Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7952

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
03-702628-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van productie van amfetamine en/of MDMA en de voorbereidingshandelingen daartoe. Ontbreken van wetenschap van de bestemming van de in de woning van verdachte aangetroffen chemicaliën. Verweer ter zake onrechtmatig binnentreden/doorzoeken verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/702628-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 oktober 2013

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsman is mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen van 10 september 2013 en 8 oktober 2013, waarbij de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 24 april 2013 tot en met 28 mei 2013 samen met (een) ander(en) MDMA en/of amfetamine heeft geproduceerd, dan wel dat zij op 28 mei 2013 samen met (een) ander(en) voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of moest vermoeden dat die bestemd waren voor de productie en/of de handel van MDMA en/of amfetamine.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, gelet op de spullen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, het onderzoek door het LFO en het rapport van het NFI van 27 september 2013.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe – kort gezegd – de volgende verweren gevoerd:

  • -

    het binnentreden in de woning van de verdachte is onrechtmatig geschied, zodat alles wat nadien is aangetroffen in de woning dient te worden uitgesloten van het bewijs. Het dossier bevat voor het overige onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring van het primair dan wel het subsidiair ten laste gelegde te kunnen komen;

  • -

    er is geen bewijs in het dossier voorhanden waaruit blijkt dat de verdachte samen met (een) ander(en) amfetamine en/of MDMA heeft geproduceerd in haar woning. Dit was ook niet mogelijk, aangezien twee belangrijke ingrediënten voor de productie van deze harddrugs, te weten mierenzuur en formamide, niet voorhanden waren in de woning;

  • -

    er is geen bewijs in het dossier voorhanden waaruit blijkt dat verdachte wist of ernstig moest vermoeden dat de aangetroffen materialen en chemicaliën bestemd waren voor de productie van amfetamine en/of MDMA, zodat evenmin kan worden bewezen dat verdachte zicht schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet;

- ten slotte is er geen bewijs in het dossier voorhanden waaruit blijkt dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander of anderen, zodat van medeplegen geen sprake is.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtmatigheid van het binnentreden en de doorzoeking.

In de periode van 24 april 2013 tot en met 18 mei 2013 kwamen bij de regiopolitie Limburg Zuid via Meld Misdaad Anoniem vijf anonieme meldingen binnen. Deze meldingen hielden in dat in de kelder van de woning, gelegen aan de [adres], een hennepkwekerij aanwezig was. In de tuin van de woning lagen goederen die gebruikt werden voor de hennepteelt. Ook was er af en toe een (sterke) hennepgeur te ruiken.

Op 24 mei 2013 is door de politie, naar aanleiding van deze meldingen, een warmtemeting verricht op het adres [adres]. Bij meting van de ramen op de eerste etage van deze woning werd een temperatuur gemeten van 11,9 graden Celsius. Bij een gehouden referentiemeting op een soortgelijk raam werd een temperatuur van 4,3 graden Celsius gemeten.

Uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) bleek dat op het adres [adres] de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en hun vier kinderen stonden ingeschreven.

Voorts bleek uit de politieregisters dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] bekend stonden ter zake vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.

De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat het binnentreden in de woning van verdachte en haar echtgenoot, zijnde medeverdachte [medeverdachte], rechtmatig is geschied. Zij overweegt daartoe op de eerste plaats dat de gedetailleerde MMA meldingen, in samenhang bezien met de resultaten van de warmtemeting en de omstandigheid dat de bewoners van de woning bij de politie bekend stonden ter zake overtreding van de Opiumwet, een voldoende redelijke verdenking opleverden voor de aanwezigheid van een hennepplantage in de woning van verdachte. De machtiging tot binnentreden is daarom rechtmatig afgegeven. Daar komt bij dat de echtgenoot van verdachte, nadat hem de machtiging tot binnentreden was getoond, ook mondeling toestemming heeft gegeven aan de politie om de woning te betreden.

Nadat de verbalisanten de woning hadden betreden heeft de echtgenoot van verdachte bovendien schriftelijk toestemming gegeven aan de verbalisanten om de echtelijke woning stelselmatig te doorzoeken, zodat de verbalisanten bevoegd waren om de woning te doorzoeken.

Nu zowel het binnentreden als de doorzoeking rechtmatig is geschied, kan alles wat na het binnentreden en tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte is aangetroffen voor het bewijs worden gebruikt.

