Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7594

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
03/703007-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:4516, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in omvangrijke vastgoedfraudezaak 'Landlord'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/703007-09

Datum uitspraak : 11 oktober 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres verdachte].

Raadsman is mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 5 april 2012, 7, 10, 14, 17, 18 en 21 december 2012, 17 en 25 januari 2013, 18 maart 2013, 24 juni 2013 en 16 september 2013.

De rechtbank heeft steeds gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 De voorvragen

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft primair aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. In de kern ziet dit verweer op alle perikelen die zich hebben afgespeeld rondom de verklaringen van getuige [getuige].

De rechtbank zal hierna de volgende onderwerpen bespreken:

(1) Wat is er gebeurd rondom de verklaringen van [getuige]? De feitelijke gang van zaken.

(2) Achtergrond van het verweer. Het belang van het aan het dossier toevoegen van de

verklaringen van [getuige].

(3) De pogingen van de rechtbank om kennis te nemen van de inhoud van de

verklaringen van [getuige].

(3.1) De verklaringen toevoegen aan het dossier

(3.2) De procedure bij de rechter-commissaris

(3.3) Het horen van getuigen

(4) Zijn de getuigenverhoren voldoende compensatie gebleken voor het niet aan het

dossiertoevoegen van de verklaringen van [getuige]?

(5) Is er sprake van een schending van artikel 6 EVRM?

(6) Waar moet dit toe leiden?

(6.1) Jurisprudentie

(6.2) Bespreking van de onrechtmatigheden

(6.2.1) De onjuiste en/of onvolledige informatieverschaffing van de zijde van het

openbaar ministerie

a) Aard en ernst van de onrechtmatigheid?

b) Wiens belang wordt door de onrechtmatigheid geschaad?

c) Heeft het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de

belangen van de verdachte gehandeld?

d) Is de onrechtmatigheid herstelbaar?

(6.2.2) Het contact op 4 september 2013 tussen de rechercheofficier van justitie en de

getuige [verbalisant 1].

a) Aard en ernst van de onrechtmatigheid?

b) Wiens belang wordt door de onrechtmatigheid geschaad?

c) Heeft het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de

belangen van de verdachte gehandeld?

d) Is de onrechtmatigheid herstelbaar?

(6.2.3) Het niet voldoen aan bevelen van de rechtbank door het openbaar ministerie.

a) Aard en ernst van de onrechtmatigheid?

b) Wiens belang wordt door de onrechtmatigheid geschaad?

c) Heeft het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de

belangen van de verdachte gehandeld?

d) Is de onrechtmatigheid herstelbaar?

(7) Eindconclusie

1. Wat is er gebeurd rondom de verklaringen van [getuige]? De feitelijke gang van zaken.

De regiezitting van 5 april 2012

Voorafgaand aan de regiezitting van 5 april 2012 heeft mr. Hiddema, namens verdachte [verdachte], verzocht om de zogenoemde ‘kluisverklaringen’ van [getuige] aan het dossier te laten toevoegen, omdat hierin evident over [verdachte] zou zijn verklaard.

De officier van justitie heeft tijdens de zitting het primaire standpunt ingenomen dat de ‘kluisverklaringen’ niet behoeven te worden toegevoegd aan het dossier, nu zij geen enkele rol hebben gespeeld hebben in het onderzoek tegen [verdachte] en dus ook geen processtuk zijn.

De officier van justitie heeft ter zitting van 5 april 2012 een schriftelijk standpunt overgelegd. Dat luidt in dit verband als volgt:

“[getuige] heeft zich tijdens het strafrechtelijk onderzoek bij mij als zaaksovj gemeld als getuige die bereid was in ruil voor bescherming verklaringen af te leggen. Hij gaf daarbij aan ook over [verdachte] het een en ander kwijt te kunnen. Op 8 juli 2009 moest hij wel eerst een tipje van de sluier oplichten. Die verklaring heeft [getuige] afgelegd tegenover twee opsporingsambtenaren. (…) [getuige] noemt daarbij namen van diverse personen en wat zij op hun geweten zouden hebben. Over de zaken die wij in onderzoek hadden vertelde [getuige] echter niets. (cursief van de rechtbank) Zijn verklaring zou daarom voor het onderzoek Landlord geen waarde hebben, zoveel werd toen al duidelijk. Met de inhoud van deze verklaring is daarom tijdens het onderzoek Landlord niets gedaan. Hetgeen hij echter over anderen vertelde, heeft gemaakt dat hij zijn kluisverklaringen heeft mogen afleggen. Hij heeft dat gedaan tegenover opsporingsambtenaren die niet onderdeel uitmaakten van het team Landlord en ook niet anderszins daarbij betrokken waren (cursief van de rechtbank). (…)

[getuige] is in het onderzoek Landlord dus niet als getuige gehoord, laat staan een getuige met wie een deal is gesloten in ruil voor zijn verklaringen of een getuige die is opgenomen in het getuigenbeschermingsprogramma. Hij heeft zich gemeld naar aanleiding van de berichtgeving in de media over het onderzoek tegen [verdachte]. Wat uiteindelijk in de kluisverklaringen is opgenomen, is binnen het onderzoek Landlord niet bekend. Alleen de tactische verklaring van 8 juli 2009 is bekend bij de zaaksofficier en de twee verbalisanten die deze verklaring opnamen. Maar ook daarin staat niets dat in dit onderzoek van belang is geweest, laat staan is gebruikt voor de opsporing of sturing van het onderzoek. (cursief van de rechtbank) (…)

Nu de kluisverklaringen niet ten grondslag hebben gelegen aan de verdenking tegen de verdachten, niet zijn gebruikt om het onderzoek te sturen en - behoudens de aangetroffen optieovereenkomst - ook niets dat direct of indirect van [getuige] afkomstig is in het kader van het onderzoek Landlord aan het licht is gekomen, is duidelijk dat voor de beantwoording van de vragen als bedoeld in artikel 348 tot en met 350 Sv zijn kluisverklaringen niet relevant kunnen zijn.”

De officier van justitie heeft voorts naar voren gebracht zelf de inhoud van de ‘kluisverklaringen’ niet te kennen. Dat hierin over [verdachte] is verklaard, is volgens de officier van justitie enkel het beeld dat in de media wordt geschetst.

De rechtbank heeft het verzoek van de raadsman om de zogenoemde ‘kluisverklaringen’, afgelegd door [getuige], aan het dossier toe te voegen afgewezen. De rechtbank zag namelijk geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het zogenaamde overzichtsproces-verbaal in de zaak Landlord d.d. 30 januari 2012 (p. 55) waarin is gerelateerd dat de door getuige [getuige] afgelegde verklaringen (inclusief zijn eerste verklaring van 8 juli 2009) niet aan het onderzoeksteam ter beschikking zijn gesteld, dat het onderzoeksteam (dus) ook niet op de hoogte is van hetgeen deze getuige heeft verklaard en dat deze verklaringen dan ook geen invloed hebben gehad op het verloop van het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte(n) [verdachte]. Op de zitting van 5 april 2012 heeft officier van justitie B. [verdachte] deze mededelingen nogmaals bevestigd.

De zitting van 14 december 2012

De officier van justitie heeft aangegeven dat hij de tactische verklaring van 8 juli 2009 kent en dat hetzelfde geldt voor de opsporingsambtenaren die [getuige] op 8 juli 2009 hebben gehoord. Nadat de rechtbank aan de officier van justitie heeft gevraagd wie die opsporingsambtenaren waren, heeft de officier van justitie geantwoord dat dit de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] waren. De kluisverklaringen zijn, aldus de officier van justitie op deze zitting, opgemaakt door opsporingsambtenaren buiten het onderzoeksteam. (cursief van de rechtbank)

Mr. Hiddema heeft de rechtbank verzocht de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] als getuige te horen. Dat verzoek heeft de rechtbank toegewezen. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen:

“Bij haar eerdere beslissing naar aanleiding van de regiezitting d.d. 5 april 2012 is de rechtbank er van uitgegaan dat de inhoud van de tactische verklaring van 8 juli 2009 niet bekend was bij het onderzoeksteam en niet van invloed is geweest op het onderzoek Landlord. (…) Heden heeft de officier van justitie echter op een vraag van de rechtbank bevestigd dat het de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zijn geweest die [getuige] op 8 juli 2009 hebben verhoord. [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zijn uitvoerig betrokken geweest bij het onderzoek Landlord. (…) Om die reden en om alle mogelijke ruis weg te nemen acht de rechtbank het in het belang van het onderzoek noodzakelijk dat de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter terechtzitting als getuige zullen worden gehoord.”

De zitting van 17 december 2012

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tactische verklaring van [getuige] van 8 juli 2009 van nul en generlei belang is voor deze zaak.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie de opdracht te geven om die tactische verklaring aan het dossier toe te voegen en handhaaft het verzoek tot het als getuige horen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3].

Na beraad van de rechtbank, heeft de officier van justitie een proces-verbaal overgelegd van 9 juli 2009, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. In dit proces-verbaal doen genoemde verbalisanten verslag van hetgeen [getuige] hen op 8 juli 2009 heeft verteld over “transacties in de onroerend goed wereld (p. 2)”. Het betreft hier de zgn. ‘tactische verklaring’ van [getuige].

In de kop van het proces-verbaal is vermeld “Onderzoek: Landlord”. In het proces-verbaal is te lezen dat [getuige] verklaart over [verdachte] in relatie tot transacties in onroerend goed en wordt de suggestie gedaan dat [verdachte] hierbij geld witwast. Tevens blijkt dat [getuige] zijn verhaal eerder heeft willen vertellen aan de opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5].

Uit de verklaringen die de getuigen [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op de zitting van 17 december 2012 hebben afgelegd blijkt eveneens dat [getuige] in de tactische verklaring van 8 juli 2009 heeft verklaard over [verdachte], in relatie tot mogelijke fraude en/of witwassen bij onroerend goed transacties.

De officier van justitie heeft zich op de zitting van 17 december 2012 verzet tegen de verzoeken (van verschillende raadslieden) om [getuige], [verbalisant 5] en [verbalisant 4] als getuige te horen. [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben volgens de officier van justitie geen deel uitgemaakt van het onderzoeksteam Landlord. Zij hebben in deze zaak dus geen enkele rol gespeeld. (cursief van rechtbank)

De rechtbank heeft hierop geoordeeld dat het niet noodzakelijk is in het belang van het onderzoek om [getuige], [verbalisant 5] en [verbalisant 4] als getuige te horen, om welke reden zij het verzoek van de verdediging om deze personen als getuige te horen heeft afgewezen.

De zitting van 18 december 2012

Door de verdediging in de zaak van verdachte [medeverdachte 1] is naar voren gebracht dat uit het dossier blijkt dat [verbalisant 4] in deze zaak op 21 april 2010 heeft deelgenomen aan een doorzoeking. Zij heeft de rechtbank andermaal gevraagd [verbalisant 4] (en [verbalisant 5] en [getuige]) als getuige te horen.

De officier van justitie heeft in reactie daarop aangegeven dat [verbalisant 4] weliswaar aan een doorzoeking heeft deelgenomen, maar “[verbalisant 4] heeft in het onderzoek Landlord geen opsporingshandelingen verricht of processen-verbaal opgemaakt.” (cursief van de rechtbank)

De rechtbank heeft de getuigenverzoeken afgewezen, aangezien zij van oordeel is dat het verdedigingsbelang wat betreft het horen van deze getuigen niet aannemelijk is geworden.

De zitting van 21 december 2012

Ter zitting van 21 december 2012 heeft mr. Hiddema, namens [verdachte], bij pleidooi aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe is onder meer aangevoerd dat “de verdediging door het openbaar ministerie is gefrustreerd door het onthouden van vitale processtukken” en dat het openbaar ministerie de verdediging bewust heeft misleid, hetgeen een ernstige schending van de behoorlijke procesorde oplevert. Subsdiair zouden de verklaringen van [getuige] aan het dossier moeten worden toegevoegd. De verdediging heeft voorts aangegeven dat er telefoongesprekken hebben plaatsgevonden tussen [verbalisant 2] en [getuige] die wel degelijk ook om de inhoud gingen. Dat zou blijken uit een drietal verzoeken tot tappen van een telefoonnummer, die zich in het BOB-dossier bevinden. In die gesprekken heeft [verbalisant 2] weliswaar tegen [getuige] gezegd dat hij met iemand anders contact moet opnemen, maar de inhoud van de gesprekken was kennelijk voor het OM wel reden om de drie telefoontaps te vragen.

