Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7523

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
C/03/183115/HA RK 13-94
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing en ontslag van bestuurder(s) van een stichting (artikel 2:298 BW). Bestuurders worden op verzoek van onder meer de moederstichting bij voorlopige voorziening geschorst. Ten tijde van de beslissing op het verzoek tot ontslag hebben de desbetreffende bestuurders op één na hun functie neergelegd. De overgebleven bestuurder tot wie het verzoek zich richt wordt ontslagen. Grondslag voor de beslissingen is dat de bestuurders in strijd hebben gehandeld met de statuten en de wet (artikelen 2:8 BW en 2:9 BW). Zij hebben een conform de statuten door de moederstichting aangewezen medebestuurder ontslagen en vervolgens de bepalingen die strekten tot verzekering van de belangen van onder meer de moederstichting uit de statuten geschrapt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 9
Burgerlijk Wetboek Boek 2 298
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2013/155
RN 2014/7
JONDR 2014/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rekestnummer: C/03/183115 / HA RK 13-94

Beschikking van 9 oktober 2013

in de zaak van

1 de stichting STICHTING VRIENDEN GEHANDICAPTENZORG,

gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

2. de stichting STICHTING GEHANDICAPTENZORG LIMBURG,

gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

verzoekers, tevens verweerders ter zake het tegenverzoek,

hierna tezamen te noemen: SVG c.s.,

en afzonderlijk: SVG, SGL en [eiser 3],

advocaat mr. P.M. Scholtes te Heerlen,

tegen

1 de stichting STICHTING ZORG EN ONDERSTEUNING,

gevestigd te Schinveld, gemeente Onderbanken,

2.[verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

verweerders, tevens verzoekers ter zake het tegenverzoek,

hierna tezamen te noemen: SZO c.s.,

en afzonderlijk: SZO en [verweerder 2],

advocaat mr. M.J. Mookhram te Heerlen,

en

3 [verweerder 3],

wonende te [woonplaats],

aanvankelijk verweerder, tevens verzoeker ter zake het tegenverzoek,

hierna te noemen: [verweerder 3],

advocaat mr. M.J. Mookhram te Heerlen,

en

4 [verweerder 4],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

aanvankelijk verweerder,

hierna te noemen: [verweerder 4],

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift, bevattend een zelfstandig verzoek,

  • -

    de mondelinge behandeling op 18 september 2013,

  • -

    de pleitnotities van SVG c.s.,

  • -

    de (deel)beschikking van 18 september 2013,

  • -

    de fax-brief van 3 oktober 2013 van mr. Scholtes voornoemd.

1.2.

De uitspraak op de verzoeken is bepaald op 9 oktober 2013, behoudens waar het betreft de uitspraak ten aanzien van de door SVG c.s. verzochte voorlopige voorziening, welke uitspraak is bepaald op 18 september 2013 te 17.00 uur.

1.3.

De uitspraak ter zake de voorlopige voorziening is neergelegd in de (deel)beschikking van 18 september 2013, bevattend de verzoeken, een korte weergave van de standpunten van partijen dienaangaande en de beslissing, maar niet de motivering daarvan. De onderhavige beschikking bevat deze motivering en daarnaast de beslissing op het ontslagverzoek van SVG c.s. en op het zelfstandig verzoek van SZO c.s. en [verweerder 3] en de motivering van beide beslissingen.

1.4.

De rechtbank wijst erop dat de positie [verweerder 4] niet juist is weergegeven in de aanhef van de (deel)beschikking van 18 september 2013: [verweerder 4] is, alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen; het tegenverzoek is niet mede door hem gedaan.

2 De feiten

2.1.

SGL stelt zich ten doel het ondersteunen van gehandicapten en chronisch zieken bij het bereiken en handhaven van door henzelf gewenste, maatschappelijk gerechtvaardigde leef- en bestaanswijzen. SGL kent een Raad van Bestuur, aan wie het besturen van de stichting is opgedragen, en een Raad van Toezicht.

2.2.

SVG stelt zich ten doel het aantrekken en het bewaren van financiële middelen en het bestemmen en het doen besteden daarvan ten behoeve van de voorzieningen van SGL. Het bestuur van SVG is opgedragen aan de Raad van Bestuur van SGL.

2.3.

SZO stelt zich (samengevat) ten doel (1) de dienstverlening aan derden op het gebied van zorg en ondersteuning, evenals het houden van aandelen in vennootschappen en het aan- en verkopen en het verhuren van onroerende zaken, (2) het ondersteunen van en het doen van schenkingen aan SVG.

2.4.

De statuten van SZO, zoals die sinds 2008 en tot voor kort luidden, bevatten onder meer de volgende bepalingen (onderstrepingen toegevoegd door de rechtbank):

‘BESTUUR: SAMENSTELLING, WIJZE VAN BENOEMEN

ARTIKEL 3

1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door het bestuur vast te stellen aantal van ten minste drie bestuurders, waarbij een (1) bestuurslid, niet zijnde de voorzitter, tevens bestuurslid dient te zijn van [SGL].

