Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8487

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
03/703623-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Live”: Veroordelingen wegens (onder andere) langdurige bijstandsfraude en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/703623-09

Datum uitspraak: 6 november 2013

Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

wonende te [adres].

Raadsman is mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te [geboorteplaats].

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25 en 26 februari 2013, waarbij de officier van justitie en de gemachtigde raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Verdachte is niet ter zitting verschenen. Op 6 maart 2013 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten. Op 20 maart 2013 werd de heropening van het onderzoek ter terechtzitting bevolen. De zaak is daarna inhoudelijk behandeld op 23 oktober 2013, waarbij de officier van justitie en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet samen met [medeverdachte 1] bijstandsfraude heeft gepleegd door opzettelijk na te laten de instantie waarvan zij en/of [medeverdachte 1] een uitkering kreeg in kennis te stellen van de werkzaamheden die zij en/of [medeverdachte 1] verrichtte en/of van de inkomsten die zij en/of [medeverdachte 1] genoot;

feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd;

feit 3: geld en goederen heeft witgewassen;

feit 4: al dan niet samen met een ander of anderen opzettelijk harddrugs aanwezig heeft gehad;

feit 5: al dan niet samen met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling dan wel schuldheling van een invalidenparkeerkaart en een toegangspas, dan wel een invalidenparkeerkaart en een toegangspas heeft verduisterd;

feit 6: al dan niet samen met een ander of anderen elektriciteit en gas heeft gestolen.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de partner van verdachte, te weten medeverdachte [medeverdachte 1] gehuwd is geweest met [naam 1]. Verdachte dient zich thans in rechte te verdedigen tegen uitgaven die zijn gedaan in de periode dat [medeverdachte 1] met mevrouw [naam 1] een relatie had. Laatstgenoemde werd echter - in tegenstelling tot verdachte - niet als verdachte aangemerkt.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat ook het verstrekken van vertrouwelijke gegevens uit het strafdossier door de officier van justitie aan derden reden is om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie zonder wettelijke basis heeft gehandeld.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak zal vorderen en hij heeft om die reden het verweer van de raadsman ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel verder onbesproken gelaten.

Met betrekking tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens heeft de officier van justitie verwezen naar artikel 39f, eerste lid, onder b, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daarop gebaseerde Aanwijzing Wjsg. In het kader van handhaving van de openbare orde en veiligheid was hij bevoegd om gegevens te verstrekken.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen toetsingskader

Alvorens in te gaan op de specifieke punten die de raadsman naar voren heeft gebracht ter staving van zijn niet-ontvankelijkheidsverweer, zal de rechtbank eerst het toetsingskader schetsen dat zij hanteert bij de bespreking van deze verweren.

De sanctie van niet-ontvankelijkheid is een van de sancties uit artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv). Deze bepaling heeft betrekking op vormverzuimen tijdens het voorbereidend onderzoek. In zijn standaardarrest van 30 maart 2004, NJ 2004, 376 heeft de Hoge Raad benadrukt dat artikel 359a Sv uitsluitend van toepassing is, indien het vormverzuim is begaan in het verband van het voorbereidend onderzoek naar de ten laste gelegde feiten.

Artikel 359a Sv ziet op onherstelbare vormverzuimen waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Als er sprake is van een vormverzuim als hier bedoeld, moet de rechter beoordelen of hieraan enig rechtsgevolg moet worden verbonden. Daarbij dient hij rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie komt, volgens het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

I. Verweer ‘schending van het gelijkheidsbeginsel’

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt.

Krachtens het in artikel 167, tweede lid, Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt. Hierbij heeft het openbaar ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid. Dit zou anders kunnen zijn indien in identieke gevallen de vervolgingsbeslissing zou verschillen. Van (volstrekt) identieke gevallen is in de onderhavige strafzaak echter geen sprake. De tenlastegelegde perioden onder de feiten 1 en 2 hebben namelijk betrekking op een tijdvak waarop mevrouw [naam 1] niet meer gehuwd was met [medeverdachte 1]. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het enkele feit dat mevrouw [naam 1] de partner van [medeverdachte 1] is geweest, nog niet maakt dat sprake is van identieke gevallen.

II. Verweer ‘verstrekken vertrouwelijke gegevens aan derden’

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat ten onrechte vertrouwelijke gegevens uit het strafdossier zijn verstrekt aan derden. De rechtbank is niet gebleken dat vertrouwelijke gegevens zijn verstrekt aan derden. Mocht hiervan al sprake zijn, dan is niet gebleken op welke wijze verdachte hiervan zodanig nadeel heeft ondervonden dat de niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie de enige juiste sanctie zou zijn. Een dergelijk nadeel is ook niet door de raadsman gesteld. Op de stelling van de officier van justitie dat de wettelijke basis van een verstrekking gevonden zou kunnen worden in het genoemde artikel van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daarop gebaseerde Aanwijzing Wjsg is niet meer door de verdediging gerespondeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een handelen door de officier van justitie met zodanig ernstige gevolgen voor verdachte en haar verdedigingsbelang dat dit zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2, aangezien verdachte geen uitkering ontving en dus ook geen gegevens kon verzwijgen. Zij heeft dan ook geen formulieren ondertekend.

Feit 3 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en haar partner [medeverdachte 1] een groot bedrag hebben uitgegeven, afkomstig uit onverklaarbaar vermogen. De ten laste gelegde periode dient volgens de officier van justitie te worden aangepast, nu verdachte pas met ingang van 1 juli 2008 met [medeverdachte 1] samenwoonde. De uitgaven vóór deze periode dienen op het genoemde bedrag in mindering te worden gebracht, zodat € 97.074,- resteert.

Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de drugs in de woning van verdachte en haar partner [medeverdachte 1] werden aangetroffen. De drugs zijn door het NFI onderzocht.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van feit 5, aangezien niet bewezen kan worden dat verdachte wist van de heling van de invalidenparkeerkaart en de toegangspas.

