Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8329

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-11-2013
Datum publicatie
04-11-2013
Zaaknummer
03/703001-12, 03/810222-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:2803
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord op zijn broer.

Verdachte heeft vanuit zijn rijdende auto viermaal op korte afstand geschoten op zijn broer, die naast de auto fietste.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van voorbedachte rade. Verdachte heeft het pistool immers voorafgaand aan het richten ervan moeten doorladen. Bovendien heeft hij voorafgaand aan de vervolgschoten steeds gelegenheid gehad zijn handelen te overdenken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers : 03/703001-12, 03/810222-12 (ttzgev)

Datum uitspraak : 4 november 2013

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Huis van Bewaring (Unit A + B),

Muntlaan 1 te Grave.

Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 oktober 2013.

De rechtbank heeft op 21 oktober 2013 gehoord de officier van justitie, de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman en mevrouw[naam], reclasseringswerker.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 03/703001-12

terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 19 april 2012 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal (telkens), op die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 19 april 2012 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal (telkens) op die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 19 april 2012 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal (telkens) op die [slachtoffer 1] geschoten;

en ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 03/810222-12 ter zake dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2012 tot en met 16 mei 2012, in de gemeente Sittard-Geleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend

-met zijn hand een pistool gevormd gebarende in de richting van die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik schiet je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

-de woorden toegevoegd: "Ik pak jou en de rest van de familie ook", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan; de officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 03/703001-12:

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte op 19 april 2012 heeft geprobeerd zijn broer [slachtoffer 1] met voorbedachten rade van het leven te beroven.

Hij baseert zijn oordeel op het volgende:

  • -

    de verklaring van verdachte, luidend dat hij een wapen bij zich droeg om zich tegen zijn broer [slachtoffer 1] te beschermen; zich bewapenen ter bescherming tegen een concrete persoon en het wapen om die reden bij zich dragen terwijl het is scherpgesteld, getuigt van voorbedachten rade; de verklaring van de verdachte dat hij per ongeluk heeft geschoten, en dat zelfs viermaal achtereen, acht de officier van justitie niet geloofwaardig;

  • -

    het feit dat de verdachte op de Elisabeth van Barstraat snelheid minderde om de fietser naast zich te laten komen, waarna tot viermaal toe vanuit de auto op korte afstand op de fietser is geschoten, zoals uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] blijkt, getuigt volgens de officier van justitie eveneens van voorbedachten rade;

  • -

    het aantreffen van vier hulzen op de plaats delict;

  • -

    de uitgelezen pingberichten, die zijn uitgewisseld tussen de verdachte en [betrokkene].

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 03/810222-12:

De officier van justitie acht dit feit niet bewezen, nu de verdachte het feit ontkent en de getuigenverklaringen niet gelijkluidend zijn.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 03/703001-12:

Ten eerste heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij een wapen bij zich had om zich tegen [slachtoffer 1] te beschermen, niet om op hem te schieten als hij hem zou tegenkomen.

Vervolgens heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte op 19 april 2012 niet de confrontatie met zijn broer [slachtoffer 1] heeft gezocht, maar dat hij [slachtoffer 1] toevallig is tegengekomen. Om [slachtoffer 1] te ontwijken reed de verdachte de Elisabeth van Barstraat in, maar [slachtoffer 1] fietste achter hem aan. [slachtoffer 1] was verbaal agressief en dreigend. De verdachte heeft in de Elisabeth van Barstraat snelheid geminderd. Dit deed hij niet om [slachtoffer 1] naderbij te laten komen, maar daartoe werd hij genoodzaakt omdat hij niet kon doorrijden ten gevolge van de verkeersdrukte: er stond een rij auto’s voor hem. Hij kon deze rij ook niet passeren omdat er tegenliggers waren. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat de verdachte snelheid heeft geminderd, maar niet dat daartoe geen noodzaak bestond, aldus de raadsman.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer 1], toen deze naast de auto van de verdachte fietste, een beweging naar zijn broek heeft gemaakt, hetgeen aan de verdachte de indruk gaf dat [slachtoffer 1] een wapen uit zijn broeksband pakte. Volgens de verdachte heeft hij toen in een flits zijn eigen wapen ter hand genomen en dit op [slachtoffer 1] gericht, waarna dat wapen per ongeluk afging. Het schot op het lichaam van [slachtoffer 1] is dus ongewild. Gelet op de snelheid waarmee de feiten zich hebben afgespeeld bleef voor de verdachte geen tijd voor beraad. Beraad, en vooral rustig overleg was ook om een andere reden niet mogelijk: de verdachte was in een hevige gemoedsbeweging geraakt ten gevolge van de plotselinge ontmoeting met [slachtoffer 1].

