Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7710

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
03-702562-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot moord en poging tot doodslag; schieten met een vuurwapen op het slachtoffer levert zware mishandeling op

ook: inrijden op politiemedewerker levert poging tot zware mishandeling op

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 179a
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/100 met annotatie van C.J. van Eekelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/702562-13

Datum uitspraak : 26 september 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonend aan de [adres 1],

thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst, Op de Geer 1 te Sittard.

Raadsman is mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 12 september 2013.

De rechtbank heeft op 12 september 2013 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

Feit 1

hij, verdachte, op of omstreeks 14 februari 2013 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen één of meer kogels heeft afgevuurd in en/of althans in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 14 februari 2013 in de gemeente Kerkrade, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen althans eenmaal met een vuurwapen één of meer kogels heeft afgevuurd in en/of althans in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 14 februari 2013 in de gemeente Kerkrade aan een persoon (te weten [slachtoffer 1]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een verbrijzeld althans gebroken bovenbeen, tengevolge van één of meer schoten), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogels af te vuren

in en/of althans in de richting van het lichaam (linkerbeen) van die [slachtoffer 1];

Feit 2

hij in of omstreek de periode van 14 februari 2013 tot en met 15 februari 2013 te Kerkrade, in elk geval in Nederland, 2 patronen (9 mm Luger G.F.L.), in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

Feit 3

hij op of omstreeks 15 februari 2013 te Herzogenrath (Duitsland) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een (personen)auto met hoge, althans aanzienlijke snelheid op genoemde [slachtoffer 2] is ingereden, althans met hoge, althans aanzienlijke snelheid in de richting van deze [slachtoffer 2] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 februari 2013 te Herzogenrath (Duitsland) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een (personen)auto met hoge, althans aanzienlijke snelheid op genoemde [slachtoffer 2] is ingereden, althans met hoge, althans aanzienlijke snelheid in de richting van deze [slachtoffer 2] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 februari 2013 te Herzogenrath (Duitsland) [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een (personen)auto met hoge, althans aanzienlijke snelheid op genoemde [slachtoffer 2] ingereden, althans met hoge, althans aanzienlijke snelheid in de richting van deze [slachtoffer 2] gereden.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte op 14 februari 2013 met voorbedachte raad meermalen op [slachtoffer 1] heeft geschoten. [slachtoffer 1] is daarbij geraakt in zijn linkerbeen ter hoogte van de knie en heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Niet bewezen kan worden dat verdachte geschoten heeft met de opzet [slachtoffer 1] te doden, omdat er geen harde aanwijzingen zijn dat verdachte op het lichaam of het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gericht, aldus de officier van justitie. Er is daarom sprake van een zware mishandeling met voorbedachte raad, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd.

Feit 2

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte munitie van categorie III voorhanden heeft gehad. In de woning van verdachte zijn twee 9 mm patronen aangetroffen en verdachte heeft erkend dat hij deze in zijn bezit had.

Feit 3

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte met een personenauto met toenemende snelheid is ingereden op politiebeambte [slachtoffer 2] op 15 februari 2013. De manier waarop dit is gebeurd, levert volgens de officier van justitie geen opzet bij verdachte op om [slachtoffer 2] te doden. Wél heeft verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2], zoals subsidiair ten laste is gelegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De raadsman deelt het standpunt van de officier van justitie dat verdachte geen opzet had [slachtoffer 1] te doden. Bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 1] in diens been heeft geschoten en zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Daarbij heeft verdachte gehandeld in een dusdanige gemoedsbeweging dat voorbedachte raad niet aan de orde was. Van dit onderdeel van de tenlastelegging moet verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Feit 2

De raadsman heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 3

Volgens de raadsman ontbreekt het bewijs dat verdachte met aanzienlijke snelheid heeft gereden in de richting van [slachtoffer 2]. Bovendien ontbreekt het bewijs dat [slachtoffer 2] zich voor de auto van verdachte bevond, toen verdachte wegreed. Dat betekent dat er niet alleen geen sprake kan zijn geweest van een poging tot doodslag of zware mishandeling, maar ook niet van een bedreiging met een dergelijk misdrijf. De raadsman heeft daarom de rechtbank verzocht verdachte volledig vrij te spreken van feit 3.

