Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8484

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
03/703046-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Live”: Veroordelingen wegens (onder andere) langdurige bijstandsfraude en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/703046-09

Datum uitspraak: 6 november 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres 1].

Raadsman is mr. L. Rinsma, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25 en 26 februari 2013, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 6 maart 2013 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten. Op 20 maart 2013 werd de heropening van het onderzoek ter terechtzitting bevolen. De zaak is daarna inhoudelijk behandeld op 23 oktober 2013, waarbij de officier van justitie en mr. S.F.J. Bergmans, namens de raadsman van verdachte, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet samen met [medeverdachte 1] bijstandsfraude heeft gepleegd door opzettelijk na te laten de instantie waarvan zij en/of [medeverdachte 1] een uitkering kreeg in kennis te stellen van de werkzaamheden die zij en/of [medeverdachte 1] verrichte en/of van de inkomsten die zij en/of [medeverdachte 1] genoot;

feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd;

feit 3: geld en goederen heeft witgewassen;

feit 4: al dan niet samen met een ander wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

feit 5: al dan niet samen met een ander of anderen een boksbeugel en een klapmes voorhanden heeft gehad;

feit 6: al dan niet samen met een ander of anderen harddrugs aanwezig heeft gehad;

feit 7: al dan niet samen met een ander of anderen zich heeft schuldig gemaakt aan opzetheling dan wel schuldheling van invalidenparkeerkaarten dan wel invalidenparkeerkaarten heeft verduisterd;

feit 8: al dan niet samen met een ander of anderen elektriciteit en gas heeft gestolen.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op - kort gezegd - de volgende punten, al dan niet in onderlinge samenhang bezien:

  • -

    overschrijding van de redelijke termijn;

  • -

    onrechtmatigheden tijdens de start van het onderzoek, te weten het verrichten van grootschalig c.q. diepgaand persoonsgericht onderzoek zonder dat op dat moment sprake was van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv), het onterecht gebruik maken van controlebevoegdheden in het kader van het bestuursrecht teneinde strafbare feiten op te sporen (détournement de pouvoir) en het verrichten van een persoonsgericht onderzoek zonder wettelijke grondslag (artikel 2 Politiewet is niet toereikend);

  • -

    het zonder rechtmatige grond verstrekken van vertrouwelijke gegevens uit het strafdossier aan derden;

  • -

    het informeren van de media door het openbaar ministerie.

Op basis van het voorgaande kan volgens de verdediging worden gesteld dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde en een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, waardoor aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging nog aangevoerd dat het openbaar ministerie niet- ontvankelijk dient te worden verklaard, nu in de tenlastegelegde periode aan verdachte reeds een bestuurlijke sanctie is opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. Deze bestuurlijke sanctie dient te worden gezien als straf en derhalve als een zogenaamde ‘criminal charge’. Oplegging van een strafrechtelijke sanctie over dezelfde periode, eveneens een 'criminal charge’, is dan ook in strijd met het ‘ne bis in idem’-beginsel.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen redenen zijn om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Er is geen sprake van misleiding, enkel is op enig moment overgegaan tot een strafrechtelijk onderzoek.

De officier van justitie heeft verder aangevoerd dat een bestuurlijke boete de oplegging van een strafrechtelijke sanctie niet uitsluit. Hij bestrijdt dat er sprake is van een straf en dus van een ‘criminal charge’, wanneer in het kader van de schending van de inlichtingenplicht een bestuursrechtelijke maatregel wordt opgelegd.

Met betrekking tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens aan derden heeft de officier van justitie verwezen naar het bepaalde in artikel 39f, eerste lid, onder b, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daarop gebaseerde Aanwijzing Wjsg. In het kader van handhaving van de openbare orde en veiligheid was hij bevoegd om gegevens aan de verhuurder te verstrekken.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen toetsingskader

Alvorens in te gaan op de specifieke punten die de verdediging naar voren heeft gebracht ter staving van haar niet-ontvankelijkheidsverweer, zal de rechtbank eerst het toetsingskader schetsen dat zij hanteert bij de bespreking van deze verweren.

De sanctie van niet-ontvankelijkheid is een van de sancties uit artikel 359a Sv. Deze bepaling heeft betrekking op vormverzuimen tijdens het voorbereidend onderzoek. In zijn standaardarrest van 30 maart 2004, NJ 2004, 376 heeft de Hoge Raad benadrukt dat artikel 359a Sv uitsluitend van toepassing is, indien het vormverzuim is begaan in het verband van het voorbereidend onderzoek naar de ten laste gelegde feiten.

Artikel 359a Sv ziet op onherstelbare vormverzuimen waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Als sprake is van een vormverzuim als hier bedoeld, moet de rechter beoordelen of hieraan enig rechtsgevolg moet worden verbonden. Daarbij dient hij rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie komt, volgens voormeld arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

I. Verweer ‘overschrijding van de redelijke termijn’

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een onredelijke, aan het openbaar ministerie toe te rekenen vertraging van de procesgang, waardoor sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Als gevolg van deze vertraging heeft verdachte te lang in een onzekere situatie verbleven. Ook heeft dit ertoe geleid dat de procespositie van verdachte in ernstige mate werd geschaad, nu de verdediging ernstig werd belemmerd om getuigen op een effectieve wijze te kunnen ondervragen. Dit zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank dient allereerst vast te stellen of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat door of vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen hem of haar een strafvervolging in te stellen. Met ingang van dit tijdstip dient de strafzaak binnen twee jaar inhoudelijk te zijn behandeld. In het onderhavige geval moet als aanvang van de termijn 26 januari 2010 worden aangehouden, nu op die dag een doorzoeking werd verricht in de woning van verdachte. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak vond plaats op 25 en 26 februari 2013 en 23 oktober 2013. Dit betekent dat verdachte ruim 3,5 jaar in afwachting van haar strafproces is geweest. De rechtbank stelt dan ook vast dat de redelijke termijn met ruim 1,5 jaar is overschreden. Deze overschrijding kan niet aan de verdediging worden toegerekend en komt dan ook voor rekening van het openbaar ministerie. De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 17 juni 2008 (LJN BD2578) onder rechtsoverweging 3.21 ten aanzien van de rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn heeft overwogen:

“Overschrijding van de redelijke termijn, waaronder dus de inzendingstermijn mede is begrepen, leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging onderscheidenlijk de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf (onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag) die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.”

Nu de enkele overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie leidt, rest in dit kader de vraag of het, vanwege de onzekere positie van verdachte in afwachting van haar strafproces in combinatie met het door het lange tijdsverloop niet op effectieve wijze kunnen horen van getuigen, dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank is van oordeel dat ook deze omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat deze dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, doordat het openbaar ministerie doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort heeft gedaan aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak. De rechtbank overweegt daartoe dat de inhoudelijke behandeling van de onderhavige strafzaak door de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak meer tijd in beslag heeft genomen dan normaal gesproken het geval is. De rechtbank begrijpt dat verdachte hierdoor langer in onzekerheid heeft verbleven. Dat getuigen zich mogelijk uiteindelijk niets of niet alles meer zouden kunnen herinneren, maakt niet dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. De rechtbank is wel van oordeel dat de schending van de redelijke termijn in de strafmaat verdisconteerd dient te worden.

II. Verweer “onrechtmatigheden tijdens de start van het onderzoek”

De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld welke onderzoekshandelingen op welk moment hebben plaatsgevonden en of er op dat moment een redelijk vermoeden van schuld bestond. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de inhoud van de processen-verbaal, er van begin af aan sprake was van een strafrechtelijk onderzoek. Tijdens de start van het onderzoek hebben zich onrechtmatigheden voorgedaan, doordat - zonder redelijk vermoeden van schuld - onder andere grootschalig c.q. diepgaand persoonsgericht onderzoek is verricht. Indien een redelijk vermoeden van schuld wel bestond, dan hebben de sociaal rechercheurs ten onrechte gebruik gemaakt van hun bestuurlijke bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand, daar waar men gebruik had moeten maken van strafvorderlijke bevoegdheden met de bijbehorende waarborgen voor verdachte. De verdediging heeft in dit verband nog verwezen naar de “Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude”, waaruit volgens de verdediging blijkt dat de sociaal rechercheurs van begin af aan bezig waren met een strafrechtelijk opsporingstraject met als doel de strafrechtelijke vervolging van verdachte.

De (stelselmatige) observaties en informatieaanvragen bij verschillende instanties zijn zonder wettelijke grondslag verricht. Niet kon worden volstaan met een verwijzing naar artikel 2 van de Politiewet, aldus de verdediging.

Met betrekking tot voornoemde verweren overweegt de rechtbank als volgt.

