Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7726

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
03/830170-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zedenzaak: vrijspraak van seksueel binnendringen wegens onvoldoende wettig bewijs, veroordeling ter zake van ontucht met twee stiefdochters. Taakstraf 180 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/830170-12

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 oktober 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. H.N.H. Dresschers, advocaat te Brunssum.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 oktober 2013, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: bij een meisje jonger dan 12 jaar, seksueel is binnengedrongen, dan wel dat hij ontucht heeft gepleegd met een meisje jonger dan 16 jaar oud;

Feit 2: bij een (ander) meisje jonger dan 12 jaar seksueel is binnengedrongen, dan wel dat hij ontucht heeft gepleegd met een meisje jonger dan 16 jaar oud.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de aangiftes van beide meisjes elkaar ondersteunen en daarnaast ook nog ondersteuning vinden in de verklaringen van hun moeder en vriendin [getuige 2]. Daar komt bij dat verdachte heeft bekend dat hij beide meisjes meermalen over hun blote billen heeft gewreven.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft hij naar voren gebracht dat de verklaringen van [Slachtoffer 1] niet voor het bewijs gebruikt mogen worden, niet alleen omdat deze tegenstrijdigheden bevatten en herhaaldelijk gecorrigeerd zijn, maar ook omdat zij zelf heeft verklaard dat er wegens psychische problemen sprake kan zijn van inbeelding. Daarbij komt dat [Slachtoffer 1] in haar aangifte niet spreekt over het wrijven over haar billen door verdachte.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van [Slachtoffer 2] onvoldoende bewijs oplevert om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, nu deze niet wordt ondersteund door de verklaring van [Slachtoffer 1]. Daarbij komt volgens de raadsman dat ook bij [Slachtoffer 2] sprake is van geestesstoornissen. Verdachte heeft slechts bekend dat hij [Slachtoffer 2] over de billen heeft gewreven in de periode eind 1991 tot begin 1992. Deze periode is niet in de tenlastelegging opgenomen. Nu de verklaringen van de moeder, een vriendin van de moeder en een vriendin van aangeefster allen slechts van horen zeggen zijn, kunnen ook deze verklaringen niet voor het bewijs worden gebruikt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Aan verdachte zijn twee zedendelicten tenlastegelegd. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Ook in de onderhavige zaak is dit het geval. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich mee dat slechts de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is echter de enkele verklaring van een getuige (in casu het slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met een boven twijfel verheven verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs kan opleveren.

Met dit uitgangspunt indachtig komt de rechtbank tot de navolgende overwegingen.

Bewijsoverwegingen

Zowel [Slachtoffer 1]2 als [Slachtoffer 2]3[Slachtoffer 2] beschrijven in hun aangiftes ontuchtige handelingen die verdachte bij hen zou hebben verricht. [Slachtoffer 1] heeft verklaard over tongzoenen, met de kleren aan “droogschuren” en langs de vagina wrijven door verdachte. [Slachtoffer 2] heeft verklaard over tongzoenen, wrijven over de billen en met een vinger in de vagina gaan door verdachte. Verdachte ontkent dat hij deze handelingen heeft verricht met uitzondering van het wrijven over de blote billen. De rechtbank stelt vast dat het dossier ten aanzien van het seksueel binnendringen enkel de aangiftes van [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] bevat. In de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] vindt de rechtbank geen ondersteunend bewijs, nu zij enkel hebben verklaard wat zij van [Slachtoffer 2] hebben gehoord.

De verklaringen van [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] zijn echter qua inhoud niet een op een hetzelfde. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat [Slachtoffer 1] een aantal jaren geleden, toen [Slachtoffer 2] met haar moeder sprak over misbruik door verdachte, dit heftig heeft ontkend en [Slachtoffer 2] van leugens heeft beschuldigd. Verder heeft [Slachtoffer 1] meerdere verklaringen afgelegd waarvan de inhoud onderling op wezenlijke punten verschilt en zij heeft verklaard dat zij zich zaken nu heel anders herinnert dan toen zij er eerder (in een informatief zedengesprek in 2009) ten overstaan van de politie over verklaarde. Dit is wellicht heel eerlijk – zoals de officier van justitie aanvoerde – maar doet niet af aan de rijzende twijfel bij de rechtbank bij de vraag wat nu werkelijk is gebeurd.

Gelet op het in de inleiding uiteengezette beoordelingskader kan de rechtbank niet anders dan vaststellen dat er zodanige twijfel bestaat met betrekking tot de vraag of er van seksueel binnendringen sprake is geweest, dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte4 acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat hij in de tenlastegelegde periode zijn beide stiefdochters meerdere malen over de blote billen heeft gewreven. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze handelingen een seksuele strekking hadden, waardoor zij wel degelijk als ontuchtig kunnen worden gekwalificeerd. Beide meisjes beschrijven de handelingen van verdachte immers als seksueel misbruik en verdachte heeft geen andere reden voor het wrijven over de blote billen van de meisjes gegeven. De verklaring van verdachte dat hij de beide meisjes in het kader van stoeien/spelen over de blote billen heeft gewreven, is in de ogen van de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank merkt hierbij voorts nog op dat verdachte heeft aangegeven dat dit wrijven over de billen slechts in de periode 1991/1992 (en derhalve buiten de tenlastegelegde periode) heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig, nu beide meisjes verklaren dat het misbruik pas is gestopt rond hun twaalfde levensjaar, omdat er toen een slot op de deur van hun slaapkamer kwam. De rechtbank acht daarom het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, voor zover dit ziet op het wrijven over de billen van de beide meisjes.

