “C” staat vermeld, die volgens haar naar de woning aan de [adres 6] zou verwijzen. Hierdoor is onduidelijk of de goederen wel in de woning van verdachte werden aangetroffen, aldus de raadsvrouw. De rechtbank stelt vast dat op de lijst van inbeslaggenomen goederen (pagina 5905q) het adres van verdachte staat vermeld. Bovendien blijkt uit de schets van het pand (pagina 5905s) dat de lijst met aangetroffen goederen betrekking heeft op de woning van verdachte. Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel mogelijk over het adres waar de goederen werden aangetroffen, te weten de woning van verdachte en [medeverdachte 1].

Gelet op het aantreffen van de hennep in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] en het onderzoek van de verdovende middelen, stelt de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte 1] een grote hoeveelheid hennep in hun woning aanwezig hadden. De hennep lag door de gehele woning verspreid. Verdachte, die toegang had tot de gehele woning, moet zich dan ook bewust zijn geweest van de aanwezigheid van die hennep. Dit geldt niet alleen voor verdachte, maar ook voor medeverdachte [medeverdachte 1]. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte dit feit samen met een ander heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 6:

Onder feit 6 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander of anderen opzettelijk harddrugs aanwezig heeft gehad.

Op 26 januari 2010 vond een doorzoeking plaats in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] aan de [adres 1].40 Tijdens de doorzoeking werden twee zakjes van 0,8 gram en één zakje van 0,7 gram inhoudende wit poeder aangetroffen en in beslag genomen.41 De stoffen werden voor nader onderzoek naar het NFI gestuurd.42 Onderzoek door het NFI wees uit het dat de stoffen cocaïne bevatten.43

In de woning werd tevens één witte pil aangetroffen en in beslag genomen.44 De pil werd voor nader onderzoek naar het NFI gestuurd.45 Onderzoek door het NFI wees uit dat de pil metamfetamine bevat.46

In de woning werden ten slotte nog drie flesjes met een blauwe vloeistof aangetroffen en in beslag genomen.47 Ook deze stoffen werden voor onderzoek naar het NFI gestuurd.48 Het NFI constateerde dat de onderzochte vloeistoffen MDMA en amfetamine bevatten.49

Ook ten aanzien van feit 6 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet duidelijk is of deze drugs wel in de woning van verdachte werden aangetroffen. Hiervoor geldt hetzelfde als door de rechtbank onder feit 5 reeds is overwogen. Het desbetreffende verweer wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

De rechtbank stelt vast dat in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] verschillende hoeveelheden harddrugs werden aangetroffen. Verdachte heeft verklaard hiervan geen wetenschap te hebben gehad. De drugs lagen verspreid in de woning. Verdachte, die toegang had tot de gehele woning, moet zich dan ook bewust zijn geweest van de aanwezigheid van deze harddrugs. Dit geldt niet alleen voor verdachte, maar ook voor medeverdachte [medeverdachte 1]. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte dit feit samen met een ander heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 7:

Onder feit 7 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van kinderkleding.

Op 25 januari 2010 deed [naam 1] aangifte van diefstal van kinder- en babykleding, alsmede kledinghangers. Op 26 januari 2010 vond een doorzoeking plaats in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] aan de [adres 1]. Tijdens de doorzoeking trof de politie een partij nieuwe kinderkleding aan. De kinderkleding, in totaal 91 stuks, werd in beslag genomen. De in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] aangetroffen partij kinderkleding werd vervolgens aan [naam 1] getoond. Zij herkende de aan haar getoonde kleding aan de merken en de kledinghangers, als afkomstig uit de uit haar winkel gestolen kinderkleding. Een deel van de kleding was bevlekt en rook naar weed.

De rechtbank stelt vast dat in de woning van verdachte een partij gestolen kinderkleding werd aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft als getuige ter terechtzitting verklaard dat zij verdachte nooit met deze kinderkleding heeft gezien, evenmin heeft zij hierover met verdachte gesproken. De kleding was gebracht door een marktkoopman, met wie zij bevriend is, en was opgeslagen in een rommelkamer achter de badkamer. In die rommelkamer kwam men niet dagelijks.