De verdediging heeft verwezen naar de “Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude”. Hierin staat onder paragraaf 4.2 het volgende vermeld:

“De grens voor strafrechtelijke handhaving en vervolging is gesteld op het totale nadeelbedrag van € 10.000,–. Indien sprake is van een lager nadeel treedt de gemeente corrigerend op, middels maatregelen van verlaging en/of (gedeeltelijke) intrekking van de uitkering en/of anderszins, alsmede – zoveel mogelijk – middels terugvordering van het onterecht uitgekeerde. Wanneer sprake is van een nadeel van € 10.000,– of hoger en/of sprake is van één van de hiervoor onder 3.2.1. genoemde uitzonderingen wordt in principe strafrechtelijk opgespoord en vervolgd.”

De verdediging heeft aangevoerd dat de sociale recherche van begin af aan bezig was met een strafrechtelijk onderzoek, aangezien naar aanleiding van een anonieme melding van 5 maart 2008 over [medeverdachte 2], zijnde de dochter van verdachte, en haar partner [medeverdachte 3] - inhoudende een mogelijke fraudeperiode van twee jaren - direct duidelijk was dat het fraudebedrag de grens van € 10.000,- zou overschrijden.

Voorop dient te worden gesteld dat de gemeente is belast met de verstrekking van sociale voorzieningen en de controle op de verplichtingen voortvloeiende uit deze verstrekking van sociale voorzieningen. De controle vindt plaats in het kader van een bestuurlijk traject. Niet valt echter uit te sluiten dat een bestuurlijk traject onder omstandigheden kan samenlopen met een strafrechtelijk traject, zoals bijvoorbeeld bij een vermoeden van uitkeringsfraude. Op basis van de “Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude” blijkt immers dat de overgang van bestuurlijke handhaving naar strafrechtelijke handhaving en vervolging een vloeiende overgang is. De grens die hierbij wordt aangenomen is een fraudebedrag van € 10.000,-. Wanneer sprake is van een nadeel van € 10.000,- of hoger wordt in principe via een strafrechtelijk traject opgespoord en vervolgd. Het volgen van het strafrechtelijke traject, waarbij gebruik kan worden gemaakt van strafvorderlijke bevoegdheden, sluit echter niet uit dat daarnaast een bestuurlijk traject wordt gevolgd. Hierbij mogen echter niet de strafvorderlijke rechten van een verdachte worden geschonden.

In de onderhavige strafzaak is onderzoek verricht naar aanleiding van een melding over [medeverdachte 2] en haar partner [medeverdachte 3]. Naar aanleiding van deze melding was de sociale recherche bevoegd om onderzoek te verrichten. Men moest immers de juistheid van de melding kunnen controleren en - indien deze melding juist bleek te zijn - de omvang van het fraudebedrag kunnen inschatten. Het door de sociale recherche verrichte onderzoek bestond onder andere uit het observeren van de woning van [medeverdachte 2] aan de [adres 3] in oktober 2008 en in maart en april 2009. Tijdens deze observaties kwamen ook [medeverdachte 1], de echtgenoot van verdachte, en hun zoon [medeverdachte 4] in beeld. Zo werd waargenomen dat [medeverdachte 1] dan wel [medeverdachte 4] in een BMW X5 reed. Ambtshalve was bekend dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] een bijstandsuitkering van de gemeente Sittard-Geleen ontvingen. Voornoemde auto was echter geen auto die paste in hun uitkeringssituatie, zodat het onderzoek naar aanleiding van deze waarnemingen werd uitgebreid over meerdere personen. Er werden inlichtingen opgevraagd bij bijvoorbeeld de RDW, teneinde vast te stellen of er mogelijk sprake was van uitkeringsfraude.

De verdediging heeft aangevoerd dat de observaties een stelselmatig karakter hadden en dat deze ten onrechte zonder een machtiging ex artikel 126g Sv hebben plaatsgevonden. Artikel 2 van de Politiewet zou volgens de verdediging een onvoldoende legitimatie zijn voor dergelijke observaties.

Teneinde de rechtmatigheid van deze observaties, die zonder een machtiging ex artikel 126g Sv hebben plaatsgevonden, te beoordelen, verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2012, LJN BW9338, waarin is vermeld:

“2.6.2 Observaties als de onderhavige, waarvoor geen machtiging als bedoeld in art. 126g Sv is gegeven, kunnen jegens de geobserveerde onrechtmatig zijn indien zij in verband met de plaats waar zij zijn uitgevoerd, de duur, intensiteit en frequentie ervan, alsmede het gebruik van technische hulpmiddelen, geschikt zijn om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. Indien dat niet het geval is, kan de met het observeren samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als zo beperkt worden beschouwd dat de algemene taakomschrijving van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 2 Politiewet 1993 en art. 141 Sv, daarvoor voldoende legitimatie biedt. Dit zal in het bijzonder het geval zijn indien de observaties slechts in een bepaald gebied en kortstondig worden uitgevoerd, naar aanleiding van omstandigheden waaruit redelijkerwijs een verhoogde kans op strafbare feiten kan worden afgeleid. Uit de verslaglegging van de observaties zal - mede in verband met de vereiste subsidiariteit en proportionaliteit van de uitgevoerde observaties - in voorkomend geval moeten kunnen blijken of zij in deze zin beperkt en kortstondig zijn gebleven.

2.6.3.

Uit het zojuist overwogene vloeit voort dat het ontbreken van een verdenking in de zin van art. 27 Sv niet meebrengt dat dergelijke kortstondige en beperkte observaties onrechtmatig zijn aangevangen. Niettemin zullen zij, als berustend op wettelijke bepalingen waarin de opsporing van strafbare feiten aan de betrokken functionarissen is opgedragen, tot het voorbereidend onderzoek gerekend moeten worden ingeval (mede) door de observaties een verdenking als bedoeld in art. 27 Sv ontstaat en verdergaande opsporingsbevoegdheden worden toegepast. Overschrijding van de grenzen waarbinnen zulke, niet krachtens het in art. 126g Sv bedoelde bevel uitgevoerde, observaties toelaatbaar zijn, moet in zo een geval worden aangemerkt als een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv.”

De rechtbank stelt vast dat de sociale recherche in oktober 2008 vier kortdurende observaties heeft verricht. Daarna vonden 14 observaties plaats in de periode van maart 2009 tot en met 19 mei 2009, waarbij eveneens kortstondige observaties werden verricht. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de uitgevoerde observaties, waarvoor geen machtiging ex artikel 126g Sv werd gegeven, slechts van beperkte duur, intensiteit en frequentie zijn geweest, waarbij geen gebruik werd gemaakt van technische hulpmiddelen. Er was dan ook geen sprake van een stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv, zodat dergelijke observaties gelegitimeerd worden door artikel 2 van de Politiewet en artikel 141 Sv. Met ingang van 20 mei 2009 werden de observaties langer, intenser en frequenter. Voor deze observaties werd echter een machtiging ex artikel 126g Sv afgegeven.

Eveneens werden er door de sociale recherche inlichtingen opgevraagd bij verschillende instanties. De verdediging heeft aangevoerd dat deze inlichtingen gevorderd hadden moeten worden op grond van artikel 126nd Sv.

De rechtbank stelt vast dat enkele in de Wet werk en bijstand (hierna Wwb) genoemde instanties verplicht zijn desgevraagd opgaven en inlichtingen te verschaffen aan uitkeringsinstanties op grond van artikel 64 Wwb. Uit de “Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude” blijkt niet dat de bevoegdheid tot het opvragen van inlichtingen vervalt op het moment dat (eveneens) sprake zou zijn van een strafrechtelijk traject. Zoals reeds eerder overwogen sluit een strafrechtelijk traject bestuurlijke bevoegdheden niet uit, mits daarbij de strafvorderlijke rechten van de verdachte worden gewaarborgd. Geen enkele strafvorderlijke bepaling verzet zich tegen het inwinnen van informatie bij instanties. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 13 november 2012 (LJN BX80749), waarin werd bepaald dat

“het opsporingsambtenaren in het licht van art. 59 Paspoortwet in verbinding met art. 72  en 73  Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 vrijstaat zich de bedoelde gegevens te doen verstrekken voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de opsporing van strafbare feiten in het kader van het onderzoek waarmee zij zijn belast. Het gestelde in art. 126nf Sv met betrekking tot de zogenoemde gevoelige gegevens doet niet af aan de toelaatbaarheid van de verstrekking van die gegevens door de daartoe bevoegde autoriteiten op grond van deze krachtens de Paspoortwet in het leven geroepen regeling.”

De rechtbank stelt, op grond van voornoemd arrest, vast dat hetzelfde gesteld kan worden ten aanzien van artikel 64 Wwb.

