Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7662

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
14-10-2013
Zaaknummer
514526 CV EXPL 13-849
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mondelinge arbeidsovereenkomst voor onbepaalde of schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd? Misbruik van omstandigheden. Opzegging na afloop proeftijd. Bedreiging door werkgever en/of werknemer. Geen arbeid geen loon. Arbeid niet verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen. Urenomvang. Artikel 7:610b BW niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0799
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 514526 CV EXPL 13-849

Vonnis van 9 oktober 2013

in de zaak van

[eiseres],

wonend te Maastricht,

eisende partij,

verder te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat te Maastricht

tegen

de vennootschap onder firma V.O.F. [naam 1], handelend onder de naam [naam 2] ,

gevestigd en kantoorhoudend te Maastricht,

gedaagde partij 1,

hierna te noemen: de VOF,

[gedaagde 2],

wonend te [woonplaats],

gedaagde partij 2,

hierna te noemen: [gedaagde 2],

[gedaagde 3],

wonend te [woonplaats],

gedaagde partij 3,

hierna te noemen: [gedaagde 3],

hierna gezamenlijk ook te noemen: [gedaagden]

gemachtigde: mr. M.J. van Wersch, juridisch adviseur te Roermond (DAS rechtsbijstand)

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Partijen hebben achtereenvolgens de navolgende gedingstukken gewisseld:

  • -

    exploot van dagvaarding van 15 februari 2013 met producties;

  • -

    conclusie van antwoord met producties;

  • -

    conclusie van repliek, tevens akte vermindering van eis;

  • -

    conclusie van dupliek met één productie;

  • -

    akte uitlating van de zijde van [eiseres].

Vervolgens is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader vastgesteld is op heden.

MOTIVERING

de naam van gedaagde partij 1

[eiseres] vermeldt op het exploot van dagvaarding dat de VOF handelt onder de naam “[naam 2]”. [gedaagden] hanteren zelf in de processtukken de benaming “[naam 3]”. Bij repliek gebruikt [eiseres] de naam “[naam 4]”. Omdat het exploot in dezen leidend is, is in de aanhef van dit vonnis vermeld dat de VOF handelt onder de naam “[naam 2]”.

de feiten

[eiseres] is op grond van een arbeidsovereenkomst met ingang van 3 april 2012in dienst getreden van gedaagde partijen, althans van de VOF, in de functie van servicebediende.

Op 11 mei 2012 heeft [eiseres] een schriftelijke arbeidsovereenkomst ondertekend waarbij als werkgever aangeduid is “[naam 5]”. Deze arbeidsovereenkomst bepaalt dat [eiseres] op 3 april 2012 voor een periode van een halfjaar in dienst getreden is bij deze werkgever in de functie van servicebediende en dat de overeenkomst van rechtswege eindigt op 3 oktober 2012. Voorts maakt de arbeidsovereenkomst melding van een proeftijd van twee maanden. Bij brief van 2 juni 2012 heeft de VOF de arbeidsovereenkomst opgezegd.

Bij brief van 22 oktober 2012 heeft [eiseres] aan de VOF (onder meer) medegedeeld dat de opzegging geen doel treft omdat [eiseres] de brief van 2 juni 2012 eerst op 4 juni 2012 ontvangen heeft en op dat moment de proeftijd reeds was verstreken. [eiseres] biedt in de brief “arbeid op eerste afroep” aan.

de vordering

[eiseres] vordert de hoofdelijke veroordeling van gedaagde partijen - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling aan [eiseres] van:

1.

het bruto loon van (na vermindering van eis bij repliek) € 1.238,68 per maand vanaf 3 juni 2012 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt;

2.

de maximale wettelijke verhoging over de vordering onder 1.;

3.

de wettelijke rente over “de loonvordering” vanaf de respectieve dagen van verschuldigdheid tot de dag van voldoening;

4.

de kosten van dit geding.