De officier van justitie heeft ten slotte ten aanzien van feit 6 aangevoerd dat de zegels van de hoofdaansluiting waren vervangen en dat zowel elektriciteit als gas werd gestolen. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben dit feit samen gepleegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte enige wetenschap had van het feit dat [medeverdachte 1] een bijstandsuitkering genoot. Verder heeft verdachte nooit formulieren ingevuld of ondertekend en ontving zijzelf geen uitkering. Bovendien is er geen bewijs voorhanden dat verdachte in de ten laste gelegde periode werkzaamheden heeft verricht of inkomsten heeft vergaard.

De raadsman heeft verzocht de verklaringen van de moeder en vader van verdachte uit te sluiten van het bewijs, nu deze verklaringen - door het verhoren van de getuigen in elkaars aanwezigheid - onbetrouwbaar zijn.

Ook ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak betoogd, aangezien niet kan worden vastgesteld dat verdachte handelingen heeft verricht die zien op het verbergen of verhullen van het aangetroffen geld. Verder is er ook geen bewijs dat verdachte wist dat het geld en/of de goederen die zij gebruikte van misdrijf afkomstig waren.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van feit 4, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist van de aanwezigheid van de drugs in haar woning. Het enkele aantreffen is daartoe onvoldoende.

Ten aanzien van de feiten 5 en 6 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe bij feit 6 aangevoerd dat er geen bewijs is voor betrokkenheid van verdachte bij de beweerdelijke diefstal.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op 5 maart 2008 ontving de sociale recherche van de gemeente Kerkrade een anonieme melding betreffende [medeverdachte 2] en haar partner [medeverdachte 3]. In deze melding werd aangegeven dat [medeverdachte 2] bij haar vader stond ingeschreven, maar feitelijk al ruim twee jaar bij [medeverdachte 3] woonde. Ook werd vermeld dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vier keer per jaar op vakantie gingen. Na raadpleging van de uitkeringssystemen bleek dat [medeverdachte 2] een bijstandsuitkering ontving van de gemeente Kerkrade als alleenstaande kostganger. [medeverdachte 3] ontving een bijstandsuitkering van de gemeente Sittard-Geleen als alleenstaande. Vervolgens werd een uitgebreid onderzoek gestart naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], waarbij verschillende inlichtingen werden ingewonnen. Uiteindelijk ging de sociale recherche over tot observaties bij de woning van [medeverdachte 3]. Tijdens deze observaties kwamen ook [medeverdachte 4] en zijn zoon [medeverdachte 1] in beeld. Ambtshalve was bekend dat beiden een bijstandsuitkering ontvingen. Naar aanleiding van waarnemingen ter plaatse werd ook een onderzoek gestart naar [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]. Bij dit onderzoek kwam ook verdachte naar voren, als partner van [medeverdachte 1].

Verweer “bewijsuitsluiting”

De raadsman heeft verzocht de verklaring van [getuige 1] en [getuige 2], zijnde de ouders van verdachte, van het bewijs uit te sluiten, nu deze verklaringen

- door het verhoren van de getuigen in elkaars aanwezigheid – onbetrouwbaar zijn.

De rechtbank stelt vast dat eerst de vader van verdachte als getuige is gehoord. Kennelijk heeft dit verhoor plaatsgevonden in aanwezigheid van de moeder van verdachte. Moeder verwijst tijdens haar verhoor namelijk naar de eerder door vader afgelegde verklaring. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat vader werd gehoord in het bijzijn van moeder, niets zegt over de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Immers niet is gebleken dat hij zou zijn beïnvloed door de aanwezigheid van moeder. De verklaring van moeder zal niet voor het bewijs worden gebruikt, zodat de rechtbank de beoordeling van de betrouwbaarheid van haar verklaring onbesproken zal laten.

Ten aanzien van feit 1:

Onder feit 1 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij in de periode van 27 juli 2009 tot en met 30 september 2009 samen met [medeverdachte 1] in strijd met een wettelijke verplichting heeft nagelaten gegevens te verstrekken die van belang konden zijn in het kader van de aan [medeverdachte 1] en/of haar toegekende bijstandsuitkering.

[medeverdachte 1] ontving vanaf 23 november 2007 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder met een gemeentelijke toeslag van 20%.2 Deze uitkering bedroeg in de periode van januari 2008 tot en met juni 2009 netto minimaal € 935,05 en maximaal

€ 1.080,50 per maand. In de maanden juli 2009, augustus 2009 en september 2009 werd aan [medeverdachte 1] een bedrag van respectievelijk € 1.044,03, € 1.010,61 en € 1.010,61 netto per maand uitgekeerd.3

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1], zijnde de partner van verdachte, een bijstandsuitkering ontving. De uitkering in de maanden juli tot en met september 2009 is nagenoeg ongewijzigd gebleven ten opzichte van de daaraan voorafgaande maanden. Aan de hand hiervan stelt de rechtbank ook vast dat er kennelijk geen wijzigingen ten aanzien van inkomsten op de maandelijks in te vullen rechtmatigheidsformulieren zijn vermeld.

Tijdens een op 5 november 2009 gehouden grootschalige controle, onder andere gericht op witwassen, werd [medeverdachte 1] staande gehouden. Hij reed op dat moment in een terreinauto BMW X5, met kenteken [XX-XX-XX]. [medeverdachte 1] verklaarde dat hij de auto van zijn neef had geleend. De auto stond sinds 21 april 2008 op naam van [medeverdachte 5], geboren op [geboortedatum 2]. De BMW werd in beslag genomen en doorzocht. In de auto trof de politie zes facturen aan van BMW-dealer “De Maassche BV”, die betrekking hadden op onderhoudsbeurten en/of reparaties aan de auto in de periode van 6 mei 2008 tot en met 9 juli 2009. Alle facturen stonden op naam van [medeverdachte 1].4

