Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8485

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
03/700218-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Live”: Veroordelingen wegens (onder andere) langdurige bijstandsfraude en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700218-11

Datum uitspraak: 6 november 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] .

Raadsman is mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25 en 26 februari 2013, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 6 maart 2013 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten. Op 20 maart 2013 werd de heropening van het onderzoek ter terechtzitting bevolen. De zaak is daarna inhoudelijk behandeld op 23 oktober 2013, waarbij de officier van justitie en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte twee personenauto’s heeft witgewassen, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze personenauto’s uit misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank merkt op dat zij kennelijke schrijffouten in de dagvaarding herstelt, aangezien dit mogelijk is zonder dat verdachte daardoor in haar verdediging wordt geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de beide personenauto’s weliswaar op naam van verdachte stonden, maar dat deze in werkelijkheid toebehoorden aan haar zus [medeverdachte 1] en dier partner [medeverdachte 2] . De officier van justitie heeft in dat kader verwezen naar onderhoudsnota’s die niet door verdachte zijn voldaan en naar een verklaring van inruil die door [medeverdachte 1] in plaats van door verdachte werd getekend. Nu [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op dat moment een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand ontvingen, konden zij zich geen dure auto’s veroorloven. De gelden voor de aankoop, het onderhoud, verzekering en wegenbelasting van de auto’s kunnen dan ook niet anders dan uit misdrijf zijn verkregen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair en het subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de betreffende personenauto’s uit misdrijf afkomstig waren. Deze behoorden in eigendom toe aan verdachte. Familieleden mochten gebruik maken van de auto’s. Uit de aangetroffen nota’s is niet gebleken dat deze door [medeverdachte 1] betaald zijn. Dat [medeverdachte 1] tekende voor de inruil van een auto kan volgens de raadsman worden verklaard uit het feit dat verdachte die bewuste dag moest werken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op 5 maart 2008 ontving de sociale recherche van de gemeente Kerkrade een anonieme melding betreffende [medeverdachte 2] . In deze melding werd aangegeven dat [medeverdachte 2] bij haar vader stond ingeschreven, maar feitelijk al ruim twee jaar bij [medeverdachte 1] in Sittard woonde. Ook werd vermeld dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vier keer per jaar op vakantie gingen. Na raadpleging van de uitkeringssystemen bleek dat [medeverdachte 2] een bijstandsuitkering ontving van de gemeente Kerkrade als alleenstaande kostganger. [medeverdachte 1] ontving een bijstandsuitkering van de gemeente Sittard-Geleen als alleenstaande. Vervolgens werd een uitgebreid onderzoek gestart naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , waarbij verschillende inlichtingen werden ingewonnen. Uiteindelijk ging de sociale recherche over tot observaties nabij de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 2] .

De observaties vonden plaats in de periode van 11 maart 2009 tot 19 november 2009. Waargenomen werd dat een personenauto van het merk BMW, type 323CI Coupé, met kenteken [XX-XX-XX 1] , geparkeerd stond aan de overkant of aan de achterkant van de woning aan de [adres 2] , dat door [medeverdachte 1] met deze BMW boodschappen werden gedaan en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ieder afzonderlijk maar ook samen in deze auto reden.2

Verdachte stond vanaf 1 juli 2006 tot 5 mei 2009 en van 1 juli 2009 tot 9 juni 2010 ingeschreven op het adres [adres 2] . Tussen 5 mei 2009 en 1 juli 2009 was verdachte ingeschreven op het adres [adres 3] .3

Sedert 31 januari 2008 stond de auto op naam van [verdachte] , zijnde verdachte.4

In het verleden stond deze auto op naam van [getuige 1] . [getuige 1] was de schoonvader van [medeverdachte 3] , die een broer van [medeverdachte 1] is.5 Op de verkoopfactuur staat vermeld dat [getuige 1] de auto aanschafte voor een bedrag van € 32.450,-.6 Op het kentekenbewijs van de BMW is met de hand geschreven: “Ontv. kontant 12/7 ‘02

32.450,=”.7 [getuige 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij de BMW, met kenteken [XX-XX-XX 1] , nooit heeft gezien en deze enkel voor iemand van de familie [medeverdachte 1] op zijn naam had staan. Hij wist niet wat de auto destijds gekost had, wie de auto had betaald en door wie de auto werd gebruikt. De boetes werden door hem betaald.8