Wanneer de rechtbank bewezen acht dat [slachtoffer 2] zich voor de auto van verdachte bevonden heeft en van oordeel is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag of een poging tot zware mishandeling, dan dient volgens de raadsman een reconstructie te worden gehouden van het incident.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

De rechtbank gaat bij haar oordeel uit van het navolgende voor haar relevante bewijs.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 14 februari 2013 in Kerkrade met een vuurwapen op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Verdachte heeft naar eigen zeggen bewust op de knie van [slachtoffer 1] geschoten. Verdachte heeft een aantal schoten afgevuurd en daarbij alleen op de benen van [slachtoffer 1] gericht.

Aangifte van [slachtoffer 1] en het letsel

In zijn eerste aangifte van 14 februari 2013 beschrijft [slachtoffer 1] in het ziekenhuis tegenover de politie dat hij beschoten was door een man, die hij kende onder de naam [naam].2 Een chirurg deelde de verbalisanten mede dat [slachtoffer 1] een schotwond in de linkerknie had.3 Vervolgens heeft [slachtoffer 1] aan de hand van een enkelvoudige fotoconfrontatie verdachte herkend als de schutter.4

Uit de geneeskundige verklaring van het dossier blijkt verder dat [slachtoffer 1] in- en uitschotwonden in zijn linkerbeen had. Er was sprake van een verbrijzeld bovenbeen en [slachtoffer 1] is tweemaal geopereerd. De genezingsduur werd geschat op ongeveer 1 jaar en naar verwachting zou het letsel blijvend zijn.5

Forensisch onderzoek

Bij de woning van [slachtoffer 1] heeft de politie sporenonderzoek verricht. Op de oprit van [slachtoffer 1] zijn vier hulzen aangetroffen. Verder trof men in de garage van [slachtoffer 1] twee beschadigingen in de muur aan die veroorzaakt waren door rechtstreekse schoten (inschotopeningen).6

Conclusies en overwegingen ten aanzien van het bewijs

Uit de voorgaande bewijsmiddelen kan de rechtbank vaststellen dat verdachte opzettelijk op [slachtoffer 1] heeft geschoten met een vuurwapen. Verdachte heeft meermalen en naar eigen zeggen alleen in de richting van de knieën geschoten. [slachtoffer 1] is in het linker bovenbeen geraakt ter hoogte van de knie en diens letsel merkt de rechtbank aan als zwaar lichamelijk letsel. Bewezen kan derhalve worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling.

[slachtoffer 1] heeft echter verklaard dat verdachte woorden heeft geuit die erop duiden dat verdachte [slachtoffer 1] wilde doden en dat verdachte het wapen op zijn voorhoofd heeft gericht, hetgeen voor de officier van justitie (mede) aanleiding is geweest ook een poging tot moord, respectievelijk een poging tot doodslag ten laste te leggen. Voor opzet op het doden van [slachtoffer 1] bestaat echter onvoldoende bewijs. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Wat er precies gezegd is voorafgaand aan het schieten, kan niet worden vastgesteld, nu er geen getuigen zijn geweest die iets gezien hebben dan wel iets hebben meegekregen van enig gesprek tussen [slachtoffer 1] en verdachte. Dat brengt mee dat de enkele verklaring van [slachtoffer 1] onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van opzet op de dood van [slachtoffer 1] en daarmee van een poging tot moord of een poging tot doodslag.

Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat het forensisch onderzoek juist eerder aanknopingspunten biedt om de verklaring van verdachte dat hij op de benen van [slachtoffer 1] heeft gericht, aannemelijk te achten. De hoogte van de twee aangetroffen inschotopeningen komt naar het oordeel van de rechtbank namelijk overeen met deze verklaring. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de foto’s van de plaats van het misdrijf kan worden afgeleid dat de beschadigingen in de muur van de garage, waarvan de forensische onderzoekers weliswaar geen exacte hoogte hebben aangeduid, maar wel hebben aangegeven dat deze ontstaan zijn door rechtstreekse schoten, zich op ongeveer een halve meter hoogte bevonden. Nu er geen andere, laat staan hogere, inschotopeningen zijn aangetroffen en ook het letsel van [slachtoffer 1] past bij de verklaring van verdachte, gaat de rechtbank uit van zijn lezing op dit punt en zal zij verdachte vrijspreken van het primair en subsididiair ten laste gelegde.

Rest de vraag of er sprake is geweest van voorbedachte raad ten aanzien van het mishandelen van [slachtoffer 1], zoals de officier van justitie heeft gesteld. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de schietpartij zich heeft afgespeeld in het kader van een conflictsituatie tussen verdachte en [slachtoffer 1]. Verdachte was kort tevoren ook bij [slachtoffer 1] geweest en is, voorzien van een vuurwapen, teruggegaan naar de woning van [slachtoffer 1] in de wetenschap dat hij een conflict had. In het tijdsbestek voorafgaand hieraan is er veelvuldig telefonisch contact geweest tussen verdachte en [slachtoffer 1]. Over de aanleiding voor het ontstaan van de conflictsituatie lopen de versies van verdachte en [slachtoffer 1] uiteen, maar de officier van justitie ziet voldoende aanknopingspunten de verklaring van [slachtoffer 1] voor juist te houden, inhoudende dat verdachte gezegd heeft dat [slachtoffer 1] bovenaan de lijst stond om opgeruimd te worden en dat [slachtoffer 1] zich had omgedraaid, voordat verdachte hem heeft beschoten. Dat alles brengt voor de officier van justitie mee dat verdachte de tijd en gelegenheid heeft gehad zich kalm en rustig te beraden, niet alleen voordat hij schoot, maar ook tussen de vier schoten door, hetgeen tot een bewezenverklaring zou moeten leiden van voorbedachte raad.

De rechtbank gaat niet mee met dit betoog. Voor de rechtbank kleven er teveel onzekerheden aan de premissen waarop de officier van justitie zijn conclusie laat rusten, terwijl de Hoge Raad juist hoge eisen stelt aan het bewijzen en motiveren van dit strafverzwarende bestanddeel.

Zo heeft de rechtbank geen informatie over de inhoud van de telefonische contacten tussen verdachte en [slachtoffer 1], waaruit enig voornemen van verdachte tot schieten zou kunnen blijken. Evenmin kan met zekerheid worden vastgesteld wat verdachte precies ter plaatse gezegd heeft, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen. Verder is er geen enkel bewijs dat verdachte, die zelf stelt dat hij voortdurend een wapen bij zich had, zich welbewust is gaan voorzien van een vuurwapen om zijn conflict met [slachtoffer 1] te kunnen beslechten, zoals de officier van justitie lijkt te betogen.

Dat [slachtoffer 1] zich op enig moment van verdachte heeft weggedraaid, is weliswaar aannemelijk te achten, omdat medische informatie, zij het met een slag om de arm, bevestigt dat er sprake is geweest van een inschotopening aan de achterkant van de knie. Wanneer en op welke wijze [slachtoffer 1] zich precies heeft omgedraaid, valt echter niet met zekerheid te achterhalen, te meer omdat hij op dit punt wisselend heeft verklaard. Het enkele gegeven dat hij zich op enig moment heeft omgedraaid acht de rechtbank onvoldoende redengevend om te kunnen spreken van een gelegenheid voor kalm en rustig beraad aan de zijde van verdachte.

Ook gaat het te ver om aan te nemen dat er voor verdachte tijd was voor kalm en rustig beraad tussen de schoten door. Het bewijs in het dossier op dit punt wijst erop dat de schoten snel zijn afgevuurd, nu [slachtoffer 1] verklaard heeft dat “het snel ging” en de getuige [getuige 1] spreekt over “drie of vier harde knallen heel snel achter elkaar”. Hoewel naar bestendige jurisprudentie in beginsel mag worden aangenomen dat de tijd voor kalm overleg en rustig beraad niet lang hoeft te zijn geweest, zijn er in deze zaak onvoldoende aanknopingspunten om buiten iedere twijfel te concluderen dat verdachte niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld, zoals hij zelf stelt, maar met voorbedachte raad. Dit betekent dat de rechtbank verdachte op dit punt zal vrijspreken.