De rechtbank stelt vast dat de gestolen partij kinderkleding zich hoogstens één dag in de woning heeft bevonden, gelet op het tijdsverloop tussen de diefstal en het aantreffen van de kleding. Gelet op de getuigenverklaring van [medeverdachte 1] kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist van de aanwezigheid van de gestolen kleding in haar woning. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 7 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 8:

Onder feit 8 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander of anderen elektriciteit en gas heeft gestolen.

Tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] op 26 januari 2010 bleek dat mogelijk sprake was van diefstal van energie. In een kamer achter de keuken werd een Enexis-meter aangetroffen met meternummer 6970322. Op de plaats waar de gasmeter van Enexis gemonteerd behoorde te zijn, werd een gasmeter aangetroffen met meternummer 2106706. In opdracht van de officier van justitie werd een medewerker van Enexis B.V. ter plaatse ontboden om nader onderzoek in te stellen. De medewerker van Enexis constateerde dat sprake was van diefstal van stroom, door middel van een illegale aansluiting op de bovenzijde van de zekeringhouders en van diefstal van gas door middel van het gebruik van een tweede gasmeter.50 Nader onderzoek wees uit dat aan de bovenzijde van een zekeringhouder een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om en voorzag het grootste deel van de huishoudelijke installatie van elektriciteit. Op de plaats waar de gasmeter van Enexis met meternummer 6970322 behoorde te zijn gemonteerd was een gasmeter gemonteerd met meternummer 21060706. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit en gas ten behoeve van het huishoudelijk gebruik niet correct via de elektriciteits- en gasmeter geregistreerd.

De meter van Enexis met meternummer 6970322 werd in een doos aangetroffen in de kamer achter de keuken. De meter met nummer 21060706 werd gemaakt in 2006. Dit jaartal kwam overeen met de datum die vermeld was op de sticker met streepjescode die op de doos was geplakt. De gasmeter was op de schroefdraad van de koppeling voorzien van teflon-tape om op deze wijze een gasdichte aansluiting te verkrijgen. 51

Op grond van het aantreffen van de situatie ter plaatse met betrekking tot de gasmeter en de elektriciteitsmeter en de constateringen van de medewerker van Enexis B.V., stelt de rechtbank vast dat gedurende de ten laste gelegde periode elektriciteit en gas is gestolen. Gelet op de duur van de fraudeperiode en gelet op de omstandigheden zoals die ter plaatse werden geconstateerd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] op de hoogte waren van de diefstal van elektriciteit en gas. Het is namelijk niet aannemelijk dat verdachten daarvan niet op de hoogte waren, al was het maar omdat zij ieder jaar de meterstanden moesten doorgeven en daartoe de meters dienden te bekijken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander elektriciteit en gas heeft gestolen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

in het tijdvak van 1 augustus 2008 tot 23 juli 2009 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], een, in strijd met een aan haar, verdachte en aan [medeverdachte 1] bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Wet werk en bijstand (Wwb), telkens opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij, verdachte en [medeverdachte 1] wisten dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking, te weten een Wwb-uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers hebben zij, verdachte en [medeverdachte 1], aan de gemeente Sittard-Geleen telkens opzettelijk geen mededeling gedaan van alle, zakelijk weergegeven, door haar, verdachte, en/of [medeverdachte 1] genoten inkomsten;

2

in het tijdvak van 6 januari 2005 tot en met 30 juli 2008 in de gemeente Kerkrade, meermalen, telkens een haar, verdachte ter uitvoering van de bij of krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb) gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Rechtmatigheidsformulier", zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk telkens niet op dat formulier heeft opgegeven dat zij, verdachte, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven, inkomsten heeft genoten en niet heeft gewoond op het op dat formulier vermelde adres, en hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk telkens op dat formulier heeft opgegeven dat zij, verdachte, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven, geen inkomsten heeft genoten en niet heeft gewoond op het op dat formulier vermelde adres, en vervolgens dat formulier telkens voor waar heeft ondertekend, een en ander met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3

in het tijdvak van 1 januari 2006 tot en met 26 januari 2010, in de gemeente Sittard-Geleen, hoeveelheden geld en andere goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl zij wist dat bovenomschreven hoeveelheden geld en andere goederen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

4

op 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

5

op 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2287,9 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6

op 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- ongeveer 2,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne, en

- een tablet van een materiaal bevattende metamfetamine, en

- 51,84 gram van een materiaal bevattende MDMA en amfetamine,

zijnde cocaïne en MDMA en amfetamine telkens middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