De raadsman heeft aan de hand van de situatieschets, die zich in het dossier bevindt, berekend dat de afstand tussen de verdachte en [slachtoffer 1] op het moment dat er werd geschoten ten hoogste drie meter bedroeg. De verdachte weet hoe hij met wapens moet omgaan en heeft [slachtoffer 1] ondanks deze korte afstand toch niet in zijn lijf geraakt. Met kennis bij de verdachte omtrent het hanteren van wapens, de korte schietafstand en de geringe snelheid van beide vervoermiddelen had de verdachte gemakkelijk vitale delen van het lijf van [slachtoffer 1] kunnen raken, had hij dat gewild, zeker nu liefst vier patronen met het wapen zijn afgeschoten. Dat hij niets anders dan alleen de pols van [slachtoffer 1] heeft geraakt, onderbouwt de stelling dat de verdachte niet gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten, maar dat het wapen ongewild is afgegaan. Viermaal schieten op een afstand van maximaal drie meter en daarbij niet enig vitaal deel van het lichaam raken is niet te rijmen met voorbedachten rade om iemand dood te schieten.

Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat ook uit de pinggesprekken tussen de verdachte en Scheffer niet kan worden afgeleid dat de verdachte met voorbedachten rade op [slachtoffer 1] heeft geschoten, nu de intentie van het handelen van de verdachte ten tijde van het schietincident niet uit deze gesprekken is af te leiden. Deze gesprekken vonden immers pas enkele dagen na het schietincident plaats.

Ten aanzien van het opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft de raadsman aangevoerd dat hooguit gesproken kan worden van voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft uit paniek het wapen gericht op [slachtoffer 1], niet om te schieten op [slachtoffer 1], maar om deze af te schrikken, zoals blijkt uit het feit dat onder meergenoemde omstandigheden het niet moeilijk voor de verdachte geweest zou zijn om [slachtoffer 1] met het wapen te doden. Aan deze manier van afschrikking is een zeker risico verbonden dat zich dan thans heeft voltrokken in de zin dat ongewild het wapen meerdere malen is afgegaan en welke schoten [slachtoffer 1] dodelijk hadden kunnen treffen.

Op grond van hetgeen door hem is aangevoerd, concludeert de raadsman dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Het subsidiair tenlastegelegde is volgens de raadsman bewezen, met dien verstande dat er sprake is van zogenoemd voorwaardelijk opzet.

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 03/810222-12:

De raadsman heeft verklaard het eens te zijn met het standpunt van de officier van justitie, nu de verdachte ontkent het feit te hebben begaan en de verklaringen van de getuigen tegenstrijdig zijn en het feit door die verklaringen dus niet wordt bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 03/703001-12 acht de rechtbank het volgende van belang.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in het jaar 2011 een pistool merk Walther kaliber 7.65 en een doosje bijpassende patronen van zijn broer [slachtoffer 1] heeft gekregen. Nadat hij op 19 april 2012 aangifte heeft gedaan tegen zijn broer [slachtoffer 1] wegens vernieling, is hij naar huis gereden, heeft dit wapen bij zich gestoken en is weggereden in zijn auto merk Renault, type Megane. Onderweg kwam hij zijn broer [slachtoffer 1] tegen op het kruispunt Parallelweg/Tunnelstraat. Zijn broer kwam op hem afgefietst, terwijl hij schold en dreigende taal bezigde.2

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij wilde wegrijden van zijn broer, maar dat dit ten gevolge van de verkeersdrukte niet mogelijk was. Ter hoogte van het oude ziekenhuis op de Elisabeth van Barstraat fietste zijn broer [slachtoffer 1] naast de auto. De verdachte zag dat hij een beweging naar zijn broeksband maakte en dacht dat zijn broer een pistool tevoorschijn wilde halen. Uit angst heeft hij toen zijn pistool, dat was geladen en waarvan de veiligheidspal was ontgrendeld, gepakt en daarmee zonder nadenken in paniek op zijn broer geschoten. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij zijn broer met het wapen wilde afschrikken, maar dat het ongewild tot viermaal toe is afgegaan. De eerste keer ging het af omdat het wapen stootte tegen de raamstijl van het rechter voorportier. Voor het feit dat het wapen daarna nog een aantal keren is afgegaan heeft de verdachte geen verklaring.

Verder heeft de verdachte verklaard dat hij weet hoe hij met een vuurwapen moet omgaan.

