Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8445

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
2374492 EJ VERZ 13-186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door werkgever ingediend verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer wordt afgewezen. Voldoende aannemelijk is dat werknemer, een schoonmaker, bij een grote klant van zijn werkgever ondermaats heeft gepresteerd. Vervolgens wordt werknemer overgeplaatst naar een andere grote klant van werkgever. Al snel wordt besloten dat hij ook daar niet meer welkom is. Naar het oordeel van de kantonrechter te snel en zonder voldoende onderbouwing. Subsidiaire grondslag, inhoudende dat werkgever het vertrouwen in werknemer is verloren omdat hij “aantoonbaar onjuiste ontkenningen in zijn verweerschrift poneert”, kan het verzoek evenmin dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0910
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Heerlen

Burgerlijk recht

Zaak/repnr.: 2374492 EJ VERZ 13-186

MD

Beschikking d.d. 5 november 2013 op een verzoek ex artikel 7:685 BW

i n z a k e

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UCS Cleaning B.V.,

gevestigd te Hoensbroek, gemeente Heerlen,

verzoekster, hierna te noemen: “UCS”,

gemachtigde: mr. B. van Meurs;

t e g e n

[verweerder],

wonende te [adres],

verweerder, hierna te noemen: “[verweerder]”,

gemachtigde: mr. J.E.A.H. Verstraelen.

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- het verweerschrift;

- de door UCS ingediende aanvullende producties 5 en 6;

- de door de gemachtigde van UCS ter zitting overgelegde pleitnota;

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling d.d. 23 oktober 2013.

1.2

Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. De gemachtigde van UCS en de gemachtigde van [verweerder] hebben bij afzonderlijke faxberichten d.d. 31 oktober 2013 bericht dat er geen minnelijke regeling is bereikt en om beschikking gevraagd.

1.3

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, voor zover hier relevant, het navolgende vast.

2.2

[verweerder], geboren op [geboortedatum], is op 1 april 2011 in dienst getreden bij Uniclean Industriële Reiniging B.V. in de functie van schoonmaker. Op 17 juli 2012 heeft de rechtbank Maastricht het faillissement van dit bedrijf uitgesproken. UCS heeft een deel van de activiteiten van deze gefailleerde voortgezet en een groot van het personeel, waaronder [verweerder], overgenomen. Per 1 augustus 2012 is [verweerder] in dienst bij UCS, eveneens in de functie van schoonmaker. Het laatstelijk verdiende salaris van [verweerder] bedraagt

€ 10,70 bruto per uur, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Op grond van de arbeidsovereenkomst bedraagt het minimaal aantal te werken uren 30 per week.

2.3

Een van de (grotere) klanten van UCS is [naam 1] Brunssum B.V., zijnde de voormalige [naam 2] Bakkerijen te Brunssum (hierna: [naam 2]). [verweerder] heeft bij [naam 2] wekelijks rond de 30 uur schoongemaakt. [naam 4] van [naam 2] heeft aan UCS te kennen gegeven dat [verweerder] uiterlijk in week 33 (kantonrechter: 12 augustus tot en met 18 augustus 2013) moet zijn vervangen door een andere werknemer van UCS, hetgeen ook is gebeurd.

2.4

Vervolgens is [verweerder] met ingang van vrijdag 16 augustus 2013 te werk gesteld bij een andere grote klant van UCS, Wafel [naam 3] te Nuth. Aan [verweerder] is tevens verzocht om akkoord te gaan met een wijziging van het minimum aantal te werken uren per week: in plaats van 30 uur per week 6 tot 8 uur per week. [verweerder] is hier niet mee akkoord gegaan.

2.5

Sinds eind augustus 2013 heeft [verweerder] geen werkzaamheden meer voor UCS verricht. Zijn salaris is door UCS, in ieder geval tot aan het moment van de mondelinge behandeling, doorbetaald.