(…)

BESTUUR: TAAK EN BEVOEGDHEDEN

ARTIKEL 4

(…)

2. Het bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding, bezwaring en verhuren van registergoederen, mits het besluit wordt genomen met algemene stemmen van alle in functie zijnde bestuurders.

(…)

BESTUUR: DEFUNGEREN

ARTIKEL 7

Een bestuurder defungeert:

(…)

d. door ontslag hem verleend door de gezamenlijke overige bestuurders;

(…)

STATUTENWIJZIGING

ARTIKEL 11

1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen. Een besluit tot statutenwijziging moet met unanieme stemmen worden genomen in een vergadering waarin alle bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd zijn.

(…)

ONTBINDING EN VEREFFENING

ARTIKEL 12

1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het bestuur is voorts verplicht de stichting te ontbinden ingeval de tussen [SGL] en [Tara-Manda B.V.] gesloten samenwerkingsovereenkomst zorgfaciliteiten wordt beëindigd.

(…)

3. Indien het bestuur besluit tot ontbinding zal na vereffening het liquidatiesaldo bestemd zijn voor [SVG].

4. Na ontbinding geschiedt de vereffening door de bestuurder als bedoeld in artikel 3 lid 1, tevens bestuurslid van [SGL].’

2.5.

Tot het vermogen van SZO behoort onroerend goed. Tussen SVG en SZO is op 11 februari 2008 een overeenkomst gesloten, op grond waarvan SVG een voorkeursrecht van koop heeft met betrekking tot dit onroerend goed. Het voorkeursrecht komt erop neer dat SZO, als zij voornemens is om onroerend goed te verkopen, dit onroerend goed moet aanbieden aan SVG tegen een koopprijs die wordt gevormd door het restant van de hypotheekschuld vermeerderd met € 1,-.

2.6.

Van het vermogen van SZO maken ook deel uit de aandelen in Tara-manda B.V. (hierna: Tara-manda). Deze rechtspersoon, opgericht door SZO, stelt zich (samengevat) ten doel (1) het ontplooien van bedrijfsmatige activiteiten, waarbij op commerciële basis diensten worden aangeboden gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronisch zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben, (2) de exploitatie van gronden en andere onroerende zaken en van agrarische en dierbedrijven die mede kunnen worden ingezet bij de bedrijfmatige activiteiten als bedoeld onder (1).

2.7.

Tussen SGL en Tara-manda zijn in 2007 en vervolgens in 2008 samenwerkingsovereenkomsten gesloten, waarbij afspraken zijn gemaakt over de door Tara-manda te ontwikkelen voorzieningen ten behoeve van de zorg voor volwassenen met een beperking. De samenwerkingsovereenkomst uit 2008 had een looptijd van 1 december 2008 tot 2 april 2017. SGL heeft de samenwerkingsovereenkomst tussentijds opgezegd en wel met ingang van 1 maart 2013. Aanleiding hiertoe was de brief van CZ Zorgkantoor aan SGL van 27 december 2012, inhoudende de mededeling dat CZ Zorgkantoor niet toestond dat SGL in 2013 voor de dienst- en zorgverlening gebruik zou maken van Tara-manda als onderaannemer.

2.8.

[eiser 3] is sinds 1 november 2010 de (enige) bestuurder van SGL en van SVG. Vanaf 25 juli 2012 vormt [eiser 3] met [verweerder 2] en [verweerder 4] het bestuur van SZO. Met ingang van 22 november 2012 is [verweerder 3] toegetreden tot het bestuur van SZO.

2.9.

Op 10 juni 2013 heeft [eiser 3] een oproep ontvangen voor een op 18 juni 2013 te houden bestuursvergadering van SZO, met als agendapunt onder meer ‘ontslag bestuurslid’.

2.10.

Bij e-mail van 11 juni 2013 aan [verweerder 4] heeft de advocaat van SGL c.s. onder meer het volgende geschreven:

‘Van dhr. [eiser 3] ontvang ik copie van uw uitnodiging voor de bestuursvergadering van SZO te houden op 18 juni 2013. In de agenda is opgenomen als punt 3: “samenstelling bestuur / ontslag bestuurslid”.

Dhr. [eiser 3] houdt er rekening mee, dat bij de overige bestuursleden van SZO wel eens het voornemen zou kunnen bestaan om te besluiten hem als bestuurslid van SZO te ontslaan. Noch dhr. [eiser 3] zelf, noch de stichting SGL, kan zich met een dergelijk voornemen verenigen.

