Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7439

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-08-2013
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
2188969 CV EXPL 13-2715
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CZ is als ziektekostenverzekeraaar 'repeatplayer' in kantonzaken, maar vindt het niet altijd (eigenlijk zelfs heel vaak) niet nodig haar vordering jegens een verzekerde (of onderdelen daarvan) van een deugdelijke feitelijke grondslag te voorzien. Dat kan onder omstandigheden, zeker als ook de schending van de artikelen 21, 85 en 111 lid 3 Rv in de overwegingen betrokken wordt, tot afwijzing van een of meer nevenvorderingen leiden ondanks toewijsbaarheid van de hoofdvordering. En zelfs tot compensatie van (vooralsnog niet opportuun aangewende) proceskosten. Onder omstandigheden als in deze zaak aan de orde laat de kantonrechter het om proceseconomische redenen niet eens op een door CZ bij voorbaat overbodig/onwenselijk verklaarde comparitie van partijen noch op een tweede schriftelijke debatronde aankomen en doet hij de zaak na antwoord definitief af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/17

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknummer 2188969 CV EXPL 13-2715

Vonnis van 7 augustus 2013 (bij vervroeging)

in de zaak

ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ

CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A.,

gevestigd en kantoorhoudend te Tilburg,

verder ook te noemen: “CZ”,

eisende partij,

gemachtigde: J.H. Vekemans, deurwaarder te Tilburg

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres],

verder ook te noemen: “[gedaagde]”,

gedaagde partij,

in persoon procederend

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

CZ heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 26 juni 2013in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding zonder verwijzing naar producties, zij het dat aan het exploot wel een vage fotokopie van een volledig geanonimiseerde en ongedateerde modelbrief van CZ toegevoegd is (door CZ aangeduid als ‘het model van de 14 dagenbrief’) naast een toelichting van de zijde van de deurwaarder die bij betekening een afschrift van het exploot in gesloten enveloppe aan het adres van [gedaagde] achterliet.

[gedaagde] heeft ter eerst dienende datum (24 juli 2013) bij mondeling antwoord verweer gevoerd, althans zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

In verband met aard en inhoud van eis en verweer en om redenen van proceseconomie heeft de rolrechter aanstonds eindvonnis bepaald, zodat heden (vervroegd) uitspraak gedaan wordt.

MOTIVERING

a. het geschil

CZ vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 492,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag aan hoofdsom van € 422,40 vanaf 26 juni 2013 (de datum van dagvaarding) tot de voldoening, alsmede tot betaling van de met deze zaak gemoeide proceskosten.

CZ baseert haar hoofdvordering op ‘één of meerdere’ overeenkomst(en) van verzekering tegen ziektekosten (‘zorgverzekering’), in ieder geval een overeenkomst voor een basispakket als voorzien in de Zorgverzekeringswet en mogelijk (zij laat dit in het exploot volledig in het midden) ook een voor een aanvullende verzekering. Uit de vier regels beslaande opsomming van onbetaald gebleven ‘bedragen’, noch uit de daaraan voorafgaande passage in het exploot valt af te leiden of het bij die vier deelbedragen (die betrekking hebben op de maanden januari tot en met april 2013) steeds gaat om periodiek verschuldigde premie of wellicht (ten dele) om ‘eigen risico’ en/of ‘eigen bijdrage’. In ieder geval was of is [gedaagde] CZ nog € 422,40 verschuldigd, een bedrag dat CZ zegt ‘van gedaagde opeisbaar te vorderen gekregen’ te hebben. Ondanks (herhaalde) aanmaning en aanzegging van incassomaatregelen heeft CZ - naar eigen zeggen - geen betaling van [gedaagde] kunnen verkrijgen, zodat zij meende te kunnen constateren dat (op een ongenoemd moment en op een niet geëxpliciteerde grond) sprake was van ‘betalingsverzuim’. Ook heeft zij ‘zich genoodzaakt gezien’ om ‘haar vordering op gedaagde ter incasso uit handen te geven aan GGN, haar incassotussenpersoon’. De door ‘de wanbetaling’ van [gedaagde] en/of ‘het hierdoor uit handen geven van haar vordering’ aan de zijde van CZ geleden ‘schade’ is in het exploot bepaald op ‘de buitengerechtelijke incassokosten (berekend conform gebruikelijk en billijk tarief)’ en op ‘de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum’. Volgens CZ komt dit erop neer dat zij recht kan doen gelden op € 63,36 aan (vergoeding van) incassokosten met inbegrip van omzetbelasting (btw) en op € 6,84 ‘rente per vandaag’(i.e. per datum dagvaarding). Een renteberekening noch een kostenberekening is bijgevoegd. Omzetbelasting stelt CZ niet te kunnen verrekenen, zodat zij die aan [gedaagde] doorberekent.