de standpunten van partijen

[eiseres] stelt dat zij op 3 april 2012 bij [gedaagden] in dienst getreden is op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar is bij indiensttreding géén arbeidsovereenkomst ter ondertekening voorgelegd. Volgens haar is toen ook niet besproken dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur zou zijn. [eiseres] stelt op 11 mei 2012 door [gedaagden] onder druk gezet te zijn om een geschrift te ondertekenen waarin een proeftijd is opgenomen en waarin is bepaald dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van zes maanden. Volgens [eiseres] hebben [gedaagden] misbruik gemaakt van de omstandigheden waarin zij verkeerde, door toen ondertekening van de bewuste schriftelijke arbeidsovereenkomst van haar te verlangen. Primair is [eiseres] van mening dat ten aanzien van die schriftelijke arbeidsovereenkomst geen sprake geweest is van wilsovereenstemming. Subsidiair stelt [eiseres] de arbeidsovereenkomst te vernietigen wegens misbruik van omstandigheden. Meer subsidiair voert zij aan dat [gedaagden] haar gelet op de omstandigheden waarin de arbeidsovereenkomst gesloten is, in redelijkheid niet aan die overeenkomst kunnen houden. [eiseres] voert verder aan dat zij de opzeggingsbrief van 2 juni 2012 eerst op 4 juni 2012 ontvangen heeft, zodat de opzegging niet binnen de proeftijd geschied is. Bovendien was er van ontslag op staande voet geen sprake, aldus [eiseres]. [eiseres] stelt na ontvangst van de brief zich op 4 juni 2012 bij de “bedrijfsvestiging” van [gedaagden] gemeld te hebben en bij die gelegenheid haar ongenoegen over de brief kenbaar gemaakt te hebben. Omdat [eiseres] en haar vriend toen door [gedaagde 2] met een mes bedreigd zijn, hebben zij het pand verlaten. Uit die houding van [gedaagde 2] heeft [eiseres] afgeleid dat “een nadrukkelijk aanbod om de bedongen werkzaamheden verder te verrichten zinloos was”. Het gevorderde bedrag aan bruto loon van € 1.238,68 per maand baseert [eiseres] op een brutoloon van € 1.569,00 bij een voltijds dienstverband van 38 uur. [eiseres] komt zo op een bruto-uurloon van € 9,53. Zij stelt feitelijk steeds 30 uur per week gewerkt te hebben en doet in dat kader een beroep op artikel 7:610b BW.

Het verweer van [gedaagden] strekt tot afwijzing van de vordering op alle onderdelen. Dit verweer zal, voor zover nodig en relevant, hierna besproken worden.

de beoordeling

Hoewel dit van de zijde van [gedaagden] niet expliciet gesteld is, gaat de kantonrechter er van uit dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de vennoten van de VOF zijn.

Vaststaat dat partijen in een geschrift vastgelegd hebben dat de arbeidsovereenkomst (met als ingangsdatum 3 april 2012) is aangegaan voor de duur van zes maanden en van rechtswege eindigt op 3 oktober 2012.

Dat partijen in eerste instantie (mondeling) een daarvan afwijkende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan zijn, wordt door [gedaagden] betwist. Zij stellen daartoe dat de door [eiseres] op 11 mei 2012 ondertekende arbeidsovereenkomst de schriftelijke weergave is van hetgeen partijen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst mondeling afgesproken hebben.

Gelet op deze betwisting had het op de weg van [eiseres] gelegen om nader toe te lichten op welke dag, bij welke gelegenheid en met welke perso(o)n(en) mondeling afgesproken is dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten is, althans dat bij die gelegenheid niet gesteld is dat de arbeidsovereenkomst voor de bepaalde duur van zes maanden zou worden aangegaan. [eiseres] biedt ook geen bewijs aan van haar stelling dat de arbeidsovereenkomst mondeling voor onbepaalde tijd aangegaan is.

Gelet op deze overwegingen staat derhalve vast dat partijen reeds bij aanvang van haar arbeidsrelatie overeengekomen zijn dat deze na ommekomst van een termijn van zes maanden van rechtswege eindigt op 3 oktober 2012. De schriftelijke overeenkomst levert als onderhandse akte dwingend bewijs op omtrent hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst afgesproken hebben.