(…)

Om deze redenen zullen dhr. [eiser 3] en SGL in kort geding een verbod vorderen jegens het bestuur van SZO om een eventueel (voorgenomen) besluit tot ontslag van dhr. [eiser 3] als bestuurder van SZO daadwerkelijk te nemen.

(…)’

2.11.

Op 18 juni 2013 hebben [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] als bestuurders van SZO het besluit genomen om [eiser 3] te ontslaan als bestuurder van SZO. [eiser 3] was tijdens deze vergadering niet aanwezig. Blijkens de notulen moest het ontslag de mogelijkheid openen voor SZO om onroerend goed te verkopen. Vervolgens hebben [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] besloten om de registratie van [eiser 3] als bestuurder van SZO in het handelsregister te laten doorhalen. Aan dit besluit is gevolg gegeven, in die zin dat [eiser 3] door toedoen van [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] daadwerkelijk is uitgeschreven als bestuurder van SZO.

2.12.

Eveneens op 18 juni 2013 hebben [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] als bestuurders van SZO het besluit genomen om de statuten van SZO te wijzigen. Bij notariële akte van 20 juni 2013 is deze wijziging daadwerkelijk doorgevoerd. In de gewijzigde statuten zijn de hiervoor (r.o. 2.4.) onderstreept weergegeven bepalingen in de artikelen 3 en 12 van de (oude) statuten geschrapt.

2.13.

Bij verstekvonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 25 juni 2013 is SZO c.s., [verweerder 3] en [verweerder 4] verboden te besluiten tot het ontslag van [eiser 3] als bestuurder van SZO en is SZO c.s., [verweerder 3] en [verweerder 4] verboden om zonder medewerking en/of goedkeuring enig besluit te nemen als bestuur van SZO waarvoor krachtens de statuten van SZO unanimiteit bij de besluitvorming is vereist.

2.14.

SGL c.s. heeft SZO c.s., [verweerder 3] en [verweerder 4] daarna tevergeefs gesommeerd het ontslagbesluit van 18 juni 2013 en de statutenwijziging ongedaan te maken.

2.15.

Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 23 augustus 2013 is SZO c.s., [verweerder 3] en [verweerder 4] vervolgens bevolen (samengevat):

  • -

    om, op straffe van verbeurte van dwangsommen, binnen zeven dagen na het tijdstip van betekening van het vonnis de statuten van SZO door tussenkomst van notaris Wolfs te Heerlen of diens plaatsvervanger zodanig te wijzigen dat de tekst daarvan identiek is aan de tekst van de statuten zoals die op 11 februari 2008 werden vastgesteld bij notariële akte van notaris Wolfs te Heerlen;

  • -

    om, op straffe van verbeurte van dwangsommen, binnen zeven dagen na het tijdstip van betekening van het vonnis in het handelsregister in te laten schrijven dat [eiser 3] onafgebroken bestuurder is gebleven van SZO, met als gevolg een inschrijving in het handelsregister die identiek zal zijn aan de inschrijving van [eiser 3] als bestuurder van SZO in het handelsregister als van vóór het ontslagbesluit van 18 juni 2013;

  • -

    om, op straffe van verbeurte van dwangsommen, met onmiddellijke ingang te gehengen en te gedogen dat [eiser 3] zijn functie als bestuurder van SZO ongehinderd zal kunnen uitoefenen onder de voorwaarden als weergegeven in de statuten van SZO, zoals deze zullen luiden na de wijziging als voorzien in dit vonnis.

2.16.

SZO c.s. en [verweerder 3] hebben gevolg gegeven aan de veroordeling om te gehengen en te gedogen dat [eiser 3] zijn functie als bestuurder van SZO ongehinderd zal kunnen uitoefenen, in elk geval in die zin dat [eiser 3] is uitgenodigd om deel te nemen aan een vergadering van het bestuur van SZO op 18 september 2013. Uit een uittreksel uit het handelsregister van 17 september 2013 kan voorts blijken dat [eiser 3] op 29 augustus 2013 (opnieuw) is ingeschreven als bestuurder van SZO.

2.17.

[eiser 3] heeft deelgenomen aan de bestuursvergadering op 18 september 2013. Tijdens de vergadering is aan de orde gesteld dat [verweerder 4] zijn functie als bestuurder van SZO voorafgaand aan de vergadering heeft neergelegd. Vervolgens is, met meerderheid van stemmen ([verweerder 2] en [verweerder 3]), besloten om in het kader van de onderhavige procedure het zelfstandig verzoek te doen om [eiser 3] te ontslaan als bestuurder van SZO.

2.18.

Na 18 september 2013 heeft [verweerder 3] zijn functie als bestuurder van SZO neergelegd.

3 Het verzoek

3.1.

SVG c.s. verzoekt de rechtbank - samengevat en na gedeeltelijke intrekking van haar verzoek - om, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat,

  • -

    [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] bij wege van voorlopige voorziening met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum te schorsen als bestuurders van SZO;

  • -

    [verweerder 2] te ontslaan als bestuurder van SZO;

met veroordeling van SZO c.s. in de proceskosten.