2.6

Bij brief van 27 augustus 2013 heeft [naam plantmanager], plantmanager Nuth van De Banketgroep B.V. (waarvan Wafel [naam 3] deel uitmaakt), aangegeven dat zij de schoonmaakovereenkomst met UCS per 31 december 2013 wil beëindigen. Bij brief van 30 augustus 2013 heeft [naam plantmanager naam 2], plantmanager van [naam 2] te Brunssum, de samenwerking met UCS opgezegd per 30 november 2013. Ten tijde van de mondelinge behandeling is UCS in onderhandeling met Wafel [naam 3] en [naam 2] om hen, ondanks voormelde opzeggingen, toch als klant te kunnen behouden.

3 Het verzoek en het verweer

3.1

UCS verzoekt, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerder], kosten rechtens. UCS heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van een gewichtige reden, bestaande uit een verandering in de omstandigheden. In de kern is die verandering in omstandigheden er volgens UCS in gelegen dat [verweerder] als gevolg van zijn gedrag niet meer welkom is bij [naam 2] en door ditzelfde gedrag ook niet bij andere klanten van UCS (waaronder Wafel [naam 3]) kan worden ingezet. Bovendien heeft UCS inmiddels alle vertrouwen in [verweerder] verloren. Voor de verdere onderbouwing van het verzoek verwijst de kantonrechter naar het verzoekschrift met producties, de aanvullende producties, de door de gemachtigde van UCS overgelegde pleitnota en ter zitting gegeven toelichting.

3.2

[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Indien de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, heeft hij subsidiair verzocht om aan hem een vergoeding van € 8.400,00 bruto toe te kennen. Op het verweer van [verweerder] zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Het e-mailbericht van [naam ambulant projectleider] d.d. 22 oktober 2013

4.1

Ter zitting heeft de gemachtigde van [verweerder] enkele passages geciteerd uit een e-mailbericht d.d. 22 oktober 2013. Dit e-mailbericht is door [naam ambulant projectleider], ambulant projectleider UCS (waarvan de arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV inmiddels door UCS is opgezegd), aan [verweerder] verstuurd als antwoord op een e-mailbericht van [verweerder] aan [naam ambulant projectleider] (“hoi moet je kijken wat hier geschreven staat, dat heeft [voornaam voorman] (kantonrechter: [naam voorman], voorman bij [naam 2]) nooit van zn leven zelf geschreven grt [voornaam verweerder]”). Voormeld e-mailbericht van [naam ambulant projectleider] is door de gemachtigde van [verweerder] eerst ter zitting in het geding gebracht. UCS heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Nadat de zitting is geschorst, teneinde UCS en haar gemachtigde in de gelegenheid te stellen dit e-mailbericht te bestuderen, is de zitting hervat. Nu UCS aldus voldoende tijd heeft gehad om van de inhoud van dit e-mailbericht kennis te nemen, in samenhang bezien met het feit dat het e-mailbericht een omvang van nog geen pagina heeft en UCS van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om op de inhoud van dit bericht te reageren, is UCS hierdoor niet in haar processuele belangen geschaad.

4.1.1

De gemachtigde van UCS heeft, indien er veel gewicht aan dit e-mailbericht wordt toegekend, verzocht om in dat geval alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om daar uitvoeriger op in te mogen gaan. Omdat de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak geen groot gewicht toekent aan de inhoud van dit e-mailbericht, behoeft het verzoek van de gemachtigde van UCS niet te worden toegestaan en kan er worden beschikt.

4.2

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

4.3

Derhalve dient te worden beoordeeld of UCS, mede bezien in het licht van het verweer van [verweerder], voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

De periode bij [naam 2]

4.4

Ter zitting heeft de kantonrechter al aangegeven dat uit het dossier voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] binnen [naam 2] ondermaats heeft gefunctioneerd en dat het in overwegende mate aan [verweerder] is te wijten dat hij is overgeplaatst naar Wafel [naam 3]. Uit de door UCS overgelegde verklaringen blijkt ook dat dit ondermaatse presteren, anders dan [verweerder] heeft gesteld, niet alleen voortvloeit uit de moeizame verstandhouding tussen [verweerder] en [naam 4] van [naam 2].

