Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7917

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
C/03/181137 / FA RK 13-1096
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezagswijziging: bepaalt dat moeder alleen het gezag heeft over kind, nu vader geen invulling aan gezag geeft, niet reageert op pogingen van moeder en gezinsvoogd om tot contact te komen, regelmatig verhuist zonder adres of telefoonnummer door te geven en het de moeder daardoor feitelijk onmogelijk maakt in gezamenlijkheid gezagsbeslissingen te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 11 oktober 2013

Zaaknummer: C/03/181137 / FA RK 13-1096

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

wonende op bij de rechtbank bekend geheim adres binnen het arrondissement Limburg,

advocaat: mr. B. Lynen,

en:

[wederpartij],

wederpartij, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats].

1 Het verloop van de procedure

De moeder heeft op 27 mei 2013 een verzoekschrift tot wijziging in de uitoefening van het ouderlijk gezag ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 6 september 2013.

Per faxbericht van 1 oktober 2013 heeft de moeder een “getuigschrift van woonst” van de gemeente [woonplaats] ten aanzien van de vader ingediend.

2 De feiten

[minderjarige] (roepnaam: [minderjarige]) is geboren te [geboorteplaats] op [2004] uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader.

De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige]. [minderjarige] verblijft bij de moeder.

Bij beschikking van 8 februari 2013 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 23 februari 2013 voor de duur van één jaar. [minderjarige] staat sinds

23 februari 2012 onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (verder te noemen: bureau jeugdzorg).

3 Het verzoek, het verweer en standpunten hulpverlening

3.1

De moeder heeft verzocht het gezamenlijk ouderlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat zij voortaan alleen het gezag zal uitoefenen over [minderjarige].

De moeder heeft haar verzoek ter zitting nader toegelicht.

De moeder beroept zich op artikel 1:253n BW en stelt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De vader heeft thans twee jaar geen contact met [minderjarige]. De vader heeft dit contact door middel van een telefoontje stop gezet. De moeder voert als directe aanleiding van het verzoek aan dat [minderjarige] ziek is en dat hij ten gevolge hiervan specialistische hulp en medische behandeling nodig heeft bij Wickraderheem van de Mondriaan Zorggroep (dagbehandeling). [minderjarige] kan nu geplaatst worden, maar hiertoe is gelet op het gezamenlijk gezag de toestemming van beide ouders vereist. Ofschoon de vader op de hoogte is van de situatie van [minderjarige], reageert hij niet op verzoeken van de moeder en de gezinsvoogd ter verkrijging van deze toestemming. De papieren die naar de vader zijn opgestuurd zijn retour gekomen, telefoonnummers kloppen niet en de e-mailberichten worden niet beantwoord. De moeder heeft de afgelopen jaren veelvuldig getracht om in het belang van [minderjarige] contact te krijgen met de vader, maar laatstgenoemde heeft hier niet op gereageerd. Daarbij verhuist de vader constant naar andere plekken, zonder de moeder en de gezinsvoogd op de hoogte te stellen van zijn verblijfplaats. Het wordt de moeder hierdoor vrijwel onmogelijk gemaakt om gezamenlijk het gezag met de vader uit te oefenen. In de toekomst zullen steeds vaker beslissingen genomen moeten worden, waarbij de toestemming van de vader vereist is. Het is niet redelijk om van de moeder te verwachten dat zij keer op keer vervangende toestemming bij de rechtbank vraagt, wanneer de vader zijn verantwoordelijkheden niet neemt. Wijziging van het gezag is anderszins noodzakelijk in het belang van [minderjarige].

3.2.

De vader, volgens de wettelijke voorschriften opgeroepen, is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

3.3.

De vertegenwoordiger van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (verder te noemen: de gezinsvoogd) heeft ter zitting aangevoerd dat de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] al door de vader waren gestopt, voordat de gezinsvoogd in beeld was. De contactmomenten waren gevaarlijk en onoverzichtelijk en er was sprake van alcohol en drugsgebruik bij de vader. Alvorens in te zetten op het hervatten van de contactmomenten moest eerst de situatie van de vader in beeld worden gebracht. Na een eerste gesprek hiertoe is de vader uit beeld verdwenen. De vader is door de gezinsvoogd meermaals benaderd ten aanzien van de behandeling van [minderjarige] en contact met [minderjarige], maar hij heeft nergens op gereageerd.

De vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) heeft ter zitting geadviseerd om toewijzing van het verzoek te laten afhangen van de bereidheid van de vader om mee te werken aan de behandeling van [minderjarige], waarbij eerst minder verstrekkende middelen moeten worden overwogen, zoals vervangende toestemming door de rechtbank. De gezinsvoogd kan onderzoeken wat nog van de vader verwacht mag worden.

4 Beoordeling

Het verzoek tot wijziging gezag is gebaseerd op artikel 1:253 n BW van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) op grond waarvan de rechtbank het gezamenlijk gezag, bedoeld in onder andere artikel 1:251a lid 1 BW, kan beëindigen indien sprake is van gewijzigde omstandigheden of indien bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank kan bepalen dat het gezag aan een ouder toekomt indien:

a.  er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b.  wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en de verklaringen ter zitting blijkt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253 n BW. De rechtbank is voorts van oordeel dat het verzoek van de moeder, tot wijziging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] in eenhoofdig gezag bij de moeder, dient te worden toegewezen.

De rechtbank overweegt hiertoe dat voor gezamenlijk ouderlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Gebleken is dat de vader de afgelopen jaren geen invulling heeft gegeven aan het gezag. Onweersproken is gesteld dat de vader niet reageert op pogingen van de moeder of de gezinsvoogd om tot contact te komen. Onweersproken is ook gesteld dat vader regelmatig verhuist en noch zijn adres noch zijn telefoonnummer aan de moeder doorgeeft en het de moeder daardoor feitelijk onmogelijk maakt om gezamenlijk te overleggen en in gezamenlijkheid gezagsbeslissingen te nemen.

De rechtbank is – anders dan de raadsvertegenwoordiger – van oordeel, dat niet onderzocht behoeft te worden wat de bedoeling van de vader is. Het is de vader die ervoor kiest om geen verantwoordelijkheid te nemen, het is de vader die ervoor kiest om onbereikbaar te zijn en het is ook de vader die ervoor kiest om niet mee te werken met de gezinsvoogd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat toewijzing van het verzoek in het belang van de [minderjarige] noodzakelijk is.

5 Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de moeder alleen het gezag heeft over [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2004];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

VS

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

  1. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.