Het wapen heeft hij naderhand in Maastricht in de Maas gegooid.3

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 19 april 2012 over de Tunnelweg in Sittard fietste en bij het stoplicht op de Parallelweg zijn broer [verdachte] zag staan. [verdachte] reed in een auto merk Renault, type Megane. [verdachte] trok ineens op en sloeg rechtsaf de Elisabeth van Barstraat in, daarmee in de richting rijdend waarin aangever fietste. [verdachte] reed naast hem op, deed het raam van het rechter voorportier open en begon te schieten. Aangever hoorde vier of vijf knallen. Hij is geraakt in zijn rechterarm ter hoogte van de pols aan de bovenzijde. Het betreft een in- en uitschot.4

In de geneeskundige verklaring betreffende het letsel van aangever is vermeld dat een in- en uitgangswond ter hoogte van de dorsale zijde van de hand aan radiaire zijde werd geconstateerd, een oppervlakkig traject door de weke delen.5

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij met haar zoon [getuige 2] in haar auto reed op de Elisabeth van Barstraat te Sittard. Zij zag van rechts over de Parallelweg een auto naderen, waar een fietser naast reed. Zowel de fietser als de auto sloegen rechtsaf de Elisabeth van Barstraat in. Zij zag en hoorde dat de fietser vanalles tegen de bestuurder van de auto riep. Zij zag toen dat de auto inhield en dat de fietser de auto inhaalde ter hoogte van de plaats waar vroeger het ziekenhuis stond. Toen de fietser naast de auto reed, zag zij dat vanuit de auto door het raam van het portier rechtsvoor een pistool naar buiten werd gebracht en dat dit op de fietser werd gericht. Zij hoorde vier of vijf schoten, die allemaal gericht op de fietser werden afgevuurd.6

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij bij zijn moeder, de getuige [getuige 1], in de auto zat en op de kruising Tunnelstraat/Parallelweg te Sittard zag dat een auto rechtsaf reed de Elisabeth van Barstraat te Sittard in. Kort daarna zag hij een fiets rijden met hoge snelheid. Het leek erop dat de man die de fiets bestuurde achter de auto aan fietste. De bestuurder van de fiets gebaarde wild en schreeuwde luidkeels.

[getuige 2] zag dat de auto plotseling sterk snelheid minderde. Hij zag dat de bestuurder van de auto de man op de fiets naast het door hem bestuurde voertuig liet komen. De bestuurder van de fiets had een non-verbale agressieve houding en bukte om door het raampje van de auto naar binnen te kijken. Plotseling stak de bestuurder van de auto zijn arm uit naar rechts. Hij had een pistool in de rechterhand. Dit werd uit het raam gehouden aan de passagierszijde van de auto. Getuige hoorde vier of vijf schoten. Hij zag dat de man op de fiets een schotwond had aan zijn rechterhand en dat de hand van de man bloedde.7

Op de plaats delict zijn vier hulzen aangetroffen. Deze zijn onderzocht. Blijkens dit onderzoek zijn het hulzen van het kaliber 7.65 mm, merk Browning, terwijl het zeer waarschijnlijk is dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten.8

De rechtbank ziet zich gesteld voor een tweetal vragen.

Op de eerste plaats dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het opzet van de verdachte was gericht op de dood van [slachtoffer 1].

De verdachte heeft verklaard dat het opzet van hem niet was gericht op het doden van zijn broer [slachtoffer 1]. Hij weet hoe hij met wapens moet omgaan en hij had indien gewild dus gemakkelijk zijn broer [slachtoffer 1] kunnen doodschieten.

De rechtbank overweegt hiertoe dat de verdachte tot viermaal toe op korte afstand op zijn broer [slachtoffer 1] heeft geschoten. Dat hij zijn broer [slachtoffer 1] niet vaker dan éénmaal raakte, wijt de rechtbank aan de omstandigheid dat hij schoot vanuit een rijdende auto, terwijl ook de fiets waar zijn broer [slachtoffer 1] op reed in beweging was. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat ook om deze reden [slachtoffer 1] niet in enig vitaal deel is geraakt door een kogel uit het wapen van de verdachte.

Het is een feit van algemene bekendheid dat schieten met een vuurwapen vanaf korte afstand op een persoon zonder meer levensbedreigend is. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het opzet van de verdachte was gericht op de dood van [slachtoffer 1] en dat het alleen door toeval niet zover is gekomen dat [slachtoffer 1] is overleden.

Ten tweede zal zij ingaan op de vraag of er sprake is van voorbedachten rade, hetgeen wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg.

Kalm beraad en rustig overleg moet gezien worden als het tegenovergestelde van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die de dader als het ware onvoorbereid treft en hem brengt tot de onmiddellijk gevolgde daad. Van een dergelijk handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet worden gesproken omdat de verdachte een pistool merk Walther, kaliber 7.65 mm bij zich droeg om zich - naar eigen zeggen - te beschermen tegen zijn broer [slachtoffer 1]. Het wapen was half geladen en niet vergrendeld, dus op doorladen na schietklaar. Op het moment dat de verdachte op 19 april 2012 zijn broer zag, stond hij voor het stoplicht op de Parallelweg. De verdachte sloeg rechtsaf in dezelfde richting waarin zijn broer [slachtoffer 1] fietste.