Het verweer van [gedaagde] tegen de vordering(en) is beperkt, maar houdt tevens in dat hij erop vertrouwt dat de kantonrechter al hetgeen bij exploot gevorderd is, summier toetst op rechtmatigheid en gegrondheid, ook waar het de aangevoerde (en niet betwiste) feitelijke fundering van hoofdvordering en nevenvorderingen betreft. Zonder zich uit te spreken over het gevorderde bedrag in hoofdsom als zodanig, erkent [gedaagde] ‘nog een bedrag’ aan CZ verschuldigd te zijn, dat hij wel wil maar niet kan betalen. Hij rept van inmiddels gelegd loonbeslag op instigatie van het CVZ en hij vermoedt dat langs die weg al enige aflossing (van deze schuld aan CZ) plaatsvindt. Zorgtoeslag zegt [gedaagde] niet (meer) te ontvangen en van een aanvullende verzekering is geen sprake (meer).

b. de beoordeling

De wijze van procederen van CZ blinkt (wederom) niet uit door inzichtelijkheid en volledigheid, zodat onvoldoende recht gedaan wordt aan de bedoelingen van de wetgever met de regels in het huidige Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Die zijn er immers op gericht dat de rechter en de gedaagde partij met het inleidende processtuk een zo volledig, inzichtelijk en waarheidsgetrouw mogelijk beeld verschaft wordt van de vordering, de ondersteunende feitelijke argumenten, de daarvoor beschikbare bewijzen en bewijsmiddelen, het buitengerechtelijke debat en de verweren / verweermiddelen van de wederpartij. Een en ander is in het bijzonder neergelegd in de artikelen 21, 85 en 111 lid 3 Rv. Door bij exploot met de hier bedoelde informatie - om het mild uit te drukken - zo spaarzaam op de proppen te komen, maakt CZ het primair de kantonrechter, maar ook haar wederpartij moeilijk zich een volledig beeld te vormen van de inhoud en de merites van de vordering en van de slaagkansen van een verweer. Omdat de overeenkomst als zodanig (kennelijk slechts een basisverzekering), noch de omvang van het ‘naamloze’ bedrag aan (historische) achterstand (€ 422,40) in deze zaak betwist wordt, heeft dit tekort in de presentatie van de vordering geen gevolgen voor de toewijsbaarheid van de hoofdsom. Als de veronderstelling van [gedaagde] al juist mocht zijn dat het CVZ via het loonbeslag tevens bedragen ten behoeve van CZ (en dus in mindering komend op deze vordering) incasseert, zal CZ daar ongetwijfeld in het verdere uitvoeringstraject rekening mee houden. Met die kanttekening kan het verder niet bestreden bedrag van € 422,40 (dat vermoedelijk vier maanden premie basisverzekering betreft) aan CZ toegewezen worden. Als [gedaagde] zich niet in staat acht dit ineens te voldoen, is het aan hem om met CZ of haar gemachtigde afspraken te maken over een voldoening in termijnen, zodat hij nieuw loonbeslag en/of verdere executiekosten kan voorkomen.

Voor de beide ontoereikend toegelichte nevenvorderingen ligt dit bepaald anders. Op die onderdelen ontbeert het exploot van dagvaarding in het bijzonder een van CZ te verlangen deugdelijke verzuimredenering. Er is niet uitdrukkelijk gesteld en evenmin is uit de wel gedebiteerde stellingen rechtstreeks af te leiden dat op een concrete datum voorafgaand aan dagvaarding (dus buiten rechte) om een welomschreven reden betalingsverzuim aan de zijde van [gedaagde] voor deze (premie)betalingsverplichting ingetreden is. Bijgevolg kan zulk verzuim niet eerder aanwezig geacht worden dan per datum dagvaarding en wel als gevolg van de daad van dagvaarding als zodanig. Daarmee vervalt de mogelijkheid voor CZ om tot (of tot en met?) 26 juni 2013 (i.e.‘vandaag’ in het exploot) vervallen rente, maar ook buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen. Hier doet niet - althans onvoldoende - aan af dat CZ in een reeks grotendeels abstracte passages in de exploottekst de woorden ‘betalingsverzuim’, ‘verzuim’ en ‘verzuimdatum’ elk eenmaal in de mond neemt (maar niet verder verklaart). Evenmin maakt het iets uit dat zij een aanmerkelijk deel van de ruimte in het exploot besteedt aan een evenzeer abstracte beschrijving van de beweerde vermogensschade, vooral bestaande in een post incassokosten, in een poging de gevorderde vergoeding daarvan te rechtvaardigen. Zonder concreet geduid verzuim van de debiteur zijn vertragingsrente tot (en met) de dagvaardingsdatum en een vergoeding van kosten van invordering immers door de debiteur niet verschuldigd. In dat geval moet geconcludeerd worden dat aan incasso bestede werkzaamheden en kosten nodeloos en/of prematuur aangewend zijn. De bewuste twee onderdelen van de vordering, respectievelijk door CZ gesteld op € 6,84 en € 63,36, moeten afgewezen worden. Over de toe te wijzen hoofdsom wordt rente toegewezen vanaf de als verzuimdatum aan te merken dagvaardingsdatum.

Deze gedeeltelijke afwijzing van de vordering van CZ en de redenen daarvan (gebrekkig procederen en eerst door dagvaarding ontstaan betalingsverzuim) rechtvaardigen tot slot een algehele compensatie van proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

[gedaagde] wordt veroordeeld om aan CZ tegen bewijs van kwijting € 422,40 te voldoen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2013 tot de datum van volledige voldoening.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.