Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7761

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
03/830061-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 en veroordeling voor de overtreding van artikel 5 van die wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/830061-12

Datum uitspraak : 16 oktober 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende aan de [adres].

Raadsman is mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Sittard.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 2 oktober 2013.

De rechtbank heeft op 2 oktober 2013 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte wordt er -kort samengevat- van verdacht een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval te hebben veroorzaakt, waarbij twee voetgangsters gewond zijn geraakt. De volledige tenlastelegging luidt dat:

hij op of omstreeks 02 oktober 2011, in de gemeente Heerlen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Unolaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een (of meer) ander(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

welke bovenbedoelde gedraging(en) roekeloos althans (aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, rijdende over de rotonde gevormd door de wegen de Ganzeweide, de Bokstraat, de Pappersjans en de Unolaan, vanaf die rotonde de Unolaan is opgereden zulks op het moment dat twee voetgangsters doende waren die Unolaan van, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, links naar rechts over te steken en/of zich bevonden op de, gezien zijn, verdachtes, rijrichting rechter

rijbaan van die Unolaan, en/of hij verdachte (telkens) bij de nadering van die overstekende voetgangers de snelheid van zijn motorrijtuig (personenauto) niet althans niet voldoende heeft verminderd en/of zijn motorrijtuig niet of niet tijdig tot stilstand heeft gebracht,

waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en die overstekende voetganger(s), te weten die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2];

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

dat hij op of omstreeks 2 oktober 2011, in de gemeente Heerlen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende op de rotonde gevormd door de weg(en), de Ganzeweide, de Bokstraat, de Pappersjans en de Unolaan, vanaf die rotonde de, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, rechter rijbaan van de Unolaan is opgereden, en bij nadering van twee op, die Unolaan, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, van links naar rechts overstekende voetgangsters althans zich op de rechter rijbaan van die Unolaan bevindende voetgangsters, zijn snelheid niet althans niet voldoende heeft verminderd en/althans niet althans niet voldoende is uitgeweken en/of zijn motorrijtuig niet althans niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en/of zo onvoorzichtig of onoplettend en/althans zo onoordeelkundig en/althans op

zodanige wijze heeft gereden waardoor/dat hij in botsing althans aanrijding is gekomen met die twee voetgangsters, door welke gedraging(en) van hem, verdachte, (telkens) gevaar op de weg werd veroorzaakt althans (telkens) kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die

weg (telkens) werd gehinderd althans (telkens) kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft veroorzaakt. Verdachte heeft met zijn auto gereden op een rotonde in Heerlen die gevormd wordt door de straten Ganzeweide, Bokstraat, Pappersjans en Unolaan. Verdachte heeft, zowel rijdend op de rotonde als bij het verlaten daarvan richting de Unolaan, twee overstekende voetgangsters niet gezien, terwijl daarvoor ruim de gelegenheid is geweest. Verdachte heeft ook niet geremd of zijn snelheid verminderd en heeft vervolgens de voetgangsters aangereden. Een van hen heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De officier van justitie beoordeelt het verkeersgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig, omdat in zijn visie verdachte in het geheel niet gekeken heeft naar de Unolaan, terwijl dat op meerdere momenten goed mogelijk is geweest. Om die reden heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het misdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte volledig vrij te spreken. Verdachte heeft zich als een voorbeeldige verkeersdeelnemer gedragen en rekening gehouden met mogelijk ander verkeer. Het is onjuist dat verdachte in het geheel niet gekeken heeft naar de Unolaan. Er is wel sprake geweest van een falende waarneming, nu verdachte de voetgangsters niet heeft opgemerkt, maar dat is onvoldoende om te kunnen spreken van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en daarmee van het misdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Voor een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 is evenmin ruimte, omdat de ondergrens van schuld niet wordt gehaald, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vastgesteld kan worden op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting dat verdachte op 2 oktober 2011 met zijn auto twee voetgangsters heeft aangereden op de Unolaan in de bebouwde kom van Heerlen. Op het moment van de aanrijding reed verdachte met een snelheid van ongeveer 30 km/u. Vanuit de positie van verdachte bezien, waren de voetgangsters doende van links naar rechts de Unolaan over te steken. Een van hen, mevrouw [slachtoffer 1], heeft ten gevolge van de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Verder kan worden aangenomen dat verdachte de voetgangsters in het geheel niet heeft opgemerkt, zoals hij ook zelf heeft verklaard. Verdachte heeft bij het oprijden van de Unolaan vanaf de rotonde niet geremd of zijn snelheid verminderd.