Na een korte onderbreking heeft de rechtbank het volgende medegedeeld als haar beslissing:

“(…) Het lijkt erop dat de thans nog onbekende kluisverklaringen van [getuige] een uitwerking zijn van voornoemde tactische verklaring. De rechtbank kan niet uitsluiten dat de kluisverklaringen voor verdachte ontlastend dan wel belastend zijn, om welke reden zij het noodzakelijk acht dat de kluisverklaringen van [getuige] in de onderhavige zaak en in de zaken van alle voormelde medeverdachten als processtukken aan het dossier zullen worden toegevoegd.”

De rechtbank heeft de officier van justitie opdracht gegeven om de zogenoemde ‘kluisverklaringen’ van [getuige] uiterlijk een week voor de volgende zitting op 17 januari 2013 aan het dossier toe te voegen.

De zitting van 17 januari 2013

De officier van justitie heeft zich bij aanvang van de zitting en voorafgaand daaraan per brief van 11 januari 2013 op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank van 21 december 2012 met de opdracht tot overleggen van de ‘kluisverklaringen’ dient te worden herzien. De ‘kluisverklaringen’ kúnnen namelijk niet worden toegevoegd, want dit is in strijd met het wettelijk systeem. De ‘kluisverklaringen’ zijn geen processtukken.

Voorts neemt de officier van justitie het standpunt in dat van de zijde van het openbaar ministerie ter terechtzitting geen onwaarheden zijn verkondigd.

Dat de tactische verklaring en de ‘kluisverklaringen’ niet van invloed zijn geweest op het onderzoek blijkt ook uit de tenlastelegging: die loopt tot 16 juni 2009.

Ter zitting heeft de officier van justitie een proces-verbaal van [verbalisant 4], gedateerd 16 januari 2013, overgelegd. Uit dit proces-verbaal blijkt dat [verbalisant 4] samen met [verbalisant 1] meerdere verklaringen van [getuige] heeft opgenomen, de zogenoemde ‘kluisverklaringen’.

De rol van [verbalisant 4] in het onderzoek Landlord is niet eerder kenbaar gemaakt, omdat de officier van justitie niet op de hoogte was van het feit dat [verbalisant 4] betrokken is geweest bij de ‘kluisverklaringen’. Hij kan eventueel als getuige gehoord worden, net als de toenmalige CIE-officier en/of rechercheofficier en/of de teamleiding. Subsidiair zou de rechter-commissaris in staat kunnen worden gesteld zich een oordeel te vormen over de vraag of de verklaringen van [getuige] ontlastende informatie voor één of meer van de verdachten bevatten. De officier van justitie is bereid daartoe de ‘kluisverklaringen’ aan de rechter-commissaris te verstrekken.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank in raadkamer, na raadpleging van het digitale dossier, vastgesteld dat [verbalisant 1] als chef CIE, ná het opnemen van de verklaringen van [getuige], diverse processen-verbaal heeft opgemaakt waarin hij informatie van een of meer anoniem gebleven bron(nen) weergeeft met betrekking tot [verdachte].

Het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag van 24 januari 2013

Bij dagvaarding van 22 januari 2013 heeft [getuige] in kort geding gevorderd dat het de Staat verboden wordt om iedere getuige op te roepen, die enige verklaring omtrent de inhoud van de door hem afgelegde verklaringen zou kunnen afleggen. Daarnaast heeft [getuige] gevorderd dat het de Staat wordt verboden zijn verklaringen in handen te stellen van de rechter-commissaris. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen bij vonnis van 24 januari 2013 toegewezen.

De zitting van 25 januari 2013

De rechtbank heeft geoordeeld dat, gegeven de weigering van de officier van justitie om de zogenoemde ‘kluisverklaringen’ toe te voegen aan het dossier, en gelet op het belang dat het recht op een fair trial op effectieve wijze wordt ingevuld, gezocht dient te worden naar alternatieven om de verdediging kennis te laten nemen van de inhoud van de ‘kluisverklaringen’.

Het door het openbaar ministerie voorgestelde horen van onder meer de getuigen [verbalisant 1], [verbalisant 4], [ovj 2] en [ovj 1] is geen effectief alternatief, nu als gevolg van het kortgeding vonnis van de Rechtbank Den Haag van 24 januari 2013 hoogstwaarschijnlijk geen enkele getuige iets over de inhoud van de zogenoemde ‘kluisverklaringen’ zal verklaren.

De belangen van de verdediging kunnen wel op voldoende en effectieve wijze gewaarborgd worden wanneer een rechter-commissaris inzage zou krijgen in de zogenoemde ‘kluisverklaringen’, waarbij de raadslieden van de verdachten en (indien gewenst) de zaaksofficieren van justitie aanwezig zouden kunnen zijn.

De rechtbank heeft daarom de zaak terugverwezen naar de rechter-commissaris en de officier van justitie opdracht gegeven alle verklaringen van [getuige] te verstrekken aan de rechter-commissaris.

Het arrest van het Gerechtshof Den Haag d.d. 26 februari 2013

Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 24 januari 2013 is de Staat in hoger beroep gekomen. Het Gerechtshof te Den Haag heeft bij arrest van 26 februari 2013 het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd voor wat betreft het gegeven verbod de ‘kluisverklaringen’ in handen te stellen van de rechter-commissaris. Daarnaast heeft het Gerechtshof de Staat verboden om, anders dan op bevel van de voorzitter van de rechtbank, getuigen te doen dagvaarden of op te roepen die kunnen verklaren over de inhoud of de totstandkoming van de ‘kluisverklaringen’, welk verbod niet geldt voor de CIE- en/of de rechercheofficier van justitie.

De brief van het openbaar ministerie van 1 maart 2013

Bij brief van de officieren van justitie, mr. Peters en mr. Janssen, d.d. 1 maart 2013, heeft het openbaar ministerie kenbaar gemaakt niet te zullen voldoen aan de opdracht van de rechtbank om de ‘kluisverklaringen’ te verstrekken aan de rechter-commissaris. De officieren van justitie hebben daartoe verwezen naar het arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 26 februari 2013.

Het oproepen van getuigen voor de zitting van 18 maart 2013

In aanloop naar de zitting op 18 maart 2013 heeft de voorzitter van de rechtbank op 8 maart 2013 de officier van justitie per e-mail opdracht gegeven als getuige op te roepen mr. [ovj 1], (voormalig) CIE-officier van justitie, mr. [ovj 2], (voormalig) rechercheofficier van justitie, [verbalisant 1], chef CIE, en de opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 2]. Een kopie van deze e-mail is aan de verdediging verzonden.

De zitting van 18 maart 2013

Op de zitting van 18 maart 2013 heeft de officier van justitie medegedeeld dat het openbaar ministerie geen cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 26 februari 2013.

Op grond van de bovenvermelde opdracht van de rechtbank aan het openbaar ministerie om voor de zitting van 18 maart 2013 eerdergenoemde vijf getuigen op te roepen, heeft de verdediging, in de persoon van mr. Hiddema, de onpartijdigheid van de rechtbank in twijfel getrokken. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.

De zitting van 24 juni 2013

Op deze zitting heeft de rechtbank nogmaals inzichtelijk gemaakt om welke reden zij eerder heeft beslist dat de bovengenoemde vijf personen als getuige dienen te worden gehoord. Het standpunt van de rechtbank van 25 januari 2013, dat het horen van getuigen materieel geen effectief alternatief is voor het toevoegen van de zogenoemde ‘kluisverklaringen’, kan na het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 februari 2013 niet zonder meer worden gehandhaafd. Daarom heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van de bovenvermelde vijf getuigen en, op verzoek van de verdediging van [verdachte], [getuige].

Het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2013

Bij vonnis in kort geding van 25 juni 2013 heeft de rechtbank Den Haag op vordering van [getuige] de Staat bevolen de zaaksofficieren van justitie op te dragen op grond van artikel 293 Wetboek van Strafvordering te vorderen dat de rechter-commissaris zal beletten dat op enige aan de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 1] te stellen vraag met betrekking tot de inhoud van de ‘kluisverklaringen’ zal worden geantwoord.

De getuigenverhoren door de rechter-commissaris op 4 september 2013

Op 4 september 2013 heeft de rechter-commissaris zes getuigen gehoord. Bij aanvang van de verhoren heeft hij aangegeven dat de verhoren plaatsvonden in het volgende kader:

Hebben de verklaringen van [getuige] op enig moment een rol gespeeld in het onderzoek Landlord dan wel is het onderzoek ‘geïnfecteerd’ door informatie van [getuige] doordat die informatie bekend was bij de teamleden?

Tijdens de verhoren van de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 4] hebben de aanwezige zaaksofficieren van justitie meermalen gevraagd het antwoord op vragen te beletten.

De getuige [verbalisant 4] heeft geen antwoord willen geven op vragen die betrekking hadden op de inhoud van de verklaringen van [getuige]. Ook getuige [getuige] heeft op vragen over de door hem afgelegde verklaringen geen antwoord gegeven en zich beroepen op zijn verschoningsrecht.

De getuige [verbalisant 1] heeft zich na het opnemen van zijn verklaring, op de daartoe door de rechter-commissaris geboden gelegenheid, teruggetrokken in een aparte ruimte om zijn verklaring nog eens door te lezen voordat hij zou tekenen. Deze ruimte bleek later de werkkamer van de huidige CIE-officier van justitie, mr. [ovj 3], te zijn. Tijdens het nalezen van zijn verklaring hebben de officieren van justitie mr. [ovj 3] en mr. [ovj 2] - die voorafgaande aan het horen van [verbalisant 1] zelf als getuige was gehoord – ‘over de schouder van [verbalisant 1]’ meegelezen. [verbalisant 1] en [ovj 2] zijn in gesprek geraakt over een proces-verbaal dat is opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. [ovj 2] is hierop een proces-verbaal gaan halen en heeft dat getoond aan [verbalisant 1].

De zittingen van 16 en 19 september 2013

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij pleidooi primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Daartoe heeft de verdediging naar voren gebracht dat er geen sprake is geweest van een fair trial conform artikel 6 EVRM. Dit omdat de vraag of de verklaringen van [getuige] een rol hebben gespeeld in het onderzoek Landlord niet meer ontkennend te beantwoorden is. Inzage in de verklaringen is dus noodzakelijk. Het openbaar ministerie heeft het bevel van de rechtbank tot het geven van inzage in de verklaringen van [getuige] niet opgevolgd, terwijl een effectieve compensatie voor het onthouden van inzage niet mogelijk is gebleken. Door onbetrouwbare verklaringen van het openbaar ministerie en politie is waarheidsvinding onmogelijk gebleken. Tot slot hebben twee officieren van justitie tijdens de getuigenverhoren door de rechter-commissaris een getuige beïnvloed.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

De ‘kluisverklaringen’ zijn geen processtukken, gelet op het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering. Subsidiair zijn de ‘kluisverklaringen’ niet relevant voor enige door de rechtbank te nemen beslissing in deze strafzaak.

Verder is er geen sprake geweest van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan.

De officier van justitie heeft nogmaals benadrukt dat er van de zijde van het openbaar ministerie geen sprake is geweest van het onvolledig of onjuist voorlichten van de rechtbank en de verdediging.

Het met de getuige [verbalisant 1] meelezen door de rechercheofficier moet worden gezien als een “betreurenswaardige fout van een professional”, niet als een bewuste poging om de getuige te beïnvloeden.

Dat de getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris op punten uiteenlopen en dat er sprake is van discrepanties, is niet verbazingwekkend aangezien de feiten waarover de getuigen zijn bevraagd ruim vier jaar geleden hebben plaatsgevonden.

Ten slotte heeft de officier van justitie gepersisteerd bij zijn eerder ingenomen standpunt dat de zogenoemde ‘kluisverklaringen’ niet bekend zijn binnen het onderzoeksteam Landlord, noch via de CIE, noch via contact tussen officieren onderling, noch op een andere manier. De verdenking tegen [verdachte] was al lang tot stand gekomen voordat [getuige] in beeld was. De onderzoekskeuzes zijn gemaakt op basis van het beslag van 16 juni 2009, dus vóór de datum waarop de eerste ‘kluisverklaring’ was afgelegd.

