Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:7211

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
AWB-13_2613 en AWB 13_2612
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2013 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Meer specifiek betreft het de uitbreiding van bedrijfshallen. Eiser, eigenaar van een nabijgelegen perceel, heeft daartegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter doet eveneens uitspraak in de hoofdzaak. Het gaat in deze zaak onder andere over de toepassing van het relativiteitsvereiste (art. 8:69a Awb). Het daadwerkelijke belang van eiser dat wordt geschaad als gevolg van de uitbreiding van de bedrijfshallen is het behoud van de kwaliteit van zijn directe leefomgeving en zijn woongenot. De ingeroepen normen uit de Flora- en faunawet strekken tot bescherming van een aantal beschermde diersoorten. Er bestaat in dit geval een onvoldoende direct verband tussen de kwaliteit van de leefomgeving van eiser en de te beschermen diersoorten. De normen uit de Ffw strekken derhalve kennelijk niet tot bescherming van het belang van eiser. Art. 38a Monumentenwet 1988 strekt met name tot het behoud van monumenten van archeologie en daarmee kennelijk niet tot bescherming van het belang waarvoor eiser in deze procedure bescherming zoekt.

De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst de gevraagde voorlopige voorziening af.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Besluit omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht 6.5
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:69a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/140 met annotatie van N.G. Hoogstra en H.D. Tolsma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 2613 (verzoek om voorlopige voorziening) en AWB 13 / 2612 (beroep tegen besluit op bezwaar)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Koopman)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Smids)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam bedrijf], (vergunninghouder), te [vestigingsplaats]

(gemachtigde: mr. J.L. Stoop).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [naam bedrijf], hierna te noemen vergunninghouder, een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb is de vergunninghouder op diens verzoek in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van de toekomstige huurder [bedrijf 1] om als partij aan het geding deel te nemen, afgewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [bedrijf 1] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 8:26 in verbinding met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb omdat haar belang niet rechtstreeks bij het besluit is betrokken, maar zij een van vergunninghouder afgeleid belang heeft.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] en zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting.

3.

Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

4.

Vergunninghouder heeft op 28 november 2012 bij verweerder een aanvraag ingediend om de bestaande bedrijfshallen (de zogenaamde 1e fase) aan de [adres], met een gezamenlijke oppervlakte van 24.208 m2, uit te breiden met een bedrijfshal van ongeveer 16.875 m2(de zogenaamde 2e fase). De bestaande bedrijfshallen zijn gelegen binnen het bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’. De geplande uitbreiding is hoofdzakelijk geprojecteerd binnen het plangebied van bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ en voor een klein deel in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1981’.

5.

Op 20 februari 2013 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend. Eiser heeft toen hangende bezwaar een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 3 mei 2013 overwogen dat verweerder bij de vergunningverlening ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid met toepassing van artikel 4, aanhef en eerste lid, onder a, van de bij het Bor behorende Bijlage II.

6.

Naar aanleiding daarvan heeft vergunninghouder per brief van 6 mei 2013 verweerder verzocht de verleende vergunning in te trekken en een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 28 november 2012, met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Bij besluit van diezelfde datum heeft verweerder de vergunning vervolgens ingetrokken met toepassing van artikel 2.33, tweede lid, onder b van de Wabo. Verweerder heeft daarbij vermeld dat voordat een nieuw besluit op de aanvraag wordt genomen, eerst een ontwerpbesluit wordt gepubliceerd.

7.

Deze (nieuwe) ontwerp-omgevingsvergunning heeft, na de openbare kennisgeving op grond van artikel 3:12 van de Awb, van 31 mei 2013 tot en met 11 juli 2013 voor een ieder ter inzage gelegen. Eiser heeft binnen deze termijn een zienswijze ingediend.

8.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de zienswijze ongegrond verklaard en de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

Ontvankelijkheid van eiser

9.