De ten laste gelegde feiten

Op 28 mei 2013 is door de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmanteling (verder:

de LFO) van de Dienst Nationale Recherche een onderzoek verricht in de woning van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Uit dit onderzoek bleek dat in en rondom de woning meerdere chemicaliën, zoals APAAN, zoutzuur en Caustic Soda, alsmede diverse andere materialen werden aangetroffen die in verband staan met de productie van amfetamine.

Uit voornoemd onderzoek bleek voorts dat in een blauw vat, dat werd aangetroffen in de kelder van de woning van verdachte, benzylmethylketon (hierna: BMK) werd vervaardigd. Deze stof wordt gebruikt voor de productie van amfetamine. Tevens werden in kelder van de woning voorwerpen aangetroffen waarop resten van amfetamine konden worden aangetoond.

Met name vanwege dit laatste zijn er sterke aanwijzingen dat in de woning van de verdachte en haar echtgenoot op enig moment amfetamine en/of MDMA is geproduceerd. In het dossier bevinden zich echter geen bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank kan vaststellen dat dit in de ten laste gelegde periode – van 24 april tot en met 28 mei 2013 – ook daadwerkelijk het geval is geweest. Hierbij betrekt de rechtbank dat ten tijde van de inval door de politie op 28 mei 2013 geen gereed product voorhanden was. Evenmin waren in de woning bruikbare hoeveelheden van mierenzuur en formamide aanwezig. Laatstgenoemde stoffen zijn nodig voor de productie van amfetamine. Nu het de rechtbank ook bekend is dat uit het oogpunt van risicospreiding de verschillende stadia van het productieproces vaker op verschillende plaatsen worden ondergebracht kan niet worden uitgesloten dat zulks in casu (inmiddels) ook het geval is met de omzetting van BMK in amfetamine.

De rechtbank zal de verdachte, gelet op het vorenstaande, dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegd feit.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte zich, al dan niet samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, zoals aan verdachte subsidiair is ten laste gelegd. Om tot een bewezenverklaring van dit strafbare feit te kunnen komen dient de rechtbank vast te stellen dat verdachte opzettelijk voor de productie van amfetamine en/of MDMA bestemde voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstig moest vermoeden dat die bestemd waren voor de productie van die harddrugs. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet hebben geweten dat de door de politie aangetroffen chemicaliën en materialen in haar woning aanwezig waren, te meer nu een groot deel van deze goederen open en bloot verspreid lagen in en rondom de woning. In het dossier is echter geen bewijs voorhanden waaruit blijkt dat verdachte wist of ernstig moest vermoeden dat deze stoffen en voorwerpen bestemd waren voor de productie van MDMA en/of amfetamine. Niet is gebleken dat verdachte bekend was met de productie van synthetische drugs en evenmin dat zij wist dat iemand anders dan haar zich daarmee bezig zou kunnen houden in haar woning. Verdachte ontkent dit immers. De rechtbank laat daarbij nog meewegen dat het productieproces van BMK, zijnde een halffabricaat voor de productie van amfetamine, plaatsvond in de kelder. Volgens medeverdachte [medeverdachte] kwam alleen hij in deze ruimte. Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie wel eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor een Opiumwetdelict maar dat dat de hennepteelt betrof. Daaruit kan evenmin worden afgeleid dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de bestemming van de chemicaliën en materialen die in haar woning werden aangetroffen. Zo blijft enkel de aanname dat het niet erg waarschijnlijk is dat verdachte nooit zou hebben gemerkt wat zich in de woning afspeelde en daar nooit naar zou hebben gevraagd. Maar dat is een gevoelen waarop geen bewezenverkaring kan worden gegrond.

De rechtbank zal de verdachte, gelet op het vorenstaande, eveneens vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegd feit.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

  • -

    spreekt verdachte vrij van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit;

  • -

    heft op de geschorste voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 oktober 2013.

Buiten staat

Mr. J.M.E. Kessels is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De (gewijzigde) tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 24 april 2013 tot en met 28 mei 2013 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk hebben/heeft vervaardigd of bereid of bewerkt of verwerkt (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 28 mei 2013 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen diverse goederen, zoals 200 kilo APAAN, 300 liter geconcentreerd zoutzuur, caustic soda, diverse jerrycans, een gemodificeerde RVS ketel, diverse lege verpakkingen van Methanol en zwavelzuur, diverse rondbodemkolven, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/702628-13

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 22 oktober 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman: mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat te Heerlen.