2. Achtergrond van het verweer. Het belang van het aan het dossier toevoegen van de verklaringen van [getuige].

Vast staat dat de tactische verklaring en de daarop gevolgde verklaringen van [getuige] zijn afgelegd vanaf 8 juli 2009. In het onderzoek Landlord heeft op 16 juni 2009 een grote actiedag plaatsgevonden. Op laatstgenoemde dag zijn huiszoekingen verricht, administraties en panden in beslag genomen en zijn verdachten aangehouden. Dat betekent dat informatie van [getuige] niet gebruikt kán zijn in het onderzoek Landlord, zoals dat tot 8 juli 2009 had plaatsgevonden. Voor zover informatie uit de verklaringen van invloed is geweest op het onderzoek Landlord, kan dat chronologisch gezien enkel betrekking hebben op hetgeen na 8 juli 2009 is voorgevallen.

Nadat en gedurende de tijd dat [getuige] zijn verklaringen heeft afgelegd is het onderzoek Landlord evenwel doorgegaan. Verdachten zijn gehoord, er hebben wederom doorzoekingen plaatsgevonden en vele getuigen zijn gehoord. Daarbij is doorgevraagd en gerechercheerd op zaken die in het verleden zijn voorgevallen. Logischerwijze zal dit onderzoek zich met name gericht hebben op de periode die in de ten laste legging is opgenomen, dus tot aan 16 juni 2009.

Even logisch is het dat [getuige] vanaf 8 juli 2009 heeft verklaard over zaken die in het verleden hebben plaatsgevonden. Uitgaande van de zeer korte periode tussen het afleggen van zijn eerste verklaring ( 8 juli 2009) en de einddatum van de ten laste gelegde periode (16 juni 2009), is het zeer aannemelijk dat het overgrote deel van zijn verklaringen betrekking heeft op zaken die in de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden. Waarom het feit dat [getuige] pas na 16 juni 2009 is gehoord relevant zou zijn voor de vraag of zijn verklaringen al dan niet als processtuk zouden moeten worden aangemerkt, zoals het openbaar ministerie stelt, ontgaat de rechtbank dan ook.

De rechtbank merkt voorts op dat de relevantie van de diverse verzoeken van de verdediging om toevoeging van de verklaringen van [getuige] en alle in het verlengde daarvan gedane verzoeken, ligt in het feit dat de verdediging moet kunnen toetsen of er door [getuige] informatie is verstrekt met betrekking tot [verdachte] en/of andere verdachten in deze strafzaak, die op enig moment in het nog lopende onderzoek Landlord een rol is gaan spelen.

Kort samengevat begrijpt de rechtbank het verweer van de verdediging zo dat niet valt uit te sluiten dat er informatie uit de verklaringen van [getuige] bijvoorbeeld als sturingsinformatie is gebruikt in het onderzoek Landlord en – via een niet te controleren omweg – een rol in het onderzoek heeft gespeeld.

Volgens de rechtbank zou het denkbaar zijn dat bij verhoren van getuigen en verdachten door verhorende verbalisanten gebruik is gemaakt van informatie die afkomstig is van [getuige]. Dit kan bewust zijn gedaan. Informatie van [getuige] kan sturend geweest zijn in het vervolg van het onderzoek. Bijvoorbeeld bij de vraag welke panden nog doorzocht moesten worden en/of welke documenten daarbij in beslag genomen moesten worden. Ook kan informatie van [getuige] terecht zijn gekomen in CIE-processen-verbaal, het zogenaamde ‘witwassen’ van informatie van [getuige].

Om deze redenen is relevant om te weten wat [getuige] verklaard heeft, door wie de verklaringen van [getuige] zijn opgenomen en welke rol die mensen later in het onderzoek Landlord gehad hebben.

Evenmin valt uit te sluiten dat de verklaringen van [getuige] ontlastende informatie bevatten over [verdachte] en/of andere verdachten in deze strafzaak. Daarbij merkt de rechtbank op dat, gelet op de familieverbanden tussen [verdachte] en sommige andere verdachten en gegeven de stelling van de verdediging van een aantal verdachten dat “[verdachte] alles alleen deed en de grote baas was”, het zo kan zijn dat belastende informatie over [verdachte] ontlastend kan zijn voor één of meer andere verdachten. Ook om die reden is inzage in de verklaringen van [getuige] voor de rechtbank en verdediging van belang.

In dit verband hecht de rechtbank eraan op te merken dat niet ieder verweer van de verdediging met de strekking “niet valt uit te sluiten dat…” tot in den treure onderzocht zal moeten worden ter terechtzitting. Om een verweer van de verdediging van deze strekking te onderzoeken, zal er toch op zijn minst enige aanwijzing moeten zijn dat het gestelde inderdaad niet valt uit te sluiten. Met andere woorden, er is geen plaats voor ‘fishing expeditions’.

Op de regiezitting van 5 april 2012 hield het verweer van (toen nog alleen) mr. Hiddema dat niet viel uit te sluiten dat de verklaringen van [getuige] gebruikt waren in het onderzoek Landlord dan wel dat die verklaringen ontlastende informatie over [verdachte] bevatten naar het oordeel van de rechtbank niet meer in dan zo’n ‘fishing expedition’. Het verzoek om de verklaringen van [getuige] toe te voegen aan het dossier en/of [getuige] als getuige te horen is toen dus afgewezen.

Nadat gaandeweg het onderzoek ter terechtzitting evenwel duidelijk werd dat:

1) In de tactische verklaring van [getuige] van 8 juli 2009 werd gesproken over [verdachte] in relatie tot mogelijke fraude en/of witwassen bij vastgoedtransacties;

2) De tactische verklaring van [getuige] is afgenomen door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], die beiden (langdurig) deel hebben uitgemaakt van het onderzoeksteam Landlord;

3) Verbalisant [verbalisant 2] ook na 8 juli 2009 nog telefonisch contact heeft gehad met [getuige], welke gesprekken kennelijk aanleiding zijn geweest om een machtiging tap aan te vragen;

4) De volgende verklaringen van [getuige] zijn afgenomen door [verbalisant 4] en [verbalisant 1], die respectievelijk in het onderzoek Landlord hebben opgetreden als hulpofficier van justitie bij doorzoekingen en als opsteller van diverse CIE-processen-verbaal,

kon het verweer van de verdediging, en zeker voor zover dat inhield dat er mogelijk informatie uit de verklaringen van [getuige] was gebruikt in het opsporingsonderzoek Landlord niet meer als volstrekt onaannemelijk en als een ‘fishing expedition’ terzijde worden gesteld.

Ter zitting van 25 januari 2013 heeft de rechtbank reeds overwogen dat, nu inmiddels duidelijk was geworden dat meerdere mensen die bij het onderzoek Landlord betrokken waren, op de hoogte waren van de inhoud van de tactische en/of verdere verklaringen van [getuige] en de verklaringen betrekking hebben op [verdachte] in relatie tot financiële constructies en witwassen, daarmee het belang gegeven is voor de verdediging om de verklaringen van [getuige] te kunnen inzien. De rechtbank heeft daarbij ook gekeken naar het proces-verbaal van rechercheofficier mr. [ovj 2] waarin hij in niet mis te verstane bewoordingen kenbaar heeft gemaakt dat het openbaar ministerie nooit de intentie heeft gehad om met [getuige] een deal te sluiten conform artikel 226g en 226h Wetboek van Strafvordering. De verklaringen van [getuige] zijn dus processtukken.

Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat de verdachte, en overigens ook de rechtbank, de gelegenheid moet hebben om kennis te nemen van die stukken die op enigerlei wijze relevant kunnen zijn, processtukken dus. Dat recht vloeit direct voort uit artikel 6 EVRM, dat het recht op een eerlijk proces, een fair trial, garandeert. Meermalen is in de jurisprudentie ook uitgemaakt dat het daarbij gaat om informatie die belastend of ontlastend voor de verdachte kan zijn, maar ook om informatie die voor de beoordeling van de rechtmatigheid en/of betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal van belang kan zijn.

Nu de rechtbank heeft overwogen dat de verklaringen van [getuige] processtukken zijn, moet de verdediging dus, op grond van de hiervoor genoemde jurisprudentie en artikel 6 EVRM, de gelegenheid krijgen om de verklaringen in te zien.

Of, wanneer inzage niet mogelijk blijkt te zijn, in ieder geval zodanig gecompenseerd worden dat de verdediging voldoende gelegenheid heeft de verklaringen van [getuige] op aanwezigheid van ontlastend materiaal te controleren en de mogelijkheid dat informatie uit de verklaringen in het verdere onderzoek Landlord is gebruik, uit te sluiten. Zo’n compensatie zou bijvoorbeeld kunnen plaats vinden door getuigenverhoren.

3. De pogingen van de rechtbank om kennis te nemen van de inhoud van de verklaringen van [getuige].

3.1

De verklaringen toevoegen aan het dossier

Om deze reden heeft de rechtbank op 21 december 2012 besloten om de officier van justitie opdracht te geven de verklaringen van [getuige] aan het dossier toe te voegen, aangezien deze verklaringen van [getuige] als processtukken moeten worden aangemerkt.

De officier van justitie heeft geweigerd uitvoering te geven aan deze opdracht.

3.2

De procedure bij de rechter-commissaris

Na de weigering van de officier van justitie om de verklaringen aan het dossier toe te voegen, heeft de rechtbank - nog altijd met het doel de verdachte een mogelijkheid te bieden zijn verweer te onderzoeken en onderbouwen – besloten tot de procedure bij de rechter-commissaris.

Daarbij (en overigens ook bij de latere getuigenverhoren van 4 september 2013) stond voor de rechtbank de volgende vraag centraal:

Heeft informatie uit de verklaringen van [getuige] op enig moment een rol gespeeld in het onderzoek Landlord doordat die informatie bekend was bij de teamleden? Daarnaast was en is ook de vraag of de verklaringen ontlastende informatie bevatten over [verdachte] en/of de medeverdachten.

De officier van justitie heeft ook deze opdracht van de rechtbank niet uitgevoerd. Immers bij brief van 1 maart 2013 heeft de officier van justitie laten weten dat de verklaringen van [getuige] niet aan de rechter-commissaris zouden worden afgeven.

3.3

Het horen van getuigen

Hierop heeft de rechtbank besloten vijf getuigen te horen, die over de inhoud en het gebruik van de verklaringen van [getuige] zouden kunnen verklaren.

Deze beslissing van de rechtbank was ingegeven door de inmiddels weer ontstane mogelijkheid dat de getuigen wél zouden kunnen verklaren over de gang van zaken rondom de verklaringen van [getuige]. Immers in het arrest van het Gerechtshof in Den Haag van 26 februari 2013 werd in hoger beroep van het vonnis van 24 januari 2013 andere getuigen dan de officieren van justitie, bijvoorbeeld de verbalisanten [verbalisant 4], [verbalisant 1] en [verbalisant 2], niet verboden om over de inhoud van de verklaringen van [getuige] te verklaren.

Daarmee kon het standpunt van de rechtbank van 25 januari 2013, dat het horen van getuigen materieel geen effectief alternatief kon zijn voor het aan het dossier toevoegen van de verklaringen van [getuige], niet zonder meer worden gehandhaafd.

Ter zitting van 24 juni 2013 heeft de rechtbank overwogen dat de vraag òf het horen van deze getuigen ook daadwerkelijk voldoende alternatief biedt voor het niet kunnen inzien van de verklaringen van [getuige], en of er in dat geval dus toch een fair trial voor de verdachte is geweest, bij eindvonnis zal worden beantwoord.

4. Zijn de getuigenverhoren voldoende compensatie gebleken voor het niet aan het dossier toevoegen van de verklaringen van [getuige]?

Op 4 september 2013 hebben de getuigen [verbalisant 4] en [getuige] op vragen over de inhoud van de verklaringen van [getuige] geen antwoord willen geven. De aanwezige zaaksofficieren van justitie hebben bovendien bij al deze vragen, ook aan andere getuigen, telkens gevorderd dat de rechter-commissaris de betreffende getuige zou beletten te antwoorden. Ook de andere getuigen hebben zich slechts in zeer algemene termen uitgelaten over de inhoud van de verklaringen van [getuige].

Wat er ook zij van de redenen waarom de diverse getuigen geweigerd hebben te antwoorden op vragen over de inhoud van verklaringen van [getuige] of slechts in zeer algemene termen zich hierover hebben willen uitlaten, vast staat dat de getuigenverhoren als gevolg hiervan nauwelijks informatie hebben opgeleverd. Beantwoording van de vraag of informatie uit de verklaringen van [getuige] gebruikt is in het verdere onderzoek dan wel of er ontlastende informatie over de verdachte(n) in deze strafzaak in voorkomt, is hierdoor niet eenvoudiger geworden.