3.2.

SVG c.s. voert hiertoe aan - samengevat - dat [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] in het recente verleden op verschillende momenten en in verschillende opzichten hebben gehandeld in strijd met bepalingen van de wet en van de statuten van SZO en wel op een zodanige wijze dat het verzoek tot schorsing van [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] en het verzoek tot het ontslag van [verweerder 2] dienen te worden toegewezen. SZO c.s. en [verweerder 3] hebben weliswaar tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat [verweerder 4] niet langer bestuurder is van SZO, zodat SVG c.s. niet-ontvankelijk is voor zover het verzoek betrekking heeft op [verweerder 4], maar voor SVG c.s. staat het ontslag van [verweerder 4] onvoldoende vast, zodat het verzoek wordt gehandhaafd voor het geval mocht blijken dat [verweerder 4] nog steeds bestuurder is van SZO.

3.3.

SZO c.s. en [verweerder 3] voeren verweer tegen het schorsingsverzoek. SZO c.s. voert verweer tegen het ontslagverzoek.

3.4.

SZO c.s. en [verweerder 3] verzoeken [eiser 3] te ontslaan als bestuurder van SZO, met veroordeling van SVG c.s. in de proceskosten.

3.5.

SZO c.s. en [verweerder 3] voeren hiertoe aan - samengevat - dat [eiser 3] heeft gehandeld in strijd met de statuten van SZO en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer, zodat hij ontslagen dient te worden.

3.6.

SVG c.s. voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

4 De beoordeling

De ontvankelijkheid van de beide ontslagverzoeken

4.1.

De rechtbank stelt vast dat SVG, SGL en [eiser 3] waar het betreft het verzoek tot het ontslag van [verweerder 2] belanghebbenden zijn in de zin van art. 2:298 lid 1 BW. Hetzelfde geldt voor SZO, [verweerder 2] en [verweerder 3] waar het betreft het verzoek tot het ontslag van [eiser 3]. [verweerder 3] heeft zijn functie als bestuurder van SZO weliswaar inmiddels neergelegd, maar het verzoek is gegrond op feiten die zijn voorgevallen in de periode dat hij bestuurder was van SZO.

4.2.

SVG c.s. heeft aangevoerd dat niet de door de wet geëiste connexiteit bestaat tussen haar verzoek tot het ontslag van [verweerder 2] en het verzoek van SZO c.s. en [verweerder 3] tot het ontslag van [eiser 3]. SVG c.s. concludeert dat SZO c.s. en [verweerder 3] daarom niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek. De rechtbank kan zich met deze opvatting niet verenigen. Tussen de verzoeken van SVG c.s. en van SZO c.s. en [verweerder 3] bestaat voldoende connexiteit, in die zin dat zij beide betrekking hebben op de samenstelling van het bestuur van SZO. SZO c.s. en [verweerder 3] kunnen daarom worden ontvangen in hun verzoek.

Het ontslagverzoek van SVG c.s.

4.3.

In haar verzoekschrift heeft SVG c.s. gesteld dat [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] niet rechtsgeldig zijn benoemd tot bestuurders van SZO. SVG c.s. heeft daaraan de conclusie verbonden dat [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] niet in staat zijn geweest om [eiser 3] rechtsgeldig te ontslaan. Voor zoveel nodig heeft SVG c.s. een beroep gedaan op de nietigheid dan wel de vernietigbaarheid van de relevante besluiten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft SVG c.s. vervolgens gesteld dat zij, door in te gaan op de gebreken in de benoeming van [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3], heeft willen aantonen dat er het nodige mis is met de besluitvorming binnen het bestuur van SZO. SVG c.s. heeft voorts gesteld dat het beroep op de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de desbetreffende besluiten als niet gedaan, althans als ingetrokken moet worden beschouwd. SZO c.s. heeft zich tegen dit laatste niet verzet en heeft harerzijds gesteld dat [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] rechtsgeldig zijn benoemd tot bestuurders van SZO. De rechtbank begrijpt dat dit (uiteindelijk) ook de opvatting is van SVG c.s. Dit betekent dat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het ontslagverzoek betreffende [verweerder 2].

4.4.

Het verzoek tot het ontslag van [verweerder 2] is mede gericht tegen SZO. De rechtbank begrijpt dat SVG c.s. SZO in rechte heeft betrokken op basis van de overweging dat deze rechtspersoon de gevolgen van het ontslag van haar bestuurder zal ondervinden en zal moeten accepteren. De rechtbank onderkent deze betrokkenheid, maar is van oordeel dat het ontslagverzoek als zodanig uitsluitend betrekking heeft op - en zich dus uitsluitend richt tegen - [verweerder 2]. Het ontslagverzoek van SVG c.s. zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen voor zover het is gericht tegen SZO.