Hieruit volgt dat [eiseres] niet met succes een beroep kan doen op het ontbreken van wilsovereenstemming of op het door haar aangevoerde wilsgebrek ten aanzien van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur op 11 mei 2012. De door haar op dat moment ondertekende arbeidsovereenkomst was immers een schriftelijke weergave van hetgeen partijen reeds bij aanvang van de arbeidsovereenkomst mondeling afgesproken hadden. Volledig ten overvloede overweegt de kantonrechter op dit punt nog dat [eiseres], nu [gedaagden] betwisten haar onder druk gezet te hebben, veel te weinig aangevoerd heeft om tot de conclusie te kunnen komen dat er sprake was van het ontbreken van wilsovereenstemming dan wel dat er sprake was van misbruik van omstandigheden en dus van een wilsgebrek dat de geldigheid van de overeenkomst zou kunnen aantasten.

Onduidelijk is welke juridische grondslag [eiseres] voor ogen heeft met de stelling dat [gedaagden] haar in redelijkheid niet aan de arbeidsovereenkomst kunnen houden. Voor zover [eiseres] daarmee heeft willen stellen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagden] [eiseres] houdt aan de tussen hen overeengekomen bepaalde duur van de arbeidsovereenkomst, moet worden vastgesteld dat [eiseres] geen enkele onderbouwing voor die stelling gegeven heeft. Partijen zijn de bepaalde duur van zes maanden overeengekomen. [eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de redelijkheid en billijkheid nopen tot het buiten toepassing laten van dit onderdeel van de arbeidsovereenkomst. Bijgevolg is ook de proeftijd rechtsgeldig bedongen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de brief van 2 juni 2012 [eiseres] eerst op 4 juni 2012 bereikt heeft. Voorts is niet in geschil dat [gedaagden] met die brief de bedoeling gehad hebben de arbeidsovereenkomst met [eiseres] binnen de proeftijd van twee maanden op te zeggen. Op het moment van ontvangst van de opzeggingsbrief was de proeftijd echter reeds verstreken, zodat die opzegging geen effect gesorteerd heeft. Het staat derhalve vast dat de arbeidsovereenkomst nadien is voortgezet. Van een andere tussentijdse opzegging is niet gebleken. Verder staat vast dat [eiseres] na 2 juni 2012 geen werkzaamheden meer verricht heeft voor [gedaagden] en dat de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de bepaalde duur van zes maanden derhalve niet stilzwijgend voortgezet is. Hieruit volgt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege geëindigd is op 3 oktober 2012. De vordering tot betaling van het loon vanaf 3 juni 2012 kan zich derhalve hooguit uitstrekken tot 3 oktober 2012.

Vaststaat dat [eiseres] in de periode van 3 juni 2012 tot 3 oktober 2012 de bedongen arbeid niet verricht heeft.

Het standpunt van [gedaagden] dat [eiseres] over de periode van 3 juni tot 3 oktober 2012 geen recht heeft op loon omdat zij in die periode de bedongen arbeid niet verricht heeft en ook niet aangeboden heeft de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, is gegrond op het bepaalde in artikel 7:627 BW.

Ondanks het niet-verrichten van de overeengekomen werkzaamheden behoudt de werknemer evenwel op grond van artikel 7:628 BW het recht op loon indien de werkzaamheden niet verricht zijn door een omstandigheid die in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen.

[gedaagden] voeren in dat verband aan dat [eiseres] na de opzegging bij brief van 2 juni 2012 niet meer aangeboden heeft de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Om die reden kan het niet-verrichten van werkzaamheden in redelijkheid niet voor hun rekening komen.

De kantonrechter overweegt dat vaststaat dat [gedaagden], hoewel de proeftijd reeds verstreken was, de arbeidsovereenkomst met [eiseres] desondanks opgezegd hebben. Zij hebben het daarbij doen voorkomen alsof de opzegging binnen de proeftijd geschied is. Zelfs bij antwoord handhaven zij nog dat standpunt. In dat licht bezien zou een aanbod van [eiseres] tot het verrichten van arbeid dan niet zinvol geweest zijn daar dit aanbod door [gedaagden] toch afgewezen zou zijn.