Ten aanzien van de vraag of informatie uit de verklaringen (bewust of onbewust) gebruikt is in het onderzoek Landlord, hebben de getuigen als volgt verklaard.

Getuige [ovj 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat er vier personen waren die kennis hadden van de inhoud van de verklaringen van [getuige]: hijzelf, CIE-officier van justitie [ovj 1], [verbalisant 1] en [verbalisant 4]. Hij heeft de inhoud van de verklaringen van [getuige] niet gedeeld met de zaaksofficier van justitie of andere personen betrokken bij de zaak.

Uit de verklaring van [verbalisant 4] blijkt evenwel dat op zijn minst één andere verbalisant, [verbalisant 6], op de hoogte was van de inhoud van de verklaringen van [getuige]. Hij heeft de verklaringen immers aan zijn collega [verbalisant 6] ter beschikking gesteld. Getuige [ovj 1] heeft verklaard dat zij erover twijfelt of ze met verbalisant [verbalisant 7] over de inhoud van de verklaringen van [getuige] heeft gesproken. Getuige [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij bij het opmaken van de CIE-processen-verbaal absoluut geen gebruik heeft gemaakt van de inhoud van de kluisverklaringen .

Een en ander brengt mee dat er sinds 25 januari 2013 alleen maar meer mensen bij gekomen zijn die kennelijk op de hoogte waren van de inhoud van de verklaringen van [getuige].

Van twee van die mensen, [verbalisant 4] en [verbalisant 1], was reeds bekend dat zij een rol hebben gehad in het onderzoek Landlord. Ten aanzien van [verbalisant 6] en [verbalisant 7] wordt door respectievelijk [verbalisant 4] en rechercheofficier van justitie [ovj 2] verklaard dat zij geen bemoeienis hadden met de zaak Landlord. Maar de rechtbank kan in dit verband niet onvermeld laten dat dit door de zaaksofficier van justitie aanvankelijk ook gezegd werd over [verbalisant 4] en [verbalisant 1]. Van beiden bleek nadien het tegendeel.

Getuige [ovj 2] heeft bovendien verklaard dat hij regelmatig als ‘klankbord’ fungeerde (en nog steeds fungeert) voor de zaaksofficieren van justitie in de zaak Landlord. Ook getuige [ovj 1] heeft zaaksofficier van justitie Janssen een aantal keer gesproken over de zaak Landlord.

Ten aanzien van getuige [verbalisant 2] heeft de rechtbank al eerder vastgesteld dat hij ook na het afnemen van de verklaringen van [getuige] nog telefonisch contact gehad heeft met [getuige]. Die gesprekken hebben, anders dan hij ter zitting van 17 december 2012 heeft verklaard, kennelijk in ieder geval ook een inhoudelijk karakter gehad.

Kortom, meerdere mensen die op de hoogte waren van de inhoud van de verklaringen van [getuige], hebben, met die informatie in hun achterhoofd, op de een of andere manier een rol gehad in het vervolg van het onderzoek. Hetzij als ‘klankbord’ voor de zaaksofficieren van justitie, hetzij als ‘helpende hand’, hetzij als volwaardig deelnemer aan het onderzoeksteam, hetzij als opsteller van CIE-processen-verbaal. Dat brengt mee dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid dat die informatie, al dan niet bewust gebruikt is in het onderzoek Landlord zeker niet als onaannemelijk kan worden afgedaan.

Dat de verschillende getuigen pertinent stellen dat dit niet is gebeurd, is voor de rechtbank niet doorslaggevend. De rechtbank kan zich niet voorstellen dat een lid van het onderzoeksteam met informatie in zijn hoofd die relevant kan zijn voor het verdere onderzoek en de daarin figurerende ‘onderzoekssubjecten’, die informatie als het ware zou kunnen ‘uitschakelen’ wanneer hij verdachten of getuigen gaat horen of wanneer beslissingen moeten worden genomen over dwangmiddelen en/of bijzondere opsporingsbevoegdheden die moeten worden ingezet, zoals doorzoekingen of telefoontaps. In het geval van [verbalisant 2] is dat bijvoorbeeld ook gebleken: hij heeft immers een telefoontap aangevraagd op basis van informatie die hij van [getuige] had verkregen na 8 juli 2009. Dat die aanvraag vervolgens niet is toegewezen door de rechter-commissaris is in dit verband niet relevant; dit voorbeeld toont bij uitstek aan hoe lastig het kan zijn om onderscheid te maken tussen informatie die je wel en niet ‘mag’ gebruiken.

De rechtbank heeft om deze reden moeite met de stelligheid waarmee de diverse officieren van justitie en verbalisanten telkens hebben aangegeven dat er absoluut geen informatie uit de verklaringen van [getuige] is gebruikt in het verdere onderzoek Landlord. Dit terwijl normaal gesproken functionarissen van justitie op hun woord worden geloofd. Er is nu eenmaal in deze strafzaak aantoonbaar op een aantal momenten door officieren van justitie en verbalisanten niet of niet volledig de waarheid gesproken dan wel nagelaten relevante informatie te delen met de rechtbank en verdediging. Het voorbeeld van de aanvraag tap door [verbalisant 2] laat zien dat er in ieder geval één keer bewust gebruik is gemaakt van informatie van [getuige].

Óf er nog meer informatie van [getuige] is gebruikt in het opsporingsonderzoek is iets dat de verdediging en daarmee ook de rechtbank als gevolg van de ingenomen proceshouding van het openbaar ministerie en - in navolging daarvan - verbalisanten en door de weigerachtige opstelling van getuige [getuige], thans niet meer kan controleren.

Dat de rechtbank thans niet kan uitsluiten dat de informatie van [getuige] wel degelijk gebruikt is in het onderzoek Landlord, zou mogelijk nog kunnen worden ondervangen wanneer zij, en de verdediging, zelf zou kunnen controleren wat in de verklaringen is gezegd over [verdachte], de andere verdachten en het onderzoek Landlord.

Immers, als de rechtbank zelf zou kunnen vaststellen dat er in de verklaringen van [getuige] weliswaar over [verdachte] wordt gesproken, maar enkel over zaken die niet in het onderzoek Landlord voorkomen, terwijl er bovendien geen ontlastende informatie in te vinden is, is het niet aannemelijk dat informatie uit de verklaringen daadwerkelijk is gebruikt in het opsporingsonderzoek.

Over de inhoud van de verklaringen weet de rechtbank evenwel, ook na de getuigenverhoren van 4 september 2013, vrijwel niets.

Wat inmiddels wel duidelijk is, is dat “de hoofdmoot” van de verklaringen van [getuige] over [verdachte] ging. Getuige [ovj 1] heeft dit letterlijk zo verklaard in haar verhoor bij de rechter-commissaris op 4 september 2013. Dit overigens in flagrante tegenspraak met hetgeen door de zaaksofficier van justitie op de zitting van 5 april 2012 werd gezegd. Blijkens het proces-verbaal van die zitting – dat de rechtbank, anders dan de officieren van justitie, verkiest als bron van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden boven een artikel in de krant – heeft officier van justitie mr. Janssen tijdens de regiezitting op 5 april 2012 naar voren gebracht dat hetgeen [getuige] in de tactische verklaring van 8 juli 2009 over anderen vertelde, heeft gemaakt dat hij zijn verklaringen heeft mogen afleggen.

Onduidelijk is nog altijd of in de verklaringen van [getuige] informatie is opgenomen over andere verdachten in deze zaak. Getuige [ovj 1] “denkt” dat in de verklaringen van [getuige] gesproken werd over “de zoon van [verdachte] of de kinderen van [verdachte]” of “het gezin van [verdachte]”. Ten aanzien van een aantal andere verdachten (onder andere [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]) weet zij desgevraagd niet of zij in de verklaringen van [getuige] voorkomen. Getuige [verbalisant 1] twijfelt erover of er over de familie van [verdachte] wordt gesproken in de verklaringen van [getuige]. Getuige [ovj 2] heeft niet willen zeggen of de verdachte [medeverdachte 1] in de verklaringen van [getuige] voorkomt. Hij kan zich desgevraagd niet herinneren of in de verklaringen van [getuige] gesproken is over de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] of [medeverdachte 5]. Getuige [verbalisant 4] heeft op geen enkele vraag over de inhoud van de verklaringen van [getuige] antwoord willen geven. Datzelfde geldt voor getuige [getuige].

Evenmin is duidelijk geworden of de verklaringen van [getuige] ontlastende informatie bevatten ten aanzien van [verdachte] of één van de andere verdachten.

De verklaring van de CIE-officier van justitie [ovj 1] bij de rechter-commissaris d.d. 4 september 2013 en haar processen-verbaal van 8 december 2009 en 11 maart 2010 dat dit ten aanzien van [verdachte] en zijn familie niet het geval was, is voor de rechtbank onvoldoende om daarvan uit te gaan. Immers zij kende het zaaksdossier Landlord niet en geeft zelf ook aan dat het voor haar “moeilijk (was) om specifiek te beoordelen waarover het ging”. Zo kon zij bijvoorbeeld ook niet beoordelen of “als meneer [getuige] het over a,b en c had en d niet noemde, dat voor d ontlastend zou zijn.”

Voor de andere verdachten, niet zijnde de familie [familienaam], heeft getuige [ovj 1] zelfs nooit beoordeeld of er ontlastende informatie in de verklaringen van [getuige] stond.

Getuige [ovj 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat in de verklaringen van [getuige] niet “belastend of ontlastend verklaard wordt over zaken waarvoor de verdachten in de zaak Landlord zijn gedagvaard”. In datzelfde verhoor geeft hij evenwel aan dat hij zich niet kan herinneren of in de verklaringen gesproken is over de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] of [medeverdachte 5]. Een en ander is naar het oordeel van de rechtbank moeilijk met elkaar te rijmen, nu de getuige enerzijds aangeeft dat er niet ontlastend wordt verklaard over “de verdachten in de zaak Landlord” - onder wie dus ook [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] moeten worden geschaard -, maar hij anderzijds kennelijk niet meer weet of [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] überhaupt genoemd worden in de verklaringen van [getuige].

De rechtbank concludeert dat de getuigenverhoren van 4 september 2013 niet die informatie hebben opgeleverd die nodig is voor het – op een effectieve en faire wijze – kunnen onderzoeken van het verweer van de verdediging.

Nog altijd weten de rechtbank en de verdediging niet òf er informatie uit de verklaringen gebruikt is in het onderzoek Landlord en òf [getuige] in zijn verklaringen ontlastend heeft verklaard over [verdachte] en/of andere verdachten in deze zaak.

5 Is er sprake van een schending van artikel 6 EVRM?

Nu de verdediging de verklaringen van [getuige] niet heeft kunnen inzien dan wel op een andere wijze daarvan heeft kunnen kennis nemen, is zij onvoldoende in staat is geweest om op een effectieve en faire wijze haar verdediging te voeren.

Een en ander betekent dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een schending van het beginsel van ‘fair trial’, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM.

De rechtbank merkt nog op dat zelfs àls het zo zou zijn dat de verklaringen van [getuige], vanwege een wettelijke regeling of civielrechtelijk bindende overeenkomst nooit openbaar gemaakt zouden kunnen worden, dit niet mag betekenen dat een andere verdachte, voor wie deze verklaring mogelijk relevant of ontlastend zou kunnen zijn, daarvan de dupe wordt.

Met andere woorden, een schending van artikel 6 EVRM kan nooit gerechtvaardigd worden doordat het openbaar ministerie zich beroept op wettelijke restricties of geheimhoudingsafspraken.

De rechtbank begrijpt ook niet dat het openbaar ministerie in juli 2009, toen het onderzoek Landlord nog volop liep, besloten heeft om de toezegging aan [getuige] te doen dat zijn verklaringen nooit zonder zijn toestemming openbaar gemaakt zouden worden, zonder daarbij als clausule op te nemen dat dit anders zou zijn wanneer een rechter zou bevelen dat dit wel moest gebeuren. Door een dergelijke afspraak te maken met [getuige] heeft het openbaar ministerie zich destijds geen enkele rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen daarvan voor [verdachte] en/of andere verdachten in deze strafzaak. Wat deze afspraak voor de strafzaak van andere verdachten zou betekenen, was kennelijk ondergeschikt aan het belang dat het openbaar ministerie op dat moment hechtte aan het verkrijgen van verklaringen van [getuige]. Het beeld dat door het openbaar ministerie wordt opgeworpen dat [getuige] voornamelijk over andere zaken dan [verdachte] en/of Landlord verklaarde, stemt niet overeen met het beeld zoals dat op basis van de objectieve gegevens die beschikbaar zijn opdoemt: de verklaringen zijn afgenomen door verbalisanten die betrokken waren bij het onderzoek Landlord en de verklaring van 8 juli 2009 heeft nota bene als kopje ‘Landlord’.