4.5.

In het verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling is door SVG c.s. uitgebreid aandacht besteed aan de gang van zaken in de afgelopen jaren binnen SGL, SZO en binnen de aan SGL en SZO gelieerde rechtspersonen, waaronder Tara-manda. Zo is SVG c.s. ingegaan op het functioneren van SGL-bestuurder [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). Volgens SVG c.s. is [betrokkene] verantwoordelijk voor tal van onregelmatigheden, die een aanzienlijke schade voor SGL tot gevolg hebben gehad. Op deze grond is met ingang van 1 november 2011 het bestuurderschap van [betrokkene] bij SGL geëindigd. Met ingang van 19 juli 2012 is daarnaast het bestuurderschap van [betrokkene] bij SZO geëindigd. SVG c.s. stelt dat [betrokkene], alhoewel inmiddels zonder formele positie, binnen SZO en Tara-manda feitelijk een grote mate van zeggenschap heeft behouden. SVG c.s. verwijt [verweerder 2] dat hij, tezamen met [verweerder 4] en [verweerder 3], deze zeggenschap heeft toegelaten, zelfs heeft bevorderd. In verband hiermee verwijt SVG c.s. [verweerder 2] tevens dat hij, tezamen met [verweerder 4] en [verweerder 3], [eiser 3] het functioneren als SZO-bestuurder onmogelijk heeft gemaakt. Dit zou zijn gebeurd door veel bestuurlijk overleg betreffende SZO te laten plaatsvinden buiten de reguliere bestuursvergaderingen (en dus buiten aanwezigheid van [eiser 3]). Voorts zou [eiser 3] door zijn medebestuurders niet dan wel zeer laat en beperkt zijn voorzien van informatie over de financiële gang van zaken binnen SZO en Tara-manda. Daarnaast verwijt SVG c.s. [verweerder 2] dat hij, tezamen met [verweerder 4] en [verweerder 3], heeft getracht om, zonder dat daar een deugdelijke grond voor was, [eiser 3] zwart te maken bij de Raad van Toezicht van SGL. Ook verwijt SVG c.s. [verweerder 2] dat hij, tezamen met [verweerder 4] en [verweerder 3], om hun standpunten kracht bij te zetten, heeft gegrepen naar middelen als een (later onrechtmatig gebleken) beslaglegging en het uitlokken van het (bij arrest van het Gerechtshof te Den Bosch van 23 april 2013 weer ongedaan gemaakte) faillissement van SGL.

4.6.

De rechtbank begrijpt dat SVG c.s. aan het ontslagverzoek (niettemin) uitsluitend ten grondslag legt het optreden van [verweerder 2] in het kader van het bestuursbesluit tot ontslag van medebestuurder [eiser 3] op 18 juni 2013, gevolgd door diens uitschrijving in het handelsregister, en in het kader van het eveneens op 18 juni 2013 genomen besluit tot wijziging van de statuten van SZO, gevolgd door de desbetreffende wijziging van de statuten van SZO (een en ander verkort weergegeven in de r.o. 2.11. en 2.12.).

4.7.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.7.1.

Als door SVG c.s. gesteld en door SZO c.s. en [verweerder 3] onvoldoende weersproken staat vast:

  • -

    dat de oprichting van SZO en Tara-manda in oorsprong is bedoeld ter verwezenlijking van het doel van SGL en daarmee ter behartiging van de belangen van de zorgbehoevende cliënten van SGL,

  • -

    dat Tara-manda is opgericht om activiteiten te ontplooien die, vanwege de betrokkenheid van het bedrijfsleven, niet binnen SGL konden worden ondergebracht,

  • -

    dat de voor de activiteiten van Tara-manda benodigde registergoederen geen deel dienden uit te maken van het vermogen van SGL of SVG,

  • -

    dat daarom SZO is opgericht, met de specifieke taak om op te treden als eigenaar/financier van (aan Tara-manda te verhuren) registergoederen,

  • -

    dat SGL de middelen ter beschikking heeft gesteld met behulp waarvan SZO de benodigde registergoederen heeft kunnen verwerven,

  • -

    dat SGL een substantiële invloed zou dienen te hebben op (de samenstelling van) het bestuur van SZO, en

  • -

    dat binnen SZO opgebouwd vermogen, als aan de relatie tussen SGL en Tara-manda op enig moment een einde zou komen, ten goede zou moeten komen aan SVG en daarmee - indirect - aan SGL.

4.7.2.

