Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5924

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
C04-116444-FARK 12-773
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

zaaknummer / rekestnummer: 116444 / FA RK 12-773

Beschikking van 24 april 2013 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [adresgegevens verzoekster],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.J. Lemmens, gevestigd te Deurne,

tegen

[verweerder],

wonende te [adresgegevens verweerder],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.V.T.E. van der Woning, gevestigd te Panningen.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank d.d. 12 december 2012;

- de herstelbeschikking van deze rechtbank d.d. 13 februari 2013;

- het rapport van de raad voor de kinderbescherming d.d. 11 maart 2013;

- de correspondentie.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 april 2013.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Lemmens;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. van der Woning;

  • -

    mw. Nelissen, namens de raad voor de kinderbescherming.

1.3.

Bij tussenbeschikking van 12 december 2012 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een voorlopige zorgregeling en een voorlopige kinderbijdrage vastgesteld, het verzoek tot de vermogensrechtelijke afwikkeling afgesplitst en zaak aangehouden ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de definitieve zorgregeling en (zo begrijpt de rechtbank) de definitieve kinderbijdrage.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar tussenbeschikking van 12 december 2012 en de herstelbeschikking van 13 februari 2013.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

  • -

    [kind 1], geboren te [geboorteplaats en -datum 1];

  • -

    [kind 2], geboren te [geboorteplaats en -datum 2];

  • -

    [kind 3], geboren te [geboorteplaats en -datum 3];

  • -

    [kind 4], geboren te [geboorteplaats en -datum 4].

2.3.

Hoofdverblijfplaats en verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.3.1.

Bij beschikking d.d. 12 december 2012 heeft de rechtbank een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld en de beslissing over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de definitieve zorgregeling aangehouden in afwachting van een onderzoek door en advies van de raad voor de kinderbescherming ( hierna: de raad)

2.3.2.

Op 11 maart 2013 heeft de raad gerapporteerd en geadviseerd. De raad geeft aan dat de kinderen met beide ouders een goede relatie hebben, positief staan ten opzichte van de nieuwe partners van hun ouders en dat zij meer tijd met hun vader willen besteden dan thans het geval is.

Beide ouders hebben een goede band met de kinderen. Moeder is tot voor de echtscheiding de hoofdopvoeder geweest en zij heeft enorm veel geïnvesteerd in de kinderen. Duidelijk is dat de vier kinderen een goede basis hebben meegekregen vanuit het voormalig gezin.

Met name na de echtscheiding is de vader zijn rol als vader anders gaan invullen. Hij is er meer voor de kinderen en die waarderen dat.

Beide ouders investeren in hun rol als opvoeder en verzorger van de kinderen. Het lukt hen echter niet om gezamenlijk te overleggen over de kinderen. Met name de moeder lukt het niet om onderscheid te maken tussen haar rol als ouder en als ex-partner. Omdat het de ouders niet lukt om overleg te hebben over de kinderen, zoeken deze zelf naar een manier om meer tijd met de ouders door te brengen en ook om de zaken rondom wonen eerlijk te verdelen.

Gelet op de belangen van de kinderen – en niet op eerlijkheid of redelijkheid ten aanzien van de ouders – komt de raad tot het volgende advies:

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats wordt geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] bij de vader vast te leggen en de hoofdverblijfplaats van [kind 3] en [kind 4] bij de moeder. Daarnaast heeft de raad geadviseerd een zorgregeling vast te leggen die inhoudt dat de vier minderjarigen één week bij de vader en één week bij de moeder zijn, met een wisselmoment op zondag 19.00 uur waarbij de vader het vervoer van de kinderen en de spullen regelt.

En tenslotte adviseert de raad te bepalen dat de kinderen afwisselend de helft van de vakanties bij de ouders verblijven en met Moederdag en de verjaardag van moeder bij de moeder zijn en met Vaderdag en de verjaardag van vader bij de vader.

2.3.3.