Ten aanzien van de andere ontuchtige handelingen die onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste zijn gelegd overweegt de rechtbank dat het dossier wederom slechts de aangiftes van [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] bevat waaruit blijkt dat verdachte deze ontuchtige handelingen heeft verricht. Gelet op het in de inleiding uiteengezette beoordelingskader kan de rechtbank, bij het ontbreken van voldoende wettig bewijs, niet anders dan verdachte partieel vrijspreken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair

in de periode van 22 januari 1994 tot en met 21 januari 1999 in de gemeente Brunssum meermalen met [Slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum sl. 1]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het ontuchtig wrijven over de billen van die [Slachtoffer 1].

2. subsidiair

in de periode van 3 juni 1993 tot en met 2 juni 1997 te Brunssum meermalen met [Slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum sl. 2]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd bestaande uit het ontuchtig wrijven over de billen van die [Slachtoffer 2].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 subsidiair:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;

feit 2 subsidiair:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft hij verzocht rekening te houden met de leeftijd van verdachte, zijn blanco strafblad en met het feit dat hij de ziekte van Parkinson heeft. Gelet hierop acht de raadsman het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. Daar komt bij dat de handelingen die verdachte heeft verricht geen ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit opleveren, waardoor het opleggen van een taakstraf mogelijk is.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft ontucht gepleegd met zijn beide minderjarige stiefdochters door hen over de blote billen te wrijven. De feiten hebben grote impact gehad op beide stiefdochters die de gevolgen nog steeds ervaren, bijvoorbeeld in hun eigen relaties.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte nooit eerder ter zake van soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is geweest. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op de gedateerdheid van de feiten, de leeftijd van verdachte en het feit dat hij lijdt aan de ziekte van Parkinson. Gelet hierop en de aard van de gepleegde feiten vindt de rechtbank een taakstraf een passende modaliteit. Verdachte is blijkens het reclasseringsrapport in staat een taakstraf te verrichten.

De rechtbank overweegt daarbij nog dat het wrijven over de billen van beide meisjes van geheel andere orde is dan het seksueel binnendringen, waar de officier van justitie van is uitgegaan. De rechtbank zal dan ook een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles overwegende vindt de rechtbank een taakstraf van 180 uren, bij niet verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis, een passende straf.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot taakstraf voor de duur van 180 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 oktober 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 januari 1994 tot en met 21 januari 1999 in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met een persoon genaamd [Slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum sl. 1]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [Slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens)

- die [Slachtoffer 1] een tongzoen gegeven, althans zijn, verdachtes, tong in de mond van die [Slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- over/langs de vagina van die [Slachtoffer 1] gewreven/aangeraakt en/of

- over/langs de billen/kont van die [Slachtoffer 1] gewreven/aangeraakt;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 22 januari 1994 tot en met 21 januari 1999 in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met [Slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum sl. 1]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het ontuchtig

- geven van een tongzoen aan die [Slachtoffer 1], althans het duwen/brengen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [Slachtoffer 1] en/of

- wrijven/aanraken over/langs/van de vagina van die [Slachtoffer 1] en/of

- wrijven/aanraken over/langs/van de billen/kont van die [Slachtoffer 1];

2.

hij in of omstreeks de periode van 3 juni 1993 tot en met 2 juni 1997 te Brunssum, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met een persoon genaamd [Slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum sl. 2]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [Slachtoffer 2], hebbende verdachte (telkens)

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [Slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- die [Slachtoffer 2] een tongzoen gegeven, althans zijn, verdachtes, tong in de mond van die [Slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- over/langs de vagina van die [Slachtoffer 2] gewreven/aangeraakt en/of

- over/langs de billen/kont van die [Slachtoffer 2] gewreven/aangeraakt en/of

- over/langs de borst(en) van die [Slachtoffer 2] gewreven/aangeraakt en/of

- over/langs de buik en/of be(e)n(en) van die [Slachtoffer 2] gewreven/aangeraakt;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 3 juni 1993 tot en met 2 juni 1997 te Brunssum, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met [Slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum sl. 2]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het ontuchtig

- duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [Slachtoffer 2] en/of

- geven van een tongzoen aan die [Slachtoffer 2], althans het duwen/brengen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [Slachtoffer 2] en/of

- wrijven/aanraken over/langs/van de vagina van die [Slachtoffer 2] en/of

- wrijven/aanraken over/langs/van de billen/kont van die [Slachtoffer 2] en/of

- het wrijven/aanraken over/langs/van de borst(en) van die [Slachtoffer 2] en/of

- het wrijven/aanraken over/langs/van de buik en/of be(e)n(en) van die [Slachtoffer 2].

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/830170-12

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 15 oktober 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman is mr. H.N.H. Dresschers, advocaat te Brunssum.

1 Voor zover de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent. Tenzij anders aangegeven, maken deze bewijsmiddelen deel uit van het eindproces-verbaal van de politie regio Limburg Zuid, Gecertificeerd zedenrechercheur, Leiding expertise RR, expertisecentrum zeden, met proces-verbaalnummer [nummer], dat is doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 94 en in de wettelijke vorm is opgemaakt.

2 Het proces-verbaal aangifte van [Slachtoffer 1], pagina 20-21.

3 Het proces-verbaal aangifte [Slachtoffer 2], pagina 39, 45, 50 en 51.

4 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 oktober 2013.