Medeverdachte [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij in de periode van 21 april 2008 tot 5 november 2009 een BMW op naam had. [medeverdachte 1] maakte gebruik van deze auto. De vaste kosten van de auto kreeg [medeverdachte 5] teruggestort op zijn rekening.5 Vanaf 23 mei 2008 werden van de bankrekening op naam van verdachte diverse bedragen overgeboekt naar de bankrekening ten name van [medeverdachte 5], onder vermelding van ‘[voornaam medeverdachte 1]’ of ‘velgen [voornaam medeverdachte 1]’. Blijkens de bankafschriften van verdachte werd op 28 juli 2009 tweemaal een bedrag van € 640,- en op 22 september 2009 eenmaal een bedrag van € 640,- overgemaakt naar [medeverdachte 5], onder vermelding van ‘[voornaam medeverdachte 1]’.6

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte en [medeverdachte 1] op 26 januari 2010 werden diverse bonnen en facturen aangetroffen. Een van deze facturen betrof een bedrag van € 70,34, op 1 september 2009 betaald aan “De Maassche BV” voor de reparatie van de BMW X5.7 Op 1 augustus 2009 werd voor een bedrag van € 78,19 getankt.8

In de BMW X5 werden op naam van [medeverdachte 1] twee rekeningen van respectievelijk 7 augustus 2009 en 10 september 2009 van “De Maassche BV” aangetroffen van in totaal

€ 308,20.9 De BMW X5 werd tijdens observaties op 27, 28 en 29 juli 2009 en op 6 en 12 augustus 2009 op de oprit en/of voor de deur bij de woning van [medeverdachte 1] gezien. Op 12 augustus 2009 werd bovendien gezien dat [medeverdachte 1] in de auto reed.10 Ook werd een op naam van [medeverdachte 1] gestelde factuur d.d. 23 april 2007 aangetroffen betreffende de aankoop van een X5, met kenteken [XX-XX-XX], met inruil van een Passat 1.9 TDI. Een bedrag van € 25.000,- moest worden bijbetaald, waarvan € 1.000,00 werd aanbetaald.11

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de BMW X5 feitelijk toebehoorde aan [medeverdachte 1].

Getuige [getuige 1], zijnde de vader van verdachte, heeft op 26 januari 2010 verklaard dat verdachte op dat moment al een kleine twee jaar bij [medeverdachte 1] op het adres [adres] woont.12

Op de bankrekening ten name van verdachte werden in de tenlastegelegde periode diverse bedragen contant gestort, en wel op 27 juli 2009 een bedrag van € 2.000,-, op 17 augustus 2009 € 1.025,70, op 25 augustus 2009 een bedrag van € 3.175,- en op 15 september 2009

€ 500,-.13

Uit de bankafschriften blijkt dat verdachte in de periode van 27 juli 2009 tot en met 30 september 2009geen inkomen ontving.14 Bij raadpleging van Suwinet (arbeid en uitkering) bleek dat zij sinds 31 mei 2007 geen inkomsten uit arbeid of anderszins heeft gehad.15

Op grond van de verklaring van getuige [getuige 1] (verdachtes vader) en op grond van de betalingen die verdachte namens [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 5] verrichtte, stelt de rechtbank vast dat verdachte in ieder geval sedert 23 mei 2008 samenwoonde met [medeverdachte 1] op het adres [adres]. De rechtbank stelt vast dat zij vanaf dat moment ook een gezamenlijke huishouding voerden, nu van de bankrekening van verdachte bedragen werden overgemaakt naar [medeverdachte 5] ten behoeve van een auto die feitelijk bij [medeverdachte 1] in gebruik was. Verdachte ontving geen inkomsten uit arbeid of anderszins, het kan dan ook niet anders dan dat in haar levensonderhoud werd voorzien door haar partner, zijnde medeverdachte [medeverdachte 1].

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat wanneer partners samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren, zij op de hoogte zijn van elkaars inkomenssituatie. Verdachte moet dan ook geweten hebben dat haar partner een bijstandsuitkering ontving. Met de hoogte van deze uitkering valt niet te rijmen dat gebruik werd gemaakt van een personenauto (BMW X5), die, zo blijkt uit de diverse aangetroffen facturen, zowel in aanschaf als in gebruik duur is. Op de bankrekening van verdachte werden regelmatig grote contante bedragen gestort. Zij heeft gedurende de tenlastegelegde periode echter geen inkomsten uit arbeid of anderszins gehad. Er moeten dan ook inkomsten zijn geweest buiten de uitkering van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] had deze inkomsten aan de uitkeringsinstantie moeten melden, maar heeft dat nagelaten. Door dit niet te doen heeft hij geen gegevens verstrekt die van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op dan wel de hoogte van de uitkering die hij genoot op grond van de Wwb. Ook verdachte kan worden verweten dat geen opgave werd gedaan van genoten inkomsten. Zij heeft daardoor geprofiteerd van de te hoog vastgestelde bijstandsuitkering van [medeverdachte 1]. Zij heeft verder niets gedaan om aan deze onrechtmatige situatie een einde te maken. Onder die omstandigheden kan zij als medepleger worden aangemerkt. De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 26 juli 2009 met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd.

[medeverdachte 1], zijnde de partner van verdachte, ontving vanaf 23 november 2007 een bijstandsuitkering naar de norm alleenstaande ouder met een gemeentelijke toeslag van 20%.16 Over de perioden van januari 2008 tot en met april 2008 vulde [medeverdachte 1] rechtmatigheidsformulieren in. Hierop heeft hij steeds aangekruist dat geen sprake was van inkomsten.17 Over de maanden mei 2008 en januari en juli 2009 vulde [medeverdachte 1] gegevensverklaringen Wwb in. Hierop heeft hij steeds aangekruist dat geen sprake was van inkomsten.18

De uitkering varieerde in de periode van januari 2008 tot en met juli 2009 van minimaal

€ 935,05 tot maximaal € 1.080,95 netto per maand.19

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] sedert 23 november 2007 een bijstandsuitkering ontving naar de norm alleenstaande ouder.

