Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7733

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-09-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
C/03/175659 / FA RK 12-1191
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alimentatie; beroep op artkel 1:160 BW faalt en het bewijsaanbod dat sprake is van 'samenleven met een ander als ware zij gehuwd' is onvoldoende duidelijk en concreet; subsidiaire verzoek stuit af op het overeengekomen beding van niet-wijziging als bedoeld in artikel 1:159 BW; de alimentatieplichtige stelt onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding kan worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/49.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 9 september 2013

Zaaknummer: C/03/175659 / FA RK 12-1191

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. R.P.F. Rober,

kantoorhoudende te Hoensbroek, gemeente Heerlen,

tegen:

[verweerster],

wederpartij, verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. B.E.T.J. Pommé,

kantoorhoudende te Heerlen.

1 Verloop van de procedure

De man heeft op 24 oktober 2012 een verzoekschrift tot wijziging van alimentatie ingediend.

Een afschrift van het verzoekschrift is bij aangetekende brief van 8 november 2012 door de griffier van de rechtbank Maastricht aan de vrouw gezonden.

De man heeft bij brieven van 27 november 2012, 11 december 2012 en 8 januari 2013 stukken overgelegd.

De vrouw heeft op 21 januari 2013 een verweerschrift ingediend.

De man heeft bij brieven van 20 en 28 februari 2013 en van 1 en 18 maart 2013 stukken overgelegd.

De vrouw heeft bij brief van 15 juli 2013 stukken overgelegd.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 juli 2013.

2 Feiten

Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 14 juli 2004, gegeven onder zaaknummer: 92917/ S RK 04-680, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 3 augustus 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij de beschikking van 14 juli 2004 heeft de rechtbank Maastricht tevens, voor zover hier ter zake doende, bepaald dat de man aan de vrouw – naar de rechtbank begrijpt – met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.000,00 per maand dient te betalen voor het levensonderhoud van de vrouw.

Tevens hebben partijen op 28 april 2004 een echtscheidingsconvenant gesloten, dat de getroffen onderlinge regelingen als bedoeld in artikel 819 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat, waarvan de inhoud als in de beschikking opgenomen heeft te gelden.

Bij de overeenkomst is onder meer, voor zover thans van belang, overeengekomen:

“Partijen zijn thans van mening dat de man met ingang van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud bij vooruitbetaling zal gaan voldoen een bedrag van € 1.000,00 per maand.”

“Partijen komen met betrekking tot de partneralimentatie een niet wijzigen beding overeen. Partijen verklaren uitdrukkelijk dat hetgeen overeengekomen is met betrekking tot de partneralimentatie niet voor enige wijziging, ook door rechterlijke tussenkomst, gewijzigd kan worden, ook niet in geval van gewijzigde omstandigheden. Dit niet wijzigen beding is niet van toepassing indien er sprake is van samenwoning en/of het vormen van een economische eenheid met een nieuwe partner”.

Als niet ‘geletterde’ productie bij het verzoekschrift heeft de man een door hem opgestelde en op 16 december 2009 gedagtekende verklaring overgelegd, waarin hij verklaart een maandelijkse bijdrage van € 550,00 per maand aan de vrouw te zullen betalen totdat “het formele alimentatierecht is verlopen of tot het moment dat er geen grond meer is voor alimentatie (zoals door de wet bepaald)”.

Als productie N heeft de man bij brief van 1 maart 2013 een overeenkomst, welke op 15 december 2009 door partijen is ondertekend, overgelegd.

Hierin zijn zij overeengekomen:

“Ondergetekenden, [verweerster] en [verzoeker] zijn tot de conclusie gekomen dat er dusdanig veel wijzigingen hebben plaatsgevonden in de woon- en werksituatie van beiden, maar ook omdat de studiekosten voor dochter [naam dochter] nu volledig ten laste van [verzoeker] komen, dat [verweerster] hierdoor verder definitief afziet van het ontvangen van alimentatie.