Feit 2

De rechtbank zal volstaan met het opsommen van de voor haar relevante bewijsmiddelen, nu verdachte het feit heeft bekend en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit (artikel 359, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering). De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

  1. de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting;

  2. de in beslagname van twee Luger 9 mm patronen;7

3. het forensisch rapport.8



Feit 3

De rechtbank gaat bij haar oordeel uit van het navolgende voor haar relevante bewijs.

Aangifte van [slachtoffer 2]

heeft aangifte gedaan van een poging tot doodslag. [slachtoffer 2] bevond zich als politiebeambte bij de woning van verdachte in Kerkrade in verband met een doorzoeking van de woning in het kader van het onderzoek naar de schietpartij op 14 februari 2013. [slachtoffer 2] heeft gezien dat verdachte de woning naderde en vervolgens is weggerend. [slachtoffer 2] is achter verdachte aangegaan. [slachtoffer 2] herkende verdachte als de verdachte van de schietpartij.

[slachtoffer 2] is achter verdachte aangelopen en heeft zich, aan de Duitse zijde van de [adres 2] (Herzogenrath), voor de auto van verdachte gepositioneerd op een afstand van 4 à 5 meter, nadat verdachte in zijn auto had plaatsgenomen. Daarbij heeft [slachtoffer 2] zijn dienstwapen gericht op de auto en verdachte en geroepen: “Uitstappen, politie, uitstappen.”

Verdachte en [slachtoffer 2] maakten oogcontact. De auto van verdachte accelereerde vervolgens en [slachtoffer 2] hoorde de wielen slippen. Daarna zag hij dat verdachte op hem kwam aangereden, recht op hem af. [slachtoffer 2] is opzij gesprongen naar het trottoir en heeft ook een schot gelost op de autoruit aan de passagierzijde van de auto van verdachte op een afstand van 20 à 30 centimeter. Als [slachtoffer 2] niet opzij zou zijn gesprongen, was verdachte recht op hem afgekomen en had verdachte [slachtoffer 2] omver gereden. Verdachte was niet uitgeweken en heeft ook niet geremd; verdachte kwam met slippende wielen op hem afgereden. Er was voor verdachte ter plaatse geen mogelijkheid om naar links of naar rechts uit te wijken.

Verdachte is vervolgens weggereden.9

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 15 februari 2013 naar zijn woning in Kerkrade wilde gaan, alvorens hij zich ging melden bij de politie in verband met het schieten op [slachtoffer 1]. Verdachte is weggerend, omdat hem gewaar werd dat er andere personen bij zijn woning waren, in zijn beleving mogelijk politie of personen uit de kring van [slachtoffer 1]. Verdachte is naar zijn auto gerend, die geparkeerd stond op de Duitse zijde van de [adres 2] (Herzogenrath). Verdachte is weggereden. Vanuit zijn auto en al wegrijdend heeft verdachte [slachtoffer 2] waargenomen op de weg voor hem.

Eerste conclusie van de rechtbank

Uit het voorgaande kan in elk geval worden vastgesteld dat verdachte, op de vlucht voor [slachtoffer 2], op 15 februari 2013 met zijn auto is weggereden van de [adres 2] in Herzogenrath. Ook kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] zich voor de auto van verdachte heeft bevonden en dat verdachte hem heeft gezien.