Voorts staat vast dat [gedaagden] de arbeidsovereenkomst opgezegd hebben omdat zij ontevreden waren over het functioneren van [eiseres]. Dit blijkt ook wel uit hetgeen [gedaagden] in de conclusie van antwoord aangevoerd hebben, waar zij onder randnummer 5 aanvoeren dat de reden voor het ontslag erin gelegen was dat [eiseres] weinig gemotiveerd was, weinig aandacht had voor de klant, te weinig productkennis had en administratieve taken niet of onjuist verrichtte. Voorts voeren zij aan dat [eiseres] na 1 juni 2012 niet meer ingeroosterd was, haar diensten waren doorgestreept en overgenomen waren door collega’s. Ook gelet hierop valt niet in te zien dat [eiseres] om haar recht op loon veilig te stellen nog expliciet aan had moeten bieden om desondanks de werkzaamheden te komen verrichten.

Voornoemde omstandigheden in aanmerking genomen, moet geoordeeld worden dat het niet- verrichten van de werkzaamheden door [eiseres] in de periode van 3 juni 2012 tot 3 oktober 2012 in redelijkheid voor rekening van [gedaagden] dient te komen. Hieruit volgt dat [gedaagden] gehouden zijn tot betaling van het loon over die periode.

[eiseres] gaat uit van een maandloon van € 1.238,68 bruto per maand. Daar legt zij een 30-urige werkweek en een uurloon van € 9,53 bruto aan ten grondslag.

De 30-urige werkweek baseert [eiseres] op de stelling dat zij in de periode vóór 3 juni 2012 gemiddeld 30 uur per week gewerkt heeft. Zij beroept zich in dat verband op het bepaalde in artikel 7:610b BW.

[eiseres]’ verwijzing naar artikel 7:610b BW gaat niet op aangezien die bepaling eerst van toepassing kan zijn indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden geduurd heeft. Op 3 juni 2012 heeft de arbeidsovereenkomst evenwel slechts twee maanden geduurd.

Vaststaat dat partijen overeengekomen zijn dat [eiseres] minimaal 12 uur per week zou werken. De kantonrechter zal bij de berekening van het recht op loon van [eiseres] over de periode van 3 juni 2012 tot 3 oktober 2012 derhalve van die urenomvang uitgaan.

Ten aanzien van het uurloon wordt als volgt overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden] [eiseres] ingedeeld hebben in functiegroep 1, met een bijbehorend bruto-uurloon van € 8,65 per uur. [eiseres]’ stelling dat zij in functiegroep 2 met een bruto-uurloon van € 9,53 ingedeeld had moeten worden, moet verworpen worden. Het enkele feit dat [eiseres] (ook) administratieve werkzaamheden heeft verricht, leidt namelijk nog niet tot de conclusie dat zij ten onrechte in functiegroep 1 ingedeeld is. Tot die functiegroep wordt immers blijkens de toepasselijke cao ook de junior verkoopmedewerker gerekend, een functie waarvan het aannemelijk is dat in beperkte mate administratieve werkzaamheden verricht dienen te worden. [eiseres]’ stelling dat zowel in haar loonsspecificaties als in haar arbeidsovereenkomst niet staat vermeld in welke functiegroep zij ingedeeld is, is voorts weliswaar juist, maar daaruit kan niet de conclusie getrokken worden dat zij om die reden recht heeft op het loon behorend bij functiegroep 2.

Op grond van het vorenstaande zal het aan [eiseres] toe te wijzen bruto maandloon over de periode van 3 juni 2012 tot 3 oktober 2012 vastgesteld worden op € 449,80 (12 x € 8,65 x 52 : 12). Verder zal daarover de wettelijke rente vanaf de respectieve data van verzuim tot de dag van voldoening toegewezen worden.

Over het bedrag van € 449,80 bruto per maand zal voorts de maximale wettelijke verhoging toegewezen worden.

[gedaagden] zullen hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van deze bedragen.

Als de (deels) in het ongelijk gestelde partijen zullen [gedaagden] ook hoofdelijk

veroordeeld worden tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 472,82, waarvan € 300,00 salaris gemachtigde, € 97,82 explootkosten en € 75,00 griffierecht.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 449,80 bruto per maand over de periode van 3 juni 2012 tot 3 oktober 2012, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdata tot de dag van voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke verhoging van € 224,90 bruto per maand over de periode van 3 juni 2012 tot 3 oktober 2012.

Veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 472,82.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.