Tegen deze achtergrond bezien kan worden begrepen waarom in de statuten van SZO wordt bepaald:

  • -

    dat één bestuurder van SZO tevens bestuurder dient te zijn van SGL (deze constructie hierna te noemen: de kwaliteitszetel),

  • -

    dat belangrijke besluiten inzake registergoederen - verkrijging, vervreemding en bezwaring daaronder begrepen - alleen kunnen worden genomen met algemene stemmen van alle in functie zijnde bestuurders (dit vereiste hierna te noemen: het unanimiteitsvereiste),

  • -

    dat dit unanimiteitsvereiste ook geldt voor het bestuursbesluit tot statutenwijziging,

  • -

    dat het bestuur van SZO verplicht is om de stichting te ontbinden als de samenwerkingsovereenkomst tussen SGL en Tara-manda wordt beëindigd, en

  • -

    dat na de ontbinding de vereffening geschiedt door de SZO-bestuurder die tevens bestuurder is van SGL.

4.7.3.

Tegen de achtergrond van de in r.o. 4.7.1. geschetste ‘oorspronkelijke opzet’ kan verder worden begrepen:

  • -

    dat het statutaire doel van SZO mede is het ondersteunen van en het doen van schenkingen aan SVG,

  • -

    dat tussen SVG en SZO een overeenkomst is gesloten die SVG een voorkeursrecht van koop geeft met betrekking tot het onroerend goed van SZO (zie r.o. 2.5.).

4.7.4.

Al het voorgaande is [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] als bestuurders van SZO zonder twijfel bekend geweest. [verweerder 2] is immers al sedert meer dan 40 jaren betrokken bij SGL en SZO en hun rechtsvoorgangers, deels als bestuursvoorzitter; [verweerder 4] is geruime tijd opgetreden als de advocaat van SGL; [verweerder 3] is tot 6 november 2011 voorzitter geweest van de Raad van Toezicht van SGL. Uit brieven van [verweerder 2] van 7 augustus 2011 en 22 september 2012 (producties 14 en 22 bij het verzoekschrift) blijkt dat deze de hiervoor geschetste ‘oorspronkelijke opzet’ niet alleen kent, maar deze ook uitdrukkelijk heeft onderschreven. De rechtbank citeert uit de brief van 22 september 2012:

‘Voorjaar 2005 werden wij (…) benaderd vanuit de RvT van SGL en door de bestuurder van SGL met het verzoek te willen participeren als bestuurder in een nieuw op te richten stichting “SZO”, welke stichting, aangevuld met een BV, noodzakelijk was geworden gezien de toen aangescherpte richtlijnen voor het exploiteren van zorgboerderijen en andere zakelijk gerelateerde activiteiten voor lichamelijk gehandicapten, welke toen niet in het kader van de AWBZ paste en als zodanig niet onder de paraplu van SGL konden blijven.

(…)

Bij de oprichting van de stichting SZO in 2005 zijn toen duidelijke afspraken gemaakt waarbij het uitvoerend beleid van de stichtingsactiviteiten en het bestuur van de daaraan verbonden BV Taramanda, geheel onder verantwoordelijkheid zou komen van SGL met de RvT als eindverantwoordelijke.

Ook zijn de statuten van SZO zodanig geregeld dat bij eventuele opheffing van de stichting alles wordt doorgeschoven naar SGL.’

4.7.5.

Duidelijk is dat binnen het bestuur van SZO door [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] in het recente verleden een andere opvatting werd aangehangen. Zij waren van mening dat een ontvlechting diende plaats te vinden, in die zin dat SZO en Tara-manda qua zeggenschap en vermogen dienden te worden losgemaakt van SGL en SVG.

4.7.6.

Duidelijk is ook dat het standpunt van [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] over de door SZO te varen ‘nieuwe koers’ niet werd (en wordt) gedeeld door hun medebestuurder [eiser 3]. Ook SGL en SVG hebben hun bezwaren tegen de voorgenomen koerswijziging geuit. Zij hebben [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] een en andermaal meegedeeld dat zij wilden dat zou worden vastgehouden aan de ‘oorspronkelijke opzet’, in die zin dat de zeggenschap van SGL binnen SZO in stand zou blijven en dat de belangen van SGL en SVG bij het in SZO aanwezige vermogen onveranderd zouden worden gewaarborgd.

4.7.7.

Het had op de weg van alle betrokkenen - en dus ook [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] - gelegen om langs de weg van het gesprek het aanwezige verschil van inzicht te verhelderen en zo mogelijk tot een oplossing te brengen. Waar [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] met name [eiser 3] ‘als persoon’ verantwoordelijk hielden voor de ontstane situatie, zou een rechtstreeks beroep op de Raad van Toezicht van SGL voor de hand hebben gelegen. Zou ook dit niet tot een oplossing hebben geleid, dan had het wellicht op de weg van [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] gelegen om terug te treden als bestuurders van SZO. Alternatief had in enigerlei vorm een beroep kunnen worden gedaan op de rechter.

4.7.8.

[verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] hebben niet voor één van deze wegen gekozen. In plaats daarvan hebben zij [eiser 3] bij meerderheidsbesluit ontslagen en vervolgens de statuten van SZO gewijzigd, door de bepalingen inzake de kwaliteitszetel en (de vereffening van) het vermogen van SZO te schrappen. De gevolgen van de aangebrachte wijzigingen zijn aanzienlijk, nu deze erop neerkomen dat een einde wordt gemaakt aan de (uiteindelijke) zeggenschap van SGL over het optreden en het vermogen van SZO.

4.7.9.

De rechtbank kan in het midden laten of deugdelijke redenen bestaan om vast te houden aan de ‘oorspronkelijke opzet’, of dat de door [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] beoogde ontvlechting de voorkeur verdient. Voldoende is dat de rechtbank tot het oordeel komt dat, wat er ook zij van het beoogde doel, [verweerder 2], tezamen met [verweerder 4] en [verweerder 3], een volslagen verkeerde aanpak heeft gevolgd om dit doel te bereiken.

4.7.10.

Door [eiser 3] bij meerderheidsbesluit te ontslaan en vervolgens te besluiten tot een statutenwijziging heeft [verweerder 2], tezamen met [verweerder 4] en [verweerder 3], namelijk in strijd gehandeld met artikel 11 van de statuten, dat voor statutenwijziging unanimiteit vereist. Gelet op de bepaling inzake de kwaliteitszetel in artikel 3 van de statuten kan dit unanimiteitsvereiste in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan dat ook de SGL-bestuurder in het bestuur van SZO met de statutenwijziging dient in te stemmen.

4.7.11.

Ook het meerderheidsbesluit tot het ontslag van [eiser 3] komt in strijd met de statuten. Gelet op de omstandigheid dat [eiser 3] de enige bestuurder is van SGL en gelet op de statutair verankerde kwaliteitszetel van SGL in het bestuur van SZO, zou op een ontslag van [eiser 3] als bestuurder van SZO zijn onmiddellijke herbenoeming moeten volgen. Gelet daarop, en mede gelet op de hiervoor geschetste positie van SGL en SVG ten opzichte van SZO, moet het ontslag van [eiser 3], zonder diens herbenoeming, als strijdig met de tekst en de strekking van de statuten worden aangemerkt.

4.7.12.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het ontslag van [eiser 3] in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid, waarnaar [verweerder 2] zich, tezamen met [verweerder 4] en [verweerder 3], op grond van artikel 2:8 BW als bestuurder van SZO jegens zijn medebestuurder [eiser 3] dient te gedragen. Dit is het geval gelet op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder is overgegaan tot het ontslag van [eiser 3]. Uit de e-mail van de advocaat van SVG c.s. van 11 juni 2013 was het [verweerder 2], [verweerder 3] en [verweerder 4] duidelijk dat SVG c.s. niet instemde met een eventueel ontslag van [eiser 3]. In die e-mail werd een kort geding aangekondigd, met als inzet een verbod aan SZO c.s., [verweerder 4] en [verweerder 3] om [eiser 3] te ontslaan. SZO c.s. heeft niet duidelijk kunnen maken waarom de uitkomst van dit kort geding niet kon worden afgewacht. Een in rechte te respecteren, geen uitstel duldend belang van SZO c.s., [verweerder 4] en [verweerder 3] om [eiser 3] reeds op 18 juni 2013 uit het bestuur te verwijderen is niet gebleken.

4.7.13.

Als geheel genomen komt - ten slotte - het optreden van [verweerder 2], tezamen met [verweerder 4] en [verweerder 3], in het kader van de beide op 18 juni 2013 genomen bestuursbesluiten en de daaraan gegeven uitvoering in strijd met het bepaalde in artikel 2:9 BW, omdat zijn optreden niet kan worden gekwalificeerd als een behoorlijke taakvervulling zoals bedoeld in deze bepaling.

4.8.

Voor zover het bedoelde optreden van [verweerder 2] (tezamen met [verweerder 4] en [verweerder 3]) in strijd komt met de statuten, heeft te gelden dat het onverenigbaar is met hetgeen op grond van die statuten van een behoorlijk bestuurder mag worden geëist. Voor zover het optreden van [verweerder 2] (tezamen met [verweerder 4] en [verweerder 3]) in strijd komt met de wet, heeft te gelden dat redelijkerwijs geen verschil van mening mogelijk is over de onrechtmatigheid van zijn handelen.

4.9.

Dit betekent dat de rechtbank voldoende termen aanwezig acht om te besluiten tot het ontslag van [verweerder 2] als bestuurder van SZO.

Het schorsingsverzoek van SVG c.s.

4.10.