8

in de periode van 18 oktober 2006 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit en gas, toebehorende aan Enexis B.V., waarbij verdachte en haar mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

witwassen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

Ten aanzien van feit 5:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C,

van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 6:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 8:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke straf op te leggen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het tijdsverloop tot strafvermindering dient te leiden. Bovendien dienen in de strafmaat de onregelmatigheden tijdens het onderzoek tot uitdrukking te worden gebracht. Verder heeft de raadsvrouw verzocht de impact van het onderzoek, waarbij verdachtes privacy ernstig geschonden werd, in de strafmaat mee te wegen. Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft zich gedurende ruim 4 jaar schuldig gemaakt aan bijstandsfraude, voor een deel van deze periode samen met haar partner [medeverdachte 1]. De fraude bestond hieruit dat verdachte (en haar partner) niet hebben gemeld dat zij inkomsten hebben genoten en dat verdachte niet heeft gemeld dat zij op een ander adres woonde. De rechtbank merkt hierbij op dat het niet gaat om inkomsten van geringe omvang, maar om inkomsten die verdachte en haar partner in staat stelden er een (zeer) luxe levensstijl op na te houden met vakanties naar verre oorden en grote uitgaven aan luxe artikelen en diverse (muziek)evenementen. De inkomsten konden niet verklaard worden vanuit legale inkomsten. Het kan niet anders dan dat deze inkomsten gegenereerd werden door middel van criminele activiteiten, waarbij kennelijk grote winsten werden behaald. Verdachte heeft zich daarbij schuldig gemaakt aan het witwassen van gelden en goederen. Terwijl verdachte en haar partner genoten van hun luxe levensstijl, ontvingen zij ieder een bijstandsuitkering. Zonder enige gewetenswroeging heeft verdachte jarenlang schaamteloos geprofiteerd van het sociale stelsel. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Een uitkering is bedoeld om mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen ondermijnt het sociale stelsel. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft zich daarnaast nog schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten. Zij had een verboden wapen en zowel soft- als harddrugs in haar bezit. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit en gas. Hierbij werd een gevaarzettende situatie gecreëerd, door op amateuristische wijze elektriciteit en gas af te tappen.

Verdachte heeft door het plegen van deze strafbare feiten een totaal gebrek aan normbesef getoond. Kennelijk vindt zij het de normaalste zaak van de wereld om op allerlei manieren de wet te overtreden enkel om er zelf beter van te worden. De opeenstapeling van strafbare feiten acht de rechtbank zeer zorgwekkend.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op straffen die in andere zaken van bijstandsfraude plegen te worden opgelegd. Doorgaans worden hiervoor gecombineerde straffen opgelegd, zoals een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van aanzienlijke omvang. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige strafzaak in geen verhouding staat tot de meeste andere strafzaken inzake bijstandsfraude. Zoals hiervoor reeds overwogen gaat het in de onderhavige strafzaak om het jarenlang plegen van fraude, terwijl er een (zeer) luxe levensstijl op na wordt gehouden en de bijstandsuitkering meer weg heeft van een extra zakcentje. Dat maakt deze zaak op zijn zachts gezegd bijzonder. Daarbij komt nog dat er naast de bijstandsfraude nog tal van andere strafbare feiten werden gepleegd.

Gelet op het aantal strafbare feiten waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt, de aard en de ernst van de strafbare feiten en het totaal gebrek aan normbesef dat daaruit voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende sanctie is. Verdachte moet zich realiseren dat haar gedrag absoluut niet toelaatbaar is. De rechtbank zal van de op te leggen gevangenisstraf ook een deel voorwaardelijk opleggen. Dit moet verdachte er in de toekomst van weerhouden opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten. Gelet op het gemak waarmee verdachte de afgelopen jaren is overgegaan tot het plegen van strafbare feiten, acht de rechtbank een proeftijd van drie jaren op zijn plaats.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend.

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een aan het openbaar ministerie toe te rekenen vertraging van de procesgang, waardoor sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De raadsvrouw heeft verzocht tot strafvermindering over te gaan.