Verdachte heeft echter nadrukkelijk ontkend dat hij is weggereden op de manier die [slachtoffer 2] heeft beschreven. Volgens verdachte is hij -kort samengevat- eerst op een wat ongelukkige manier, zonder vaart en met horten en stoten, in de eerste versnelling gaan rijden. Verdachte heeft de auto in de tweede versnelling gezet en is pas met snelheid weggereden, nadat [slachtoffer 2] op de stoep was gaan staan en verdachte ervan overtuigd was dat wegrijden ook op een verantwoorde manier mogelijk was. Verdachte had daarom naar eigen zeggen geen opzet op het doden of verwonden van [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] heeft volgens verdachte dan ook onnodig geschoten toen verdachte langsreed.

De vraag voor de rechtbank is derhalve of er steunbewijs is voor de versie van [slachtoffer 2], respectievelijk of er aan de hand van het bewijs feiten en omstandigheden zijn aan te wijzen die de versie van verdachte aannemelijk maken.

Om die vraag te beantwoorden heeft de rechtbank eerst gekeken naar de resultaten van het forensisch onderzoek ter plaatse.

Forensisch onderzoek

De Duitse politie heeft ter plaatse onderzoek gedaan, daarvan verslag gedaan en een fotomap samengesteld. Ook heeft men de bevindingen in een tekening weergegeven.

Ter plaatse was een slipspoor afkomstig van autobanden te zien. Dit spoor begon bij de parkeerplaats waar de auto van verdachte stond en hield op voor de plaats waar een huls is aangetroffen. Op ongeveer twee meter vanaf het einde van het slipspoor begon een veld van glassplinters, veroorzaakt door het verbrijzelen van de autoruit aan de passagierszijde van de auto van verdachte. 10

Voor de rechtbank levert dit sporenbeeld bewijs op dat de verklaring van [slachtoffer 2] bevestigt. Immers uit het slipspoor kan worden afgeleid dat verdachte met zoveel kracht is weggereden dat een bandenspoor is ontstaan. Dat spoor past niet bij de stelling dat de auto op een ongelukkige manier in de eerste versnelling heeft “gehoebeld,” zoals verdachte het heeft uitgedrukt. Het wijst erop dat verdachte aanzienlijk accelererend is weggereden en wel voor de plaats waar [slachtoffer 2] zegt te hebben gestaan en waar een huls is aangetroffen, namelijk op 4 à 5 meter van de plaats vanaf waar de auto van verdachte is weggereden. Ook het glassplinterspoor past bij die verklaring. Verder kan geconcludeerd worden dat de weg ter plaatse smal is en geen uitwijkmogelijkheid biedt voor een rijdende auto.

Met dit alles is echter nog niet de stelling van verdachte weerlegd dat [slachtoffer 2] zich al op het trottoir bevond toen verdachte accelereerde, omdat met behulp van de sporen geen antwoord kan worden gegeven op de vraag wanneer [slachtoffer 2] precies in beweging is gekomen. Daartoe bevat het dossier echter bewijs in de vorm van de verklaringen van getuigen, die het voorval hebben waargenomen.

De getuigen

Zo heeft de getuige [getuige 2] gezien dat verdachte in zijn auto stapte, de auto startte en direct met piepende banden de weg opreed. [slachtoffer 2] stond op de rijbaan. [getuige 2] heeft gezien dat [slachtoffer 2] opzij sprong en op dat moment de auto ook al aan [slachtoffer 2] voorbij reed. Als [slachtoffer 2] niet opzij zou zijn gesprongen, dan zou verdachte hem hebben overreden, aldus [getuige 2].11

Volgens de getuige [getuige 3] stond [slachtoffer 2] met zijn getrokken wapen voor de auto van verdachte. [slachtoffer 2] heeft gezegd: “Blijf staan, blijf staan, eruit, eruit.” Vervolgens heeft verdachte de auto gestart en is verdachte op [slachtoffer 2] afgereden. [getuige 3] verklaarde verder dat de auto gehobbeld heeft en toen opeens kwam. Volgens [getuige 3] wilde verdachte gewoon weg en hij noemde verdachte een brutale hond.12

Overwegingen en conclusies

Gelet op deze verklaringen, in samenhang bezien met het sporenbeeld, acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer 2] zich nog voor de auto van verdachte bevond, toen verdachte accelereerde en dat [slachtoffer 2] in reactie hierop het trottoir op moest springen, omdat er ter plaatse voor hem geen andere uitwijkmogelijkheid was. De stelling van verdachte dat [slachtoffer 2] ruim de gelegenheid had opzij te gaan en die gelegenheid ook benut heeft alvorens verdachte zijn auto versnelde en wegreed, acht de rechtbank daarom rechtstreeks weersproken door het bewijs.