Dit besluit is genomen na onderling overleg en na het raadplegen van meerdere juridische adviseurs.”

3 Verzoek en verweer

De man verzoekt bij inleidend verzoekschrift dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd per 1 februari 2008, dan wel dat de rechtbank de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen partneralimentatie nader vaststelt op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure. De man heeft voorts verzocht te bepalen dat de door de vrouw dientengevolge ten onrechte ontvangen bedragen aan hem zullen moeten worden terugbetaald.

De man heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat, kort en zakelijk weergegeven, aan de alimentatieverplichting jegens de vrouw op grond van artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek met ingang van [2008] een einde is gekomen, nu de vrouw sindsdien tot [2009] met een ander heeft samengeleefd als waren zij gehuwd. Voor zover de rechtbank de man hierin niet zou volgen beroept de man zich op gewijzigde omstandigheden die meebrengen dat de echtscheidingsbeschikking van 14 juli 2004 en het echtscheidingsconvenant van 28 april 2004, dat geacht moet worden in die beschikking te zijn opgenomen, heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven. De man heeft in dat verband naar voren gebracht dat hij vanaf begin juni 2011 tot 1 maart 2012 een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen en daarna een re-integratietraject heeft gevolgd. Tegenwoordig is de man zelfstandig ondernemer, maar is zijn draagkracht niet toereikend om nog een bijdrage te kunnen leveren in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.

De vrouw heeft tegen toewijzing van het verzoek gemotiveerd verweer gevoerd.

Zij betwist dat zij is gaan samenwonen met [X], verder te noemen: [X], in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de man betoogt de vrouw dat partijen in het echtscheidingsconvenant een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen, op grond waarvan de door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud niet kan worden gewijzigd. Voor zover rechtbank de vrouw hierin niet volgt, betoogt de vrouw dat de man nog steeds draagkracht heeft om partneralimentatie aan de vrouw te betalen.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, de vrouw aan de hand van een daartoe overgelegde pleitnota.

4 Beoordeling

4.1.

Op 1 januari 2013 is in werking getreden de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en diverse andere wetten in verband met de vermindering van het aantal arrondissementen en ressorten (Wet herziening gerechtelijke kaart). Ingevolge artikel CII, eerste lid, van de Wet herziening gerechtelijke kaart, gaan zaken die op 31 december 2012 bij de rechtbank Maastricht aanhangig waren op 1 januari 2013 van rechtswege over naar de rechtbank Limburg. Ingevolge artikel CIVA, eerste lid, van de Wet herziening gerechtelijke kaart worden, voor zover hier van belang, verzoekschriften en andere processtukken in aanhangige of aanhangig te maken zaken, tot kennisneming waarvan op 31 december 2012 de rechtbank Maastricht bevoegd was, met ingang van 1 januari 2013 aangemerkt als processtukken in zaken tot kennisneming waarvan bevoegd is de rechtbank Limburg.

4.2.

De man, bij monde van mr. Rober, heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht de aan [naam bedrijf] opgelegde aanslag vennootschapsbelasting met betrekking tot het jaar 2012 in het geding te mogen brengen alsmede de eerste bladzijde van een brief van de toenmalige advocaat van de vrouw aan de man van 21 juni 2012. De vrouw heeft zich daartegen verzet met een beroep op de in het Procesreglement alimentatie opgenomen tiendagentermijn.

Artikel 5.1. van het Procesreglement Alimentatie, versie april 2013, bepaalt dat de oproeping voor de zitting geschiedt per brief conform het model in bijlage 3 bij dit reglement. In deze modelbrief, in deze zaak de brief van 5 juni 2013, bepaalt de rechter dat uiterlijk tien dagen voor de datum waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt door beide partijen over en weer draagkrachtberekeningen voorzien van een gespecificeerde toelichting van elke opgevoerde post en, voor zover van toepassing, de in de brief in het bijzonder aangeduide stukken dienen te worden overgelegd. In de brief is tevens verwoord dat de rechter kan besluiten op informatie die na de hiervoor genoemde termijn is binnengekomen, geen acht te slaan. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet dat op stukken die na het verstrijken van de tiendagentermijn, of zelfs nog tijdens de mondelinge behandeling worden overgelegd, en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, per definitie geen acht wordt geslagen. Het betreft hier een aan de rechter voorbehouden discretionaire bevoegdheid.