Gelet op het voorgaande kan dus niet worden vastgesteld dat de sociale recherche onterecht bestuurlijke bevoegdheden heeft gebruikt, daar waar zij strafrechtelijke bevoegdheden had moeten gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve geen sprake van zogenaamde ‘détournement de pouvoir’.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat ten onrechte vertrouwelijke gegevens uit het strafdossier zijn verstrekt aan derden. De rechtbank overweegt dat op 26 januari 2010 een doorzoeking plaatsvond in de woning van verdachte aan de [adres 2]. Hierbij werden wapens, munitie en verdovende middelen aangetroffen. De rechtbank komt het dan ook niet onrechtmatig voor dat deze gegevens aan derden (in casu verhuurder ZO Wonen) zijn verstrekt. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op het door de officier van justitie aangehaalde artikel 39f, eerste lid, onder b, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daarop gebaseerde Aanwijzing Wjsg, waaruit blijkt dat de officier van justitie bevoegd is om in het kader van het handhaven van de openbare orde en veiligheid strafvorderlijke gegevens aan - onder meer - verhuurders van onroerende zaken geschikt voor bewoning te verstrekken. Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van onrechtmatig handelen dat zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De verdediging heeft ten slotte aangevoerd dat het openbaar ministerie ten onrechte de media heeft geïnformeerd over de strafzaak tegen verdachte en haar familie. De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie kennelijk informatie over de strafzaak kenbaar heeft gemaakt aan de pers. Hoewel deze gang van zaken door verdachte en haar familie wellicht niet als prettig is ervaren, is dit echter geen reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat geen enkel van de bovenvermelde verweren afzonderlijk dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Evenmin dienen de verweren in onderlinge samenhang bezien te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, nu niet is gebleken noch aannemelijk is geworden dat door de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Ook op andere gronden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met een behoorlijke procesorde die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Evenmin is er reden om tot bewijsuitsluiting of strafvermindering over te gaan, met uitzondering van de overschrijding van de redelijke termijn die wel in de strafmaat verdisconteerd zal worden.

III Verweer “Ne bis in idem beginsel”

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat sprake is van een dubbele bestraffing, overweegt de rechtbank als volgt. Bij beschikking van de gemeente Sittard-Geleen d.d. 8 december 2005 werd het aan verdachte en haar echtgenoot verleende recht op uitkering op grond van de Wwb ingetrokken, en wel per 1 oktober 2005, zulks vanwege schending van hun plicht om aan de gemeente inlichtingen te verschaffen over door hen verkregen gelden c.q. over hun inkomstensituatie. Uit onderzoek was gebleken dat ten onrechte bijstand was verstrekt over de periode van 1 maart 2005 tot en met 30 september 2005, en wel tot een totaal bedrag van € 7.852,26. Daarnaast werd aan verdachte en haar echtgenoot een verlaging opgelegd van 10% van het benadeelde bedrag, zijnde € 795,00. Vanwege het feit dat de uitkering van verdachte en haar echtgenoot op 1 oktober 2005 werd beëindigd, kon de verlaging ad

€ 795,00 niet worden toegepast door vermindering van de daarna ontvangen bijstandsuitkeringen. Blijkens een brief van de gemeente Sittard-Geleen d.d. 6 maart 2006 werd voormelde verlaging ad € 795,00 bij het opnieuw toekennen van een bijstandsuitkering vanaf 19 december 2005 alsnog toegepast, door deze in mindering te brengen op de uitkering over de maand januari 2006.

De rechtbank stelt ter zake vast dat het hoogste bestuursrechtelijk college in zaken als de onderhavige, te weten de Centrale Raad van Beroep, heeft geoordeeld dat een tijdelijke verlaging van de bijstandsuitkering wegens het niet naleven van deze inlichtingenplicht moet worden aangemerkt als een straf en daarmee als een criminal charge (CRvB 7 september 2009, LJN: BJ7968; CRvB 22 maart 2011, LJN: BP9716).

De rechtbank stelt vast dat verdachte thans voor hetzelfde feitelijk gebeuren, te weten het niet tijdig verstrekken van benodigde gegevens over de genoemde periode, wordt vervolgd.

De vervolging van verdachte over de periode waarvoor reeds een verlaging werd opgelegd in het kader van het bestuursrecht en een eventueel daaropvolgende strafrechtelijke sanctie, is

- gelet op het 'ne bis in idem'-beginsel - uitgesloten. De rechtbank zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ten aanzien van feit 1 voor wat betreft de periode 1 maart 2005 tot en met 30 september 2005. Gelet op de omstandigheid dat de tenlastelegging onder feit 1 aanvangt op 5 februari 2005, zal de rechtbank - in het voordeel van verdachte - deze periode (5 februari 2005 tot 1 maart 2005) eveneens buiten beschouwing laten. De rechtbank overweegt daartoe dat de gemeente Sittard-Geleen kennelijk geen redenen heeft gezien vraagtekens te plaatsen bij de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand in die korte periode vóór 1 maart 2005.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 tot en met 6, 7 primair en 8 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de officier van justitie verwezen naar de onderliggende stukken uit het dossier. Ten aanzien van feit 3 heeft hij aangevoerd dat verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] een zeer luxueus leven hebben geleid, hetgeen werd bekostigd uit criminele gelden. De verschillende uitgaven konden niet met een bijstandsuitkering worden bekostigd.

Voor wat betreft de feiten 4 en 5 heeft de officier van justitie aangevoerd dat vele wapens en munitie in de woning van verdachte en haar echtgenoot werden aangetroffen. De forensische recherche heeft deze goederen onderzocht en de goederen als verboden wapens en munitie aangemerkt. Nu de wapens en munitie op plaatsen lagen waar zowel verdachte als haar echtgenoot kwamen, hebben beiden de wapens en munitie voorhanden gehad.

Ten aanzien van feit 6 heeft de officier van justitie aangevoerd dat in de woning van verdachte en haar echtgenoot verdovende middelen werden aangetroffen. Verdachtes echtgenoot [medeverdachte 1] gebruikte drugs en bewaarde dit op plaatsen waar ook verdachte kwam. Verdachte moet dus geweten hebben van de aanwezigheid van de verdovende middelen in haar woning. Er is dan ook sprake van medeplegen.

Ten aanzien van feit 7 primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat invalidenparkeerkaarten werden aangetroffen in een lade in de woning van verdachte en haar echtgenoot. Zij wisten dat deze van diefstal afkomstig waren. Gelet op de plaats waar de kaarten werden aangetroffen, zijn beiden strafrechtelijk verantwoordelijk voor de heling.

De officier van justitie heeft ten slotte ten aanzien van feit 8 aangevoerd dat de zegels van de hoofdsluiting waren vervangen en dat zowel elektriciteit als gas werd gestolen. Hij acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen. Verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] hebben dit feit samen gepleegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat sprake is van vergaring van persoonsgegevens omtrent een niet-verdachte persoon, die heeft geleid tot het op onrechtmatige gronden ontstaan van een verdenking. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zonder wettelijke grondslag persoonsgegevens van verdachte zijn gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij verzameld zijn. Deze gegevens hebben geleid tot het inzetten van nog verdergaande opsporingsmethoden. Door zo te handelen is inbreuk gemaakt op artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 27 Sv. De verdediging stelt dat aldus sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a lid 1 Sv, hetgeen er toe dient te leiden dat al het bewijs voorafgaande aan het binnentreden is verkregen als gevolg van bewijsmiddelen die onrechtmatig zijn verkregen. Het bewijs dient om die reden te worden uitgesloten, hetgeen dient te leiden tot een integrale vrijspraak van verdachte.

De raadsman heeft voorts betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen bewijs is voor de verfeitelijking in beide tenlasteleggingen. Ten aanzien van feit 2 heeft hij aanvullend naar voren gebracht dat het bewijs voor de periode oktober 2002 ontbreekt, aangezien geen rechtmatigheidsformulieren over deze periode voorhanden zijn. De raadsman heeft betoogd dat verdachte, bij gebrek aan bewijs, eveneens dient te worden vrijgesproken van feit 3. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het bij verdachte in de woning aangetroffen geld op enigerlei wijze werd verhuld dan wel verborgen. De opgemaakte kasopstelling is onvoldoende om te komen tot wettig bewijs, nu deze is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Ten onrechte werd uitgegaan van een nihil eigen vermogen. Het taxatierapport is onvoldoende concreet. Van de getaxeerde goederen kan bovendien niet worden vastgesteld wanneer deze zijn aangeschaft en of deze door verdachte zijn bekostigd. De kasopstelling bevat daarnaast dubbeltellingen. Nu de kasopstelling onvoldoende aanleiding geeft om tot een verdenking van witwassen te komen, kan niet van verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld en de goederen.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van wapens en munitie in haar woning. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aanvullend aangevoerd dat de gasrevolver niet geschikt was om scherpe munitie mee af te vuren. De raadsman heeft, gelet op het voorgaande, verzocht verdachte vrij te spreken van de feiten 4 en 5. Ten aanzien van de feiten 6 en 7 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft ten slotte ten aanzien van feit 8 aangevoerd dat de medewerker van Enexis de woning van verdachte zonder wettelijke grondslag heeft betreden, waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. De bevindingen van de medewerker dienen om die reden van het bewijs te worden uitgesloten. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat elektriciteit is weggenomen door verdachte dan wel door haar en haar echtgenoot. In het dossier bevindt zich enkel de aangifte van Enexis, hetgeen onvoldoende is voor een bewezenverklaring. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet wist van de diefstal van elektriciteit en gas. Meest subsidiair heeft hij betoogd dat slechts bewezen kan worden dat verdachte gedurende één dag stroom heeft gestolen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op 5 maart 2008 ontving de sociale recherche van de gemeente Kerkrade een anonieme melding betreffende [medeverdachte 3] en haar partner [medeverdachte 2], zijnde de dochter van verdachte. In deze melding werd aangegeven dat [medeverdachte 3] bij haar vader stond ingeschreven, maar feitelijk al ruim twee jaar bij [medeverdachte 2] woonde. Ook werd vermeld dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] vier keer per jaar op vakantie gingen.