De rechtbank dient allereerst vast te stellen of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat door of vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstige voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. Met ingang van dit tijdstip dient de strafzaak binnen twee jaar inhoudelijk te zijn behandeld. In het onderhavige geval moet als aanvang van de termijn 26 januari 2010 worden aangehouden, nu op die dag een doorzoeking werd verricht in de woning van verdachte. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 25 en 26 februari 2013 en op 23 oktober 2013. Dit betekent dat verdachte ruim 3,5 jaar in afwachting van haar strafproces is geweest. De rechtbank stelt dan ook vast dat de redelijke termijn met ruim 1,5 jaar is overschreden. Deze overschrijding kan niet aan de verdediging worden toegerekend en komt dan ook voor rekening van het openbaar ministerie. De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in de strafmaat verdisconteerd dient te worden. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (LJN BD2578) dient bij een overschrijding tot 6 maanden de straf met 5% verminderd te worden en bij een overschrijding van 6 tot 12 maanden met 10%. In de onderhavige strafzaak is sprake van een overschrijding van ruim 1,5 jaar. Uit de uitspraak van de Hoge Raad blijkt dat hij bedoeld heeft voor elk half jaar 5% in mindering te brengen op de straf. De rechtbank zal dan ook de straf verminderen met een percentage van 15%.

Rekeninghoudende met de hiervoor omschreven overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank aldus aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

7 De benadeelde partijen

7.1

De vordering van de benadeelde partijen

In het strafproces heeft de gemeente Sittard-Geleen zich als benadeelde partij gevoegd met een bedrag van € 382.739,44 ten aanzien van feit 1.

De gemeente Kerkrade heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een bedrag van

€ 46.357,02 ten aanzien van feit 2.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeenten Sittard-Geleen en Kerkrade in hun vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, nu geen mandaatbesluit aan de vordering ten grondslag ligt.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de gemeente Sittard-Geleen en van de gemeente Kerkrade af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de vorderingen een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Bovendien is door beide gemeenten geen machtiging overgelegd en zijn de vorderingen onvoldoende onderbouwd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de gemeente Sittard-Geleen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Zij overweegt daartoe dat de vordering op 21 november 2011 is ingediend door een ambtenaar van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Sittard-Geleen. De gemeente Sittard-Geleen heeft verzuimd in deze vordering de machtiging van de burgemeester aan deze ambtenaar op te nemen. In een brief van 25 februari 2013 heeft het plaatsvervangend hoofd van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Sittard-Geleen, namens het College van Burgemeester en Wethouders, gemeld dat in het Mandaat-, volmacht en machtigingsbesluit Gemeente Sittard-Geleen 2013 de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen is opgedragen aan de clusterhoofden, en dat hij als zodanig de betreffende ambtenaar machtigt om het college van burgemeester en wethouders te vertegenwoordigen in onderhavige zaak. Nu laatstgemeld besluit niet aan het dossier is toegevoegd, en dit besluit dateert van het jaar 2013, terwijl de vordering is ingediend in november 2011, is de rechtbank niet bij machte om vast te stellen dat de betreffende ambtenaar, die het voegingsformulier heeft ondertekend, op de juiste manier was gemachtigd om de gemeente Sittard-Geleen in de onderhavige zaak in rechte te vertegenwoordigen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat ook de gemeente Kerkrade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. De rechtbank overweegt daartoe dat de vordering namens de gemeente Kerkrade is ingediend op 22 november 2011 door de heer [naam 2] van (destijds) de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De gemeente Kerkrade heeft verzuimd in deze vordering de machtiging van de burgemeester aan de ambtenaar op te nemen. In een niet gedateerde verklaring heeft het College c.q. de burgemeester van de gemeente Kerkrade bevestigd dat de heer [naam 2], directeur Sector Maatschappelijke Zorg, gemachtigd is om zich namens de gemeente Kerkrade als benadeelde partij te voegen in een strafproces. Nu deze verklaring niet gedateerd is, is de rechtbank niet bij machte om vast te stellen dat de heer [naam 2] ook op 22 november 2011 op de juiste manier gemachtigd was om de gemeente Kerkrade in de onderhavige zaak in rechte te vertegenwoordigen.