De rechtbank stelt vast dat de aanslag vennootschapsbelasting met betrekking tot het jaar 2012 is gedagtekend op 6 juli 2013. Niet valt in te zien waarom die aanslag, en hetzelfde geldt voor de eerste bladzijde van een brief van de toenmalige advocaat van de vrouw van 21 juni 2012, niet binnen de daartoe in de brief van 5 juni 2013 gestelde tiendagentermijn, had kunnen worden overgelegd. Feiten of omstandigheden die reden zouden kunnen geven deze stukken, ondanks de laattijdige indiening, alsnog bij de beslissing te betrekken heeft de man ook niet gesteld noch is de rechtbank daarvan gebleken. Onder die omstandigheden zal de rechtbank dan ook geen acht slaan op de door de man eerst tijdens de mondelinge behandeling overgelegde stukken. Dat de aanslag en de eerste bladzijde van de brief van 21 juni 2012 stukken zijn ‘van beperkte omvang en eenvoudige aard’ kan daaraan niet afdoen. Of de beslissing die stukken buiten beschouwing te laten, strookt met de richtlijnen die het gerechtshof ’s-Hertogenbosch volgens de man te dier zake hanteert, kan in het midden blijven, nu die richtlijnen het Hof maar niet de rechtbank binden.

4.3.

In het verzoekschrift van de man zijn een tweetal gronden vermeld. Als eerste grond voert de man met een beroep op artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek aan dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw is geëindigd. Een tweede grond wortelt in artikel 1:401, eerst lid, van het Burgerlijk Wetboek. De man stelt dat gewijzigde omstandigheden meebrengen dat de echtscheidingsbeschikking van 14 juli 2004, en naar de rechtbank begrijpt het echtscheidingsconvenant van 28 april 2004 dat geacht moet worden als daarin te zijn opgenomen, nadien heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Die gronden hebben vervolgens geleid tot de formulering van een primair en subsidiair verzoek. Voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling, en mede naar aanleiding van het door de vrouw gevoerde schriftelijke verweer, heeft de man gesteld dat hij in december 2009 met de vrouw een overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan hij zich, in afwijking van de beschikking van 14 juli 2004 en het echtscheidingsconvenant van 28 april 2004, heeft verplicht tot betaling met ingang van december 2009 aan de vrouw van een bedrag van € 550,00 per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De rechtbank begrijpt dat de man aldus, voor zover de rechtbank niet zou oordelen dat de vrouw met [X] heeft samengeleefd als waren zij gehuwd en zij evenmin zou toekomen aan nihilstelling van de onderhoudsverplichting op de subsidiaire grondslag, als meer subsidiaire grond de rechtbank heeft willen verzoeken de onderhoudsbijdrage vast te stellen op het door partijen overeengekomen bedrag van ten hoogste € 550,00 per maand.

4.4.

De rechtbank komt daarmee thans toe aan de beoordeling van het primaire verzoek. Ter onderbouwing van zijn meest verstrekkende betoog, inhoudende dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw van rechtswege is geëindigd, stelt de man dat de vrouw heeft samengeleefd als ware zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding onderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap geregistreerd. Ter beantwoording van de vraag of de vrouw, zoals door de man wordt gesteld maar door de vrouw wordt betwist, heeft samengeleefd met [X] als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek dient te worden beoordeeld of de man voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld én, in het licht van het verweer van de vrouw, aannemelijk heeft gemaakt die die conclusie kunnen rechtvaardigen. Aangezien een bevestigende beantwoording van deze vraag verstrekkende gevolgen heeft, nu daarmee definitief en in zijn geheel een einde komt aan de verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud, dient artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek restrictief te worden uitgelegd.