Daarna kwam de auto op naam te staan van [getuige 2] .9 [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij de auto nooit had gekocht, maar dat hij deze enkel op naam had staan voor [medeverdachte 1] . Zij had hem dat gevraagd. Hij had daar toen tussen de 50 of 150 euro voor gekregen. De boetes, verzekeringspremies en wegenbelasting werden steeds contant door [medeverdachte 1] aan hem terugbetaald.10

In de periode van 2 juni 2006 tot 18 oktober 2006 stond de auto op naam van [medeverdachte 1] .11 [medeverdachte 1] vroeg op 24 oktober 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand aan bij het CWI, die zij met ingang van 13 november 2006 ontving.12

De auto werd op 18 oktober 2006 verkocht aan de heer [getuige 3] . Hij kocht de auto voor ongeveer € 9.000,00 van [medeverdachte 1] , die hij al zo’n 12 jaar kende van het sporten. [getuige 3] en [medeverdachte 1] trainden beiden bij sportschool Jego Gym te Sittard.13 [getuige 3] verkocht de auto op 31 januari 2008 voor € 6.000,00 aan [verdachte] .14

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de BMW destijds kocht van [getuige 3] , die zij kende van de sportschool waar zij ook trainde.15

Tijdens een doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan de [adres 2] werden diverse bescheiden aangetroffen die betrekking hebben op de BMW, zoals betalingsstrookjes van acceptgiro’s van de belastingdienst betreffende belasting die betaald is over diverse maanden gelegen in de periode 31 januari 2008 tot en met 27 februari 2010. Op enkele van die strookjes is met de hand bijgeschreven: “27-2-2008 [voornaam verdachte] ”, “ [voornaam verdachte] betaald” of “ [voornaam verdachte] betaald 2-12-2008”. Voorts werden betalingsstrookjes van acceptgiro’s van [assurantiekantoor] uit 2007 aangetroffen, alsmede een kentekenbewijs deel 1 en 2 op naam van [getuige 3] . Uit inzage van een aangetroffen agenda op naam van [medeverdachte 2] blijkt dat hierin op 3 maart 2009 is geschreven: “ [voornaam verdachte] € 175,00 betaald voor belasting auto. Periode 28 feb t/m 27 mei”.16

Op een factuur d.d. 22 januari 2008, gericht aan [medeverdachte 1] , [adres 4] en afkomstig van [Autobedrijf 1] staat vermeld dat aan de auto, BMW 323Ci Coupé, met kenteken [XX-XX-XX 1] , diverse reparaties werden verricht voor een bedrag van € 510,14.17

Het adres [adres 4] betreft het voormalige woonadres van [medeverdachte 1] .18 Uit een nota d.d. 23 mei 2008 van [autobedrijf 2] , gericht aan mevrouw [medeverdachte 1] , [adres 2] , blijkt dat de BMW voor onderhoud in de werkplaats van dit autobedrijf is geweest en dat toen voor een bedrag van € 1.100,00 is gefactureerd.19

Op 30 december 2009 werd de BMW blijkens de inkoopfactuur door [verdachte] , [adres 2] , verkocht aan [autobedrijf 3] voor een bedrag van € 3.750,-. De betaling vond contant plaats. Op de inkoopfactuur staat onder “handtekening verkoper” een handtekening van “ [medeverdachte 1] ”.20 De rechtbank constateert dat deze handtekening erg veel lijkt op de handtekening van [medeverdachte 1] , die is vermeld in haar paspoort.21

Vervolgens werd op dezelfde dag bij hetzelfde bedrijf blijkens een verkoopfactuur aan [verdachte] , [adres 2] , een Audi Allroad, gekentekend [XX-XX-XX 2] , verkocht. De verkoopprijs bedroeg € 8.000,-. Dit bedrag werd contant betaald.22 De auto stond van 30 december 2009 tot 7 januari 2010 op naam van verdachtes echtgenoot [echtgenoot verdachte] . Vanaf 7 januari 2010 stond de auto op naam van verdachte. Op 13 januari 2010 werd waargenomen dat de Audi Allroad geparkeerd stond voor de woning [adres 2] terwijl verdachte op dat moment in een andere auto reed. Op 17 januari 2010 werd waargenomen dat [medeverdachte 1] in deze Audi reed.23