In zoverre heeft het openbaar ministerie in 2009 door het toezeggen van gegarandeerde geheimhouding aan [getuige] zonder zich afdoende te bekommeren om de gevolgen daarvan voor de verdachten in deze strafzaak, willens en wetens het risico aanvaard dat bij een vervolging van [verdachte] en de andere verdachten hun recht op een fair trial tekort zou worden gedaan.

Dat is zonder meer verwijtbaar.

6 Waar moet dit toe leiden?

Door de verdediging is unaniem aangevoerd dat de schending van artikel 6 EVRM dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

6.1

Jurisprudentie

De Hoge Raad heeft reeds verschillende malen uitgemaakt dat schending van een verdragsrechtelijke regel van strafprocesrecht, zoals artikel 6 EVRM, ook tot een andere sanctie dan niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie kan leiden. Denk bijvoorbeeld aan de overschrijding van de redelijke termijn of de niet naleving van de Salduz-verplichtingen. Beide situaties leveren een schending van artikel 6 EVRM op, die volgens de Hoge Raad met respectievelijk strafvermindering en bewijsuitsluiting dienen te worden gesanctioneerd.

Uit de rechtspraak is voorts de algemene regel af te leiden dat niet-onvankelijkverklaring van het openbaar ministerie alleen dan aanvaardbaar is wanneer bij de naleving van een bepaald aan de verdachte toekomend verdedigingsrecht de beginselen van een behoorlijke procesorde zozeer in het gedrang komen dat de niet-naleving daarvan uitsluitend een verval van het recht op (verdere) vervolging met zich mee kan brengen.

Bovendien komt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging

- althans voor zover het gaat om een vormverzuim in de zin van art. 359a Wetboek van Strafvordering - slechts dan in aanmerking ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Hoewel het in casu niet gaat om een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering, is het doelbewust of met grove veronachtzaming- criterium volgens de jurisprudentie ook voor situaties die niet onder dat artikel vallen, van toepassing.

Vgl. het Zwolsmanarrest (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249).

Resumerend komt de jurisprudentie hierop neer dat in het geval van een ernstige en verwijtbare schending van het recht op een eerlijk proces, bij wijze van uitzondering plaats is voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Als regel heeft bewijsuitsluiting te gelden in specifieke (niet te herstellen) situaties, waartoe de aard van de normschending aanleiding moet geven. Ook strafvermindering wordt als passende sanctie gezien dan wel de enkele vaststelling dat een onrechtmatigheid heeft plaatsgevonden.

In zijn arrest van 1 juni 1999 (LJN: ZD1143), het zogenaamde Karman-arrest, heeft de Hoge Raad bovendien bepaald dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet is uitgesloten wanneer verdachtes belangen niet direct zijn geschaad.

Ook in een dergelijk geval kan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard, namelijk wanneer de door het openbaar ministerie gemaakte inbreuk het wettelijke systeem in de kern raakt, gelet op het fundamentele karakter van de gemaakte inbreuk. In dat geval is het in het bijzonder het belang dat de gemeenschap heeft bij de inachtneming van het wettelijk systeem bij de berechting van strafzaken en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, dat tot niet-ontvankelijkheid leidt.

Kort samengevat, van het openbaar ministerie mag en moet verwacht worden dat het zich aan de wettelijke regels houdt, ook als daardoor niet direct de belangen van een specifieke verdachte worden geschaad.

Gelet op de hiervoor beschreven lijn in de jurisprudentie moet de rechtbank daarom uitdrukkelijk ook onderzoeken of de geconstateerde verdragsschending met een andere, minder vergaande sanctie dan de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan worden afgedaan.

Daarvoor is echter alleen plaats als, ondanks de geconstateerde schending van artikel 6 EVRM, de procedure nog ‘as a whole fair’ te noemen is.

Om die vraag te kunnen beantwoorden is het dus noodzakelijk om niet alleen naar de geconstateerde schending van artikel 6 EVRM te kijken, maar ook naar wat verder in deze strafzaak is voorgevallen. Daarbij zal de rechtbank met name acht slaan op de volgende drie gebeurtenissen:

1) De onjuiste en/of onvolledige informatieverschaffing van de zijde van het openbaar ministerie.

2) Het contact op 4 september 2013 tussen de rechercheofficier van justitie en de getuige [verbalisant 1].

3) Het niet voldoen aan bevelen van de rechtbank door het openbaar ministerie.

Bij al deze gebeurtenissen, die naar het oordeel van de rechtbank elk afzonderlijk als onrechtmatigheid zijn aan te merken, heeft de rechtbank zich de volgende vragen gesteld:

  1. wat is de aard en ernst van de onrechtmatigheid,

  2. wiens belang wordt daardoor geschaad,

  3. heeft het openbaar ministerie hierbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen gehandeld,

  4. is de onrechtmatigheid herstelbaar?

6.2

Bespreking van de onrechtmatigheden

6.2.1

De onjuiste en/of onvolledige informatieverschaffing van de zijde van het openbaar

ministerie

a. a) Aard en ernst van de onrechtmatigheid?

Zoals de rechtbank hiervoor reeds uitvoerig heeft overwogen is er een aantal momenten geweest waarop zij niet of niet volledig door de officier van justitie is voorgelicht.

Dat [getuige] op 8 juli 2009 gehoord is door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], die (langdurig) deel hebben uitgemaakt van het onderzoeksteam Landlord, is niet uit eigen beweging bekend gemaakt door de officier van justitie.

Ter zitting van 5 april 2012 heeft de officier van justitie volstaan met de mededeling dat [getuige] is gehoord door “twee opsporingsambtenaren”. Pas nadat daarover is gesproken in een anonieme e-mail aan de verdediging en de rechtbank de officier van justitie ter terechtzitting van 14 december 2012 daarover duidelijkheid heeft gevraagd, heeft de officier van justitie bevestigd dat de verhorend opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] betreffen.

Ter terechtzitting van 14 december 2012 heeft de officier van justitie verder verklaard dat de vervolgverklaringen van [getuige] zijn opgemaakt door opsporingsambtenaren buiten het onderzoeksteam.

Deze verklaringen blijken evenwel te zijn afgenomen door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 1], die beiden, anders dan door de officier van justitie is gezegd, een (kleine) rol in het onderzoek Landlord hebben gespeeld.

De rol van [verbalisant 4] en [verbalisant 1] in het Landlordonderzoek is opnieuw niet uit eigen initiatief door de officier van justitie kenbaar gemaakt: eerst na opmerkingen daartoe vanuit de verdediging en constateringen door de rechtbank in raadkamer heeft de officier van justitie hun rol bevestigd.

Voorts valt bij vergelijking van de afgelegde verklaringen door de getuigen op 4 september 2013 op dat er sprake is van in het oog springende tegenstrijdigheden. [ovj 1], [verbalisant 1] en [verbalisant 4] hebben alle drie verklaard dat [ovj 2] de verklaringen van [getuige] in zijn bezit had. [verbalisant 1] en [verbalisant 4] hebben ze zelf aan hem gegeven. Volgens [ovj 1] kwamen de verklaringen “uit de kluis van de toenmalige rechercheofficier, mr. [ovj 2].”

[ovj 2] heeft daarentegen stellig verklaard dat hij de verklaringen niet in zijn bezit heeft gehad.

Nu de verklaringen van officier van justitie [ovj 1] (bevestigd door [verbalisant 1] en [verbalisant 4]) en officier van justitie [ovj 2] niet naast elkaar kunnen bestaan, moet door een van deze twee officieren van justitie op 4 september 2013 niet naar waarheid zijn verklaard.

De rechtbank moet dan ook concluderen dat zij op een aantal momenten onvolledig dan wel onjuist is geïnformeerd door de (zaaks)officier van justitie, dan wel door andere personen bij de opsporing betrokken.

Rechtbank, verdediging en eventuele andere procesdeelnemers moeten kunnen uitgaan van de juistheid én de volledigheid van de door de officier van justitie verschafte informatie. De officier van justitie dient de rechtbank, op vragen, maar ook uit eigener beweging, die informatie te verschaffen die voor de rechtbank bij de beoordeling van de strafzaak van belang kan zijn. Dat houdt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen in dat de waarheid wordt verteld, maar ook dat relevante gegevens niet achter worden gehouden.

Dit uitgangspunt geldt onverkort voor personen die onder gezag en verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie handelen.

Dat de rechtbank (en anderen) in deze strafzaak niet kon vertrouwen op mededelingen van het openbaar ministerie dan wel andere bij de opsporing betrokken personen, is een zeer ernstige zaak.

Dit raakt de basis van ons strafrechtsysteem.

b) Wiens belang wordt door de onrechtmatigheid geschaad?

Los van het ‘hogere’ belang dat een ieder moet kunnen vertrouwen op de eerlijkheid, openheid en integriteit van het openbaar ministerie, geldt uiteraard dat een verdachte in zijn eigen strafzaak direct in zijn belangen kan worden geschaad, wanneer het openbaar ministerie niet of onvoldoende openheid van zaken geeft.

Of dat laatste zich hier voordoet, is een vraag die onder het kopje “Is de onrechtmatigheid herstelbaar?” aan de orde komt.

c) Heeft het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen

van de verdachte gehandeld?

Van een aantal onjuist gebleken mededelingen neemt de rechtbank aan dat dit bij wijze van vergissing zo is gezegd. Hierbij denkt de rechtbank aan de mededeling van de zaaksofficier van justitie dat [verbalisant 4] en [verbalisant 1] geen rol hebben gespeeld in het onderzoek Landlord, terwijl dit wel het geval bleek te zijn. Gelet op de grote omvang van het dossier Landlord en de relatief beperkte rol die [verbalisant 4] en [verbalisant 1] in dit onderzoek hebben gespeeld, kan de rechtbank zich voorstellen dat dit gegeven aan de aandacht van de zaaksofficier van justitie is ontsnapt. Dat laat uiteraard onverlet dat het, en zeker in het stadium waar op dat moment de discussie rondom de verklaringen van [getuige] zich bevond, buitengewoon onhandig is geweest van de zaaksofficier van justitie om zulke boute uitspraken te doen, kennelijk zonder dat hij zich van de juistheid daarvan had overtuigd. Dit niet in de laatste plaats, omdat het op zijn minst (opnieuw) de schijn wekt dat het openbaar ministerie niet of onvoldoende openheid van zaken geeft.

Ten aanzien van het gegeven dat één van de als getuige gehoorde officieren van justitie niet de waarheid heeft gesproken, kan de rechtbank niet vaststellen of dit doelbewust is gebeurd. Met name de omstandigheid dat de getuigen verklaarden over een situatie die inmiddels meer dan vier jaar geleden heeft plaatsgevonden, laat de mogelijkheid open dat het geheugen één of beide getuigen in de steek laat. Ook hier merkt de rechtbank wel op dat de stelligheid waarmee met name getuige [ovj 2] verklaarde dat hij de zogenoemde ‘kluisverklaringen’ nooit in zijn bezit heeft gehad, er minst genomen aan mee kan werken dat bij anderen de indruk ontstaat dat er doelbewust niet naar waarheid wordt verklaard. Feit blijft immers dat drie andere getuigen ([ovj 1], [verbalisant 4], [verbalisant 1]) anders verklaren. Getuigen die, gelet op hun functie als respectievelijk officier van justitie en opsporingsambtenaar, in beginsel ook het vertrouwen van de rechtbank verdienen dat wat zij verklaren de waarheid is.

Een ander verhaal is de mededeling van de zaaksofficier van justitie op 5 april 2012 dat de zogenoemde ‘kluisverklaringen’ geen betrekking hadden op [verdachte]. Het gaat hier, tegen de achtergrond van het standpunt van de verdediging, om een zo’n wezenlijke mededeling, dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden volgehouden dat dit een vergissing of onhandigheid betreft. De verklaringen van [getuige] gaan evident wel, en wel in grote mate, over [verdachte]. De tactische verklaring van [getuige] van 8 juli 2009 heeft nota bene het kopje “Onderzoek Landlord”.

Overigens heeft het openbaar ministerie ook nooit gesteld dat het hier om een vergissing zou gaan, maar enkel – bij repliek op 16 september 2013 – dat het proces-verbaal van de zitting van 5 april 2012 op dit punt incorrect is.