De centrale vraag is in deze zaak of verdachte zich daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gedragen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van aanmerkelijke schuld aan een verkeersongeval, komt het blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Of één verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 valt in zijn algemeenheid niet aan te geven. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Of er aanmerkelijke schuld is kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van een verkeersfout worden afgeleid.

De Hoge Raad heeft verder in zijn arresten overwogen dat de enkele omstandigheid dat een verdachte een verkeersdeelnemer die hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien, hoewel hij die wel had kunnen zien, onvoldoende is om aanmerkelijke schuld aan te nemen.

Deze laatste situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak voor. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is namelijk niet meer naar voren gekomen dan wat de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld: verdachte is de Unolaan opgereden en heeft de voetgangsters niet gezien. Dat hij hen niet gezien heeft, verklaart ook waarom verdachte niet tijdig heeft geremd.

Verdachte had de voetgangsters echter wel kunnen zien. De situatie ter plaatse bood daartoe ruim de mogelijkheid. Verdachte had dus moeten stoppen of zijn snelheid in elk geval moeten aanpassen om de voetgangsters niet in gevaar te brengen. Zij waren immers bezig met oversteken en hadden voorrang. Dat alles levert een verwijtbare verkeersfout op, maar er zijn geen gedragingen van verdachte naar voren gekomen of anderszins factoren aan te wijzen die bijkomende verwijten met zich meebrengen waarop een veroordeling op basis van artikel 6 van de Wegenverkeerswet gegrond zou kunnen en moeten worden (daaronder begrepen de ten laste gelegde roekeloosheid). Voor het bijkomende verwijt van de officier van justitie dat verdachte in het geheel niet naar de Unolaan heeft gekeken, is geen bewijs voorhanden. De rechtbank komt zodoende tot een vrijspraak van het primair ten laste gelegde en zal de subsidiair ten laste gelegde overtreding bewezen verklaren.

Van de zijde van verdachte is nog aangevoerd dat de voetgangsters niet op een correcte manier zijn overgestoken, omdat door een getuige wordt beschreven dat de voetgangsters niet recht via de aangegeven suggestiestrook zijn overgestoken, maar schuin, via de middenberm van de Unolaan over het gras, wat mogelijk bijgedragen kan hebben aan de omstandigheid dat verdachte hen over het hoofd heeft gezien. In dat verband is ter zitting uitgebreid aan de orde geweest waar de voetgangsters zich hebben bevonden op het moment dat zij werden aangereden, omdat verdachte een hoofdje heeft gezien voor de linkervoorzijde van zijn auto, op grond waarvan hij vermoedt dat de voetgangsters niet op de suggestiestrook liepen.

De rechtbank begrijpt hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht aldus, dat verdachte in het geheel niets verweten kan worden. Dit standpunt verwerpt de rechtbank.

Voor de rechtbank staat vast dat de voetgangsters het oversteken bijna hadden voltooid en zich op de suggestiestrook en nabij het trottoir hebben bevonden, toen zij werden aangereden. Dit gedeelte van de weg heeft verdachte geheel kunnen en moeten overzien, alvorens hij de Unolaan opreed, wat hij, zoals hiervoor overwogen, verwijtbaar heeft nagelaten. De slachtoffers zijn immers door de rechterkant van de auto geraakt. Dit volgt uit de beschadigingen van de auto die rechtsvoor zijn ontstaan door de aanrijding. Die schade stemt weer overeen met de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1], die gezegd heeft dat zij via de suggestiestrook is overgestoken en zich op ongeveer 2 meter van de stoep bevond toen zij werd geraakt. Ook de positie waarin het slachtoffer [slachtoffer 2] is aangetroffen past hierbij. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan het vermoeden van verdachte dat de voetgangsters zich elders op de weg hebben bevonden, omdat dat niet aannemelijk is.