Na raadpleging van de uitkeringssystemen bleek dat [medeverdachte 3] een bijstandsuitkering ontving van de gemeente Kerkrade als alleenstaande kostganger. [medeverdachte 2] ontving een bijstandsuitkering van de gemeente Sittard-Geleen als alleenstaande. Vervolgens werd een uitgebreid onderzoek gestart naar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], waarbij verschillende inlichtingen werden ingewonnen. Uiteindelijk ging de sociale recherche over tot observaties bij de woning van [medeverdachte 2]. Tijdens deze observaties kwamen ook [medeverdachte 1] en zijn zoon [medeverdachte 4] in beeld. Ambtshalve was bekend dat beiden een bijstandsuitkering ontvingen. Naar aanleiding van waarnemingen ter plaatse werd ook een onderzoek gestart naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]. Bij dit onderzoek kwam ook verdachte naar voren, als echtgenoot van [medeverdachte 1].

Ten aanzien van feit 1:

Onder feit 1 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij in de periode van 5 februari 2005 tot en met 31 december 2009 samen met [medeverdachte 1] in strijd met een wettelijke verplichting heeft nagelaten gegevens te verstrekken die van belang konden zijn in het kader van de aan hen toegekende bijstandsuitkering. Voor wat betreft de vervolging van de periode van 1 maart 2005 tot en met 30 september 2005 zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard, zoals hierboven onder 3.1.3 onderdeel III reeds is overwogen. De periode van 5 februari 2005 tot en met 28 februari 2005, zal de rechtbank eveneens buiten beschouwing laten. Verder werd in de periode 1 oktober 2005 tot 19 december 2005 aan verdachte en haar echtgenote, [medeverdachte 1], geen bijstandsuitkering verleend.2 De beoordeling is daarmee beperkt tot de periode van 19 december 2005 tot en met 31 december 2009.

Verdachte en haar echtgenoot ontvingen met ingang van 19 december 2005 ingevolge de Wet werk en bijstand een bijstandsuitkering naar de norm van gehuwden ad € 1.153,96 (ingaande 1 januari 2006 € 1.201,20).3

Naar aanleiding van onderzoek naar de Rabobankrekening van verdachte en [verdachte] werd geconstateerd dat over de periode van januari 2006 tot en met september 2009 hun uitgaven grotendeels steeds hoger waren dan hun inkomsten.

Over de maanden december 2005 tot en met april 2008 vulden verdachte en [medeverdachte 1] rechtmatigheidsformulieren in. In de maanden januari 2008 tot en met mei 2008, januari 2009 en juli 2009 werden gegevensverklaringen Wwb ingevuld. Op deze formulieren vulden zij steeds in dat zij geen inkomsten of vermogen hadden ontvangen.4

Naar aanleiding van onderzoek naar de Rabobankrekening van verdachte en [medeverdachte 1] werd geconstateerd dat over de periode van januari 2006 tot en met september 2009 hun uitgaven grotendeels steeds hoger waren dan hun inkomsten.5

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte en [medeverdachte 1] op 26 januari 2010, werden diverse bonnen/facturen aangetroffen, die betrekking hadden op contante uitgaven.6 In de periode van 17 augustus 2006 tot en met 4 december 2009 werden contante uitgaven gedaan ter zake onder andere de aanschaf van:

  • -

    gehoorapparaten ad € 420,- (op 17 augustus 2006);

  • -

    een reparatie van een Breitling-horloge ad € 345,- (op 23 juli 2007);

  • -

    een Samsung tuner ad € 249,- (op 29 november 2007);

  • -

    een onderhoudsbeurt ad € 127,45 (op 19 december 2007);

  • -

    een scooter ad € 1.538,95 (op 2 mei 2009);

  • -

    airco’s ad € 1.680,- (op 3 juli 2009);7

- een computer ad € 1.033,96 (op 4 december 2009).8

Met een creditcard op naam van [medeverdachte 1] werd op 7 en 8 oktober 2009 een betaling verricht vanuit Thailand van in totaal € 889,02.9 Op naam van [medeverdachte 1], [adres 2], werd op 7 november 2009 een bedrag van € 2.750,- contant betaald voor een personenauto, Chrysler Voyager.10

De rechtbank stelt vast dat verdachte en [medeverdachte 1] in de periode van 19 december 2005 tot en met 31 december 2009 een bijstandsuitkering hebben ontvangen naar de norm van gehuwden. De rechtbank stelt ook vast dat verdachte en haar echtgenoot verspreid over deze periode contante uitgaven hebben gedaan. De rechtbank is van oordeel dat deze uitgaven niet passen bij de financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde met een uitkering van ongeveer € 1.100,- à € 1.200,- netto per maand. Uit onderzoek van de bankrekening van verdachte en [medeverdachte 1] blijkt dat doorgaans de uitgaven over een groot deel van de ten laste gelegde periode hoger waren dan de inkomsten. Er is door verdachte geen verklaring gegeven voor deze uitgaven. Het kan dan ook niet anders of verdachte en [medeverdachte 1] hebben inkomsten gehad, niet zijnde inkomsten uit bijstandsuitkering.

Nu verdachte en [medeverdachte 1] op de rechtmatigheidsformulieren en de gegevensverklaringen Wwb geen melding hebben gemaakt van genoten inkomsten, heeft verdachte samen met [medeverdachte 1] nagelaten gegevens te verstrekken die van belang waren voor de toekenning dan wel hoogte van de uitkering. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 samen met [medeverdachte 1] heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij in de periode van 1 februari 2002 tot en met 4 februari 2005 samen met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd.

Verdachte en [medeverdachte 1], zijnde de echtgenoot van verdachte, ontvingen een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (geldend tot 1 januari 2004) respectievelijk de Wet werk en bijstand (vanaf 1 januari 2004) naar de norm voor gehuwden over de periode van 1 april 1997 tot en met 30 september 2005 van de gemeente Sittard-Geleen.11

Over de maanden februari 2002 tot en met februari 2005 werden rechtmatigheidsformulieren ingevuld en ondertekend door verdachte en [medeverdachte 1], waarbij steeds werd vermeld dat door hen geen inkomsten waren ontvangen.12

Verdachte en [medeverdachte 1] waren in het bezit van een lopende rekening bij de Rabobank met nummer [XXXX.XX.XXX].13 Uit de bankgegevens blijkt dat op deze rekening in de periode van 3 januari 2003 tot en met 17 januari 2005 in totaal een bedrag van € 17.410,69 in contanten werd gestort.14 Ook werden in Brazilië kasopnames gedaan op 15 augustus 2003.15

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode samen met [medeverdachte 1] een bijstandsuitkering ontving van de gemeente Sittard-Geleen. In deze periode werden diverse kasstortingen gedaan die qua hoogte niet passen bij de financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde. Ook een verblijf in Brazilië past niet bij deze situatie. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte en [medeverdachte 1] inkomsten hebben genoten in de ten laste gelegde periode, niet zijnde inkomsten uit uitkering. Door op de rechtmatigheidsformulieren in te vullen dat door hen geen inkomsten werden genoten, deze formulieren te ondertekenen en terug te zenden naar de gemeente Sittard-Geleen, heeft verdachte samen met [medeverdachte 1] valsheid in geschrifte gepleegd. De rechtbank acht feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3:

Onder feit 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij geld dan wel goederen heeft witgewassen.

Op grond van hetgeen hiervoor onder feit 1 en 2 reeds is overwogen, kan worden vastgesteld dat verdachte heeft nagelaten genoten inkomsten te melden en daarnaast valsheid in geschrifte heeft gepleegd. De rechtbank stelt ook vast dat indien de (aanzienlijke) inkomsten wel waren gemeld, de uitkering op zijn minst op een lager bedrag was vastgesteld. Verdachte heeft zich dus schuldig gemaakt aan strafbare feiten en daardoor (deels) onterecht een uitkering ontvangen. Er kan dan ook worden vastgesteld dat verdachte inkomsten uit misdrijf heeft verkregen. Daarnaast had verdachte inkomsten en uitgaven die niet pasten bij de financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde. De rechtbank overweegt daartoe nog het volgende.