Vergunninghouder heeft aangevoerd dat eiser in de onderhavige procedure niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb vanwege de afstand van zijn woning van circa 350 meter tot het vergunde bouwplan en het beperkte zicht dat hij vanuit zijn woning op het te realiseren bedrijfspand zal hebben.

De voorzieningenrechter volgt vergunninghouder niet in dit betoog en is van oordeel dat eiser belanghebbende is aangezien hij tegen de grens van het plangebied van het bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ woont. Daarbij is ter zitting genoegzaam aangetoond dat eiser in een open landelijk gebied woont en vanuit zijn woning zicht krijgt op het vergunde bedrijfsgebouw.

Procedurele aspecten

10.

Eiser heeft ten eerste aangevoerd dat met de intrekking van de op 20 februari 2013 verleende omgevingsvergunning tevens de onderliggende aanvraag van 28 november is komen te vervallen en dat zonder nieuwe aanvraag geen vergunning kan worden verleend. Hij heeft onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling bestuursrechtspraak) betoogd dat indien eenmaal op een aanvraag om een omgevingsvergunning is beslist, verweerder niet nogmaals een besluit op diezelfde aanvraag kan nemen (ECLI:NL:RVS:2002:AE9867, ECLI:NL:RVS:2005:AS4740 en ECLI:NL:RVS:AV3910). Volgens eiser had een nieuwe, al dan niet gelijkluidende, aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden ingediend. Een andere uitleg leidt tot rechtsonzekerheid. Daarnaast kan een uitgebreide voorbereidingsprocedure alleen worden doorlopen op grond van een onderliggende (ontvankelijke) aanvraag. Nu deze aanvraag er niet was en een ruimtelijke onderbouwing en onderzoeken ontbraken, kon ook om die reden geen vergunning worden verleend, aldus eiser.

11.

De voorzieningenrechter overweegt dat de door eiser aangehaalde uitspraken niet op de onderhavige zaak van toepassing zijn omdat het situaties betreffen waarin een bestuursorgaan is teruggekomen op onherroepelijk geworden besluiten tot respectievelijk weigering, verlening en intrekking van een vergunning. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in zijn betoog dat er in deze zaak ook sprake is van een onherroepelijke beslissing op een aanvraag. Door de intrekking hangende bezwaar van de op 20 februari 2013 verleende vergunning herleeft de aanvraag van vergunninghouder van 28 november 2012. Noch de intrekking van de vergunning is onherroepelijk - nu hiertegen door vergunninghouder bezwaar is gemaakt - noch het besluit van 25 juli 2013 om de vergunning te verlenen. Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat verweerder met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure na de intrekking van de eerder verleende vergunning een nieuw besluit op de oorspronkelijke aanvraag van 28 november 2012 neemt.

Eiser wordt evenmin gevolgd in zijn stelling dat de aanvraag niet-ontvankelijk is. Bij de toets van de ontvankelijkheid is gebleken dat een aantal gegevens, zoals de ruimtelijke onderbouwing ontbrak. Deze zijn aangevuld in januari en mei 2013 en er is een melding in het kader van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer ingediend. Daarna heeft verweerder de aanvraag als ontvankelijk beoordeeld en in behandeling genomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze gang van zalen niet in strijd met een wettelijke bepaling dan wel met enig rechtsbeginsel.

12.

Verzoeker heeft verder aangevoerd dat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en maatschappelijk gevoelig ligt. Daarbij is volgens verzoeker van belang dat de gemeenteraad nog geen besluit heeft genomen over de totaal andere wijze van opzet van dit deel van het bedrijventerrein.

13.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeenteraad bij besluit van 28 september 2010 op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor categorieën van gevallen heeft aangewezen waarbij een verklaring van bedenkingen niet nodig is. Een verklaring is onder meer niet vereist als het plan past binnen door de gemeenteraad vastgestelde beleidskaders en het niet als maatschappelijk gevoelig kan worden beschouwd. Volgens verweerder kan het plan van vergunninghouder hieronder worden geschaard.

14.