Ook het feit dat het openbaar ministerie in eerste instantie niet duidelijk heeft gemaakt welke opsporingsambtenaren het eerste (tactische) verhoor van [getuige] hebben afgenomen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een vergissing worden afgedaan. Van meet af aan was duidelijk dat het voor de verdediging van [verdachte] relevant was om te weten wie er, in welke hoedanigheid dan ook, betrokken waren geweest bij de verhoren van [getuige]. Desondanks heeft de officier van justitie aanvankelijk gezegd dat de betrokken opsporingsambtenaren “geen onderdeel uitmaakten van het team Landlord en ook niet anderszins daarbij betrokken waren.” Pas nadat anonieme e-mails door de verdediging werden overgelegd en na expliciet doorvragen van de verdediging en de rechtbank bleek dat dit de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] waren, die wel degelijk bij het onderzoek Landlord betrokken waren.

Ook op dit punt is de rechtbank van oordeel dat de zaaksofficier van justitie er kennelijk doelbewust voor heeft gekozen om in eerste instantie geen openheid van zaken te geven, waar dit op dat moment evident wel in het belang van de verdediging was. Het wil er bij de rechtbank niet in dat de officier van justitie niet van meet af aan geweten heeft dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] degenen waren die op 8 juli 2009 met [getuige] gesproken hadden en dat met name [verbalisant 2] bovendien ook nadien een grote rol in het Landlordonderzoek had. Dat de officier er voor gekozen heeft om hierover te zwijgen en pas, nadat hij niet anders kon, hierover openheid te betrachten, is laakbaar.

d) Is de onrechtmatigheid herstelbaar?

Vast staat voor de rechtbank dat het openbaar ministerie gedurende het proces tegen de verdachte [verdachte] en zijn medeverdachten een aantal onjuiste mededelingen heeft gedaan. Na doorvragen van de rechtbank en/of nader onderzoek van de verdediging is uiteindelijk telkens alsnog ‘de waarheid’ op tafel gekomen. Bovendien heeft het openbaar ministerie uit eigen beweging het tactische proces-verbaal inhoudende de eerste verklaring van [getuige] opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] overgelegd en zijn beide verbalisanten ter terechtzitting en/of door de rechter-commissaris ondervraagd over de gang van zaken en de inhoud van het betreffende verhoor.

Zo beschouwd zou deze situatie als ‘gerepareerd’ kunnen worden beschouwd.

6.2.2

Het contact op 4 september 2013 tussen de rechercheofficier van justitie en de getuige

[verbalisant 1].

a. a) Aard en ernst van de onrechtmatigheid?

Op 4 september 2013 heeft de rechercheofficier van justitie en getuige [ovj 2] contact gehad met de getuige [verbalisant 1] over de door hem afgelegde verklaring.

De ratio van de regeling ten aanzien van het oproepen en ondervragen van getuigen, is dat zij verklaringen kunnen afleggen die tot het bewijs van enig strafbaar feit kunnen dienen. Daarin past niet dat de getuige, voordat zijn verklaring is afgelegd – waaronder ook valt het doorlezen van de verklaring vóór tekening – wordt benaderd door een procespartij waarbij gewezen wordt op mogelijke onvolledigheden in de verklaring. Om die reden is bijvoorbeeld in artikel 289 Wetboek van Strafvordering een aantal waarborgen opgenomen om te voorkomen dat getuigen door elkaars verklaringen worden beïnvloed of zich met elkaar onderhouden.

Het is binnen het strafrecht – populair gezegd – een ‘doodzonde’ wanneer getuigen onderling contact hebben over de door hen af te leggen of afgelegde verklaringen. Dit uiteraard om te voorkomen dat verklaringen onderling op elkaar worden afgestemd. Wanneer deze getuigen dan ook nog eens een, zij het zijdelings, bij de strafzaak betrokken officier van justitie en verbalisant blijken te zijn, maakt dat een en ander nog erger.

De rechtbank is dan ook verbijsterd over deze gang van zaken. Dit handelen van een officier van justitie, die nota bene vanwege zijn ervaring als ‘klankbord’ in deze strafzaak fungeert en zelf kort daarvoor ook als getuige is gehoord, kan niet worden afgedaan als “een betreurenswaardige fout van een professional” maar is in strijd met alle beginselen van een behoorlijke procesorde.

b) Wiens belang wordt door de onrechtmatigheid geschaad?

Dat het algemene, ‘hogere’ belang van een integere strafrechtspleging door deze gang van zaken geschaad is, staat voor de rechtbank buiten kijf. Als het openbaar ministerie zich niet aan deze elementaire beginselen houdt, is het einde zoek.

Of de verdachte in deze zaak ook daadwerkelijk geschaad is in zijn belang om een eerlijk proces te hebben, is een vraag die beantwoord wordt onder het kopje “Is de onrechtmatigheid herstelbaar?”.

c) Heeft het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen

van de verdachte gehandeld?

Dat het handelen van officier van justitie [ovj 2] onacceptabel is en een professional onwaardig, staat voor de rechtbank vast. Of het handelen van mr. [ovj 2] ook doelbewust heeft plaatsgevonden met de bedoeling de getuige [verbalisant 1] te beïnvloeden en zo mogelijk de verdachten in deze strafzaak tekort te doen, staat voor de rechtbank niet vast.

Wel spreekt hieruit volgens de rechtbank een grove veronachtzaming van de rechten van de verdachten in deze strafzaak, die recht hebben op een getuigenverhoor dat volgens de wet wordt uitgevoerd.

d) Is de onrechtmatigheid herstelbaar?

Hoewel de getuige [verbalisant 1] bij terugkomst in de kamer bij de rechter-commissaris niet is teruggekomen op zijn verklaring en die verklaring in de kern niet is gewijzigd, heeft hij zijn verklaring na het contact met mr. [ovj 2] wel aangevuld. De aanvulling is niet van dien aard, dat hierdoor gezegd kan worden dat zijn verklaring materieel is gewijzigd. Bovendien hebben alle procespartijen van de getuige [verbalisant 1] kunnen horen en/of in het proces-verbaal van zijn verhoor kunnen lezen wat er is voorgevallen.

De verdachten in deze strafzaak zijn in zoverre dan ook niet in hun belangen geschaad. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de onrechtmatigheid op zich herstelbaar is.

Dat neemt niet weg dat het door de rechtbank genoemde ‘hogere’ belang onherstelbaar geschaad is. Het kan niet zo zijn dat het openbaar ministerie zich in strijd met de wet en beginselen van behoorlijke procesorde gedraagt, maar dat dit ‘vergoelijkt’ - reparabel geacht - kan worden, zolang maar kan worden vastgesteld dat de verdachte er uiteindelijk geen last van heeft gehad. Dat zou een volstrekt verkeerd signaal zijn.

6.2.3

Het niet voldoen aan bevelen van de rechtbank door het openbaar ministerie.

a. a) Aard en ernst van de onrechtmatigheid?

De officier van justitie heeft geweigerd uitvoering te geven aan de opdracht van de rechtbank om de verklaringen van [getuige] aan het dossier toe te voegen. Op 17 januari 2013 heeft de officier van justitie desgevraagd geantwoord dat het openbaar ministerie “hoe dan ook zal blijven volharden in zijn standpunt dat de kluisverklaringen niet aan het dossier kunnen worden toegevoegd”.

Op 25 januari 2013 heeft de rechtbank de officier van justitie opdracht gegeven de verklaringen te verstrekken aan de rechter-commissaris. Ook aan deze opdracht is geen uitvoering gegeven.

Ter gelegenheid van de verhoren van de rechter-commissaris d.d. 4 september 2013 heeft de officier van justitie meermalen gevorderd het antwoord op vragen te beletten, wanneer deze vragen betrekking hadden op de inhoud van de verklaringen van [getuige].

De verdeling van bevoegdheden in het strafproces is door de wet bepaald. Uitgangspunt daarbij is dat de officier van justitie bevelen van de rechtbank uitvoert. Dit beginsel is zo essentieel dat het niet opvolgen van een bevel in de jurisprudentie meermalen tot niet ontvankelijkheid heeft geleid.

b) Wiens belang wordt door de onrechtmatigheid geschaad?

De rechtbank heeft meermalen overwogen dat het voor de verdachte in deze strafzaak van belang is dat de verdediging inzage kan hebben in de verklaringen van [getuige]. Bij beslissing van 21 december 2012 en 25 januari 2013 heeft de rechtbank uitvoerig overwogen waarom de verklaringen van [getuige] als processtuk moeten worden aangemerkt.

Dat de verdachte desondanks geen inzage heeft gekregen in de verklaringen, terwijl het gevolgde alternatief, het horen van getuigen, onvoldoende compensatie is gebleken, betekent dan ook dat verdachte rechtstreeks in zijn belang op een eerlijk proces is geschaad.

c) Heeft het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte gehandeld?

De officier van justitie heeft gesteld dat hij geen uitvoering kán geven aan de opdrachten van de rechtbank van 21 december 2012 en 25 januari 2013.

Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de ‘kluisverklaringen’ geen processtukken zijn en dus niet aan het dossier hoeven te worden toegevoegd. Dit omdat deze verklaringen zijn afgelegd in het kader van een mogelijke deelname aan het getuigenbeschermings-programma en er nog geen sprake is van overeenstemming tussen het openbaar ministerie en de getuige [getuige], aan wie mogelijk bescherming zal worden geboden. Bovendien had het Gerechtshof in Den Haag al bij arrest van 1 maart 2011 uitgesproken dat [getuige] mocht begrijpen dat alle door hem afgelegde verklaringen niet mochten worden gebruikt zonder zijn toestemming.

Hoewel van het openbaar ministerie – een staatsorgaan – niet kan worden verwacht dat zij geen gehoor geeft aan vonnissen die door een onafhankelijke (civiele) rechter, ook in hoger beroep, worden uitgesproken, betekent dit niet dat dit in een strafzaak niet tot consequenties kan en moet leiden.

Kennelijk is door de officier van justitie een belangenafweging gemaakt bij de keuze tussen het voldoen aan de civiele vonnissen enerzijds en het uitvoeren van de opdrachten van de rechtbank in onderhavige strafzaak anderzijds. De officier van justitie heeft er klaarblijkelijk bewust voor gekozen niet te voldoen aan de opdrachten van de rechtbank in deze strafzaak. De officier van justitie heeft op geen enkel moment inzicht gegeven in de totstandkoming van deze beslissing. Evenmin heeft de officier van justitie inzichtelijk gemaakt hoe de betrokken belangen zijn gewogen, anders dan de enkele verwijzing naar de inhoud van deze civiele vonnissen. Uit de aard van vragen van de verdediging en de rechtbank had de officier van justitie kunnen en moeten begrijpen dat het geven van inzicht in de belangenafweging belangrijk was.

Dat deze afweging ook anders had kunnen uitvallen blijkt wel uit de omstandigheid dat de officier van justitie er op 17 december 2012 ondanks soortgelijke beletselen na een belangenafweging voor heeft gekozen de tactische verklaring van [getuige] van 8 juli 2009 aan het dossier toe te voegen. Waarom die belangenafweging, waar het ging om de verdere verklaringen, anders zou moeten uitvallen is de rechtbank tot op de dag van vandaag een raadsel. Voor zover het gaat om de veiligheid van [getuige] en de stelling dat het openbaar ministerie betrouwbaar moet zijn voor mogelijke toekomstige informanten, kan de rechtbank in ieder geval niet inzien, waarom deze belangen bij het overleggen van de tactische verklaring kennelijk wel, maar bij het overleggen van de verdere verklaringen kennelijk niet ondergeschikt waren aan het belang van waarheidsvinding in deze strafzaak. Immers, ook ten aanzien van de tactische verklaring was bij civiel vonnis al eens geoordeeld dat deze zonder toestemming van [getuige] niet door het openbaar ministerie mocht worden gebruikt.

Bovendien is het aspect van de veiligheid van [getuige] door het openbaar ministerie slechts in de civiele procedures als argument ingebracht. In de onderhavige strafzaak heeft het openbaar ministerie hierover nooit iets gezegd. Het komt de rechtbank overigens ook niet voor als een erg sterk argument, nu inmiddels in diverse media, boeken etc. uitvoerig is bericht over deze zaak en de verklaringen van [getuige] en er in ieder geval bij de rechtbank geen enkel signaal bekend is dat [getuige]’s veiligheid de afgelopen vier jaar bedreigd werd.