Daarbij overweegt de rechtbank nog dat de getuige [getuige 3] weliswaar ook verklaard heeft dat de auto van verdachte “hobbelde,” maar deze getuige geeft met de uitdrukking dat de auto “opeens kwam” toch ook duidelijk aan dat verdachte op een versnellende wijze op [slachtoffer 2] is afgereden, terwijl deze zich nog voor de auto bevond. Daar voegt de getuige nog aan toe dat in zijn beleving verdachte gewoon weg wilde en de getuige noemt verdachte brutaal, waaruit de rechtbank eens te meer opmaakt dat uit het gedrag van verdachte als bestuurder geen consideratie is gebleken ten aanzien van het gevaar dat [slachtoffer 2] liep, zoals hij zelf naar voren heeft gebracht.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte opzettelijk als bestuurder van een personenauto met aanzienlijke snelheid op [slachtoffer 2] is ingereden.

Dit gedrag van verdachte levert geen poging tot doodslag op. De snelheid waarmee verdachte gereden heeft, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld. Onder de omstandigheden ter plaatste moet het risico met name gezocht worden in het met kracht accelereren met een auto op een relatief korte afstand. Dat leidt tot de conclusie dat de snelheid van verdachte onder de omstandigheden aanzienlijk genoemd mag worden en dat daarmee groot gevaar voor het kwetsbare lichaam van [slachtoffer 2] in het leven werd geroepen, maar niet aan te nemen valt dat de snelheid en kracht van de auto dusdanig geweest is, dat er een aanmerkelijke kans in het leven werd geroepen dat [slachtoffer 2] zou komen te overlijden als hij geraakt werd door de auto van verdachte. Wél beoordeelt de rechtbank de kans dat [slachtoffer 2] zwaar letsel zou oplopen, als aannemelijk. Uit het handelen van verdachte volgt rechtstreeks dat hij deze aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard, hetgeen de rechtbank brengt tot een bewezenverklaring van het bij feit 3 subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank ziet geen aanleiding het onderzoek ter terechtzitting te heropenen om een reconstructie te laten houden. De raadsman heeft betoogd dat het feitelijk niet mogelijk kan zijn geweest dat [slachtoffer 2] tegelijkertijd én is weggesprongen én heeft kunnen schieten. Een dergelijke actie lijkt teveel op een scene uit een film en is daarom onrealistisch, aldus de raadsman. Ter plaatse zou derhalve gereconstrueerd moeten worden hoe een en ander kan zijn gegaan.

De rechtbank wijst dit verzoek af. Zij acht het houden van een dergelijke reconstructie feitelijk niet mogelijk zonder aanzienlijk gevaar voor personen te veroorzaken en ziet ook de noodzaak niet tot enig onderzoek, gelet op de getuigenverklaringen en het aangetroffen sporenbeeld. De rechtbank heeft in de onderbouwing van het verzoek door de raadsman geen goede argumenten gevonden aan te nemen dat het door [slachtoffer 2] en [getuige 2] bezigen van het woord springen, impliceert dat er sprake is geweest van een dermate ongecontroleerde lichaamsbeweging, door de raadsman ter zitting verbeeld als een zweven door de lucht, dat het lossen van een schot door gebrek aan balans bij [slachtoffer 2] onmogelijk was. Uit de verklaringen, noch anderszins blijkt dat in deze zaak een dergelijke interpretatie moet worden gegeven van het woord springen. Naar algemeen spraakgebruik en in casu wordt met de woorden opzij springen duidelijk gemaakt dat [slachtoffer 2] op een snelle, instinctieve manier (zijwaarts) moest bewegen om zijn lichamelijke integriteit te beschermen. Dat sluit helemaal niet uit dat er genoeg lichamelijke controle overbleef bij [slachtoffer 2] om een schot te kunnen lossen. Essentieel blijft dat [slachtoffer 2] opzij gedwongen werd door het handelen van verdachte en dat niet aannemelijk geworden is, zoals de rechtbank heeft overwogen, dat er ruim voldoende tijd en gelegenheid was voor [slachtoffer 2] om dienaangaande een keus te maken. Dat er kennelijk, gelukkigerwijze, toch nog voldoende tijd was voor [slachtoffer 2] om op tijd opzij te gaan, maakt dat oordeel niet anders.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1 meer subsidiair