De periode bij Wafel [naam 3]

4.5

Vervolgens is [verweerder] overgeplaatst naar Wafel [naam 3]. Op vrijdag 16 augustus 2013 is [verweerder] daar voor het eerst aan de slag gegaan. In productie 3 bij verzoekschrift, welke productie door [naam directeur], directeur bij UCS, [naam ambulant projectleider] en [naam voorvrouw], voorvrouw bij Wafel [naam 3], is ondertekend, staat daarover:

“In overleg met de voorvrouw bij Wafel [naam 3], [naam voorvrouw], is besloten dat [voornaam verweerder] (kantonrechter: [verweerder]) een aantal vrijdagnachten in augustus zou gaan meedraaien om de werkzaamheden aan te leren. Tevens werden deze nachten gebruikt om te kijken of [voornaam verweerder] binnen de ploeg zou passen.

Na een aantal keren meegedraaid te hebben heeft de voorvrouw ons aangesproken op het gedrag van [voornaam verweerder] binnen de ploeg. Direct (vetgedrukt door kantonrechter) werd ook de conclusie getrokken dat [voornaam verweerder] niet meer welkom was”.

4.5.1

Uit de als productie 5 door UCS overgelegde verklaring van [naam voorvrouw] blijkt dat [verweerder], naast vrijdag 16 augustus 2013, op vrijdag 23 augustus, donderdag 29 augustus en vrijdag 30 augustus 2013 bij Wafel [naam 3] heeft schoongemaakt.

4.5.2

[verweerder] heeft niet weersproken dat hij op deze dagen bij Wafel [naam 3] is gaan schoonmaken, zodat vaststaat dat hij slechts vier maal bij Wafel [naam 3] is gaan schoonmaken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij aldus in een te korte periode de kans gekregen om zijn functioneren daadwerkelijk te verbeteren, aangezien binnen zeer korte tijd al de conclusie werd getrokken dat hij bij Wafel [naam 3] ook niet meer welkom was (zie voormeld citaat uit productie 3).

4.5.3

Of [verweerder] ook daadwerkelijk een kans heeft gekregen om zijn functioneren bij Wafel [naam 3] te verbeteren is niet gebleken. [naam voorvrouw] heeft daarover in productie 5 verklaard:

“Wij hebben hem nog een kans gegeven op donderdag 29 en vrijdag 20 augustus (kantonrechter: bedoeld wordt vrijdag 30 augustus 2013). Het beeld verbeterde niet. Zijn houding bleef negatief. Voor mij was het duidelijk dat [voornaam verweerder] niet in onze groep paste”.

Van een verbetertraject, met concrete en objectief te controleren afspraken, zodat [verweerder] wist op welke punten hij zijn functioneren moest verbeteren, is niet gebleken. Van UCS had mogen worden gevergd dat zij [verweerder], alvorens hij bij Wafel [naam 3] aan de slag zou gaan, duidelijk aan zou geven op welke punten van hem verbetering werd verwacht en binnen welke termijn die verbetering gerealiseerd diende te worden. Ook tijdens de periode bij Wafel [naam 3] is geen verbetertraject opgestart. Evenmin heeft UCS in voldoende mate geobjectiveerd waarin het disfunctioneren van [verweerder], in de zeer korte tijd dat hij op het project Wafel [naam 3] werkzaam was, was gelegen. Dat zijn houding traag en negatief was is, buiten de verklaring van [naam voorvrouw], verder niet onderbouwd en gelet op de gemotiveerde betwisting door [verweerder] niet komen vast te staan. Ook is niet komen vast te staan waarom [verweerder] niet binnen de (schoonmaak)groep van Wafel [naam 3] zou passen en op grond van welke concrete gedragingen van [verweerder] [naam voorvrouw] tot die conclusie is gekomen.

Overige omstandigheden

4.6

UCS heeft verder aangevoerd dat er, nu [verweerder] door zijn eigen gedrag niet meer bij [naam 2] en Wafel [naam 3] werkzaam kan zijn, geen werk meer voor hem is. Zelfs al zou UCS 30 uur per week werk voor [verweerder] hebben bij andere klanten dan [naam 2] en Wafel [naam 3], dan zou directeur [naam directeur] hem daar niet te werk stellen: het risico om deze klanten te verliezen is volgens hem te groot.