Datzelfde geldt wat de rechtbank betreft voor het argument dat bekendmaking van de verklaringen van [getuige] toekomstige bedreigde getuigen zou afschrikken. [getuige] is nooit een bedreigde getuige in de zin van de wet geweest. Dat is ook nooit de bedoeling geweest van het openbaar ministerie.

Het lijkt erop dat het openbaar ministerie, de Staat der Nederlanden, bevreesd is voor de enige reële sanctie die het niet opvolgen van de civiele vonnissen met zich mee zou kunnen brengen: het betalen van een dwangsom en/of schadevergoeding aan [getuige]. Dat het openbaar ministerie er klaarblijkelijk voor heeft gekozen dit geldelijk belang te stellen boven het belang van de verdachten in deze strafzaak op een eerlijk proces, is onbegrijpelijk.

Daar komt nog bij dat de officier van justitie in de strafzaak niet alles gedaan heeft om op zijn minst te proberen de opdrachten van de rechtbank uit te voeren.

Zo is het openbaar ministerie (de Staat der Nederlanden) niet in beroep gegaan tegen het vonnis in kort geding van 25 juni 2013 en evenmin in cassatie tegen het arrest van 24 januari 2013. Door zich zonder meer neer te leggen bij deze civiele uitspraken, heeft het openbaar ministerie opnieuw doelbewust ervoor gekozen de bevelen van de rechtbank in deze strafzaak naast zich neer te leggen. En dit opnieuw zonder inzicht te geven in de gedachtegang achter die keuze.

De rechtbank acht de keuze van het openbaar ministerie om geen rechtsmiddelen in te stellen temeer onbegrijpelijk nu op het moment van de bewuste civiele uitspraken voor het openbaar ministerie duidelijk was dat de rechtbank de verklaringen van [getuige] als processtukken bestempelde, die voor de verdachten in de strafzaak moesten kunnen worden ingezien.

Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat het openbaar ministerie er doelbewust voor gekozen heeft geen gehoor te geven aan de opdrachten van de rechtbank. Daarmee heeft het openbaar ministerie doelbewust de belangen van de verdachten in deze strafzaak op een eerlijk proces tekort gedaan, nu de rechtbank reeds op 25 januari 2013 uitdrukkelijk had overwogen dat het in het belang van een fair trial van de verdachten was om wel inzicht in de verklaringen van [getuige] te kunnen krijgen.

d) Is de onrechtmatigheid herstelbaar?

Het openbaar ministerie heeft doelbewust en tot twee maal toe geweigerd uitvoering te geven aan een opdracht van de rechtbank. Het openbaar ministerie heeft bovendien niet alle mogelijke rechtsmiddelen tegen de civiele uitspraken inzake de verklaringen van [getuige] benut.

Het openbaar ministerie heeft geen inzicht gegeven in haar beweegredenen om zo te handelen en de belangenafweging achter deze keuze, terwijl wel op enig moment in de procedure de tactische verklaring van [getuige] is overgelegd. Het openbaar ministerie heeft bovendien tijdens de getuigenverhoren meermalen gevorderd de antwoorden op vragen rondom de verklaringen van [getuige] te beletten. Mede hierdoor is het horen van getuigen onvoldoende effectieve compensatie gebleken voor het niet aan het dossier toevoegen van de verklaringen van [getuige].

Nu op deze wijze niet getoetst kan worden of en hoe informatie uit de verklaringen van [getuige] is gebruikt in het onderzoek Landlord, dan wel of in de verklaringen ontlastende informatie is opgenomen over de verdachten in dit onderzoek, is sprake van een niet reparabele situatie.

7 Eindconclusie

Terug naar de vraag waar een en ander toe moet leiden. Dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard, of kan met een minder vergaande sanctie worden volstaan?

Bij beantwoording van die vraag moet de rechtbank een afweging maken tussen het belang van de maatschappij bij vervolging van strafbare feiten enerzijds en het belang van zowel de individuele verdachte als de samenleving in zijn geheel op een eerlijk proces anderzijds.

In die belangenafweging kijkt de rechtbank naar de aard en ernst van de feiten waarvoor de verdachte terecht staat. Met andere woorden, in het geval van een verdenking van moord zal zo’n belangenafweging mogelijk anders uitvallen dan in het geval van een verdenking van een strafbaar feit zonder direct aanwijsbare slachtoffers.

Aan de andere kant moet de rechtbank kijken naar de aard en ernst van de onrechtmatigheden in de procedure.

Afweging van al deze belangen bepaalt uiteindelijk of het recht op strafvervolging al dan niet komt te vervallen.

De bewuste keuze van de officier van justitie om geen uitvoering te geven aan opdrachten van de rechtbank raakt het wettelijke systeem in de kern. Deze keuze van de officier van justitie maakt inbreuk op een van de grondslagen van ons strafproces: de verdeling van bevoegdheden tussen de officier van justitie en de strafrechter. Hiermee wordt een zo wezenlijk onderdeel van ons strafrechtsysteem aangetast, dat dit op grond van de zogenaamde Karman-jurisprudentie, op zich al een reden zou kunnen zijn om het openbaar ministerie thans niet-ontvankelijk te verklaren. Reeds op 25 januari 2013 heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat het openbaar ministerie weigert uitvoering te geven aan een opdracht van de rechtbank an sich niet per definitie tot niet-ontvankelijkheid hoeft te leiden, mits het recht op een fair trial op een andere wijze kan worden gewaarborgd.

Volgens vaste jurisprudentie moet de rechtbank onderzoeken of de procedure in zijn geheel (‘as a whole’ in de jurisprudentie van het EHRM) als fair is te betitelen. Eén schending van artikel 6 EVRM betekent nog niet dat niet meer sprake kan zijn van een ‘fair trial as a whole’.

Daarom heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of het strafproces tegen de verdachte [verdachte] nog ‘as a whole fair’ kan worden genoemd.

Vast staat dat de tactische verklaring en de daarop gevolgde verklaringen van [getuige] zijn afgelegd vanaf 8 juli 2009.

Gelet op de eerder genoemde jurisprudentie zou bewijsuitsluiting van al het bewijsmateriaal dat na het opmaken van de verklaringen van [getuige] is verkregen, dus vanaf 8 juli 2009, een mogelijke sanctie kunnen zijn voor de geconstateerde onrechtmatigheden.

Op die manier zou het mogelijk gebruik van informatie uit de verklaringen van [getuige] in het verdere opsporingsonderzoek wellicht kunnen worden ondervangen.

Dat standpunt zou naar het oordeel van de rechtbank ook wel verdedigbaar zijn geweest, wanneer het zou gaan om de hierboven genoemde gebreken, elk afzonderlijk van elkaar bekeken. Daarbij in aanmerking nemend dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie de meest vergaande sanctie is die aan een onrechtmatigheid kan worden verbonden en waarmee zeer terughoudend moeten worden omgegaan.

Feit is echter dat de mogelijkheid dat de verklaringen van [getuige] ontlastende informatie over de verdachten in deze strafzaak bevatten door bewijsuitsluiting niet wordt ondervangen.

Daarbij heeft de rechtbank eerder overwogen dat het in deze strafzaak niet alleen gaat om het niet kunnen inzien van processtukken, waardoor artikel 6 EVRM is geschonden, maar om meer dan deze onrechtmatigheid.

De lijn in de zogenaamde Salduz-jurisprudentie is daar een voorbeeld van.

De rechtbank heeft reeds op 25 januari 2013 overwogen, dat het ‘enkele ‘feit dat de officier niet of niet volledig de waarheid spreekt, op zich niet hoeft te betekenen dat de betreffende verdachte geen eerlijk proces meer kan hebben.

In deze strafzaak hebben echter meerdere onrechtmatigheden plaatsgevonden. Die onrechtmatigheden betreffen zowel de inhoudelijke (niet of niet volledig dan wel onjuist voorlichten van de rechtbank en de verdediging, niet kunnen kennisnemen van relevante processtukken) als de procedurele kant (‘incident’ met mr. [ovj 2] op 4 september 2013).

Voorts staat vast dat het openbaar ministerie doelbewust en zonder (afdoende) inzicht te geven in de totstandkoming van keuzes en de onderliggende belangenafweging, heeft besloten de opdrachten van de rechtbank met betrekking tot de verklaringen van [getuige] te negeren.

Gelet op de aard en ernst van de hierboven geconstateerde onrechtmatigheden, in onderling verband en samenhang bezien, de hoeveelheid onrechtmatigheden, het gegeven dat door een aantal van deze onrechtmatigheden doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan, in combinatie met de bewuste keuze van de officier van justitie om geen uitvoering te geven aan de opdrachten van de rechtbank, waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, komt de rechtbank tot het oordeel dat de procedure ‘as a whole’ niet meer ‘fair’ is.

Simpel gezegd, hebben naar het oordeel van de rechtbank té veel en té ernstige onrechtmatigheden plaatsgevonden om te kunnen zeggen dat de verdachte een eerlijk proces heeft kunnen hebben.

De manier waarop het openbaar ministerie zich in deze strafzaak heeft opgesteld, is niet de manier waarop een strafproces in Nederland dient te worden gevoerd.

Tegen deze achtergrond moet het belang van de verdachte, maar ook van de samenleving, op een eerlijk proces prevaleren boven het belang op strafvervolging.

Het openbaar ministerie dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van verdachte [verdachte].

4 De beslissing

De rechtbank:

Openbaar ministerie niet-ontvankelijk

- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn recht tot vervolging;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende in beslag genomen voorwerpen, zoals weergegeven op de beslaglijst:

[adres 1 t/m 21]

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Holthuis, voorzitter, mr. C.M.J. van den Acker en

mr. M.J.M. Goessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 oktober 2013.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegde dat:

1.

hij in of omstreeks de hierna onder a en/of b te noemen periode(n) in de

gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Maastricht, althans in het

arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk

a.

I. in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 8 maart 2006

een factuur ten name van [betrokkene 14] met een totaalbedrag van euro

59.970,-, zijnde een geschrift dat bestemd was tot bewijs van enig feit

te dienen,

valselijk heeft opgemaakt of vervalst door in strijd met de waarheid in

deze factuur te vermelden dat [betrokkene 14] herstelwerkzaamheden had verricht

ten behoeve van het pand [adres] te Kerkrade en/of dat

verdachte en/of (één van) zijn mededader(s) een geldbedrag ter hoogte van

euro 59.970,- verschuldigd was/waren aan [betrokkene 14],

II.in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 8 maart 2006 gebruik

heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift, te weten een factuur

ten name van [betrokkene 14] met een totaalbedrag van euro 59.790,- - zijnde

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als

ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin

dat hij, verdachte en/of (één van) zijn mededader(s) voornoemde factuur

heeft/hebben ingediend bij Aegon Schadeverzekering,

en/of

b.

in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 23 november 2004 een

huurovereenkomst van 30 september 2004 op naam van [betrokkene 1] en/of een

huurovereenkomst van 29 september 2004 op naam van [betrokkene 2] en/of

een huurovereenkomst van 25 september 2004 op naam van[betrokkene 3], (telkens)

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren tot bewijs van enig

feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst door in strijd met de

waarheid (telkens) in deze overeenkomst(en) te vermelde dat voornoemde

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] een kamer, althans een ruimte

huurde(n) in het pand [adres] te Kerkrade,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Artikel 225 Wetboek van Strafrecht;

(Zie Zaakdossier 4, subzaakdossiers [adres] + [adres])

en/of

hij in of omstreeks de hierna onder a en/of b te noemen periode(n) in de

gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen (telkens) door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

a.in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 8 maart 2006

Aegon Schadeverzekering heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een

geldbedrag van 59.970,-, althans 24.000, -hebbende verdachte en/of zijn

mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd

met de waarheid een valse factuur van [betrokkene 14] verstrekt waaruit kosten

voor herstelwerkzaamheden van het pand [adres] te Kerkrade

zouden moeten blijken, zulks terwijl deze herstelwerkzaamheden niet waren

verricht, en/of

b.in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 23 november 2004 de

Rabobank te Kerkade heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een

hypothecaire lening van 285.000, in elk geval een geldbedrag, hebbende

verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid ten behoeve

van die hypothecaire lening (een) valse huurovereenkomst(en) verstrekt,

waaruit zou moeten blijken dat verdachtes mededader(s) inkomsten uit

verhuur zou ontvangen, zulks terwijl verdachtes mededader(s) deze

huurinkomsten niet zou ontvangen,

waardoor voornoemde bedrijven (telkens) (mede) werd(en) bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