De uitkering is in de maanden januari 2008 tot en met juli 2009 nagenoeg ongewijzigd gebleven. Aan de hand hiervan stelt de rechtbank ook vast dat er kennelijk geen wijzigingen ten aanzien van inkomsten op de maandelijks in te vullen rechtmatigheidsformulieren of gegevensverklaringen Wwb zijn vermeld.

Getuige [getuige 1], de vader van verdachte, heeft op 26 januari 2010 verklaard dat zijn dochter al een kleine twee jaar bij [medeverdachte 1] op het adres [adres] woonde.20

Uit de bankafschriften van verdachte blijkt dat zij vanaf 19 maart 2008 tot 24 juni 2009 diverse betalingen heeft verricht voor [medeverdachte 1], waaronder verzekeringsgelden ad

€ 368,14 en aanschaf van velgen ad € 2.527,50. Daarnaast werd onder vermelding van ‘[voornaam medeverdachte 1]’ maandelijks een bedrag van € 400,00 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte 5].21

Op grond van de verklaring van getuige [getuige 1] en de bankafschriften van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode samenwoonde met medeverdachte [medeverdachte 1] in de woning aan de [adres]. De rechtbank stelt eveneens vast dat zij in die periode een gezamenlijke huishouding voerden. Dit blijkt onder meer uit de betalingen die zij voor [medeverdachte 1] verrichtte. Verdachte ontving geen inkomsten uit arbeid of anderszins, het kan dan ook niet anders dan dat in haar levensonderhoud werd voorzien door haar partner, zijnde [medeverdachte 1]. De rechtbank stelt vast, zoals onder feit 1 reeds overwogen, dat de termijn van samenwonen aanving op 23 mei 2008.

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij in de periode van 21 april 2008 tot 5 november 2009 een BMW op naam had. [medeverdachte 1] maakte gebruik van deze auto. De vaste kosten van deze auto kreeg hij teruggestort op zijn rekening.22 In de periode van 29 februari 2008 tot en met 5 mei 2009 heeft verdachte in totaal € 786,- betaald aan bekeuringen, die werden begaan met voornoemde auto.23

Bij de doorzoeking van de BMW X5 werden op naam van [medeverdachte 1] rekeningen van “De Maassche BV” aangetroffen, gedateerd 6 mei 2008, 22 december 2008, 6 februari 2009, 3 maart 2009, 3 april 2009 en 7 juli 2009, met een totaal bedrag van € 7.234,07.24

Medewerkers van de sociale recherche constateerden tijdens observaties, (onder andere) in de maand juli 2009, dat de BMW X5, met kenteken [XX-XX-XX], op de oprit van of op de stoep van de woning aan de [adres], zijnde de woning van [medeverdachte 1] en verdachte, stond.25 Ook werd een op naam van [medeverdachte 1] gestelde factuur d.d. 23 april 2007 aangetroffen betreffende de aankoop van een X5, met kenteken [XX-XX-XX], met inruil van een Passat 1.9 TDI. Een bedrag van € 25.000,- moest worden bijbetaald, waarvan € 1.000,00 werd aanbetaald.26

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de BMW X5 feitelijk toebehoorde aan [medeverdachte 1].

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] werden diverse facturen aangetroffen,27 waaronder een factuur van It’s. Bij dit bedrijf werd op 26 maart 2009 een Hifi-set met DVD gekocht ter waarde van € 1.002,60 (inclusief verwijderingsbijdrage). De factuur staat op naam van [medeverdachte 1], [adres]. Het bedrag werd contant betaald.28

Uit de bankafschriften blijkt dat verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 26 juli 2009geen inkomen ontving,29 met uitzondering van de maand februari 2008 (loon november 2007).30 Bij raadpleging van Suwinet (arbeid en uitkering) bleek dat verdachte sinds 31 mei 2007 geen inkomsten uit arbeid of anderszins heeft gehad.31

De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat [medeverdachte 1] in de periode van 1 januari 2008 tot en met 26 juli 2009, zijnde de tenlastegelegde periode, een bijstandsuitkering ontving van de gemeente Sittard-Geleen. In deze periode werden diverse uitgaven en kasstortingen gedaan die qua hoogte niet passen bij de financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde. Ook het bezit, en de daarbij horende (onderhouds)uitgaven van een BMW X5 passen niet bij deze situatie. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte en haar partner [medeverdachte 1] inkomsten hebben genoten in deze periode, niet zijnde inkomsten uit uitkering. [medeverdachte 1] vulde op de rechtmatigheidsformulieren in dat geen inkomsten werden genoten, hij ondertekende deze formulieren en zond ze terug naar de gemeente Sittard-Geleen. Hij heeft daardoor valsheid in geschrifte gepleegd.

Ook verdachte kan worden verweten dat er geen opgave werd gedaan van genoten inkomsten. Zoals hiervoor reeds overwogen acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat partners die samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren, op de hoogte zijn van elkaars inkomenssituatie. Verdachte voerde sedert 23 mei 2008 een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte 1]. Verdachte wist dan ook dat de hoge uitgaven van haar partner en haar geen gelijke tred hielden met de financiële situatie van een bijstandsgerechtigde. [medeverdachte 1] heeft in de tenlastegelegde periode geen inkomsten uit arbeid gehad. Gelet op de uitgaven moesten er echter andere inkomsten zijn dan alleen de inkomsten uit een uitkering. [medeverdachte 1] had deze inkomsten moeten melden. Ook verdachte kan worden verweten dat geen opgave werd gedaan van inkomsten. Zij heeft niets gedaan om aan deze onrechtmatige situatie een einde te maken, maar is blijven profiteren van de te hoog vastgestelde, op onjuiste gegevens gebaseerde uitkering. Onder die omstandigheden kan zij als medepleger worden aangemerkt. De periode waarin dit het geval was, ving - zoals hiervoor reeds door de rechtbank werd overwogen - aan op 23 mei 2008. De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3:

Onder feit 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij geld en goederen heeft witgewassen.