Aan de hand van een kasopstelling gemaakt over de periode van 1 januari 2002 tot en met 26 januari 2010, is geconstateerd dat in deze onderzoeksperiode de uitgaven de legale inkomsten ver overstijgen.16Verdachte en [medeverdachte 1] waren in het bezit van een lopende rekening bij de Rabobank met nummer [XXXX.XX.XXX].17 Op een overzicht van deze rekening in de periode van 4 maart 2002 tot en met 14 oktober 2010 staat steeds, op enkele maanden na, op de dag voorafgaande aan de dag van de storting van de uitkering, een negatief saldo vermeld.18Over de periode van januari 2006 tot en met 7 oktober 2009 werd aan de hand van de rekeninggegevens van de Rabobank een overzicht gemaakt van de inkomsten en de uitgaven van verdachte en [medeverdachte 1]. Uit dit overzicht blijkt dat in de helft van de maanden in deze periode de uitgaven hoger waren dan de inkomsten.19

Uit de bankgegevens blijkt dat op deze rekening in voornoemde onderzoeksperiode in totaal een bedrag van € 21.114,77 werd gestort.20 Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] werden diverse facturen aangetroffen die betrekking hadden op contante uitgaven. Het totaal van alle facturen uit de tenlastegelegde periode bedroeg

€ 16.381,73.21

Zo werden contante uitgaven gedaan terzake onder andere de aanschaf van:

  • -

    een televisie en een DVD recorder ad € 4.495,- (op 2 april 2005);

  • -

    een cruise naar Miami ad € 4.434,20 (op 28 april 2005);

  • -

    hoorapparaten ad € 420,- (op 17 augustus 2006);

  • -

    een reparatie van een Breitling Horloge ad € 345,- (op 23 juli 2007);

  • -

    een Samsung tuner ad € 249,- (op 29 november 2007);

  • -

    een onderhoudsbeurt ad € 127,45 (op 19 december 2007);

  • -

    een scooter ad € 1.538,95 (op 2 mei 2009);

  • -

    airco’s ad € 1.680,- (op 3 juli 2009);22

- een auto, Chrysler Voyager, ad € 2.750,- (op 7 november 2009);23

- een computer ad € 1.033,96 (op 4 december 2009).24

Tijdens de cruise naar Miami werd aan boord nog voor een bedrag van € 1.528,75 verbruikt.25 Dit bedrag werd betaald met een creditcard op naam van [medeverdachte 1]. Met dezelfde creditcard werd op 7 en 8 oktober 2009 een betaling verricht vanuit Thailand van in totaal € 889,02.26 Ook werden in Brazilië kasopnames gedaan op 15 augustus 2003.27

Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat verdachte in de tenlastegelegde periode vele uitgaven heeft gedaan, bestaande uit diverse vakanties en aanschaf van goederen zoals een auto en airco’s. Ook werden in deze periode meerdere keren grote geldbedragen op de bankrekening gestort. De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen plausibele verklaring heeft gegeven voor deze uitgaven, terwijl dat wel van haar in deze situatie verlangd kan worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat de inkomsten geen legale herkomst hebben en dus van criminele activiteiten afkomstig zijn. Van de gelden werden onder andere luxe goederen aangeschaft. De rechtbank acht feit 3 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4:

Onder feit 4 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Op 26 januari 2010 vond er een doorzoeking plaats in de woning van verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] aan de [adres 2]. In de keuken, woonkamer en op twee slaapkamers werden diverse wapens en munitie aangetroffen.28 De volgende wapens werden in beslag genomen:

- 14 stuks pepperspray met opschrift Scorpion Security;

- 1 pepperspray met opschrift Paralisant KO;

- 2 stuks pepperspray met het opschrift Defenol.29

Na onderzoek van deze wapens is gebleken dat het busjes pepperspray betreffen, bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende of traanverwekkende stoffen. Het betreffen verboden wapens op grond van artikel 2, eerste lid, categorie II, onder 6, van de Wet wapens en munitie.30

Tijdens de doorzoeking werd ook een taser met opschrift Security Plus in beslag genomen.31 Na onderzoek is gebleken dat dit een stroomstootwapen is, een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II, onder 5, van de Wet wapens en munitie.32

Voorts werden in beslag genomen een RG8 gaspistool en een schietbeker.33 Na onderzoek van beide wapens is gebleken dat het respectievelijk een gasrevolver en een schietbeker betreft, beiden wapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie.34

Ook werd door de politie munitie in beslag genomen, te weten:

- 113 kogelpatronen van het merk S&B, kaliber .38,

- 12 kogelpatronen van het merk Geco, kaliber .38 Special,

- 2 kogelpatronen van het merk S&B, kaliber 7.26x25,

- 2 kogelpatronen van het kaliber .38 special.35

Onderzoek van deze munitie wees uit dat het munitie in de zin van artikel 2, tweede lid, categorie III, van de Wet wapens en munitie betreft.36

Ten slotte werden nog 31 kogelpatronen in beslag genomen.37 Uit onderzoek is gebleken dat het munitie in de zin van artikel 2, tweede lid, categorie II, sub 4, van de Wet wapens en munitie betreft.38

[medeverdachte 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij wist dat er een alarmpistool in de keuken lag. Ook wist hij dat er munitie in zijn woning aanwezig was. Met betrekking tot de pepperspray heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij deze van iemand gekregen had.39

Gelet op het aantreffen van de wapens en de munitie in de woning van verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] en het onderzoek van de wapens en munitie, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] wapens en munitie voorhanden heeft gehad. De rechtbank houdt niet alleen [medeverdachte 1], maar ook verdachte verantwoordelijk voor alle in hun woning aangetroffen wapens en munitie, nu deze door hun gehele woning verspreid lagen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de wapens en de munitie. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte dit feit samen met een ander heeft gepleegd.

In de tenlastelegging staat vermeld dat verdachte een busje pepperspray met het opschrift Pepperspray KO voorhanden heeft gehad. Nu de rechtbank in het dossier geen stukken heeft aangetroffen die op dit busje van toepassing zijn, zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van feit 5:

Onder feit 5 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander of anderen een boksbeugel en een klapmes voorhanden heeft gehad.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1], aan de [adres 2], op 26 januari 2010, werd - in een commode op de slaapkamer van verdachte en [medeverdachte 1] - een klapmes en een boksbeugel aangetroffen en in beslag genomen.40 Onderzoek wees uit dat de boksbeugel een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 3, van de Wet wapens en munitie betreft. Het klapmes valt onder artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7, van de Wet wapens en munitie.41

[medeverdachte 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat de boksbeugel een verzamelobject betreft.42

Gelet op het aantreffen van de wapens in de woning van verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] en het onderzoek van de wapens, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] wapens voorhanden heeft gehad. Uit zijn verklaring kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] wist van de aanwezigheid van de boksbeugel in zijn woning. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 1] ook wist van de aanwezigheid van het klapmes. De wapens werden immers op dezelfde plek aangetroffen. [medeverdachte 1] moet zich dan ook bewust zijn geweest van de aanwezigheid van het andere wapen. Ook ten aanzien van dit feit acht de rechtbank bewezen dat verdachte dit feit samen met [medeverdachte 1] heeft begaan. Gelet op de plek waar de wapens werden aangetroffen, te weten in een commode op hun slaapkamer, moet ook verdachte zich bewust zijn geweest van de aanwezigheid van de wapens in de gezamenlijke woning. Er is dan ook sprake van medeplegen.

Ten aanzien van feit 6:

Onder feit 6 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander of anderen harddrugs aanwezig heeft gehad.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] aan de [adres 2], op 26 januari 2010, werden in een kast in de keuken 72 respectievelijk 36 stuks tabletten aangetroffen en in beslag genomen.43 Van ieder van deze partijen werden twee stuks voor nader onderzoek gestuurd naar het NFI.44 Onderzoek door het NFI wees uit dat de tabletten uit beide partijen metamfetamine bevatten.45

Ook werd tijdens de doorzoeking 0,4 gram verdovende middelen in een potje in een kassalade aangetroffen.46 Een monster van deze stof werd voor nader onderzoek naar het NFI gestuurd.47 Uit onderzoek bleek vervolgens dat deze stof cocaïne bevat.48

[medeverdachte 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat de aangetroffen cocaïne in de woning voor eigen gebruik was.49

Gelet op het aantreffen van de harddrugs in de woning van verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] en het onderzoek door het NFI, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 108 tabletten van een materiaal bevattende metamfetamine en 0,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne voorhanden heeft gehad. [medeverdachte 1] heeft enkel een verklaring afgelegd over de aangetroffen cocaïne. De tabletten werden in een kast in de keuken aangetroffen. Verdachte bewoonde de woning samen met [medeverdachte 1]. De verdovende middelen bevonden zich derhalve in de machtssfeer van verdachte. Voorts kan zij geacht worden wetenschap te hebben van hetgeen in de woning en zeker in een keukenkast aanwezig is. Verdachte kon als bewoner immers vrijelijk in alle vertrekken en kasten van de woning komen. Ditzelfde geldt voor [medeverdachte 1]. Verdachte heeft dit feit dan ook samen met een ander gepleegd.

Ten aanzien van feit 7:

Onder feit 7 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander of anderen invalidenparkeerkaarten heeft geheeld, dan wel heeft verduisterd.