Om te kunnen concluderen dat de vrouw ten tijde als hier in geding met [X] samen heeft geleefd als waren zij gehuwd, dient te worden vastgesteld dat sprake is van een tot volledige lotsverbondenheid leidende levensgemeenschap, welke het kenmerk is van een normale huwelijksverhouding. Hiertoe is volgens vaste jurisprudentie vereist dat is voldaan aan de volgende criteria: (1) een affectieve relatie die (2) duurzaam is, (3) samenwoning, (4) het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en (5) het wederzijds verzorgen door de partners. De rechtbank stelt in het kader van de door haar in deze zaak aan te leggen beoordeling voorop dat de man in zijn verzoekschrift stelt dat hij van mening is ‘dat aan deze criteria allen wordt voldaan’. Deze stelling wordt enkel ten aanzien van criterium 3, de samenwoning, toegelicht. In dat verband verwijst de man naar de uittreksels uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de Gemeente Heerlen, waaruit blijkt dat de vrouw en [X] in de periode van [2008] tot [2009] onafgebroken op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan. Ten aanzien van criterium 3 overweegt de rechtbank als volgt.

Samenwoning (criterium 3)

De vrouw erkent dat zij gedurende de periode vanaf [2008] tot [2009] met [X] op hetzelfde adres heeft gewoond, hetgeen overigens ook blijkt uit de door de man in het geding gebrachte uittreksels uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Heerlen. Gelet hierop staat in rechte vast dat de vrouw vanaf [2008] tot [2009] met [X] heeft samengewoond.

Duurzame, affectieve relatie (criteria 1 en 2) en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en het wederzijds verzorgen door de partners (criteria 4 en 5)

De rechtbank stelt vast dat de man in zijn verzoekschrift in het geheel niets stelt met betrekking tot deze criteria. Hij verwijst slechts in algemene zin naar een tweetal verklaringen van dochter [naam dochter], welke door hem als productie A in het geding zijn gebracht. Die verklaringen spreken volgens de man voor zich. Bij brief van 1 maart 2013 brengt de man als productie M ‘een aantal verklaringen ter zake samenwoning’ in het geding. Een toelichting op de verklaring van [naam dochter] en de als productie M in het geding gebrachte verklaringen geeft de man niet, niet in zijn verzoekschrift en ook niet bij brief van 1 maart 2013. De rechtbank is van oordeel dat zulks gelet op de op de man rustende stelplicht uitdrukkelijk wel op zijn weg had gelegen. Wel biedt de man in zijn verzoekschrift aan zijn stellingen te bewijzen door middel van het doen horen van getuigen.

Ter zitting heeft de man wederom slechts volstaan met te verwijzen naar de inhoud van de door hem eerder in het geding gebrachte verklaringen. Ook ter zitting heeft de man niet verduidelijkt welke conclusies de rechtbank aan die verklaringen dient te verbinden. De man heeft ter zitting andermaal benadrukt dat hij zijn stellingen wenst te bewijzen door middel van het doen horen van getuigen.