op 14 februari 2013 in de gemeente Kerkrade aan een persoon, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een verbrijzeld bovenbeen, tengevolge van één of meer schoten) heeft toegebracht, door opzettelijk meermalen met een vuurwapen kogels af te vuren in de richting van het lichaam (linkerbeen) van die [slachtoffer 1];

Feit 2

op 14 februari 2013 te Kerkrade 2 patronen (9 mm Luger G.F.L.), munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

Feit 3 subsidiair

op 15 februari 2013 te Herzogenrath (Duitsland) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto met aanzienlijke snelheid op genoemde [slachtoffer 2] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare misdrijven op:

Feit 1 meer subsidiair

zware mishandeling

Feit 2

handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie

Feit 3 subsidiair

poging tot zware mishandeling

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf en/of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden gevorderd. Daarnaast dient aan verdachte de bevoegdheid te worden ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 30 maanden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht de gevorderde gevangenisstraf te hoog, gelet op de straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken. Voor feit 1 zou hooguit een straf van 18 maanden als passend kunnen worden beschouwd. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat ook voor feit 3 strafoplegging aan de orde is, dan dient er in totaal niet meer dan 24 maanden gevangenisstraf te worden opgelegd.

Ten aanzien van de gevorderde rij-ontzegging heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Verachte heeft in een kort tijdsbestek op een zeer ernstige manier de lichamelijke integriteit van anderen aangetast en wel zodanig dat beide slachtoffers voor hun leven of in elk geval hun lichamelijke integriteit hebben gevreesd. [slachtoffer 2] mag van geluk spreken dat hij ongedeerd is gebleven. Aan [slachtoffer 1] is daadwerkelijk ernstig letsel toegebracht, waarvan de gevolgen, zoals ter zitting is gebleken uit zijn slachtofferverklaring, zeer indringend zijn, zowel lichamelijk, als psychisch. Ook is duidelijk dat [slachtoffer 1] nog zeker geruime tijd met deze gevolgen te kampen zal hebben.

Verdachte heeft ter zitting weliswaar gezegd dat hij het heel erg vindt wat er is gebeurd aangaande [slachtoffer 1], maar de rechtbank heeft hem ook horen zeggen, dat als [slachtoffer 1] gewoon zijn zaken geregeld had, het niet was gebeurd, waardoor de rechtbank niet ontkomt aan de indruk dat verdachte de verantwoordelijkheid niet volledig op zich neemt.

Dit baart de rechtbank zorgen en zij is van oordeel dat oplegging van een lange onvoorwaardelijke straf noodzakelijk is om niet alleen recht te doen aan de ernst van de feiten, maar ook om aan verdachte te benadrukken dat hij in de toekomst moet afzien van het gebruik van geweld.

Voor de strafmaat kan het letsel van [slachtoffer 1] als zeer zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt. Daarnaast heeft verdachte de mishandeling gepleegd door gebruik te maken van een vuurwapen. De rechtbank acht daarom, in aanmerking genomen de rechterlijke oriëntatiepunten van het LOVS ten aanzien van zware mishandeling en andere rechterlijke uitspraken, een straf van 18 maanden een gepaste straf voor feit 1. Voor de poging tot zware mishandeling van feit 3, waarbij de auto van verdachte als wapen beschouwd kan worden, acht de rechtbank een straf van nog eens 6 maanden gepast en geboden. Voor het bezit van twee 9 mm patronen, waarvoor doorgaans een geldboete wordt opgelegd, zal de rechtbank geen extra straf bepalen, omdat dit voor haar geen meerwaarde heeft.