Op 26 januari 2010 vond er een doorzoeking plaats in de woning van verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] aan de [adres 2]. Hierbij werden invalidenparkeerkaarten aangetroffen op naam van (onder andere) [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6].50 De invalidenkaarten lagen in de woonkamer in een lade van de kast.51

Uit onderzoek is gebleken dat in de periode van 20 januari 2009 tot en met 1 november 2009 aangifte werd gedaan door de personen op wiens naam de invalidenparkeerkaarten te naam waren gesteld. Met uitzondering van de invalideparkeerkaart van [naam 1] werden alle parkeerkaarten gestolen bij de inbraak in de auto’s van de respectievelijke rechthebbenden. [naam 1] verklaarde dat hij zijn parkeerkaart had verloren.52

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er vijf gestolen invalidenparkeerkaarten en één verloren invalidenparkeerkaart in de woning van verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] zijn aangetroffen. De kaarten stonden op naam van de respectievelijke rechthebbenden.

Gelet op de plaats van aantreffen van de parkeerkaarten staat voor de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte 1] wisten van de aanwezigheid van de kaarten in hun woning. Gelet op de hoeveelheid parkeerkaarten en de lange periode waarin de kaarten de rechthebbenden zijn ontstolen kan het niet zo zijn dat verdachte en/of [medeverdachte 1] deze kaarten ergens hebben gevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen. De kaarten waren immers niet op hun naam gesteld. De rechtbank acht feit 7 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

In de tenlastelegging staat vermeld dat verdachte een invalidenparkeerkaart op naam van [naam 7] heeft geheeld. De rechtbank acht dit deel van de tenlastelegging niet bewijsbaar, nu uit de aangifte van [naam 7] is gebleken dat het geen originele parkeerkaart betrof, maar een kopie. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 8:

Onder feit 8 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander of anderen elektriciteit en gas heeft gestolen.

Tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] op 26 januari 2010 bleek dat mogelijk sprake was van diefstal van energie. In opdracht van de officier van justitie werd een medewerker van Enexis B.V. ter plaatse ontboden om nader onderzoek in te stellen. De medewerker constateerde dat sprake was van diefstal van stroom, en wel door middel van een illegale aansluiting op de onderzijde van de zekeringhouders, en van diefstal van gas door middel van het gebruik van een tweede gasmeter.53 Nader onderzoek wees uit dat de zegels van de hoofdaansluiting waren vervangen. Aan de bovenzijde van een zekeringhouder was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar een gedeelte van de huishoudelijke installatie waaronder de keuken, de garage en de whirlpool.

Met betrekking tot de gasmeter werd geconstateerd dat op de correcte plaats in de meterkast de gasmeter van Enexis was gemonteerd met meternummer 10635900. In de kleine kamer op de eerste verdieping werd een gasmeter aangetroffen met meternummer 93967032 met stand 16306. De gasmeter van Enexis en de gasmeter die in de kleine kamer werden aangetroffen waren beiden voorzien van teflon tape om op deze wijze een gasdichte aansluiting te verkrijgen. Deze wijze van afdichting wordt nooit door medewerkers van Enexis toegepast en is dus door derden zonder toestemming toegepast.

Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit en gas ten behoeve van het huishoudelijk gebruik niet correct via de elektriciteits- en gasmeter geregistreerd.54 In het dossier bevinden zich een tweetal foto’s waarop de illegale aftakking in de meterkast is te zien.55

De fraudeperiode werd vastgesteld op de periode van 4 april 2008 tot en met 26 januari 2010.56

Door de raadsman is aangevoerd dat de medewerker van Enexis B.V. de woning van verdachte zonder wettelijke grondslag heeft betreden, zodat sprake is van een onrechtmatigheid. De rechtbank deelt dit standpunt van de raadsman niet. Zij overweegt daartoe dat blijkens de machtiging tot binnentreden in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] van 26 januari 2010, de opsporingsambtenaar toestemming wordt verleend om zich door anderen te doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist. De medewerker van Enexis B.V. mocht derhalve de woning betreden. Daar komt nog bij dat tijdens de doorzoeking een gevaarzettende situatie werd aangetroffen met betrekking tot de gasleiding. Hierdoor was de aanwezigheid van een deskundige op zijn plaats. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Op grond van het aantreffen van de situatie ter plaatse met betrekking tot de gasmeter en de elektriciteitsmeter en de constateringen van de medewerker van Enexis B.V., stelt de rechtbank vast dat gedurende de ten laste gelegde periode elektriciteit en gas is gestolen. Gelet op de duur van de fraudeperiode en gelet op de omstandigheden zoals die ter plaatse werden geconstateerd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] op de hoogte waren van de diefstal van elektriciteit en gas. Het is namelijk niet aannemelijk dat verdachten niet op de hoogte waren, al was het maar omdat zij ieder jaar de meterstanden moesten doorgeven en daartoe de meters dienden te bekijken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander elektriciteit en gas heeft gestolen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

in het tijdvak van 19 december 2005 tot en met 31 december 2009, in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], in strijd met een haar, verdachte en [medeverdachte 1] bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Wet werk en bijstand (Wwb), telkens opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij, verdachte en [medeverdachte 1] wisten dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking, te weten een Wwb-uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers hebben zij, verdachte en [medeverdachte 1], aan de gemeente Sittard-Geleen telkens opzettelijk geen mededeling gedaan van alle, zakelijk weergegeven, door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], genoten inkomsten;

2

in het tijdvak van 1 februari 2002 tot 4 februari 2005 in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, telkens een haar, verdachte en [medeverdachte 1] ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet (Abw) en/of de Wet werk en bijstand (Wwb) gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift “Rechtmatigheidsonderzoek", zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte en [medeverdachte 1], valselijk telkens niet op dat formulier hebben opgegeven dat zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven, inkomsten hebben genoten, en hierin bestaande dat zij, verdachte en [medeverdachte 1], valselijk telkens op dat formulier hebben opgegeven dat zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven, geen inkomsten hebben genoten, en vervolgens dat formulier telkens voor waar hebben ondertekend, een en ander telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3

in het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 26 januari 2010, in de gemeente Sittard-Geleen, een voorwerp, te weten hoeveelheden geld en/of enige andere goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4

op 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, voorhanden heeft gehad de navolgende wapens:

wapens als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie II onder 6°, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen), te weten:

- 14 stuks Pepperspray Scorpion Security 50 ml en

- 1x pepperspray Paralisant KO en

- 2x Pepperspray Defenol,

en

een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie II onder 5°, te weten een taser Security Plus;

en

twee wapens als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1, te weten:

- een RG8 gasrevolver en

- een schietbeker,

en

munitie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van categorie III, te weten:

- 113 kogelpatronen S&B .38 en

- 12 kogelpatronen Geco.38 special en

- 2 kogelpatronen S&B 7.62x25 en

- 7 kogelpatronen kaliber .38 special,

en

munitie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, categorie II, onder 4, te weten:

- 31 kogelpatronen Western .38 special;

5

op 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, voorhanden heeft gehad een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 3, te weten een boksbeugel, en een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7, te weten een klapmes;

6

op 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 108 tabletten van een materiaal bevattende metamfetamine, en

- 0,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde metamfetamine en cocaïne middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

7

in het tijdvak van 5 juni 2009 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, invalidenparkeerkaarten (op naam van [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 6] en [naam 5]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die invalidenparkeerkaarten wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;

8

in de periode van 4 april 2008 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit en gas, toebehorende aan Enexis B.V., waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

witwassen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of categorie III, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 5:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 6:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 7:

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 8:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht in de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verdachte heeft slechts een klein aandeel gehad in de strafbare feiten. De raadsman heeft voorts verzocht in de strafmaat rekening te houden met de onder 3.1.1. omschreven omstandigheden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Met daarbinnen een onderbreking heeft verdachte zich samen met haar echtgenoot ruim 7 jaar lang schuldig gemaakt aan bijstandsfraude. Deze fraude bestond hieruit dat verdachte en haar echtgenoot niet hebben gemeld dan wel hebben verzwegen dat zij inkomsten hebben genoten. De rechtbank merkt hierbij op dat het niet gaat om inkomsten van geringe omvang, maar om inkomsten die verdachte in staat stelde er een (zeer) luxe levensstijl op na te houden, met vakanties naar verre oorden en grote uitgaven. De inkomsten konden niet verklaard worden vanuit legale inkomsten. Het kan niet anders dan dat deze inkomsten gegenereerd werden door middel van criminele activiteiten, waarbij kennelijk grote winsten werden behaald. Ook de grote hoeveelheid wapens en drugs duiden op criminele activiteiten. Verdachte heeft zich daarbij op grote schaal schuldig gemaakt aan het witwassen van gelden en goederen. Terwijl verdachte en haar echtgenoot genoten van hun luxe levensstijl, ontvingen zij een bijstandsuitkering. Zonder enige gewetenswroeging heeft verdachte jarenlang schaamteloos geprofiteerd van het sociale stelsel. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Een uitkering is bedoeld om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen ondermijnt het sociale stelsel. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft zich daarnaast nog schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten. Zij had namelijk een groot aantal verboden wapens en munitie in haar huis aanwezig. Ook had zij harddrugs in haar bezit. Daarnaast had verdachte zes invalidenparkeerkaarten in haar bezit, waarvan er vijf gestolen waren en een als vermist werd opgegeven. Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit en gas. Hierbij werd een gevaarzettende situatie gecreëerd, door op amateuristische wijze elektriciteit en gas af te tappen.