Vervolgens creëerde de verdachte een situatie waarin zijn auto en de fiets op gelijke hoogte kwamen. Zijn broer [slachtoffer 1] bukte zich op dat moment om in de auto te kijken. De verdachte nam toen zijn vuurwapen ter hand, laadde dit door, richtte dit vanuit de auto op zijn broer [slachtoffer 1] en schoot met dat wapen vier kogels. Op grond van de omstandigheid dat de verdachte – voorafgaand aan het richten van het pistool – dit eerst heeft moeten doorladen, maakt zijn verklaring over het per ongeluk afgaan van het eerste schot niet geloofwaardig.

Zelfs indien moet worden aangenomen dat het eerste schot ongewild zou zijn afgegaan, heeft de verdachte nog steeds gelegenheid gehad zijn handelen te overdenken in de momenten voorafgaande aan de vervolgschoten. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 03/810222-12:

De rechtbank is van oordeel dat dit feit niet is bewezen, nu de verdachte dit feit ontkent en de verklaringen van de getuigen geen bewijs kunnen vormen. De rechtbank zal de verdachte daarom van dat feit vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

op 19 april 2012 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meermalen op die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare feit:

(parketnummer 03/703001-12)

primair:

poging tot moord.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar door het bewezenverklaarde; er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft.

7 De oplegging van straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak van het onder parketnummer 03/703001-12 primair tenlastegelegde. Hij acht het subsidiair tenlastegelegde in de vorm van voorwaardelijk opzet bewezen en vindt een gevangenisstraf van gelijke duur als het voorarrest passend.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren ten aanzien van het primair tenlastegelegde een te hoge straf is, nu zijns inziens in elk geval de voorbedachten rade niet bewezen kan worden verklaard en hij heeft verzocht om, indien de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren in de vorm van een poging tot doodslag, een gevangenisstraf voor niet langer dan drie jaren op te leggen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer 1]. Een poging tot moord is een zeer ernstig strafbaar feit. De verdachte heeft op klaarlichte dag op de openbare weg in een drukke straat met een vuurwapen geschoten op het slachtoffer [slachtoffer 1] en hem daarbij in de pols geraakt. Het is niet een verdienste van de verdachte dat geen vitaal deel van het lichaam van het slachtoffer is geraakt. De rechtbank rekent de verdachte zijn handelen aan, temeer nu er op het tijdstip waarop het incident heeft plaatsgevonden veel personen op de weg waren. Zij zijn ongewild met dit schokkende voorval geconfronteerd en aan een risico blootgesteld door een kogel uit het vuurwapen van de verdachte eveneens te worden getroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hiervoor vermelde duur met zich brengt. In zijn algemeenheid kan in dit verband worden gesteld dat een voltooide moord met een gevangenisstraf van 12 tot 18 jaar wordt bestraft. Voor een poging tot moord dient hierop een derde deel in mindering te worden gebracht.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de schermutselingen die in de familie [familienaam] zijn vooraf gegaan aan het handelen van de verdachte.

De rechtbank heeft daarnaast gelet op de inhoud van het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 18 september 2013 waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter voor een soortgelijk feit werd veroordeeld.

De rechtbank zal in het voordeel van de verdachte, behalve met het feit dat de justitiële documentatie op het gebied van geweld gering respectievelijk oud is, tevens rekening houden met het feit dat hij door omstandigheden die niet aan hem zijn te wijten gedurende een langere tijd dan gebruikelijk bij de behandeling van strafzaken in voorlopige hechtenis heeft moeten verblijven.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren de meest passende en geëigende straf.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het aan hem onder parketnummer 03/810222-12 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder parketnummer 03/703001-12 tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert, zoals dat hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte daardoor strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren;

- beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter,

mr. E.H.A.F.M. Krol en mr. F.M. van Maanen Winters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 november 2013.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummers: 03/703001-12; 03/810222-12

Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de enkelvoudige strafkamer van de rechtbank van 4 november 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Huis van Bewaring (Unit A + B),

Muntlaan 1 te Grave.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 21 oktober 2013 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Ter zake de tenlastelegging met parketnummer 03/810222-12: De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2440 2012044121 d.d. 29 juni 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 51 tot en met 56 van de doornummering.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 oktober 2013.

4 Proces-verbaal van aangever, pagina 14 en 15 van de doornummering.

5 Het geschrift, opgenomen in het proces-verbaal, pagina 22 van de doornummering.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 61 en 62 van de doornummering.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 64 tot en met 66 van de doornummering.

8 Aanvraag onderzoek NFI en rapport van het NFI inzake munitieonderzoek pagina 1 tot en met 7 d.d. 15 juni 2012, ongenummerd opgenomen in het dossier.