Op grond van hetgeen hiervoor onder feit 1 en 2 reeds is overwogen, kan worden vastgesteld dat verdachte samen met [medeverdachte 1] heeft nagelaten genoten inkomsten te melden en daarnaast valsheid in geschrifte heeft (mede)gepleegd, in de periode dat zij samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden. Die periode ving aan op 23 mei 2008, zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen. De rechtbank stelt ook vast dat indien de (aanzienlijke) inkomsten wel waren gemeld, de uitkering op zijn minst op een lager bedrag was vastgesteld. Verdachte heeft zich dus samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan strafbare feiten en daardoor heeft [medeverdachte 1] (deels) onterecht een uitkering ontvangen, waarvan verdachte op haar beurt heeft geprofiteerd. Er kan dan ook worden vastgesteld dat verdachte door te profiteren van de te hoog vastgestelde bijstandsuitkering van [medeverdachte 1] gelden uit misdrijf heeft verkregen. Daarnaast waren er uitgaven die niet pasten bij de financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde, hetgeen verdachte ook geweten moet hebben. Vaststaat ook dat verdachte in de tenlastegelegde periode geen legale inkomsten heeft genoten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Aan de hand van een kasopstelling, gemaakt over de periode van 1 januari 2002 tot en met 26 januari 2010, is geconstateerd dat in deze onderzoeksperiode de uitgaven de legale inkomsten ver overstijgen.32 Zoals hiervoor reeds werd overwogen onder de feiten 1 en 2 zijn er in de ten laste gelegde periode (1 januari 2008 tot en met 26 januari 2010) uitgaven geweest die niet passen bij de financiële situatie van een bijstandsgerechtigde, zoals de aanschaf van een Hifi set ad € 1.002,6033 en onderhouds- en reparatiekosten van de personenauto BMW X5 ad € 5.411,85.34

Op de bankrekening van verdachte werden in de tenlastegelegde periode bedragen gestort. Op 27 juli 2009 werd € 2.000,- gestort, op 17 augustus 2009 € 1.025,70, op 25 augustus 2009

€ 3.175,- en op 15 september 2009 € 500,-.35

Uit de bankafschriften blijkt dat verdachte in de periode van 27 juli 2009 tot en met 30 september 2009geen inkomen ontving.36 Bij raadpleging van Suwinet (arbeid en uitkering) bleek dat verdachte sinds 31 mei 2007 geen inkomsten uit arbeid of anderszins heeft gehad.37

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde uitgaven niet verklaard kunnen worden vanuit de legale inkomsten uit bijstandsuitkering die [medeverdachte 1] genoot. De rechtbank overweegt dat verdachte geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de hoge uitgaven en de grote stortingen op haar bankrekening, hetgeen wel van haar onder de gegeven omstandigheden verlangd kon worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat de inkomsten geen legale herkomst hebben en dus van criminele activiteiten afkomstig zijn. Van de gelden werden onder andere luxe goederen aangeschaft. De rechtbank acht feit 3 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4:

Onder feit 4 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander of anderen opzettelijk harddrugs aanwezig heeft gehad.

Op 26 januari 2010 werd de woning aan de [adres] doorzocht. In de woning werden aangehouden verdachte en [medeverdachte 1].38 Tijdens de doorzoeking werden vier qua vorm en uiterlijke verschijningsvorm op XTC gelijkende tabletten aangetroffen. Deze lagen in het keukenkastje van het keukenblok rechts naast het fornuis.39 De tabletten werden in beslag genomen en voor nader onderzoek naar het NFI gestuurd.40 Onderzoek door het NFI wees uit dat de tabletten MDMA bevatten.41

De rechtbank stelt vast dat vier tabletten van een materiaal bevattende MDMA in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] werden aangetroffen. De tabletten bevonden zich in een kastje dat voor de bewoners van het pand vrijelijk toegankelijk was en dat bijna dagelijks door de bewoners gebruikt moet zijn. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte wist dat de tabletten in haar woning lagen. Ditzelfde geldt ook voor haar partner, [medeverdachte 1]. Verdachte heeft dit feit dan ook samen met een ander gepleegd. Feit 4 kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 5:

Onder feit 5 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander een invalidenparkeerkaart en een toegangspas voor de binnenstad van Sittard heeft geheeld, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank acht het tenlastegelegde onder feit 5, evenals de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen. De kaarten werden immers in de BMW X5, in gebruik bij [medeverdachte 1], in beslag genomen. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist van de aanwezigheid van de kaarten in de auto van [medeverdachte 1]. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van feit 5.

Ten aanzien van feit 6:

Onder feit 6 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander elektriciteit en gas heeft gestolen.

Op 26 januari 2010 werd de woning aan de [adres] doorzocht, zijnde de woning van verdachte en [medeverdachte 1]. Tijdens de doorzoeking bleek dat mogelijk sprake was van diefstal van energie. In de garage werd een gasmeter aangetroffen met meternummer 10958029. Op de correcte plaats in de meterkast werd, naar later bleek, een Enexis gasmeter aangetroffen met gasmeternummer 93967101. Een medewerker van Enexis constateerde dat sprake was van diefstal van stroom, door middel van een illegale aansluiting op de onderzijde van de zekeringhouders en van diefstal van gas door middel van het gebruik van een tweede gasmeter.42

Nader onderzoek wees uit dat aan de onderzijde van een zekeringhouder een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om en voorzag de groep van de wasmachine en droger in de groepenkast van spanning.

Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de wasmachine en droger niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd.43 Op foto’s werd vastgelegd hoe in de meterkast een illegale elektriciteitsaansluiting werd afgetapt.44

De gasmeter van Enexis en de gasmeter die in de garage werd aangetroffen waren beide voorzien van teflon-tape om op deze wijze een gasdichte aansluiting te verkrijgen. Deze wijze van afdichting wordt nooit door medewerkers van Enexis toegepast en is dus door (een) derde(n) zonder toestemming van Enexis toegepast.