8 Het beslag

De officier van justitie heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting nagelaten een beslissing te vorderen op grond van de beslaglijst. De rechtbank zal dan ook geen beslissingen nemen ten aanzien van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 225, 227b, 310, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 7;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaren de algemene voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

  • -

    verklaart de benadeelde partij Gemeente Sittard-Geleen, afdeling Werk en Inkomen, Rijksweg Zuid 26, 6131 AP Sittard, in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij Gemeente Sittard-Geleen, afdeling Werk en Inkomen, in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij Gemeente Kerkrade, Postbus 600, 6460 AP Kerkrade, in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij Gemeente Kerkrade in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. L.P. Bosma en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 november 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 augustus 2008 tot 23 juli 2009 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], althans alleen, in strijd met een haar, verdachte en/of [medeverdachte 1] bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Algemene

Bijstandswet (Abw) en/of Wet Werk en Bijstand (WWB), (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij, verdachte en/of [medeverdachte 1] wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te

weten een Abw-uitkering en/of een WWB-uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], aan de gemeente Sittard-Geleen (telkens) opzettelijk geen mededeling gedaan van (alle), zakelijk weergegeven,

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], verrichte werkzaamheden en/of

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], genoten inkomsten;

of

voor de gemeente Sittard-Geleen (telkens) opzettelijk (alle), zakelijk weergegeven,

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], verrichte werkzaamheden en/of

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], genoten inkomsten,

verzwegen;

2.

zij in of omstreeks het tijdvak van 6 januari 2005 tot en met 30 juli 2008 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een haar, verdachte ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet (Abw) en/of de Wet Werk en Bijstand (WWB) gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Rechtmatigheidsformulier", zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk (telkens) niet op dat formulier heeft opgegeven dat zij, verdachte, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

-werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of inkomsten heeft/hebben genoten en/of

- niet heeft gewoond op de/het op dat formulier vermelde adres(sen),

hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk (telkens) op dat formulier heeft/hebben opgegeven dat zij, verdachte, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

-geen werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of geen inkomsten heeft/hebben genoten en/of

- niet heeft gewoond op de/het op dat formulier vermelde adres(sen),

en (vervolgens) dat formulier (telkens) voor waar heeft/hebben ondertekend, een en ander (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2006 tot en met 26 januari 2010, in de gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, een voorwerp, te weten (een) hoeveelheid/hoeveelheden geld (van ongeveer 385.050,92 euro) en/of (enig) ander(e) goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten (een) hoeveelheid/hoeveelheden geld en/of (enig) ander(e) goed(eren) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

zij op of omstreeks 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

5.

zij op of omstreeks 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2287,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6.

zij op of omstreeks 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- ongeveer 2,3 gram cocaïne en/of

- een tablet metamfetamine en/of

- 51,84 gram MDMA en/of amfetamine,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of metamfetamine, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

7.

zij in of omstreeks het tijdvak van 25 januari 2010 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een grote hoeveelheid kinderkleding (te weten 91 stuks) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat goed(eren) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

8.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 15472 kWh elektriciteit en/of 12150 m3 gas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/703048-09

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 20 maart 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres 1].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouw: mr. L. Schyns, advocaat te Maastricht.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummer aangeduide delen uit processen-verbaal en andere stukken betreft dit de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, behorende bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Kerkrade en Sittard-Geleen, Regio Limburg-Zuid, Gemeente Kerkrade en Sittard-Geleen, met proces-verbaalnummer 400021822 d.d. 3 mei 2011.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2009, pagina 1749.

3 De geschriften, te weten rechtmatigheidsformulieren, pagina 323 tot en met 339 uit dossiernummer VI.

4 De geschriften, te weten bankafschriften, d.d. 16 april 2008 en 20 mei 2009, respectievelijk pagina 2104 en 2129.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2009, pagina 1747 en 1748.

6 De geschriften, te weten rechtmatigheidsformulieren, pagina 1787 tot en met 1830 en de geschriften, te weten rechtmatigheidsformulieren van de maanden februari 2008 tot en met juli 2008, nagekomen stukken, niet doorgenummerd.

7 Het geschrift, te weten een algemeen gegevensblad inzake [verdachte], pagina 766.

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 28 januari 2010, pagina 750.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2009, pagina 1772.