Wél zal zij de eis van de officier van justitie ter zake de rijontzegging volgen en aan verdachte een rijontzegging opleggen van 30 maanden voor feit 3, nu verdachte dit feit als bestuurder van een motorrijtuig heeft gepleegd en de rechtbank oplegging van deze maatregel alleszins op zijn plaats acht.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert ter zake van feit 1 een schadevergoeding van € 4.394,53, waarvan € 3.000,- voor geleden immateriële schade.

De rechtbank zal deze vordering toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, met uitzondering van de post Oefenmachine CPH. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt namelijk dat niet de benadeelde partij, maar diens broers deze oefenmachine hebben aangeschaft. Derhalve dient de vordering ten aanzien van die post te worden afgewezen, nu de benadeelde partij civielrechtelijk bezien deze schade niet zelf heeft geleden.

De rechtbank acht voor het overige de door de benadeelde partij gevorderde schade een rechtstreeks gevolg van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde en acht verdachte voor die schade aansprakelijk. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen.

9 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de onder verdachte in beslag genomen rookwaar, aansteker en pasjes, nu er geen enkele relatie tussen de bewezenverklaarde feiten en deze goederen valt aan te nemen, die tot een verbeurdverklaring zou moeten leiden. Evenmin is er reden de goederen te onttrekken aan het verkeer.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en op artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 3 primair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Afwijzing verzoek reconstructie

- wijst af het verzoek tot het verrichten van een reconstructie;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

  • -

    veroordeelt verdachte ter zake van feit 3 subsidiair tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregel(en)

  • -

    veroordeelt de verdachte ter zake van feit 1 meer subsidiair om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres 3], te betalen een bedrag van € 3.944,53 (zegge: drieduizendnegenhonderdvierenveertig euro en drieënvijftig eurocent), waarvan € 3.000,- (zegge: drieduizend euro) ter zake van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte ter zake van feit 1 meer subsidiair de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 49 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

1. PAK Rookwaar Kl:wit, PHILIP NORRIS, 2225957

2 2.00 STK Pas Kl:wit, 2225959, toegangspasjes

4 1.00 STK Aansteker Kl: groen, 2225962.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en mr. I.T. Dautzenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 september 2013.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/702562-13

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 26 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende aan de [adres 1]

thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen, voor zover niet anders vermeld, naar de doorlopende paginanummering in het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte processen-verbaal, genummerd respectievelijk 2013016770 en 2013029055 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 De aangifte van [slachtoffer 1], dossierpagina 44 en 45, tweede helft

3 De aangifte van [slachtoffer 1], dossierpagina 46, eerste helft

4 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 47

5 De medische verklaring, dossierpagina 59

6 Het proces-verbaal Sporenonderzoek, dossierpagina 146, eerste helft en de kennisgeving van inbeslagneming, dossierpagina 138 t/m 140, eerste helft

7 De kennisgeving van inbeslagneming, dossierpagina 18;

8 Het proces-verbaal relaterende een onderzoek aan de op pagina nr. 1 van dit proces-verbaal vermeldde voorwerpen, pv-nummer 2013016770-32, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], dossierpagina 181 t/m 183

9 De aangifte van [slachtoffer 2], dossierpagina 18 t/m 22

10 Het geschrift (in vertaling uit het Duits) Verslag inzake veiligstellen van sporen, dossierpagina 165 t/m 168 en het geschrift (in vertaling uit het Duits) Schets van plaats delict bij doss. Nr. 608000-019037-13, dossierpagina 171

11 Het geschrift (in vertaling uit het Duits) Getuigenverhoor, relaterende het verhoor van de getuige [getuige 2], dossierpagina 65

12 Het geschrift (in vertaling uit het Duits) Getuigenverhoor, relaterende het verhoor van de getuige [getuige 3], dossierpagina 78, eerste helft