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft onvoldoende gesteld om überhaupt toe te kunnen komen aan de beantwoording van de vraag of de vrouw met [X] heeft samengeleefd als waren zij gehuwd. De man had hiertoe immers feiten en omstandigheden moeten stellen met betrekking tot het bestaan van een duurzame affectieve relatie tussen de vrouw en [X], het voeren van een gemeenschappelijke huishouding door de vrouw en [X] en het elkaar wederzijds verzorgen door de vrouw en [X], hetgeen hij heeft nagelaten. Het zonder enige nadere toelichting verwijzen naar door hem in het geding gebrachte verklaringen, is daartoe in ieder geval onvoldoende. Hiermee heeft de man de op hem rustende stelplicht verzaakt, zodat reeds hierom aan een bewijsopdracht niet kan worden toegekomen. In dit verband hecht de rechtbank eraan op te merken dat het bewijsaanbod van de man, zou de rechtbank aan een beoordeling daarvan zijn toegekomen, de man niet had kunnen baten. De man heeft namelijk niet gesteld welke concrete feiten en omstandigheden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de vrouw samen heeft geleefd met [X] als waren zij gehuwd, hij wenst te bewijzen. De man heeft alleen in algemene bewoordingen aangeboden te bewijzen dat de vrouw met [X] heeft samengeleefd in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek. Daarmee is het bewijsaanbod van de man onvoldoende duidelijk en concreet, zodat het, zou de rechtbank daaraan zijn toegekomen, had moeten worden gepasseerd.

Dit alles betekent dat niet is komen vast te staan dat de vrouw en [X] samenleefden als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek. Niet kan dan ook worden volgehouden dat uit dien hoofde de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd. De rechtbank komt aldus ook niet toe aan het opleggen van een terugbetalingsverplichting aan de vrouw ter zake te veel ontvangen alimentatie.

4.5.

Daarmee ziet de rechtbank zich thans geplaatst voor de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de man.

Subsidiair verzoekt de man nihilstelling van zijn alimentatieverplichting omdat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw ten gevolge van een wijziging van omstandigheden aan de wettelijke maatstaven heeft opgehouden te voldoen. Die wijziging van omstandigheden is gelegen in het feit dat de man zijn baan heeft verloren en dat hij vanaf begin juni 2011 tot 1 maart 2012 een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen. Thans is de man zelfstandig ondernemer. Zijn draagkracht is, mede gelet op de door hem te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud en de studie van [naam dochter], niet toereikend om een bijdrage te kunnen leveren in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. Overigens heeft de vrouw ook geen behoefte meer aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Zij heeft een inkomen uit arbeid waarmee zij geheel in haar behoefte kan voorzien, aldus de man.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

Zij heeft zich daartoe allereerst beroepen op het in het echtscheidingsconvenant van 28 april 2004 tussen haar en de man overeengekomen niet-wijzigingsbeding. Gelet op dit beding dient het wijzigingsverzoek van de man te worden afgewezen. Dat partijen op 15 december 2009 zijn overeengekomen dat de vrouw afziet van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en dat de man vervolgens op 16 december 2009 eenzijdig heeft verklaard dat hij maandelijks een bedrag van € 550,00 aan de vrouw zal betalen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud kan daaraan niet afdoen, nu de man daarmee enkel en met goedvinden van de vrouw voor een andere, voor beide partijen fiscaal vriendelijkere wijze van betalen heeft willen kiezen. De intentie om van het niet-wijzigingsbeding af te wijken, ontbrak. Het beding van niet-wijziging is onverkort van toepassing gebleven, zo stelt de vrouw.

De rechtbank overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 1:159 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bij het sluiten van een alimentatieovereenkomst (in dit geval: het echtscheidingsconvenant) kan worden bedongen dat deze niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Hiermee wordt het bepaalde in artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek, waarop de man zich in deze zaak beroept, terzijde gesteld. Een zodanig beding kan slechts schriftelijk worden gemaakt. Lid 3 van artikel 1:159 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat op verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking ondanks het bestaan van een beding van niet-wijziging tóch kan worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. Hierbij verdient opmerking dat wanneer in weerwil van een beding van niet-wijziging, wijziging van de overeengekomen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud wordt verzocht, volgens vaste jurisprudentie, zware eisen worden gesteld aan de stelplicht van de partij die wijziging verzoekt.