10 Het geschrift, te weten een wijzigingsformulier d.d. 23 juli 2009, pagina 427.

11 Het geschrift, te weten informatie van Ziggo B.V., d.d. 12 augustus 2009, pagina 2317.

12 Het geschrift, te weten informatie van Turien & Co, pagina 2315.

13 Het geschrift, te weten informatie van Wehkamp, pagina 2288.

14 Het geschrift, te weten informatie van Neckermann, pagina 2308.

15 Het geschrift, te weten informatie van Veronica Uitgeverij, pagina 2280.

16 De geschriften, te weten rechtmatigheidsformulieren, pagina 1787 tot en met 1830 en de geschriften, te weten rechtmatigheidsformulieren van de maanden februari 2008 tot en met juli 2008, nagekomen stukken, niet doorgenummerd.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juli 2009, pagina 1853 en 1854.

18 Het geschrift, te weten vluchtinformatie, pagina 2294.

19 Het geschrift, te weten een bankafschrift d.d. 20 mei 2009, pagina 2071.

20 Het geschrift, te weten een kopie van factuur van een vakantie naar Curacao, d.d. 20 april 2004, pagina 5645, het geschrift, te weten printscreens van partyflock, pagina 234, 245, 246, 248, 268, 396 en 397 en het geschrift, te weten een kopie uit een agenda van 28 augustus 2009 m.b.t. reis Ibiza, pagina 2557.

21 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2010, pagina 2333.

22 Het geschrift, te weten een kwitantie d.d. 5 februari 2003, pagina 2355.

23 Het geschrift, te weten een brief van 23 juli 2003, pagina 2356 in combinatie met proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2009, pagina 199.

24 Het geschrift, te weten een factuur van Nooren Import BV, d.d. 6 augustus 2009, pagina 3312 en 3313.

25 Het geschrift, te weten een formulier showroombezoek, pagina 3315.

26 Het geschrift, te weten een fotomap, pagina 2892 en 2893.

27 Bijlage 4.16 van proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 januari 2011, pagina 5786 in combinatie met de geschriften, te weten brieven van plastisch chirurg Dr. D’Hondt, pagina 5812 en 5813b.

28 Processen-verbaal van bevindingen d.d. 17 mei 2009, pagina 118 tot en met 120, d.d. 25 april 2009, pagina 125 en 126, d.d. 29 april 2009, pagina 131 en 132, d.d. 19 mei 2009, pagina 135 en 136, d.d. 24 juli 2009, pagina 139 en 143 en d.d. 4 december 2009, pagina 188.

29 Het geschrift, te weten een kopie van het kentekenbewijs, pagina 5829.

30 Processen-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] en [getuige 4], respectievelijk d.d. 9 juli 2010, pagina 5630 en 5630 en 12 juli 2010, pagina 5632 en 5633.

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2010, pagina 5826 en 5827.

32 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2010, pagina 2333.

33 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 26 april 2010, pagina 3034 en 3036 in combinatie met proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2010, pagina 5936.

34 Het proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 2 februari 2010, niet doorgenummerd.

35 Het proces-verbaal van onderzoek (vuur)wapens en munitie d.d. 27 april 2010, pagina 5848 en 5849.

36 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2010, pagina 2333.

37 Het geschrift, te weten een lijst van inbeslaggenomen goederen, d.d. 26 januari 2010, pagina 5909q, 5909r en 5909s.

38 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 29 januari 2010, niet doorgenummerd.

39 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 10 februari 2010, pagina 5909.

40 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2010, pagina 2333.

41 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagname d.d. 29 januari 2010, niet doorgenummerd.

42 Proces-verbaal van aanvraag standaardonderzoek NFI d.d. 27 januari 2010, pagina 5920.

43 Het geschrift, te weten het rapport van het NFI d.d. 17 maart 2010, pagina 5923.

44 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagname d.d. 29 januari 2010, niet doorgenummerd.

45 Proces-verbaal van aanvraag standaardonderzoek NFI d.d. 27 januari 2010, pagina 5920.

46 Het geschrift, te weten het rapport van het NFI d.d. 17 maart 2010, pagina 5923.

47 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagname d.d. 29 januari 2010, niet doorgenummerd.

48 Proces-verbaal van aanvraag standaardonderzoek NFI d.d. 27 januari 2010, pagina 5920.

49 Het geschrift, te weten het rapport van het NFI d.d. 17 maart 2010, pagina 5923.

50 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2010, pagina 6096.

51 Het geschrift, te weten de aangifte van Enexis B.V. d.d. 27 januari 2010, pagina 6099 en 6100.