4.6.1

[naam directeur] heeft ter zitting gesteld dat het financieel niet goed gaat met UCS, in welk beeld [verweerder] zich kan erkennen. Aan het verzoek is echter geen bedrijfseconomische reden ten grondslag gelegd, zodat daarop niet hoeft te worden ingegaan.

4.6.2

In haar pleitnota heeft UCS een lijst van haar klanten weergegeven. Uit deze lijst blijkt dat UCS naast [naam 2] en Wafel [naam 3] ook andere klanten heeft waar [verweerder] als schoonmaker geplaatst kan worden. Weliswaar heeft UCS gesteld dat zij bij andere klanten geen 30 uur werk voor [verweerder] heeft, maar die omstandigheid kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet aan [verweerder] worden tegengeworpen. Datzelfde geldt voor de

stelling van UCS dat zelfs al zou zij 30 uur werk bij andere klanten dan [naam 2] en Wafel [naam 3] beschikbaar hebben, zij [verweerder] daar niet zou willen plaatsen. Die keuze komt immers voor risico van UCS als werkgever, vooral ook nu [verweerder] bij Wafel [naam 3] geen echte tweede kans heeft gehad. Alhoewel UCS heeft aangevoerd dat de ontevredenheid over [verweerder] een rol zou hebben gespeeld bij de opzegging van de schoonmaakovereenkomsten tussen UCS enerzijds en [naam 2] en Wafel [naam 3] anderzijds, is die stelling niet aannemelijk geworden. Ter zitting heeft de kantonrechter UCS ermee geconfronteerd dat die conclusie noch uit de opzeggingsbrieven, noch op enigerlei andere wijze uit de overgelegde producties kan worden getrokken. Sterker nog: uit de opzeggingsbrief van Wafel [naam 3] blijkt namelijk dat die opzegging vooral is gelegen in de onzekerheid over de opvolging van [naam voorvrouw]. Bovendien heeft [verweerder] er terecht op gewezen dat de opzegging van de schoonmaakovereenkomst met UCS door Wafel [naam 3] al bij brief van 27 augustus 2013 is geschied. Op dat moment had [verweerder] slechts twee diensten bij Wafel [naam 3] gedraaid. Voorts heeft [naam directeur] ter zitting toegelicht dat de marges onder druk staan en dat zijn klanten bekijken of schoonmaakwerkzaamheden door een ander bedrijf mogelijk goedkoper kunnen worden uitgevoerd. Het einde van een overeenkomst is daartoe natuurlijk een ideaal moment. Dat de ontevredenheid over [verweerder] hierbij een rol heeft gespeeld blijkt derhalve allerminst.

4.7

Het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, brengt mee dat de primaire grondslag het verzoek niet kan dragen.

Vertrouwen in [verweerder] verloren?

4.8

Voor zover UCS aan haar verzoek subsidiair ten grondslag heeft gelegd dat zij alle vertrouwen in [verweerder] heeft verloren, is niet komen vast te staan dit te wijten is “aan aantoonbaar onjuiste ontkenningen die [verweerder] in zijn verweerschrift poneert”. Blijkens haar pleitnota heeft UCS bij deze grondslag als uitgangspunt genomen dat de slechte houding en gedragingen van [verweerder] vaststaan, terwijl hiervoor is overwogen dat alleen maar is komen vast te staan dat [verweerder] bij [naam 2] onder de maat heeft gepresteerd. Nu UCS deze grondslag voor het overige ook niet nader heeft uitgewerkt en geconcretiseerd, kan deze grondslag evenmin aanleiding zijn om het verzoek toe te wijzen.

Conclusie

4.9

De conclusie uit voorgaande overwegingen is dat niet is komen vast te staan dat er een verandering van omstandigheden is die een gewichtige reden vormt waardoor de arbeidsovereenkomst tussen partijen dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

4.10

UCS dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de aan de zijde van [verweerder] gerezen proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt UCS in de aan de zijde van [verweerder] gerezen proceskosten, welke tot op heden worden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. P. Hoekstra, kantonrechter, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.