De moeder heeft aangegeven zich absoluut niet in het advies van de raad te kunnen vinden. Volgens moeder weten de kinderen niet waar ze aan toe zijn en kunnen zij de toekomst niet goed overzien. De moeder pleit voor handhaving van de huidige situatie (hoofdverblijfplaats bij de moeder en een omgangsregeling met de vader) met dien verstande dat de omgangsregeling ten aanzien van alle kinderen beperkt zou moeten blijven tot een weekend in de twee weken om de kinderen voldoende rust te geven.

De moeder merkt daarbij wel op dat [kind 1] sinds half maart 2013 bij de vader verblijft. De spanningen tussen de moeder en [kind 1] liepen zodanig op dat moeder [kind 1] heeft gezegd dat ze beter naar haar vader kon gaan. Er hebben nog wel contacten tussen de moeder en [kind 1] plaatsgevonden, maar zij heeft niet meer bij moeder overnacht. Ook heeft zich recent een incident voorgedaan waarbij moeder niet wist waar [kind 4] was terwijl achteraf bleek dat deze, ondanks eerdere ontkenningen, toch in de woning van de vader was.

De moeder geeft aan dat zij geen enkel vertrouwen heeft in de vader die zich, naar haar ervaringen, nooit aan afspraken houdt.

2.3.4.

De vader heeft aangegeven dat hij zich in het advies van de raad kan vinden en dat hij er van overtuigd is dat dit ook is wat de kinderen willen. Zoals door de moeder al gezegd verblijft [kind 1] momenteel bij hem. [kind 2] heeft echter ook aan de vader aangegeven dat hij hoopt dat de rechter snel met een beslissing zal komen waarbij de contacten met vader worden uitgebreid. Ook [kind 2] heeft veel last van de huidige situatie.

De vader geeft aan dat het van belang is dat de ouders gezamenlijk leren overleggen en zou hierover graag met de moeder om tafel gaan zitten. Dat lukt momenteel echter niet. De vader geeft aan dat hij begrijpt dat dit mede te maken heeft met de wijze waarop hij in het verleden met een aantal zaken en afspraken is omgegaan. Hij hoopt dat de houding van moeder zal veranderen.

2.3.5.

De rechtbank overweegt dat, zowel uit het rapport van de raad als uit de opmerkingen van de ouders over de reacties van de kinderen en uit hetgeen de twee oudste kinderen bij gelegenheid van het kinderverhoor (d.d.16 oktober 2012) hebben aangegeven, duidelijk is dat het een wens van de kinderen is om afwisselend bij beide ouders te verblijven. De consistentie waarmee dit door de kinderen wordt aangegeven, het feit dat ze met beide ouders een goede band hebben, dat beide ouders voor hen erg belangrijk zijn, en het feit dat het – omdat de ouders vrij dicht bij elkaar in de buurt wonen – praktisch gezien goed haalbaar is, maakt dat de door de raad geadviseerde regeling in het belang van de kinderen moet worden geacht.

2.3.6.

Gelet echter op het bezwaar van de moeder en het feit dat de ouders niet in staat zijn met elkaar te overleggen, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of dit een reden kan of moet zijn om dit advies niet te volgen.

De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. De huidige regeling (hoofdverblijf bij de moeder en een omgangsregeling met de vader) levert voor de kinderen veel spanning op en heeft het gevaar in zich dat de kinderen in een steeds groter loyaliteitsconflict komen hetgeen hen ernstig kan belemmeren in hun verdere groei en ontwikkeling. De kinderen voelen zich, met name door de problemen die de moeder ervaart in de wens van de kinderen betreffende de frequentere contacten met hun vader, gedwongen een keus te maken tussen de ouders. De spanningen lopen op, ook bij de moeder thuis – getuige ook het feit dat [kind 1] inmiddels bij haar vader verblijft – en de kinderen voelen zich ongelukkig in de huidige situatie. De rechtbank heeft van de ouders begrepen dat beiden dat niet wensen.