Voor de rechtbank is het in casu ook niet relevant of de voetgangsters recht of schuin zijn overgestoken. Ook is niet van belang of zij al dan niet de suggestiestrook hebben gebruikt. In alle gevallen blijft het verwijt aan verdachte gelijk, omdat de voetgangsters immers hoe dan ook voorrang hadden en zichtbaar voor verdachte moeten zijn geweest.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

subsidiair

op 2 oktober 2011 in de gemeente Heerlen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende op de rotonde gevormd door de wegen de Ganzeweide, de Bokstraat, de Pappersjans en de Unolaan, vanaf die rotonde de, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, rechter rijbaan van de Unolaan is opgereden en bij nadering van twee op die Unolaan, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, van links naar rechts overstekende voetgangsters, zijn snelheid niet althans niet voldoende heeft verminderd en zijn motorrijtuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en zo onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden waardoor hij in aanrijding is gekomen met die twee voetgangsters, door welke gedraging van hem, verdachte, gevaar op de weg werd veroorzaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare overtreding op:

subsidiair

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze overtreding is strafbaar gesteld bij de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf en/of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte een taakstraf op te leggen van 42 uren en een voorwaardelijke rij-ontzegging van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken en geen standpunt ingenomen ten aanzien van een op te leggen straf.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt met ernstige gevolgen. Uit de stukken is gebleken dat mevrouw [slachtoffer 1] een zeer langdurig revalidatieproces is ingegaan en niet verwacht dat zij ooit volledig zal herstellen. Ook het slachtoffer [slachtoffer 2] is gewond geraakt door de aanrijding. Nadere informatie over dit slachtoffer heeft de rechtbank niet ontvangen, maar verondersteld mag worden dat ook voor haar de aanrijding een ingrijpende gebeurtenis moet zijn geweest. De rechtbank begrijpt dat de afloop van deze strafzaak mogelijk een onbevredigd rechtsgevoel bij de slachtoffers zal achterlaten, nu zij van een relatief eenvoudige overtreding zulk ingrijpend leed hebben ondervonden. Dat kan echter geen reden zijn de verkeersfout van verdachte als een zwaarder vergrijp aan te merken en te kiezen voor een zwaardere straf dan gebruikelijk bij overtredingen.

Verdachte heeft ter zitting overtuigend aangegeven dat hij is aangedaan door het letsel en leed van de slachtoffers. Hij is naar eigen overtuiging voorzichtig en oplettend geweest ter plaatse en tracht nog immer te begrijpen hoe het ongeval heeft kunnen gebeuren.

Deze houding van verdachte komt op de rechtbank oprecht over en zij gaat ervan uit dat het opleggen van een taakstraf of een hogere straf dan gebruikelijk bij soortgelijke verkeersovertredingen niet nodig is om herhaling te voorkomen. Zij acht dan ook een geldboete van € 300,- voldoende straf. Gelet op de financiële draagkracht van verdachte zal de rechtbank bepalen dat hij deze boete in termijnen kan voldoen.

Een rij-ontzegging heeft geen meerwaarde, gelet op de houding van verdachte en het gegeven dat hij niet eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten. De rechtbank ziet daarom af van het opleggen die maatregel.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een geldboete van € 300,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen;

  • -

    bepaalt dat de opgelegde geldboete in 3 achtereenvolgende maandelijkse termijnen van € 100,- mag worden voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 oktober 2013.

Buiten staat

Mr. De Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/830061-12

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 16 oktober 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te 6432 HZ Hoensbroek, IJsvogelstraat 22.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen. De rechter deelt tevens mede dat indien in deze zaak hoger beroep zal worden ingesteld, het verlofstelsel van toepassing is.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Sittard.