De Audi Allroad met kenteken [XX-XX-XX 2] werd op 26 januari 2010 in beslag genomen in de straat achter de woning [adres 2] .24 Bij een doorzoeking in deze auto werd onder andere een deelnemerskaart voor de Zuid Nederlandse Kampioenschappen op naam van [medeverdachte 1] aangetroffen.25

De rechtbank overweegt dat in het maatschappelijk verkeer de gebruiker van een auto wordt vermoed de eigenaar van dat voertuig te zijn. Vanzelfsprekend vallen de eigendom en het gebruik van een voertuig niet altijd samen. In dat geval zal sprake zijn van een bepaalde (rechts)verhouding tussen de eigenaar en de gebruiker. Daarbij kan gedacht worden aan een rechtsverhouding op basis van een leaseovereenkomst, of aan bruikleen op grond van vriendschaps- of familiebanden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte achtereenvolgens een BMW 323i en een Audi Allroad op haar naam heeft gehad. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij beide auto’s heeft gekocht en betaald. Aangezien zij de auto niet vaak nodig had, werd deze op die momenten uitgeleend aan haar zus [medeverdachte 1] en haar vriendin. Het uitlenen van haar auto zag zij - zo begrijpt de rechtbank - als vanzelfsprekend, nu het familie betreft.

In het onderhavige geval ging het naar het oordeel van de rechtbank echter verder dan slechts het uitlenen van de auto. Verdachtes verklaring dient dan ook als ongeloofwaardig terzijde gesteld te worden. De rechtbank stelt namelijk op grond van de hiervoor beschreven observaties en het aantreffen van diverse schriftelijke bescheiden in de woning van [medeverdachte 1] vast, dat de BMW niet alleen veelvuldig bij laatstgenoemde in gebruik was, maar dat [medeverdachte 1] ook betalingen verrichtte die betrekking hadden op deze auto. Daarnaast werden aan verdachte bedragen vergoed die betrekking hadden op betaalde wegenbelasting. [medeverdachte 1] heeft eind 2009 de BMW ingeruild voor de Audi Allroad, waarvan blijkt uit de door haar getekende inkoopfactuur en de verkoopfactuur van [autobedrijf 3] .

De rechtbank stelt dan ook op grond van het voorgaande vast dat beide auto’s niet toebehoorden aan verdachte, maar aan haar zus [medeverdachte 1] . De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt door het feit dat de BMW in het verleden ook op andermans naam heeft gestaan. De kentekenhouders waren steeds kennissen van [medeverdachte 1] of van haar familie. [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij de BMW enkel op naam hadden, maar dat de auto feitelijk toebehoorde aan iemand anders. Hierbij noemt [getuige 2] specifiek [medeverdachte 1] . De rechtbank stelt dan ook vast dat deze auto in het verleden (voorafgaand aan de tenlastegelegde periode) op naam van anderen werd gezet, maar ook toen feitelijk toebehoorde aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft de BMW ook zelf kort op haar naam laten stellen. Opvallend daarbij is dat de auto kort voor het aanvragen van een bijstandsuitkering op naam van iemand anders werd gesteld. De rechtbank maakt hieruit op dat [medeverdachte 1] kennelijk de auto op naam van een ander heeft laten stellen, om vermogen uit zicht te houden in verband met het toekennen van een bijstandsuitkering. Het betreft namelijk een te dure auto voor Maria Verheijens uitkeringspositie. De auto zou toen gekocht zijn door een bekende van [medeverdachte 1] , te weten [getuige 3] . De rechtbank stelt echter vast dat de kentekenbewijsdelen 1 en 2 werden aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] . Indien de auto daadwerkelijk aan [getuige 3] toebehoorde, zouden deze delen niet in de woning van [medeverdachte 1] liggen. Vanaf 31 januari 2008 werd de auto op naam gezet van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat dit slechts eens fictieve overschrijving was en het feitelijke bezit steeds in handen van [medeverdachte 1] bleef.

Hetzelfde kan vastgesteld worden ten aanzien van het bezit van de Audi Allroad. [medeverdachte 1] werd in deze Audi gezien, de auto werd in de nabijheid van haar woning in beslag genomen en er werden ook persoonlijke spullen van [medeverdachte 1] in deze Audi aangetroffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij deze Audi Allroad dezelfde constructie werd gebruikt als bij de BMW 323Ci.