De rechtbank begrijpt dat de geadviseerde regeling met name van de moeder enorm veel vraagt. Gelet echter op het belang van de kinderen zal de rechtbank de regeling als geadviseerd door de raad (ingaande 5 mei aanstaande) integraal overnemen en hoopt dat de ouders in het belang van hun kinderen – waar nodig met hulp van een hulpverlener – zich beiden zullen inspannen om als ouders tot overleg over hun kinderen te komen.

2.4.

Onderhoudsbijdrage(n)

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 1.082,61 per maand. Dat is een bijdrage van € 270,65 per maand per kind.

2.4.2.

De behoefte van de minderjarigen zal de rechtbank, onder verwijzing naar de beschikking d.d. 12 december 2012, vaststellen op EUR  277,-- per kind per maand.

Conform de trema normen is toen het kindgebonden budget bij de vaststelling van de behoefte niet meegenomen.

2.4.3.

De rechtbank zal, nu tegen de bij beschikking van 12 december 2012 vastgestelde voorlopige kinderbijdrage hoger beroep is ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, en

de rechtbank de regeling als geadviseerd door de raad (ingaande 5 mei aanstaande) integraal zal overnemen, ieders aandeel in de kosten van de minderjarigen berekenen vanaf 5 mei 2013.

2.4.4.

De rechtbank zal gelet op de nieuwe berekeningswijze van de kinderbijdrage de eerder vastgestelde behoefte vermeerderen met het kindgebonden budget voor echtscheiding, zijnde € 81,--, zodat de totale behoefte voor de kinderen bedraagt € 1.189,-- per maand. Vervolgens zal de rechtbank daarop in mindering brengen het kindgebonden budget na echtscheiding, zijnde € 135,-- aan de zijde van de man en € 129,= aan de zijde van de vrouw. De totale behoefte van de kinderen bedraagt dan € 925,= per maand.

Ieders draagkracht

2.4.5.

Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw

Blijkens de door vrouw overgelegde financiële gegevens bedraagt haar inkomen EUR 1.187,= bruto per maand. Tevens houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag.

De rechtbank houdt voorts op jaarbasis rekening met:

- EUR  286,= pensioenpremie

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende heffingskortingen:

- algemene heffingskorting

- arbeidskorting

- inkomensafhankelijke combinatiekorting

- alleenstaande ouderkorting

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen, na aftrek van de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, van de vrouw op EUR 1.150,= per maand.

2.4.6.

Het netto besteedbaar inkomen van de man

De rechtbank gaat uit van een WIA-uitkering van EUR 2.491,= bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende heffingskortingen:

- algemene heffingskorting

- arbeidskorting

- alleenstaande ouderkorting

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen, na aftrek van de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet uitkeringsinstantie, van de man op EUR 2.096,= per maand.

2.4.7.

De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 50,-- per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 432,= per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel ad € 99,= per maand, derhalve in totaal € 531,-- per maand.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 531 / 581 x 925 = € 845,--

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50 / 581 x 925 = € 80,--

samen € 925,--

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 845,-- per maand ofwel € 211,-- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van

€ 80,=,-- per maand ofwel € 20,= per maand per kind voor rekening van de vrouw.

2.4.8.

De rechtbank volgt de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Nu er sprake is van een co-ouderschapregeling waarbij de kinderen gemiddeld om de week de gehele week bij de man verblijven, rekening houden met een percentage van 50%. Nu de totale behoefte € 925,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van
€ 462,-- per maand.

2.4.9.

Nu de draagkracht van de ouders onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 531,-- [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 462,-- [bedrag zorgkorting] - € 172,-- [bedrag van de helft van het tekort]) = € 241,--.

2.4.10.

De man heeft gesteld dat hij, gelet op zijn inkomsten en het feit dat de echtelijke woning nog niet is verkocht en hij de lasten van deze woning voor zijn rekening neemt, niet in staat is om een bijdrage te betalen. Dat geldt zeker wanneer het advies van de raad wordt opgevolgd en de zorg voor de kinderen wordt gedeeld en de twee oudste kinderen het hoofdverblijf bij hem krijgen.

