Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8342

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
AWB-13_519u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1656, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wob, CJIB-nummer, foto, artikel 7:3 van de Awb, artikel 4:17 van de Awb, artikel 4 van de Wob

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13 / 519

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2013 in de zaak tussen

[naam] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Buurma).

Procesverloop

Bij brief van 14 februari 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar van 17 augustus 2012, gericht tegen het besluit van verweerder van 24 juli 2012.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben en een verweerschrift ingediend. Van de stukken maakt deel uit het (reële) besluit op bezwaar van 26 maart 2013.

Bij brief van 15 april 2013 heeft eiser, desgevraagd, te kennen gegeven het niet eens te zijn met laatstgenoemd besluit, alsmede waarom hij het met dat besluit niet eens is.

Bij brief van 23 april 2013 heeft de rechtbank partijen laten weten dat het beroep voorlopig wordt beschouwd als ook te zijn gericht tegen laatstgenoemd besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2013. Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, werkzaam bij Bergers Rechtsbijstand, gevestigd te Maastricht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd, werkzaam bij verweerder.

Overwegingen

1.

Bij (fax)brief van 25 juni 2012 heeft eiser verweerder verzocht om toezending van de foto van de vermeende overtreding, geregistreerd onder CJIB-nummer [CJIB-nummer] Hij heeft daarbij verzocht dat document openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft verweerder schriftelijk geweigerd een besluit op het verzoek van eiser te nemen en mededeling gedaan van de doorzending van het verzoek aan een ander bestuursorgaan op de voet van artikel 4 van de Wob.

2.

De rechtbank overweegt dat eiser geen belang meer heeft bij beoordeling van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat verweerder op 26 maart 2013 alsnog een reëel besluit op het bezwaar van eiser van

17 augustus 2012 heeft genomen.

Het beroep van van eiser gericht tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar van 17 augustus 2012 is derhalve niet-ontvankelijk. Omdat eiser beroep heeft moeten instellen om te bereiken dat verweerder op de aanvraag zou beslissen, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser ter zake gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 118,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3.

Nu gebleken is dat met het besluit van 26 maart 2013 niet is tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser, heeft het beroep, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het besluit van 26 maart 2013.

4.

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard, omdat de door eiser gevraagde foto niet bij hem berust, hij zich op het standpunt stelt dat hij geen vergaringsplicht heeft om alsnog aan de foto te geraken en dat hij het verzoek van eiser terecht heeft doorgezonden. Onder verwijzing naar artikel 4:17, zesde lid, van de Awb heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld aan eiser geen dwangsom verschuldigd te zijn en heeft hij het verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten afgewezen.

5.

Eiser betoogt in beroep dat verweerder zijn bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Als reden hiervoor heeft hij aangegeven dat hij in bezwaar gronden heeft aangevoerd die nopen tot een inhoudelijke beoordeling en de bestuurlijke besluitvorming onjuist is geweest, omdat verweerder zijn verzoek om openbaarmaking niet aan het juiste bestuursorgaan heeft doorgezonden.

Eiser betoogt voorts dat hij ten onrechte niet is gehoord en dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het fairplay-beginsel en het verbod op détournement de pouvoir door zijn bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.

6.

Eiser heeft in bezwaar betoogd -voor zover hier van belang- dat verweerder de gevraagde foto had moeten vergaren.

7.

De rechtbank stelt voorop dat er sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar als uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over deze conclusie. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Zij overweegt daartoe het volgende.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 2 oktober 2013 (ELCI:NL:RVS:2013:1376) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van verweerder dat een foto alleen dan door hem kan worden verstrekt indien hij toegang heeft tot het systeem waarin de betreffende opsporingsdienst deze bewaart en dat hij geen toegang heeft tot het systeem van de opsporingsdienst waarin de gevraagde foto wordt bewaard, niet ongeloofwaardig is. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting aanvullend heeft aangegeven slechts tot enkele politiesystemen toegang te hebben en alleen in die gevallen ook over de foto betreffende een verkeersovertreding te kunnen beschikken. Verweerder heeft hierbij nog opgemerkt dat hij in beginsel voor zijn beoordeling van een bezwaar gericht tegen een beschikking van het Centraal Justitieel Incassobureau ter zake een verkeersovertreding niet over een foto van de overtreding behoeft te beschikken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de enkele stelling van eiser, dat verweerder over de foto dient te beschikken, geen reden geeft aannemelijk te achten dat de gevraagde foto toch onder verweerder berust. Gelet op de hiervoor weergegeven mededeling van verweerder geeft de stelling van eiser dat hij in het kader van andere Wob-verzoeken wel de daarbij gevraagde foto van verweerder heeft ontvangen, daartoe evenmin reden.

Er is dan ook geen grond gegeven om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van verweerder dat hij de gevraagde foto niet onder zich heeft.

In de uitspraak van 13 augustus 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD9942) heeft de Afdeling voorts geoordeeld dat de Wob niet voorziet in de verplichting voor verweerder gevraagde stukken die niet onder hem berusten van elders te vergaren.

Gelet op het vorenstaande bestond dan ook niet de verplichting voor verweerder om de door eiser gevraagde foto te vergaren.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de aanvankelijk onjuiste doorzending van het verzoek van eiser weliswaar slordig is geweest van verweerder, maar laat het besluit van verweerder, schriftelijk te weigeren een besluit op het verzoek te nemen, onverlet.

Zij verwerpt verder het betoog van eiser dat verweerder zijn bezwaar niet kennelijk ongegrond heeft mogen verklaren, omdat hij bezwaar heeft gemaakt op inhoudelijke gronden. De mogelijkheid om een bezwaar middels een kennelijk ongegrondheid vereenvoudigd af te doen is immers juist bedoeld voor een inhoudelijk bezwaar.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder dan ook terecht het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

8.

Gelet hierop en gezien artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb heeft verweerder mogen afzien van het horen van eiser alvorens hij op het bezwaar van eiser heeft beslist. Het betoog van eiser dat hij had moeten worden gehoord in de bezwaarfase faalt dan ook.

9.

De rechtbank ziet voorts geen grond te oordelen dat verweerder door het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond te verklaren in strijd heeft gehandeld met het fairplaybeginsel en het verbod op détournement de pouvoir. Het bezwaar is immers terecht kennelijk ongegrond verklaard. Zij verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 4. Daarom faalt ook dat betoog.

10.

Gezien artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c van de Awb heeft verweerder voorts terecht beslist geen dwangsom, als bedoeld in het eerste lid van die bepaling, aan eiser verschuldigd te zijn. Het betoog van eiser dat verweerder aan hem een dwangsom verschuldigd is, slaagt dan ook evenmin.

11.

Reeds omdat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, heeft verweerder voorts terecht geen grond gezien om over te gaan tot een kostenveroordeling ter zake in bezwaar gemaakte kosten.

12.

Het beroep tegen het besluit van 26 maart 2013 is derhalve ongegrond. Hetgeen eiser overigens nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Hetgeen verweerder voor het eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten, omdat de goede procesorde zich verzet tegen het meenemen hiervan bij de beoordeling.

Voor een proceskostenveroordeling ter zake de behandeling van dit beroep bestaat geen aanleiding.

13.

De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om op de voet van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gericht tegen het met een besluit te stellen niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

-verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 26 maart 2013 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank tot een bedrag van € 118,- (wegens de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door verweerder aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.M. de Loo, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A.W.C.M. Frings, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2013.

w.g. A. Frings w.g. W. de Loo

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 5 november 2013

Rechtsmiddel

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage). De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.