Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:8256

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
AWB-13_3020
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ziektewet-uitkering. Voorlopige voorziening met kortsluiting. Duiding besluit. Geen weigering, maar intrekking uitkering. Belastend besluit. Onderzoeksplicht bestuursorgaan. Besluit ontbeert deugdelijke onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13 / 3020 en AWB 13 / 2702

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2013 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[correspondent], te [woonplaats 2], eiseres

(gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten)

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder

(gemachtigde: F.G.E. Houtbeckers).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een uitkering ingevolge de Ziektewet toe te kennen. Bij besluit van 22 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (AWB 13/2702). Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 13/ 3020).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Op verzoek van eiseres is als getuige gehoord [getuige], wonend te [straat en huisnummer] te [woonplaats 2].

Overwegingen

1.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat er geen beletselen zijn om op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, waartoe het volgende wordt overwogen.

2.

De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres was per 1 april 2012 in dienst bij [naam werkgever], handelend namens de toenmalige [naam supermarkt], gelegen in Venlo. Per 1 mei 2012 is genoemde zaak overgenomen door [naam werkgever] en kreeg deze de naam [naam supermarkt]. Per laatstgenoemde datum heeft eiseres een arbeidsovereenkomst gesloten met [naam werkgever]voor de duur van zes maanden. Op 31 oktober 2012 heeft [naam accountant] (accountant van [naam werkgever]) aangifte gedaan van ziekte van eiseres. Eiseres zou per 25 juli 2012 ziek zijn.

3.

Bij besluit van 12 december 2012 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 november 2012 een voorschot ziektewetuitkering toegekend. Bij besluit van 30 januari 2013 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 november 2012 een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend.

4.

Het bestreden besluit betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit van 25 april 2013, waarbij verweerder heeft geweigerd om aan eiseres een Ziektewetuitkering toe te kennen op de grond dat zij ten tijde van het ziek worden niet verzekerd was. Verweerder heeft hierbij gewezen op een onderzoek door de belastingdienst.

5.

In beroep heeft eiseres (samengevat) aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld omdat op geen enkele wijze is ingegaan op de standpunten en bewijsstukken die eiseres in het kader van de bezwaarprocedure heeft overgelegd. Aan het bestreden besluit kleeft een motiveringsgebrek. Eiseres is van mening dat zij wel een werknemer is in de zin van de Ziektewet (ZW). Er is sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking waarbij zij salaris heeft ontvangen voor haar werkzaamheden en daarnaast is er sprake van een gezagsverhouding.

6.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7.

Gelet op de in 3. aangehaalde besluiten heeft de voorzieningenrechter ter zitting allereerst aan verweerder gevraagd hoe de in de onderhavige procedure, in 4. aangehaalde, besluiten in juridisch opzicht moeten worden geduid. De gemachtigde van verweerder heeft daarop meegedeeld dat er, in tegenstelling tot hetgeen in de thans aan de orde zijnde besluiten staat vermeld, geen sprake is van een weigering van (de aanvraag om) ziekengeld, maar dat sprake is van een lopende ziektewetuitkering, die met terugwerkende kracht is ingetrokken door verweerder. De voorzieningenrechter gaat er derhalve van uit dat het primaire besluit een intrekking met terugwerkende kracht betreft van de eerder aan eiseres toegekende ziektewetuitkering.

8.

In verband daarmee stelt de voorzieningenrechter voorop dat het bij besluiten tot intrekking van een sociale zekerheidsuitkering gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren (zie bijvoorbeeld CRvB 5 december 2012, LJN BY5260).

9.

Het is dan ook aan verweerder en niet aan eiseres om aannemelijk te maken dat eiseres arbeidsrechtelijk gezien niet in een gezagsverhouding heeft gestaan tot de heer Köksal. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de privésituatie tussen beiden overheersend is. Verweerder heeft deze stelling echter niet verder onderbouwd. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet vaststaat dat eiseres feitelijk arbeid van enige omvang in de onderneming van haar partner heeft verricht. Ook dit standpunt heeft verweerder niet voorzien van een nadere onderbouwing, hetgeen door verweerder is erkend ter zitting. Aan het bestreden besluit kleeft derhalve een motiveringsgebrek. De stelling van verweerder dat eiseres ten tijde van het ziek worden, op 25 juli 2012, niet verzekerd was en derhalve geen recht heeft op een ZW-uitkering wordt dan ook niet gedragen door een deugdelijke onderbouwing. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

10.

De voorzieningenrechter ziet geen geschikte wijze van finale geschillenbeslechting binnen zijn bereik, nu het resultaat van het door verweerder te verrichten onderzoek en de aard van het te nemen besluit nog ongewis zijn. Ten behoeve van dit laatste overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.

11.

Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat in een arbeidsverhouding tussen echtgenoten, dan wel partners, een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de regel niet aannemelijk wordt geacht, omdat gewoonlijk de vereiste gezagsverhouding zal ontbreken (CRvB 2 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1921). Een uitzondering daarop kan alleen worden aangenomen indien de omstandigheden van het geval daar duidelijk op wijzen. Verweerder zal zich bij het te nemen besluit hiervan rekenschap moeten geven. Tevens wijst de voorzieningenrechter erop dat verweerder zich voor het eerst ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat er geen, althans niet op reguliere wijze, loon aan eiseres is uitbetaald nu dit via de kas is gebeurd. Ook dit heeft verweerder niet nader onderbouwd hetgeen alsnog zal moeten gebeuren als deze grond door verweerder aan het te nemen besluit ten grondslag zal worden gelegd.

12.

Gelet op het tijdsverloop en hetgeen ter zitting door de gemachtigde is verklaard over de financiële situatie van eiseres ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een termijn van drie weken te stellen voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar. Gelet hierop zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

13.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 22 augustus 2013;

  • -

    draagt verweerder op om binnen drie weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan de rechtsbijstandverlener;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van E.S.J.M. Naebers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2013.

w.g. E.S.J.M. Naebers,

griffier

w.g. mr.drs. E.J. Govaers,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 oktober 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarmee is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voor zover bij deze uitspraak is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening staat daartegen geen rechtsmiddel open.