De man heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat in dit geval sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. Zo heeft de man bijvoorbeeld niet toegelicht met welk bedrag zijn inkomen is gedaald vanaf het moment waarop hij werkloos is geworden en een WW-uitkering heeft ontvangen. Evenmin heeft de man zich uitgelaten over de hoogte van het inkomen dat hij na de beëindiging van zijn WW-uitkering als zelfstandig ondernemer geniet. De man heeft in dit verband weliswaar een veelheid aan stukken in het geding gebracht, maar zonder enige toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank niet beoordelen of het inkomen van de man in zodanige mate is gedaald dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet wijziging kan worden gehouden.

Hetgeen door de man is gesteld met betrekking tot de behoeftigheid van de vrouw kan evenmin het doorbreken van het beding van niet-wijzing rechtvaardigen. Uit het echtscheidingsconvenant blijkt op geen enkele wijze dat partijen afspraken met elkaar hebben gemaakt over de huwelijksgerelateerde behoefte en behoeftigheid van de vrouw. Het is dan ook niet duidelijk op basis waarvan partijen zijn overeengekomen dat de man na de echtscheiding met een bedrag van € 1.000,00 per maand in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw zou gaan bijdragen. De man stelt dat de vrouw thans volledig in staat is zelf in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien, hetgeen overigens door haar wordt betwist. Nu de man zich echter niet heeft uitgelaten over de vraag of en zo ja op welke wijze de huwelijksgerelateerde behoefte en behoeftigheid van de vrouw aan het overeengekomen bedrag ten grondslag hebben gelegen en hij zich evenmin heeft uitgelaten over de vraag of partijen (de mogelijkheid van het toenemen van) de verdiencapaciteit van de vrouw bij hun onderhandelingen hebben betrokken, kan de rechtbank ook ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw niet beoordelen of sprake is van een zo ingrijpende wijziging dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden.

Kortom, ook ten aanzien van zijn subsidiaire verzoek heeft de man niet voldaan aan de eisen welke in een procedure als de onderhavige aan zijn stelplicht moeten worden gesteld.

Met betrekking tot de overeenkomst van 15 december 2009 en de eenzijdige verklaring van de man 16 december 2009 heeft de man weliswaar de vraag opgeworpen op welke wijze een en ander zich verhoudt tot het in het echtscheidingsconvenant van 28 april 2004 opgenomen beding van niet-wijziging maar enige conclusie heeft de man daar niet aan verbonden. Daarmee heeft de man de stelling van de vrouw dat partijen met de overeenkomst van 15 december 2009 en de daarop volgende eenzijdige verklaring van de man van 16 december 2009 niet de inhoud van het echtscheidingsconvenant hebben willen veranderen, maar uitsluitend de voor hen nadelige fiscale consequenties hebben willen omzeilen, niet, althans onvoldoende weersproken. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat de man vanaf 16 december 2009 tot mei 2012 een bedrag van € 600,00 per maand à contant aan de vrouw is gaan betalen. Ervan uitgaande dat € 1.000,00 bruto neerkomt op een bedrag van om en nabij € 600,00 netto, strookt de handelswijze van de man met de door de vrouw gegeven lezing. Bij deze stand van zaken heeft de man onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat partijen met hun overeenkomst van 15 december 2009 tevens hebben beoogd het beding van niet-wijziging terzijde te stellen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het subsidiaire verzoek van de man dient te worden afgewezen. Hetgeen is overwogen ten aanzien van het beding van niet-wijziging brengt mee dat het meer subsidiaire verzoek van de man eveneens dient te worden afgewezen.

4.6.

Hoewel de man het verzoekschrift afsluit met de opmerking ‘kosten rechtens’ heeft hij tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat hij een proceskostenveroordeling van de vrouw voorstaat zoals door hem in het petitum van het verzoekschrift uitdrukkelijk verzocht.

De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van het in familiezaken niet ongebruikelijke uitgangspunt de proceskosten tussen partijen te compenseren, nu het hier om ex-echtelieden gaat.

5 Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

mv

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch:

  1. door de verzoekende partij en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na betekening daarvan
    of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.