Verdachte heeft door het plegen van deze strafbare feiten een totaal gebrek aan normbesef getoond. Kennelijk vindt zij het de normaalste zaak van de wereld om op allerlei manieren de wet te overtreden enkel om er zelf beter van te worden. Daarnaast blijkt zij ook nog eens hardleers. Een tussentijdse korting op haar bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht heeft blijkbaar geen enkele indruk gemaakt op verdachte, omdat zij deze schending nadien gewoon heeft voortgezet. Deze opeenstapeling van strafbare feiten acht de rechtbank zeer zorgwekkend.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op straffen die in andere zaken van bijstandsfraude plegen te worden opgelegd. Doorgaans worden hiervoor gecombineerde straffen opgelegd, zoals een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van aanzienlijke omvang. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige strafzaak in geen verhouding staat tot de meeste andere strafzaken inzake bijstandsfraude. Zoals hiervoor reeds overwogen gaat het in de onderhavige strafzaak om het jarenlang plegen van fraude, terwijl er een (zeer) luxe levensstijl op na wordt gehouden en de bijstandsuitkering meer weg heeft van een extra zakcentje. Dat maakt deze zaak op zijn zachts gezegd bijzonder. Daarbij komt nog dat er naast de bijstandsfraude nog tal van andere strafbare feiten werden gepleegd.

Gelet op het aantal strafbare feiten waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt, de aard en de ernst van de strafbare feiten en het totaal gebrek aan normbesef dat daaruit voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende sanctie is. Verdachte moet zich realiseren dat haar gedrag absoluut niet toelaatbaar is. De rechtbank zal van de op te leggen gevangenisstraf ook een deel voorwaardelijk opleggen. Dit moet verdachte er in de toekomst van weerhouden opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten. Gelet op het gemak waarmee verdachte de afgelopen jaren is overgegaan tot het plegen van strafbare feiten, acht de rechtbank een proeftijd van drie jaren op zijn plaats.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend. In deze straf dient echter verdisconteerd te worden dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (LJN BD2578) dient bij een overschrijding tot 6 maanden de straf met 5% verminderd te worden en bij een overschrijding van 6 tot 12 maanden met 10%. In de onderhavige strafzaak is sprake van een overschrijding van ruim 1,5 jaar. Uit de uitspraak van de Hoge Raad blijkt dat hij bedoeld heeft voor elk half jaar 5% in mindering te brengen op de straf. De rechtbank zal dan ook de op te leggen straf verminderen met een percentage van 15%.

De rechtbank zal aldus aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering van de benadeelde partijen

In het strafproces hebben de gemeente Sittard-Geleen, [naam 2], [naam 6] en [naam 5] zich als benadeelde partij gevoegd.

De gemeente Sittard-Geleen heeft een bedrag van € 382.739,44 gevorderd ten aanzien van de feiten 1 en 2. [naam 2], [naam 6] en [naam 5] hebben respectievelijk een bedrag van

€ 195,12, € 153,10 en € 23,10 gevorderd ten aanzien van feit 7.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeente Sittard-Geleen in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu er geen mandaatbesluit aan de vordering ten grondslag ligt.

Ten aanzien van de vordering van [naam 2] heeft hij gevorderd dat een bedrag van

€ 22,49 dient te worden toegewezen voor de aanschaf van een nieuwe invalidenparkeerkaart. Voor [naam 6] dient hiervoor een bedrag van € 23,15 te worden toegewezen. Voor het overige dienen [naam 2] en [naam 6] in hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de overige kosten voortvloeien uit de diefstal van de parkeerkaart uit hun auto. Dit is echter niet aan verdachte ten laste gelegd.

De vordering van [naam 5] kan geheel worden toegewezen tot een bedrag van € 23,10 voor de aanschaf van een nieuwe invalidenparkeerkaart.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de gemeente Sittard-Geleen niet-ontvankelijk te verklaren. Voor de vorderingen van [naam 2] en [naam 6] heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Over de vordering van de benadeelde partij [naam 5] heeft de raadsman zich niet uitgelaten.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de gemeente Sittard-Geleen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Zij overweegt daartoe dat de vordering op 21 november 2011 is ingediend door een ambtenaar van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Sittard-Geleen. De gemeente Sittard-Geleen heeft verzuimd in deze vordering de machtiging van de burgemeester aan deze ambtenaar op te nemen. In een brief van 25 februari 2013 heeft het plaatsvervangend hoofd van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Sittard-Geleen, namens het College van Burgemeester en Wethouders, gemeld dat in het Mandaat-, volmacht en machtigingsbesluit Gemeente Sittard-Geleen 2013 de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen is opgedragen aan de clusterhoofden, en dat hij als zodanig de betreffende ambtenaar machtigt om het college van burgemeester en wethouders te vertegenwoordigen in onderhavige zaak. Nu laatstgemeld besluit niet aan het dossier is toegevoegd, en dit besluit dateert van het jaar 2013, terwijl de vordering is ingediend in november 2011, is de rechtbank niet bij machte om vast te stellen dat de betreffende ambtenaar, die het voegingsformulier heeft ondertekend, op de juiste manier was gemachtigd om de gemeente Sittard-Geleen in de onderhavige zaak in rechte te vertegenwoordigen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de vorderingen van [naam 2] en [naam 6] deels dienen te worden toegewezen.

[naam 2] en [naam 6] hebben respectievelijk een bedrag van € 22,49 en € 23,15 betaald voor de aanschaf van een nieuwe invalidenparkeerkaart. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Daarnaast heeft [naam 2] nog kosten gemaakt voor het maken van een kopie en transport ad € 17,50. Ook deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. De vordering van [naam 2] zal dan ook tot een bedrag van € 39,99 worden toegewezen.

De overige kosten hebben betrekking op de diefstal van de invalidenparkeerkaart uit de auto van [naam 2] en [naam 6], waarbij een ruit werd ingeslagen. Deze kosten staan echter niet in rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde opzetheling en de vorderingen dienen voor dit deel dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. De vordering van [naam 5] kan naar het oordeel van de rechtbank geheel worden toegewezen.

De rechtbank zal bij de toe te wijzen bedragen de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

De officier van justitie heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting nagelaten een beslissing te vorderen op grond van de beslaglijst. De rechtbank zal dan ook geen beslissingen nemen ten aanzien van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 47, 57, 225, 227b, 310, 311, 416 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaren de algemene voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

  • -

    verklaart de benadeelde partij Gemeente Sittard-Geleen, afdeling Werk en Inkomen, Rijksweg Zuid 26, 6131 AP Sittard, in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij, de Gemeente Sittard-Geleen, afdeling Werk en Inkomen, in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam 2], [adres 4], te betalen een bedrag van € 39,99 (zegge: negenendertig euro en negenennegentig eurocent);

  • -

    verklaart de benadeelde partij [naam 2] voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 2], voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam 2] vervalt en omgekeerd;

  • -

    bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam 6], [adres 5], te betalen een bedrag van € 23,15 (zegge: drieëntwintig euro en vijftien eurocent);

  • -

    verklaart de benadeelde partij [naam 6] voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam 6] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 6], voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam 6] vervalt en omgekeerd;

  • -

    bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam 5], [adres 6], te betalen een bedrag van € 23,10 (zegge: drieëntwintig euro en tien eurocent);

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam 5] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 5], voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam 5] vervalt en omgekeerd;

  • -

    bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. L.P. Bosma en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 november 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks het tijdvak van 5 februari 2005 tot en met 31 december 2009, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], althans alleen, in strijd met een haar, verdachte en/of [medeverdachte 1] bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Algemene Bijstandswet (Abw) en/of Wet Werk en Bijstand (WWB), (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij, verdachte en/of [medeverdachte 1] wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een Abw-uitkering en/of een WWB-uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], aan de gemeente Sittard-Geleen (telkens) opzettelijk geen mededeling gedaan van (alle), zakelijk weergegeven,

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], verrichte werkzaamheden en/of

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], genoten inkomsten;

of

voor de gemeente Sittard-Geleen (telkens) opzettelijk (alle), zakelijk weergegeven,

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], verrichte werkzaamheden en/of

-door haar, verdachte en/of [medeverdachte 1], genoten inkomsten,

verzwegen;

2.