Op grond van het aantreffen van de situatie ter plaatse met betrekking tot de gasmeter en de elektriciteitsmeter en de constateringen van de medewerker van Enexis B.V., stelt de rechtbank vast dat gedurende de ten laste gelegde periode, die zoals hiervoor onder feit 1 en 2 door de rechtbank is overwogen, voor verdachte aanving op 23 mei 2008, elektriciteit en gas is gestolen. Gelet op de duur van de fraudeperiode en gelet op de omstandigheden zoals die ter plaatse werden geconstateerd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] op de hoogte waren van de diefstal van elektriciteit en gas. Het is namelijk niet aannemelijk dat verdachten niet op de hoogte waren, al was het maar omdat zij ieder jaar de meterstanden moesten doorgeven en daartoe de meters dienden te bekijken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander elektriciteit en gas heeft gestolen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

in het tijdvak van 27 juli 2009 tot en met 30 september 2009 in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], in strijd met een aan [medeverdachte 1] bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Wet werk en bijstand (Wwb), telkens opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij, verdachte, en [medeverdachte 1] wisten, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van eens anders recht op een verstrekking, te weten een Wwb-uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers hebben zij, verdachte, en [medeverdachte 1] aan de gemeente Sittard-Geleen telkens opzettelijk geen mededeling gedaan van alle, zakelijk weergegeven, door haar, verdachte, en/of [medeverdachte 1] genoten inkomsten;

2

in het tijdvak van 23 mei 2008 tot en met 26 juli 2009 in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander, telkens een aan [medeverdachte 1] ter uitvoering van de bij of krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb) gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Gegevensverklaring WWB en/of "Rechtmatigheidsonderzoek", zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk hebben opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte, en [medeverdachte 1] valselijk telkens

niet op dat formulier hebben opgegeven dat zij, verdachte, en/of [medeverdachte 1] in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven, inkomsten hebben genoten en hierin bestaande dat zij, verdachte, en [medeverdachte 1] valselijk telkens op dat formulier hebben opgegeven dat zij, verdachte, en/of [medeverdachte 1] in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven, geen inkomsten hebben genoten, en [medeverdachte 1] dat formulier telkens voor waar heeft ondertekend, een en ander telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3

in het tijdvak van 23 mei 2008 tot en met 26 januari 2010, in de gemeente Sittard-Geleen, hoeveelheden geld en goederen voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl zij wist dat die hoeveelheden geld en goederen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

4

op 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 4 tabletten van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

6

in de periode van 23 mei 2008 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit en gas, toebehorende aan Enexis B.V., waarbij verdachte en haar mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van in strijd met een bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van het recht op een verstrekking, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

witwassen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C,

van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 6:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te

nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de strafeis van de officier van justitie te hoog is. Hij heeft verzocht een taakstraf op te leggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte moeder is van een tweejarig kind. Verdachte heeft daarnaast een nagenoeg blanco strafblad. Ook dient rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen tot strafvermindering dient te leiden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft zich ruim één jaar lang schuldig gemaakt aan bijstandsfraude. Hierbij heeft zij samen gehandeld met haar partner [medeverdachte 1]. Hij ontving een bijstandsuitkering en diende daartoe maandelijks rechtmatigheidsformulieren of gegevensverklaringen in te vullen. Hierop werd steeds ingevuld dat er geen inkomsten werden genoten, hetgeen onjuist was. De rechtbank merkt hierbij op dat het niet gaat om inkomsten van geringe omvang, maar om inkomsten die verdachte en haar partner in staat stelden er een (zeer) luxe levensstijl op na te houden met hoge uitgaven. De inkomsten kunnen niet verklaard worden door legaal inkomen. Het kan niet anders dan dat deze inkomsten gegenereerd werden door middel van criminele activiteiten, waarbij kennelijk grote winsten werden behaald. Verdachte was hiervan op de hoogte en heeft geprofiteerd van deze inkomsten.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het witwassen van gelden en goederen. Terwijl verdachte en haar partner genoten van hun luxe levensstijl, ontving haar partner een bijstandsuitkering. Zonder enige gewetenswroeging heeft verdachte schaamteloos meegeprofiteerd van het sociale stelsel. Door aldus te handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat misbruik werd gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Een uitkering is bedoeld om mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen ondermijnt het sociale stelsel. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft zich daarnaast nog schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten. Zij had namelijk ook harddrugs in haar bezit en heeft elektriciteit en gas gestolen. Hierbij werd een gevaarzettende situatie gecreëerd, door op amateuristische wijze elektriciteit af te tappen en gas te leiden langs een andere gasmeter dan die door Enexis geregistreerd werd.

Verdachte heeft door het plegen van deze strafbare feiten een totaal gebrek aan normbesef getoond. Kennelijk vindt zij het de normaalste zaak van de wereld om op allerlei manieren de wet te overtreden enkel om er zelf beter van te worden.

In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte in een relatief korte periode heeft deelgenomen aan het plegen van de strafbare feiten. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 februari 2013 blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Het baart de rechtbank echter zorgen dat verdachte kennelijk met het nodige gemak is overgegaan tot het plegen van strafbare feiten en geen inzicht heeft getoond in het strafwaardige van haar gedrag. De rechtbank acht daarom een combinatie van straffen op zijn plaats. Enerzijds dient verdachte direct de gevolgen van haar strafwaardig gedrag in te zien. Anderzijds moet verdachte er in de toekomst van worden weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank acht daarom het opleggen van een taakstraf in de vorm van een werkstraf en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Deze combinatie van straffen doet voldoende recht aan de strafwaardigheid van het gedrag van verdachte. Gelet op het gemak waarmee verdachte de afgelopen jaren is overgegaan tot het plegen van strafbare feiten, acht de rechtbank een proeftijd van drie jaren op zijn plaats.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend.

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een onredelijke aan het openbaar ministerie toe te rekenen vertraging van de procesgang, waardoor sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft verzocht tot strafvermindering over te gaan.