De rechtbank overweegt verder dat verdachte, als zus van [medeverdachte 1] , moet hebben geweten van de inkomenspositie van haar zus, nu zij gedurende langere tijd op hetzelfde adres als haar zus woonde. Verdachte moet dan ook hebben geweten dat de uitgaven aan dergelijke luxe auto’s niet bekostigd kunnen worden uit slechts een bijstandsuitkering, die [medeverdachte 1] in een deel van de tenlastegelegde periode genoot. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte zich gerealiseerd moet hebben dat het op haar naam stellen van voormelde luxe auto’s geen ander doel heeft gediend dan het op enigerlei wijze maskeren van de werkelijke niet-legale herkomst van de geldelijke middelen voor de betrokken auto’s.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn van dien aard dat zij het vermoeden van witwassen zondermeer rechtvaardigen. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande haar handelen met betrekking tot voormelde auto’s.

Verdachte heeft gedurende het politieonderzoek gezwegen, eerst ter terechtzitting heeft zij verklaard dat zij de auto wel eens uitleende aan haar zus omdat zij de auto niet altijd zelf nodig had. Die stelling is door verdachte echter op geen enkele wijze onderbouwd. Uit het dossier blijkt, zoals hiervoor reeds weergegeven, juist het tegendeel.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de voor de aanschaf, verzekering, wegenbelasting of het onderhoud van de betreffende auto’s door verdachte gebruikte gelden een misdadige herkomst hebben gehad, dat hierdoor de werkelijke herkomst van de daarvoor gebruikte gelden is verhuld dan wel verborgen en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank kan het primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in het tijdvak van 31 januari 2008 tot en met 26 februari 2010, in Nederland, van een personenauto, Audi Allroad, gekentekend [XX-XX-XX 2] , en van een personenauto, BMW 323CI Coupé, gekentekend [XX-XX-XX 1] , heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen was, te weten [medeverdachte 1] , door in voormelde periode die Audi Allroad, gekentekend [XX-XX-XX 2] , en die BMW 323CI Coupé, gekentekend [XX-XX-XX 1] , op haar naam te zetten, terwijl zij wist dat die Audi Allroad en die BMW aan [medeverdachte 1] toebehoorden, en zulks terwijl zij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

(primair)

witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafoplegging.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.



De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen worden gedaan met vermeend legaal geld. Daardoor wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstige schade toegebracht. Verdachte moet zich dan ook realiseren dat haar gedrag niet getolereerd kan worden.

In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat niet is gebleken dat zij zelf enig voordeel heeft genoten voor het op haar naam stellen van de beide personenauto’s. Voorts blijkt uit het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 februari 2013 dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht dan ook het opleggen van een taakstraf in de vorm van een werkstraf op zijn plaats, nu deze straf voldoende recht doet aan de strafwaardigheid van het gedrag van verdachte.

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op 26 januari 2010 is verdachte aangehouden, in verzekering gesteld en bij de politie als verdachte gehoord. Vanaf dat moment heeft zij redelijkerwijs kunnen verwachten dat tegen haar een strafvervolging zou worden ingesteld zodat de termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM op die dag is aangevangen. In beginsel dient binnen twee jaar in eerste aanleg een vonnis te volgen. Dat is hier niet het geval, want na eerdere terechtzittingen wordt thans ruim drie en een half jaar na aanvang van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn uitspraak gedaan. De oorzaak van deze overschrijding is gelegen in de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie getalmd heeft met het verstrekken van het volledige dossier aan de raadslieden van de medeverdachten en is niet aan verdachte te wijten. Nu de rechtbank aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van minder dan 100 uren zal opleggen, zal - ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (LJN BD2578) - bij de straftoemeting echter niet in strafverminderende zin rekening met deze overschrijding van de redelijke termijn rekening worden gehouden, maar volstaat de rechtbank met het constateren van deze overschrijding.



Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, opleggen.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van 2 uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. L.P. Bosma en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 november 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks het tijdvak van 31 januari 2008 tot en met 26 februari 2010, in de gemeente Gouda, althans in Nederland, van meerdere, althans, een voorwerp, te weten een personenauto, Audi Allroad, gekentekend [XX-XX-XX 2] , en/of een personenauto, BMW 323CI Coupé, gekentekend [XX-XX-XX 1] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , en/of wie bovenomschreven voorwerp, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , voorhanden had, door in voormelde periode die Audi Allroad, gekentekend

[XX-XX-XX 2] , en/of die BMW 323CI Coupé, gekentekend [XX-XX-XX 1] , op haar naam te zetten, terwijl zij wist dat die Audi Allroad en/of die BMW aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , in elk geval aan een ander, toebehoorde, zulks terwijl zij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 31 januari 2008 tot en met 26 februari 2010, in de gemeente Gouda, althans in Nederland, van meerdere, althans een voorwerp, te weten een personenauto, Audi Allroad, gekentekend [XX-XX-XX 2] , en/of een personenauto, BMW 323CI Coupé, gekentekend [XX-XX-XX 1] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , en/of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , door in voormelde periode die Audi Allroad, gekentekend [XX-XX-XX 2] , en/of die BMW 323CI Coupé, gekentekend [XX-XX-XX 1] , op haar naam te zetten, terwijl zij wist dat die Audi Allroad en/of die BMW aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , in elk geval aan een ander, toebehoorde, zulks terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700218-11

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 6 november 2013 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] .

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Sittard.

1 Wanneer met betrekking tot de zaak met dit parketnummer hierna wordt verwezen naar met paginanummer aangeduide delen uit processen-verbaal en andere stukken betreft dit de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, behorende bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Kerkrade en Sittard-Geleen, Regio Limburg-Zuid, Gemeente Kerkrade en Sittard-Geleen, met proces-verbaalnummer 400021822 d.d. 3 mei 2011.

2 Processen-verbaal van bevindingen d.d. 17 mei 2009, pagina 118 tot en met 120, d.d. 25 april 2009, pagina 125 en 126, d.d. 29 april 2009, pagina 131 en 132, d.d. 19 mei 2009, pagina 135 en 136, d.d. 24 juli 2009, pagina 139 en 143, d.d. 31 augustus 2009, pagina 161 en d.d. 4 december 2009, pagina 188. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2009, pagina 2273. Mutatierapport d.d. 15 september 2009, pagina 5838.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2010, pagina 2259.

4 Het geschrift, te weten een kopie van het kentekenbewijs, pagina 5829.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2010, pagina 2259 en het geschrift, te weten een kopie van het kentekenbewijs d.d. 12 juli 2002, pagina 2269.

6 Het geschrift, te weten een verkoopfactuur d.d. 12 juli 2002, pagina 5634.

7 Het geschrift, te weten een kopie van het kentekenbewijs ten name van [getuige 1] , pagina 2269.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 12 juli 2010, pagina 5632.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2010, pagina 2259 en het geschrift, te weten de list bevraging levenscyclus motorvoertuig, pagina 5830.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 9 juli 2010, pagina 5630b.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2010, pagina 2259 en het geschrift, te weten de list bevraging levenscyclus motorvoertuig, pagina 5830.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2009, pagina 1749.

13 Het geschrift, te weten printscreens van de webpagina van JEGO Gym te Sittard, d.d. 10 november 2010, pagina 5629.

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2010, pagina 2259, het geschrift, te weten de list bevraging levenscyclus motorvoertuig, pagina 5830 en proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] door de rechter-commissaris op 14 maart 2012, ongenummerd toegevoegd aan het dossier.

15 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 25 februari 2013 afgelegd.

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2010, pagina 2261 en 2262 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2010, pagina’s 2335 met als bijlagen de geschriften op de pagina’s 2526, 2546, 2570 en 2571, 2577 t/m 2579, alsmede 2582 en 2583.

17 Het geschrift, te weten een factuur van Autobedrijf [Autobedrijf 1] d.d. 22 januari 2008, pagina 2389.

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2009, pagina 199.

19 Het geschrift, te weten een factuur van [autobedrijf 2] d.d. 23 mei 2008, pagina 5643 en 5644.

20 Het geschrift, te weten een inkoopfactuur d.d. 30 december 2009, pagina 2271.

21 Het geschrift, te weten een kopie van het paspoort van [medeverdachte 1] , pagina 2533.

22 Het geschrift, te weten een verkoopfactuur d.d. 30 december 2009, pagina 2270.

23 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2010, pagina 2262.

24 Het geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, volgnummer 49 d.d. 24 februari 2010, niet doorgenummerd, opgenomen in hoofdstuk 12 (klapper XXI) van het dossier, alsmede het geschrift, te weten de overzichtslijst IBN pand A versie2.xls, pagina 2902.

25 Proces-verbaal van doorzoeking d.d. 28 oktober 2010, pagina 4121 en 4123.