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 februari 2002 tot 4 februari 2005 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tesamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een haar, verdachte en/of [medeverdachte 1] ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet (Abw) en/of de Wet Werk en Bijstand (WWB) gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Gegevensverklaring WWB en/of "Rechtmatigheidsonderzoek",

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], valselijk (telkens) niet op dat formulier heeft/hebben opgegeven dat zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

-werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of inkomsten heeft/hebben genoten en/of

hierin bestaande dat zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], valselijk (telkens) op dat formulier heeft/hebben opgegeven dat zij, verdachte en/of [medeverdachte 1], in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

-geen werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of geen inkomsten heeft/hebben genoten

en (vervolgens) dat formulier (telkens) voor waar heeft/hebben ondertekend, een en ander (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 26 januari 2010, in de gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, een voorwerp, te weten (een) hoeveelheid/hoeveelheden geld (van ongeveer 250.690,00 euro) en/of (enig) ander(e) goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten (een) hoeveelheid/hoeveelheden geld en/of (enig) ander(e) goed(eren) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, voorhanden heeft gehad de navolgende wapens:

achttien wapens als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie II onder 6°, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/ofverstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen), te weten:

- 14 stuks Pepperspray Scorpion Security 50 ml en/of

- 1 x Pepperspray KO en/of

- 1 x pepperspray Paralisant KO en/of

- 2 x Pepperspray Defenol,

en/of

een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie II onder 5°, te weten een taser Security Plus;

twee wapens als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1, te weten:

- een RG8 gasrevolver en/of

- een schietbeker,

en/of

munitie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van categorie III, te weten:

- 113 kogelpatronen S&B .38 en/of

- 12 kogelpatronen Geco.38 special en/of

- 2 kogelpatronen S&B 7.62x25 en/of

- 7 kogelpatronen kaliber .38 special

en/of

munitie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, categorie II, onder 4, te weten:

- 31 kogelpatronen Western .38 special;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

5.

zij op of omstreeks 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen in in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, voorhanden heeft gehad een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 3, te weten

een boksbeugel,

en/of

een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7, te weten

een klapmes;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

6.

zij op of omstreeks 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- ongeveer 108 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, en/of

- 0,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde metamfetamine en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

7.

zij in of omstreeks het tijdvak van 5 juni 2009 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een of meer invalidenparkeerkaarten (op naam van [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 6] en/of [naam 5] en/of [naam 7]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat invalidenparkeerkaarten (telkens) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 5 juni 2009 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een of meer invalidenparkeerkaarten (op naam van [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 6] en/of [naam 5] en/of [naam 7]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat invalidenparkeerkaarten (telkens) redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 5 juni 2009 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een of meer invalidenparkeerkaarten (op naam van [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 6] en/of [naam 5] en/of [naam 7], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die

[naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 6] en/of [naam 5] en/of [naam 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar

mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten door vondst en/of schenking, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

8.

zij in of omstreeks de periode van 4 april 2008 tot en met 26 januari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 6570 kWh elektriciteit en/of 3138 m3 gas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/703046-09

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 6 november 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres 1].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. L. Rinsma, advocaat te Maastricht.

1 Wanneer met betrekking tot de zaak met dit parketnummer hierna wordt verwezen naar met paginanummer aangeduide delen uit processen-verbaal en andere stukken betreft dit de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, behorende bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Kerkrade en Sittard-Geleen, Regio Limburg-Zuid, Gemeente Kerkrade en Sittard-Geleen, met proces-verbaalnummer 400021822 d.d. 3 mei 2011.

2 Het geschrift, te weten een brief van de gemeente Sittard-Geleen d.d. 8 december 2005, nagekomen stukken, niet doorgenummerd.

3 Het geschrift, te weten een brief van de gemeente Sittard-Geleen d.d. 6 maart 2006, pagina 1559.

4 De geschriften, te weten rechtmatigheidsformulieren, pagina 469 tot en met 514 en de geschriften, te weten gegevensverklaringen Wwb, pagina 458 tot en met 468 uit dossiernummer 6, alsmede de geschriften, te weten gegevensverklaringen Wwb, nagekomen stukken, niet doorgenummerd.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 september 2009, pagina 1605 tot en met 1660.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2011, pagina 5429, het geschrift, te weten een factuur van Cruise Travel, d.d. 16 september 2005, pagina 5467 tot en met 5469.

7 Bijlage 4.3 bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2011, pagina 5437.

8 Bijlage 4.3 bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2011, pagina 5437.

9 Het geschrift, te weten een overzicht International Card Services, d.d. 20 oktober 2009, pagina 1739 en 1741.

10 Het geschrift, te weten een factuur van [naam 8] Auto’s, d.d. 7 november 2009, pagina 5436.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2009, pagina 1553.

12 De geschriften, te weten rechtmatigheidsformulieren, pagina 514 tot en met 550 uit dossiernummer 6.

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2009, pagina 1553.

14 Bijlage 3.7 bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2010, pagina 5427.

15 Bijlage 3.2.2. bij proces-verbaal bevindingen d.d. 3 november 2010, pagina 5348.

16 Proces-verbaal van bevindingen bureau financiële recherche (kasopstelling) d.d. 9 februari 2011, pagina 5298.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2009, pagina 1553.

18 Bijlage 3.2.2. bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2010, pagina 5335 tot en met 5402.

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 september 2009, pagina 1605 tot en met 1615.

20 Bijlage 3.7 bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2010, pagina 5427.

21 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2011, pagina 5429 en bijlage 4.3 bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2011, pagina 5437.

22 Bijlage 4.3 bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2011, pagina 5437.

23 Bijlage 4.2 bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2011, pagina 5436.

24 Bijlage 4.3 bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2011, pagina 5437.

25 Het geschrift, te weten een factuur van Princess Cruises van 29 september 2005 tot en met 9 oktober 2005, pagina 3755 tot en met 3758.

26 Het geschrift, te weten een overzicht International Card Services, d.d. 20 oktober 2009, pagina 1739 en 1741.

27 Bijlage 3.2.2. bij proces-verbaal bevindingen d.d. 3 november 2010, pagina 5348.

28 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname d.d. 26 april 2010, pagina 3668, 3671 tot en met 3675.

29 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 18 februari 2010, niet doorgenummerd.

30 Proces-verbaal van onderzoek (vuur)wapens en munitie d.d. 27 april 2010, pagina 5851 tot en met 5853, 5861 en 5862.

31 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 18 februari 2010, niet doorgenummerd.

32 Proces-verbaal van onderzoek (vuur)wapens en munitie d.d. 27 april 2010, pagina 5850.

33 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 18 februari 2010, niet doorgenummerd.

34 Proces-verbaal van onderzoek (vuur)wapens en munitie d.d. 27 april 2010, pagina 5856 tot en met 5858.

35 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 18 februari 2010, niet doorgenummerd.

36 Proces-verbaal van onderzoek (vuur)wapens en munitie d.d. 27 april 2010, pagina 5858 tot en met 5861.

37 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 18 februari 2010, niet doorgenummerd.

38 Proces-verbaal van onderzoek (vuur)wapens en munitie d.d. 27 april 2010, pagina 5859 en 5860.

39 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 29 januari 210, pagina 5895.

40 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname d.d. 26 april 2010, pagina 3668 en 3673, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2010, pagina 5937 en het proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 18 februari 2010, niet doorgenummerd.

41 Proces- verbaal van onderzoek (vuur)wapens en munitie d.d. 27 april 2010, pagina 5849 en 5854 tot en met 5856.

42 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 29 januari 210, pagina 5895.

43 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname d.d. 26 april 2010, pagina 3668 en het proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 26 januari 210, niet doorgenummerd.

44 Proces-verbaal aanvraag NFI onderzoek d.d. 27 januari 2010, niet doorgenummerd.

45 Het geschrift, te weten het rapport van het NFI, d.d. 20 juli 2010, pagina 5889.

46 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 26 januari 210, niet doorgenummerd.

47 Proces-verbaal aanvraag NFI onderzoek d.d. 27 januari 2010, niet doorgenummerd.

48 Het geschrift, te weten het rapport van het NFI, d.d. 20 juli 2010, pagina 5889.

49 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 29 januari 2010, pagina 5895.

50 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juni 2010, pagina 5981 tot en met 5983.

51 Proces-verbaal bevindingen d.d. 28 januari 2010, pagina 5936.

52 Processen-verbaal van aangifte van [naam 1] d.d. 20 januari 2009, pagina 5987, van [naam 2] d.d. 5 juni 2009, pagina 5989 en 5990, van [naam 3] d.d. 6 juni 2009, pagina 5994 en 5995, van [naam 4] d.d. 7 juni 2009, pagina 6005 en 6006, van [naam 5] d.d. 1 november 2009, pagina 6010 en 6011 en van [naam 6] d.d. 20 januari 2009, pagina 6014 en 6015.

53 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2010, pagina 6023.

54 Het geschrift, te weten de aangifte van Enexis B.V. d.d. 12 februari 2010, pagina 6026 en 6027.

55 Bijlage (fotomap) bij het geschrift, te weten de aangifte van Enexis B.V. d.d. 12 februari 2010, pagina 6037 en 6041 (bovenaan).

56 Bijlage bij het geschrift, te weten de aangifte van Enexis B.V. d.d. 12 februari 2010, pagina 6030 en 6031.