De rechtbank dient allereerst vast te stellen of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstige voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. Met ingang van dit tijdstip dient de strafzaak binnen twee jaar inhoudelijk te zijn behandeld. In het onderhavige geval moet als aanvang van de termijn 26 januari 2010 worden aangehouden, nu op die dag een doorzoeking werd verricht in de woning van verdachte. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 25 en 26 februari 2013 en 23 oktober 2013. Dit betekent dat verdachte ruim 3,5 jaar in afwachting van haar strafproces is geweest. De rechtbank stelt dan ook vast dat de redelijke termijn met ruim 1,5 jaar is overschreden. Deze overschrijding kan niet aan de verdediging worden toegerekend en komt dan ook voor rekening van het openbaar ministerie. De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in de strafmaat verdisconteerd dient te worden. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (LJN BD2578) dient bij een overschrijding tot 6 maanden de straf met 5% verminderd te worden en bij een overschrijding van 6 tot 12 maanden met 10%. In de onderhavige strafzaak is sprake van een overschrijding van ruim 1,5 jaar. Uit de uitspraak van de Hoge Raad blijkt dat hij bedoeld heeft voor elk half jaar 5% in mindering te brengen op de straf. De rechtbank zal dan ook de straf verminderen met een percentage van 15%.

De rechtbank zal aldus aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 150 uren. De voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf blijft ongewijzigd. Datzelfde geldt ook voor de duur van de proeftijd.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering van de benadeelde partijen

In het strafproces heeft de gemeente Sittard-Geleen zich als benadeelde partij gevoegd met een bedrag van € 382.739,44 ten aanzien van de feiten 1 en 2.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeente Sittard-Geleen in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu er geen mandaatbesluit aan de vordering ten grondslag ligt.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen voor zover deze betrekking heeft op de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]. Voor het overige deel dient te benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu bij de vordering geen besluit van het College van burgemeester en wethouders met betrekking tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid is gevoegd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de gemeente Sittard-Geleen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Zij overweegt daartoe dat de vordering op 21 november 2011 is ingediend door een ambtenaar van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Sittard-Geleen. De gemeente Sittard-Geleen heeft verzuimd in deze vordering de machtiging van de burgemeester aan deze ambtenaar op te nemen. In een brief van 25 februari 2013 heeft het plaatsvervangend hoofd van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Sittard-Geleen, namens het College van Burgemeester en Wethouders, gemeld dat in het Mandaat-, volmacht en machtigingsbesluit Gemeente Sittard-Geleen 2013 de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen is opgedragen aan de clusterhoofden, en dat hij als zodanig de betreffende ambtenaar machtigt om het college van burgemeester en wethouders te vertegenwoordigen in onderhavige zaak. Nu laatstgemeld besluit niet aan het dossier is toegevoegd, en dit besluit dateert van het jaar 2013, terwijl de vordering is ingediend in november 2011, is de rechtbank niet bij machte om vast te stellen dat de betreffende ambtenaar, die het voegingsformulier heeft ondertekend, op de juiste manier was gemachtigd om de gemeente Sittard-Geleen in de onderhavige zaak in rechte te vertegenwoordigen.

8 Het beslag

De officier van justitie heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting nagelaten een beslissing te vorderen op grond van de beslaglijst. De rechtbank zal dan ook geen beslissingen nemen ten aanzien van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225, 227b, 310, 311 en 420bis van het wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 5 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaren de algemene voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van 2 uren per dag;

Benadeelde partij

  • -

    verklaart de benadeelde partij Gemeente Sittard-Geleen, afdeling Werk en Inkomen, Rijksweg Zuid 26, 6131 AP Sittard, in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij Gemeente Sittard-Geleen, afdeling Werk en Inkomen, in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. L.P. Bosma en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 november 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks het tijdvak van 27 juli 2009 tot en met 30 september 2009 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], althans alleen, in strijd met een haar, verdachte en/of [medeverdachte 1] bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Algemene Bijstandswet (Abw) en/of Wet Werk en Bijstand (WWB), (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij, verdachte en/of [medeverdachte 1] wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een Abw-uitkering en/of een WWB-uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], aan de gemeente Sittard-Geleen (telkens) opzettelijk geen mededeling gedaan van (alle), zakelijk weergegeven,

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], verrichte werkzaamheden en/of

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], genoten inkomsten;

of

voor de gemeente Sittard-Geleen (telkens) opzettelijk (alle), zakelijk weergegeven,

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], verrichte werkzaamheden en/of

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], genoten inkomsten,

verzwegen;

2.

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 26 juli 2009 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tesamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een haar, verdachte en/of [medeverdachte 1] ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet (Abw) en/of de Wet Werk en Bijstand (WWB) gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Gegevensverklaring WWB en/of "Rechtmatigheidsonderzoek", zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], valselijk (telkens)

niet op dat formulier heeft/hebben opgegeven dat zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

-werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of inkomsten heeft/hebben genoten en/of

hierin bestaande dat zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], valselijk (telkens) op dat formulier heeft/hebben opgegeven dat zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

-geen werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of geen inkomsten heeft/hebben genoten

en (vervolgens) dat formulier (telkens) voor waar heeft/hebben ondertekend, een en ander (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 26 januari 2010, in de gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, (een) meer(dere) voorwerp(en), te weten (een) hoeveelheid/hoeveelheden geld (van ongeveer 177.347,00 euro) en/of (enig) andere(e) goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten (een) hoeveelheid/hoeveelheden geld en/of (enig) ander(e) goed(eren) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

zij op of omstreeks 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA (=MDEA) en amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

zij in of omstreeks het tijdvak van 8 april 2008 tot en met 5 november 2009 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een invalidenparkeerkaart, op naam gesteld van [naam 2], en/of een toegangspas voor de binnenstad Sittard, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 8 april 2008 tot en met 5 november 2009 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een invalidenparkeerkaart, op naam gesteld van [naam 2], en/of een toegangspas voor de binnenstad Sittard, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde invalidenparkeerkaart, op naam gesteld van [naam 2], en/of een toegangspas voor de binnenstad Sittard, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 8 april 2008 tot en met 5 november 2009 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een invalidenparkeerkaart, op naam gesteld van [naam 2], en/of een toegangspas voor de binnenstad Sittard, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam 2] en/of aan de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of haar mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten door vondst en/of schenking, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

6.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 8282 kWh elektriciteit en/of 4364 m3 gas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/703623-09

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 6 november 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

wonende te [adres].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman: mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te [geboorteplaats].

1 Wanneer met betrekking tot de zaak met dit parketnummer hierna wordt verwezen naar met paginanummer aangeduide delen uit processen-verbaal en andere stukken betreft dit de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, behorende bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Kerkrade en Sittard-Geleen, Regio Limburg-Zuid, Gemeente Kerkrade en Sittard-Geleen, met proces-verbaalnummer 400021822 d.d. 3 mei 2011.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2009, pagina 1099.

3 De geschriften, te weten bankafschriften van [medeverdachte 1], pagina 1520 tot en met 1534.

4 Proces-verbaal van inbeslagname en onderzoek d.d. 28 september 2010, pagina 5045 in combinatie met de geschriften, te weten facturen van De Maassche BV, pagina 5048 tot en met 5056, alsmede kennisgeving van inbeslagneming auto d.d. 5 november 2009, ongenummerd opgenomen in het dossier in hoofdstuk 12.1 (klapper XXI).

5 Proces-verbaal van getuigenverhoor van [medeverdachte 5] bij de rechter-commissaris d.d. 12 maart 2012, niet doorgenummerd.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2009, pagina 1207 en 1208.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 januari 2011, pagina 4906, met bijlage 4.5, pagina 4939.

8 Het geschrift, te weten een bankafschrift, pagina 4861.

9 Proces-verbaal van inbeslagname en onderzoek d.d. 28 september 2010, pagina 5046. in combinatie met de geschriften, te weten twee facturen van De Maassche BV, pagina 4936 en 4937.

10 Proces-verbaal van bevindingen van observatie d.d. 12 augustus 2009, pagina 156 tot en met 158.

11 Het geschrift, te weten een factuur van Imex Cars en Trading d.d. 3 april 2007, pagina 4919.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 26 januari 2010, pagina 713.

13 Het geschrift, te weten een bankafschrift d.d. 18 augustus 2009, pagina 1416 en 1417.

14 De geschriften, te weten bankafschriften, pagina 4872 en 4873.

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2009, pagina 1204.

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2009, pagina 1099.

17 De geschriften, te weten rechtmatigheidsformulieren, pagina 380 tot en met 383 van dossiernummer 6.

18 De geschriften, te weten gegevensverklaringen Wwb, nagekomen stukken naar aanleiding van heropening onderzoek, niet doorgenummerd.

19 De geschriften, te weten bankafschriften van [medeverdachte 1], pagina 1520 tot en met 1534.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 26 januari 2010, pagina 713.

21 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2009, pagina 1207 en 1208 in combinatie met het geschrift, te weten een bankafschrift, pagina 1226 tot en met 1237 en 1414.

22 Proces-verbaal van getuigenverhoor van [medeverdachte 5] bij de rechter-commissaris d.d. 12 maart 2012, niet doorgenummerd.

23 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2009, pagina 1207 en 1208.

24 Proces-verbaal van inbeslagname en onderzoek d.d. 28 september 2010, pagina 5046. in combinatie met de geschriften, te weten twee facturen van De Maassche BV, pagina 4936 en 4937.

25 Processen-verbaal van bevindingen d.d. 24 juli 2009, pagina 142 en 143 en d.d. 12 augustus 2009, pagina 156 tot en met 158.

26 Het geschrift, te weten een factuur van Imex Cars en Trading d.d. 3 april 2007, pagina 4919.

27 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2010, pagina 2734.

28 Het geschrift, te weten een factuur van It’s. d.d. 26 maart 2009, pagina 4015.

29 De geschriften, te weten bankafschriften, pagina 4863 tot en met 4872.

30 Het geschrift, te weten een bankafschrift, pagina 1224.

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2009, pagina 1204.

32 Proces-verbaal bureau financiële recherche (kasopstelling) d.d. 9 februari 2011, pagina 4785.

33 Het geschrift, te weten een factuur van It’s. d.d. 26 maart 2009, pagina 4015.

34 Proces-verbaal van inbeslagname en onderzoek d.d. 28 september 2010, pagina 5046. in combinatie met de geschriften, te weten facturen van De Maassche BV, pagina 4925, 4927, 4928, 4930, 4931, 4934, 4936 en 4937.

35 Het geschrift, te weten een bankafschrift d.d. 18 augustus 2009, pagina 1416 en 1417.

36 De geschriften, te weten bankafschriften, pagina 4872 en 4873.

37 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2009, pagina 1204.

38 Proces-verbaal verslag van binnentreden woning d.d. 26 januari 2010, pagina 2324 en 2325.

39 Proces-verbaal aantreffen XTC tabletten d.d. 29 januari 2010, pagina 5905g.

40 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d,d, 27 januari 2010, niet doorgenummerd en proces-verbaal van aanvraag standaardonderzoek NFI d.d. 27 januari 2010, niet doorgenummerd.

41 Het geschrift, te weten het rapport van het NFI d.d. 24 februari 2010, pagina 5905i.

42 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2010, pagina 6057 in combinatie met proces-verbaal verslag van binnentreden woning d.d. 26 januari 2010, pagina 2324 en 2325.

43 Het geschrift, te weten de aangifte van Enexis B.V. d.d. 11 februari 2010, pagina 6060 tot en met 6062.

44 Het geschrift, te weten foto’s bij de aangifte van Enexis B.V. d.d. 11 februari 2010, pagina 6071 en 6079.