Bij beschikking d.d. 12 december 2012 heeft de rechtbank de voorlopige kinderbijdrage vanaf 20 oktober 2012 vastgesteld op EUR  143,- per maand per kind. Tegen deze beslissing is inmiddels hoger beroep ingesteld, welk beroep nog loopt.

Bij voornoemde beschikking is de rechtbank er van uitgegaan dat de nieuwe partner van de man de helft van de woonlasten voor haar rekening neemt. Omdat dit voor haar niet haalbaar is hebben de man en zijn partner besloten niet langer samen te wonen. De partner van de man, die wel geregeld bij de man verblijft, woont echter momenteel met haar dochter bij haar ouders. Zij staat ook niet (meer) ingeschreven op het adres van de man. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat de echtelijke woning in de verkoop staat, maar dat er geen enkel zicht is op wanneer een verkoop gerealiseerd kan worden.

2.4.11.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen door de man is gesteld, het redelijk is om een deel van de woonlasten van de echtelijke woning bij het draagkrachtloos inkomen in de formule in aanmerking te nemen. De totale woonlast van de man bedraagt EUR 1.160,=

(€ 917,-- hypotheekrente, € 148,-- aflossing/premie levensverzekering en € 95,-- forfait overige eigenaarslasten) per maand. De rechtbank becijfert het fiscaal voordeel op EUR 295,= per maand, zodat er sprake is van een netto woonlast van € 865,-- per maand.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een onredelijk hoge woonlast voor de man. Gelet op het netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.071,-- per maand acht de rechtbank een woonlast van in totaal EUR 600,= per maand redelijk. De rechtbank zal derhalve een bedrag van € 265,=, zijnde de woonkosten boven de € 600,--, bij het draagkrachtloos inkomen in de formule in aanmerking te nemen. De draagkracht van de man bedraagt derhalve 70% x [€ 2.096,-- - (0,3 x € 2.096,-- + 850 + 265)] = € 246,--.

2.4.12.

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, met ingang van 5 mei 2013 de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van minderjarigen [kind 3] en [kind 4] bepalen op EUR 61,-- per kind per maand en door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] bepalen op nihil.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

bepaalt dat, ingaande 5 mei 2013, de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:

1. [kind 1], geboren te [geboorteplaats en -datum 1],

2. [kind 2], geboren te [geboorteplaats en -datum 2],

bij de man zal zijn;

3.2.

bepaalt dat, ingaande 5 mei 2013, de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:

3. [kind 3], geboren te [geboorteplaats en -datum 3],

4. [kind 4], geboren te [geboorteplaats en -datum 4],

bij de vrouw zal zijn;

3.3.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

  • -

    de minderjarigen verblijven één week bij de man en één week bij de vrouw, met als wisselmoment zondag 19.00 uur, waarbij de vader het vervoer van de kinderen en de spullen regelt;

  • -

    de minderjarigen zullen afwisselend de helft van de vakanties bij de ouders verblijven en met Moederdag en de verjaardag van de vrouw bij de vrouw en met Vaderdag en de verjaardag van de man bij de man;

3.4.

bepaalt definitief dat de man met ingang van 5 mei 2013, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

1. [kind 1], geboren te [geboorteplaats en -datum 1],

2. [kind 2], geboren te [geboorteplaats en -datum 2],

aan de vrouw heeft te betalen NIHIL;

3.5.

bepaalt definitief dat de man met ingang van 5 mei 2013, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

3. [kind 3], geboren te [geboorteplaats en -datum 3],

4. [kind 4], geboren te [geboorteplaats en -datum 4],

telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw heeft te betalen een bedrag van € 61,-- per kind per maand, telkens vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarigen kan of zal worden verleend;

3.6.

verklaart de beslissing over de hoofdverblijfplaats, de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de definitieve bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.M. Boogaard-Derix, rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 24 april 2013.

lv/hs

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te s‘-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.