Het plan is voorzien van de ‘Ruimtelijke onderbouwing uitbreiding bedrijfsgebouw [straatnaam]’. In deze onderbouwing wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter afdoende uiteengezet dat het plan van aanvrager past binnen de beleidskaders, waaronder de economische visie. Dit blijkt ook uit het gegeven dat het plan passend is binnen het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied. Daarnaast is de voorzieningenrechter niet gebleken en heeft eiser ook verder niet aannemelijk gemaakt dat het plan maatschappelijk gevoelig ligt. Het door eiser aangevoerde is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen verklaring van bedenkingen is vereist. Het betoog faalt.

Flora en fauna

15.

Eiser heeft aangevoerd dat er te weinig duidelijkheid bestaat over de instandhouding van flora- en faunasoorten in zijn woon- en leefomgeving en dat de bescherming en instandhouding van flora en fauna mede zijn woon- en leefklimaat bepaalt. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit niet mogen baseren op een quick scan flora en fauna uit 2006 omdat niet valt uit te sluiten dat op het nog braakliggend terrein in 2013 nieuwe beschermde plant- en diersoorten voorkomen waardoor de vergunningverlening in strijd is met verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet (Ffw). Uit het onderzoek uit 2006 valt bovendien op te maken dat de das foerageert in het gebied waar de projectlocatie is gelegen. Het door verweerder overgelegde rapport ‘Toetsing flora- en faunawet [naam bestemmingsplan] Venray’ van september 2013 dat geen nader onderzoek nodig acht, is volgens eiser in tegenspraak met een onderzoek van verweerder uit februari 2013 dat nader onderzoek wel noodzakelijk achtte naar de aanwezigheid van beschermde nesten en verblijfplaatsen van vleermuizen in onder andere bomen.

16.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat nieuw onderzoek niet nodig is. In het voorjaar van 2013 is flora- en faunaonderzoek uitgevoerd naar de groenstrook tussen de A73 en de Blakterweg in de directe nabijheid van de bedrijfslocatie. Hieruit blijkt dat de functionaliteit van het leefgebied van dassen rondom [naam bestemmingsplan] niet in het geding is. Bovendien is de bedrijfslocatie een bouwrijp gemaakt perceel wat de ecologische betekenis gering maakt. Bovendien kan het aspect flora en fauna volgens verweerder niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden nu de doelstelling van de Ffw niet ziet op de bescherming van de belangen van eiser.

17.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Het daadwerkelijke belang van eiser dat wordt geschaad als gevolg van de realisering van de uitbreiding van de bedrijfshallen is het behoud van de kwaliteit van zijn directe leefomgeving en zijn woongenot. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken tot bescherming van een aantal beschermde diersoorten. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft eerder overwogen dat het niet in alle gevallen op voorhand behoeft te worden uitgesloten dat de Ffw met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden (ECLI:NL;RVS:2013:CA3666). Die situatie doet zich echter hier niet voor nu er een onvoldoende direct verband bestaat tussen de kwaliteit van de leefomgeving van eiser en de te beschermen diersoorten. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken derhalve kennelijk niet tot bescherming van het belang van eiser. Daarbij is ter zitting tevens gebleken dat het perceel reeds bouwrijp is gemaakt en er slechts minimale, lage begroeiing resteert en er geen bomen staan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Archeologie

18.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder is uitgegaan van een waardering van het bedrijventerrein [naam bestemmingsplan] volgens categorie 7 ‘Droge en natte gebieden met een lage verwachting’ uit het vastgestelde archeologiebeleid, terwijl het bestemmingsplan volgens verzoeker uitgaat van een middelhoge verwachtingswaarde. De archeologische beleidskaart 2013 waar de ruimtelijke onderbouwing naar verwijst, is in werking getreden op 26 juli 2013, ná de vergunningverlening. Daarmee had verweerder de verplichting om ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het toen geldende archeologische beleid toe te passen.

19.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 8:69a van de Awb eveneens in de weg staat aan een succesvol beroep op de Monumentenwet 1988. Artikel 38a van deze wet strekt met name tot het behoud van monumenten van archeologie. Voor eiser gaat het zoals reeds overwogen om het belang dat hij gevrijwaard blijft van aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Artikel 38a van de Monumentenwet 1988 strekt daarom kennelijk niet tot bescherming van het belang waarvoor eiser in deze procedure bescherming zoekt. Derhalve kan zijn betoog – wat hier verder ook van zij – niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

Externe veiligheid

20.

Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de externe veiligheid terwijl de projectlocatie op korte afstand van de A73 ligt, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Door na te laten onderzoek te doen waarbij berekeningen worden uitgevoerd, heeft verweerder niet kunnen beoordelen of ten aanzien van het aspect veiligheid sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

21.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ten behoeve van de onderhavige ruimtelijke procedure het onderwerp externe veiligheid in de ruimtelijke onderbouwing kwalitatief is beschouwd en dat dit voldoende is. De afwijkingen van het bestemmingsplan hebben betrekking op een vergroting van de bouwhoogte voor een beperkt gedeelte van het gebouw, het overschrijden van het bebouwingspercentage en de maximaal toegestane kavelgrootte en het beperkt overschrijden van de bestemmingsplangrens. Deze vier factoren hebben geen significante relevantie met externe veiligheid. Voor de voorgenomen activiteit is het vigerende bestemmingsplan reeds toereikend. Een nader onderzoek is dus niet nodig.

22.

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd ten aanzien van het onderwerp externe veiligheid geen aanknopingspunten om aan de door verweerder gehanteerde motivering en de juistheid van zijn standpunt ter zake te twijfelen.

De ruimtelijke onderbouwing bevat een verantwoording van het groepsrisico onder andere op het aspect transport gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Daarnaast heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord op basis van door verweerder verstrekte gegevens geoordeeld dat zij geen noodzaak ziet tot het uitbrengen van een advies. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Belangenafweging

23.

Eiser heeft tot slot aangevoerd dat het bestreden besluit geen blijk geeft van een zorgvuldige afweging van belangen. Het gebouw met een frontbreedte van 150 meter en een hoogte van 14 meter zal verzoekers woongenot in ernstige mate aantasten. Daarnaast leidt het bouwplan volgens eiser tot ontwrichting van de verkeerskundige structuur omdat er een weg wordt afgesloten waardoor het verkeer anders gaat rijden.

24.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de impact van de vergroting van de kavelgrootte zeer beperkt is, zeker bezien vanuit het perceel van eiser. Een klein gedeelte van de uitbreiding valt binnen het deel van het plangebied waarvoor conform de bouwvoorschriften een maximale hoogte van 10 meter geldt. De rest van het gebouw mag op grond van het bestemmingsplan 15 meter hoog zijn. Het hele gebouw heeft een hoogte van 14 meter waardoor de overschrijding van de hoogte minimaal is. Daarnaast is op grond van het vigerende bestemmingsplan ook dicht bij de perceelgrens van eiser al zeer forse bebouwing toegestaan. De overschrijding van het bebouwingspercentage is daarmee ook gering en vanuit het perceel van eiser nauwelijks waarneembaar, aldus verweerder. Volgens verweerder is geen sprake van ontwrichting van de verkeerskundige structuur. De weg wordt niet afgesloten maar verlegd, wat volgens verweerder geen hinder voor eiser zal opleveren.

25.

De voorzieningenrechter is ten aanzien van het woon- en leefklimaat van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onevenredige beperking van eisers uitzicht noch voor onevenredige verkeershinder. Mede op grond van het reeds eerder overwogene is de conclusie dat er

geen grond is voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen in redelijkheid niet tot het verlenen van de omgevingsvergunning is kunnen komen.

26.

De voorzieningenrechter komt dan ook tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Gelet hierop zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

27.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst de voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van K.J.C. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2013.

w.g. K.J.C. Willems,

griffier

w.g. mr. drs. E.J. Govaers,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 1 oktober 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarmee is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.