Ter motivering van de schorsingsbeslissingen inzake [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 3] in de (deel)beschikking van 18 september 2013 verwijst de rechtbank naar de inhoud van de r.o. 4.7. en 4.8. Al hetgeen de rechtbank daarin heeft overwogen en geoordeeld omtrent [verweerder 2] geldt ook voor [verweerder 4] en [verweerder 3]. De rechtbank voegt daaraan toe dat zij op 18 september 2013 van oordeel was dat onmiddellijk ingrijpen vereist was, gelet op de omstandigheid dat uit de uitlatingen door en namens [verweerder 2] en [verweerder 3] tijdens de mondelinge behandeling niet kon worden opgemaakt dat zij het onrechtmatige en ontoelaatbare karakter van hun gedragingen inzagen.

Het verzoek van SZO c.s. en [verweerder 3]

4.11.

Het verzoek tot ontslag van [eiser 3] is mede gericht tegen SVG en SGL. SZO c.s. en [verweerder 3] hebben in het geheel niet toegelicht waarom het ontslagverzoek zich mede richt tegen SVG en SGL. Het ontslagverzoek heeft als zodanig uitsluitend betrekking op - en richt zich dus uitsluitend tegen - [eiser 3]. Het ontslagverzoek van SZO c.s. en [verweerder 3] zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen voor zover het is gericht tegen SVG en SGL.

4.12.

Het verzoek van SZO c.s. en [verweerder 3] wordt gegrond op de stelling dat [eiser 3] in strijd heeft gehandeld met de statuten van SZO door slechts de belangen van SGL (en SVG) te dienen en in dat kader de liquidatie van SZO na te streven. SZO c.s. en [verweerder 3] verwijzen daarbij naar de door SGL gestarte procedures tegen aan SZO gelieerde rechtspersonen (waaronder Tara-manda) en de besluiten van SGL om de samenwerkingsovereenkomsten met die rechtspersonen te beëindigen. Daardoor zijn, aldus SZO c.s. en [verweerder 3], de geldstromen richting SZO stilgelegd.

4.13.

SVG c.s. betwist dat [eiser 3] SZO’s liquidatie tot doel heeft. Verder stelt zij dat de aan [eiser 3] ter zake gemaakte verwijten zijn functioneren als bestuurder van SGL en niet als bestuurder van SZO betreffen. De rechtbank volgt SVG c.s. in haar standpunt, in die zin dat de aan [eiser 3] gemaakte verwijten - wat daar verder ook van zij - geen betrekking hebben op hetgeen hij als bestuurder van SZO heeft gedaan of had moeten doen. Alleen al om die reden kunnen deze verwijten geen grondslag kunnen vormen voor het verzoek tot ontslag.

4.14.

Gelet op de toelichting tijdens de mondelinge behandeling verwijten SZO c.s. en [verweerder 3] [eiser 3] ook dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer. Volgens vaste jurisprudentie is van wanbeheer alleen sprake als de bestuurder tekortschiet ten aanzien van het beheer over het aan de stichting toevertrouwde vermogen of de zorg voor de verkrijging van inkomsten. De rechtbank is niet gebleken dat [eiser 3] als bestuurder van SZO in dit opzicht jegens SZO is tekortgeschoten.

4.15.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek van SZO c.s. en [verweerder 3] worden afgewezen.

De proceskosten

4.16.

Nu het verzoek van SVG c.s. wordt afgewezen voor zover het is gericht tegen SZO, zal SVG c.s. worden veroordeeld in de proceskosten van SZO, deze tot op heden te begroten op nihil. Nu [verweerder 2] in de kwestie van zijn ontslag in het ongelijk wordt gesteld, zal hij in de proceskosten worden veroordeeld, deze aan de zijde van SVG c.s. tot op heden te begroten op € 1493,- (€ 589,- aan griffierecht; € 904,- aan salaris).

4.17.

Nu het verzoek van SZO c.s. en [verweerder 3] wordt afgewezen, zullen zij in de proceskosten aan de zijde van SVG c.s. worden veroordeeld, deze tot op heden te begroten op € 226,- aan salaris.

5 De beslissing

De rechtbank

op het ontslagverzoek van SVG c.s.

5.1.

ontslaat [verweerder 2] als bestuurder van SZO;

5.2.

veroordeelt [verweerder 2] in de proceskosten van SVG c.s., deze tot op heden te begroten op € 589,- aan griffierecht en € 904,- voor salaris advocaat;

5.3.

wijst het verzochte ten aanzien van SZO af;

5.4.

veroordeelt SVG c.s. in de proceskosten van SZO, deze tot op heden te begroten op nihil;

5.5.

verklaart de onder 5.1., 5.2. en 5.4. gegeven beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

op het ontslagverzoek van SZO c.s. en [verweerder 3]

5.6.

wijst het verzoek af;

5.7.

veroordeelt SZO c.s. en [verweerder 3] in de proceskosten van SVG en SGL, deze tot op heden te begroten op € 226,- voor salaris advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R.M. de Bruijn, mr. W.J.J. Beurskens en mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013.