(Zie Zaakdossier 4, subzaakdossiers [adres] + [adres])

2.

hij in of omstreeks de hierna onder a en/of b en/of c nader te noemen

periode(n) in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Heerlen, althans in

het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het kopen van onroerende goederen met

het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de

beschikking over die panden te verzekeren, hebbende verdachte en/of zijn

mededader(s), telkens met voormeld oogmerk,

de navolgende panden - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

a.in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 24 december

2002 het pand gelegen aan de [adres] te Heerlen, en/of

b.in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 7 oktober 2008

het pand gelegen aan de [adres] te Kerkrade, en/of

c.in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 20 maart 2008

het pand gelegen aan de [adres] te Kerkrade;

(zie Zaakdossier 2, subzaakdossiers: [adres], [adres]

en[adres])

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op één of meer nader te noemen tijdstippen

in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Heerlen,

althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen (telkens) door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

a.in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 24 december 2002,

[betrokkene 4] en/of [medeverdachte 6] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van

het pand gelegen aan de [adres] te Heerlen, in elk geval van

een pand, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens)

met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid gezegd dat

hij, verdachte, behoudens de in de leveringsakte bij de notaris

vastgelegde koopprijs van euro 67.500 nog een extra bedrag van euro 15.000

contant zal betalen en/of (vervolgens) heeft hij, verdachte bij het

ondertekenen van de koopovereenkomst euro 5000 contant (aan)betaald, en/of

b.in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 7 oktober 2008

[medeverdachte 7] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van het pand gelegen

aan de [adres] te Kerkrade, in elk geval van een pand,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid gezegd dat

hij, verdachte, behoudens de in de leveringsakte bij de notaris

vastgelegde koopprijs van euro 32.000 nog een extra bedrag van euro 23.000

contant zal betalen, en/of

c.in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 20 maart 2008

[medeverdachte 2] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van het pand gelegen aan

[adres] te Kerkrade, in elk geval van een pand, hebbende verdachte

en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid gezegd dat hij, verdachte, behoudens de in

de leveringsakte bij de notaris vastgelegde koopprijs van euro 172.500 nog

een extra bedrag van 10 % van de vastgelegde koopprijs, te weten euro

17.250, contant zal betalen,

waardoor voornoemde perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

Artikel 326 Wetboek van Strafrecht;

(zie Zaakdossier 2, subzaakdossiers: [adres], [adres]

en [adres])

3.

hij op één of meer nader te noemen tijdstippen

in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het

arrondissement Maastricht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a.op of omstreeks 24 december 2002 in (een) notariële akte(n), te weten

(een) leveringsakte(n) van het pand gelegen aan de [adres] te

Heerlen opgemaakt door een notaris, te weten kandidaat-notaris [notaris 1]

, valselijk heeft doen opnemen dat de koopprijs van voornoemd

pand euro 67.500 bedroeg, van de waarheid van welk(e) feit(en) die akte

moest doen blijken, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

wist(en) dat de werkelijke en/of de te betalen koopprijs hoger was, en/of

b.op of omstreeks 7 oktober 2008 in (een) notariële akte(n), te weten (een)

leveringsakte(n) van het pand gelegen aan de [adres] te

Kerkrade opgemaakt door een notaris, te weten [notaris 2],

valselijk heeft doen opnemen dat de koopprijs van voornoemd pand euro

32.000 bedroeg, van de waarheid van welk(e) feit(en) die akte moest doen

blijken, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat

de werkelijke en/of de te betalen koopprijs hoger was, en/of

c.op of omstreeks 15 december 2006 in (een) notariële akte(n), te weten

(een) leveringsakte(n) van het pand gelegen aan de [adres] te

Kerkrade opgemaakt door een notaris, te weten [notaris 3], valselijk

heeft doen opnemen dat de koopprijs van voornoemd pand euro 172.500

bedroeg, van de waarheid van welk(e) feit(en) die akte moest doen blijken,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat de

werkelijke en/of de te betalen koopprijs hoger was, en/of

d.op of omstreeks 20 maart 2008 in (een) notariële akte(n), te weten (een)

leveringsakte(n) van het pand gelegen aan [adres] te Kerkrade,

opgemaakt door een notaris, te weten notaris [notaris 4], valselijk

heeft doen opnemen dat de koopprijs van voornoemd pand euro 172.500

bedroeg, van de waarheid van welk(e) feit(en) die akte moest doen blijken,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat de

werkelijke en/of de te betalen koopprijs hoger was,

zulks (telkens) met het oogmerk om die akte(n) of (een) afschrift(en) daarvan

te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave(n) in

overeenstemming met de waarheid;

(Zie Zaakdossier 2, subzaakdossiers [adres], [adres],

[adres] en[adres])

4.

hij op één of meer nader te noemen tijstippen in of omstreeks de periode van 1

oktober 2002 tot en met 16 juni 2009

in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente

Landgraaf, althans in het arrondissement Maastricht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig

heeft gemaakt aan witwassen, althans zich schuldig heeft gemaakt aan

schuldwitwassen,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

I.

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op de navolgende panden was en/of

wie die panden voorhanden had, te weten

- door in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 16 juni 2009

voor te wenden dat [medeverdachte 1] rechthebbende was op het pand

[adres] te Heerlen, en/of

- door op of omstreeks 5 juni 2003 voor te wenden dat [medeverdachte 8]

rechthebbende was op het pand [adres] te Landgraaf, en/of

- door in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 16 juni 2009

voor te wenden dat [medeverdachte 1] rechthebbende was op het pand [adres] te

Kerkrade, en/of

- door in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 16 juni 2009

voor te wenden dat [medeverdachte 9] rechthebbende was op het pand

[adres] te Kerkrade, en/of

- door in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 16 juni 2009

voor te wenden dat [medeverdachte 10] rechthebbende was op het pand

[adres] te Kerkrade,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat pand(en) geheel of

gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf,

althans, subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt,

één of meer van navolgende panden verworven en/of voorhanden gehad, te weten:

- in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 16 juni 2009 een

pand gelegen aan de [adres] te Heerlen, en/of

- in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 16 juni 2009 een

pand gelegen aan de [adres] te Landgraaf, en/of

- in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 16 juni 2009 een

pand gelegen aan de [adres] te Heerlen, en/of

- in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 16 juni 2009 een

pand gelegen aan de [adres] te Kerkrade, en/of

- in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 16 juni 2009 een

pand gelegen aan[adres] te Kerkrade,

en/of

II.

één of meer van navolgende geldbedragen en/of goederen en/of tegoeden op

bankrekeningen verworven en/of voorhanden gehad, te weten:

A.in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 16 juni 2009 het

door verkoop verkregen bedrag van een pand gelegen aan de [adres] te

Kerkrade (euro 250.110,43), en/of

B.(meermalen) in de periode van 1 januari 2003 tot en met 16 juni 2009 een

(groot) aantal biljetten van euro 500, en/of

C.(meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31

december 2007 ten onrechte als (reguliere) huuropbrengsten van een of

meerdere panden in zijn, verdachtes, administratie verantwoorde

geldbedragen, en/of

D.in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2007

(een) tegoed(en) op een (of meer) bankrekening(en) bij de Belgische CBC

Bank ten name van [verdachte] en/of [medeverdachte 1], te weten de nummers:

[rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2] en/of [rekeningnummer 3], en/of (een)

bankrekening(en) bij de Belgische CBC Bank ten name van [medeverdachte 9], te

weten de/het nummer(s): [rekeningnummer 4] en/of [rekeningnummer 5], en/of

zulks (telkens) terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en),

althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat de opbrengst van die/dat

pand(en) en/of die geldbedragen en/of die huuropbrengsten geheel of

gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf;

(Zie Zaakdossier 5)

5.

hij op of omstreeks 13 juli 2004 en/of 27 juli 2005 en/of 20 juli 2006 en/of

20 maart 2008 en/of 6 januari 2009, in elk geval in of omstreeks de periode

van 1 juli 2004 tot en met 31 januari 2009,

in de gemeente Maastricht en/of in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente

Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte,

te weten (een) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting Premie

Volksverzekeringen over de/het jaar/jaren 2003 en/of 2004 en/of 2005 en/of

2006 en/of 2007,

(telkens) onjuist of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) er

(telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders opzettelijk op dat/die bij

de Inspecteur der belastingen ingediende aangiftebiljet(ten) voor de

inkomstenbelasting ten name van hem, verdachte:

a.(telkens) geen opgave gedaan van banktegoeden bij een bank in België,

te weten de bankrekeningnummers:

- [rekeningnummer 1] ten name van [verdachte] en/of[medeverdachte 1] van de CBC

Bank en/of

- [rekeningnummer 2] ten name van [verdachte] en/of[medeverdachte 1] van de CBC

Bank en/of

- [rekeningnummer 3] ten name van[verdachte]en/of [medeverdachte 1] van de CBC

Bank en/of

- [rekeningnummer 4] ten name van [medeverdachte 9] van de CBC Bank en/of

- [rekeningnummer 5] ten name van [medeverdachte 9] van de CBC Bank en/of

b.(telkens) geen volledige opgave gedaan van ontvangen huurinkomsten uit

onroerend goed, te weten:

- ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2003: een

totaal bedrag van minimaal euro 5235, in elk geval een geldbedrag, en/of

- ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2004: een

totaal bedrag van minimaal euro 17.270, in elk geval een geldbedrag, en/of

- ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2005: een

totaal bedrag van minimaal euro 41.209, in elk geval een geldbedrag, en/of

- ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2006: een

totaal bedrag van minimaal euro 34.342, in elk geval een geldbedrag, en/of

- ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2007: een

totaal bedrag van minimaal euro 21.054, in elk geval een geldbedrag, en/of

c.(telkens) opgave gedaan van valse of vervalste kostenfacturen,

te weten:

- een factuur of kwitantie, in elk geval een uitgave, d.d. 30 december 2002

ad euro 5406,57 van [betrokkene 5], Loodgietersbedrijf, en/of

- een factuur of kwitantie, in elk geval een uitgave, d.d. 14 april 2003

ad euro 22.500 van [betrokkene 6], en/of

- een factuur of kwitantie, in elk geval een uitgave, d.d. 19 juni 2003 ad

euro 6750 van [betrokkene 7], en/of

- een factuur of kwitantie, in elk geval een uitgave, d.d. 15 juli 2003 ad

euro 15.000 van [betrokkene 8], en/of

- een factuur of kwitantie, in elk geval een uitgave, d.d. 1 oktober 2003

ad euro 14.000 van [betrokkene 9], en/of

- een factuur of kwitantie, in elk geval een uitgave, d.d. 9 december 2003

ad euro 3.139 van [betrokkene 10], en/of

- een factuur of kwitantie, in elk geval een uitgave, d.d. 5 augustus 2005

ad euro 5000 van [betrokkene 11], en/of

- een factuur of kwitantie, in elk geval een uitgave, in 2007 (in totaal) ad

euro 22.788 van [betrokkene 10];

Althans:

dat hij op vijf, althans een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 juli 2004 tot en met 6 januari 2009, in elk geval in of omstreeks de periode van de maand juli 2004 tot en met de maand januari 2009, in de gemeente(n) Maastricht en/of Heerlen en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), te weten (een) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen over de/het jaar/jaren 2003 (D-1363) en/of 2004 (D-1133) en/of 2005 (D-1134) en/of 2006 (D-1135) en/of 2007 (D-1136) ten name van hem, verdachte (telkens) onjuist of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op dat/die bij de Inspecteur der belastingen, althans de Belastingdienst ingediende aangifte(n) voor de inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen ten name van hem, verdachte voornoemd -zakelijk weergegeven- (telkens) (een) te la(a)g(e), althans onjuist(e) bedragen) aan belastbare winst uit onderneming en/of aan belastbaar inkomen uit werk en woning en/of aan voordeel uit sparen en beleggen en/of aan belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vermeld (D-1360);

(Zie Zaakdossier 3)

6.

[betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] en/of een of meer onbekend gebleven

personen op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari

2006 tot en met 15 maart 2007

in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente

Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een (aantal)

pand(en) (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal

bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op één of

meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 15

maart 2007

in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Heerlen, althans in het

arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [betrokkene 12] en/of

die [betrokkene 13] en/of die onbekend gebleven persoon/personen (telkens) een pand,

te weten een pand gelegen aan het [adres] te Simpelveld en/of een pand

gelegen aan de [adres] te Kerkrade,

voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

(Zie Zaakdossier 1)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/703007-09

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 11 oktober 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman is mr. J.H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam.