Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5846

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
03-700329-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat zij niet wist van de aanwezigheid van de vuurwapens in de woning niet onaannemelijk.

Voor het medeplegen van het voorhanden hebben van een stroomstootwapen, een airsoftpistoolmitrailleur, een gasdrukpistool en een ploertendoder wordt verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700329-13

Datum uitspraak : 17 september 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres].

Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 september 2013. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door haar raadsman.

Ter terechtzitting is [getuige] gehoord als getuige.

De zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen [getuige] met parketnummer 03/700328-13.

2 De tenlastelegging

Op de dagvaarding zijn drie feiten vermeld. De feiten 1 en 3 hebben betrekking op overtreding van de Wet wapens en munitie. Onder feit 2 is ten laste gelegd het witwassen van geld.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank de splitsing bevolen van feit 2 van de tenlastelegging, ten gevolge waarvan dit feit thans niet ter beoordeling van de rechtbank staat. Het oorspronkelijke feit 3 is hernummerd en wordt hierna aangeduid als feit 2.

De verdachte staat, na voornoemde splitsing en hernummering, terecht ter zake dat:

feit 1

zij op of omstreeks 21 mei 2013 te Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III en/of munitie van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad te weten:

a. a) een wapen van categorie III onder 1, een automatisch vuurwapen/pistool (merk Intratec Tec-Dc9)

en/of

b) een wapen van categorie III onder 1, te weten een vuurwapen/pistool (merk Pietro Beretta)

en/of

c) een wapen van categorie II onder 5, een voorwerp (stroomstootwapen), waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel

en/of

d) munitie van categorie II en/of III, te weten 96 patronen.

feit 2

zij op of omstreeks 21 mei 2013 te Heerlen, tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten:

a. a) een airsoft pistoolmitrailleur

en/of

b) een gasdrukpistool,

zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) te weten:

ad a) een pistoolmitrailleur (merk Auto Ordnance, model Thompson Model 1928)

ad b) een pistool (merk Beretta, model 92 Brigadier)

en/of

een wapen van categorie I onder 3 te weten een ploertendoder,

voorhanden hebben/heeft gehad.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 onder c (partieel) nietig is, omdat sprake zou zijn van een zogenoemd obscuur libel. Hiertoe heeft ze aangevoerd dat in de eerste drie regels van feit 1 is ten laste gelegd dat verdachte een of meer wapens van categorie III voorhanden heeft gehad, terwijl onder c een wapen van categorie II wordt genoemd.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich over dit verweer niet uitgelaten.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat in de eerste drie regels van feit 1 van de dagvaarding is ten laste gelegd – kort gezegd – het voorhanden hebben van een of meer wapens van categorie III en/of munitie van categorie II en/of III. De wapens en munitie zijn nader omschreven onder de letteraanduidingen a, b, c en d. In de nadere omschrijving onder c is ten laste gelegd een wapen van categorie II onder 5, te weten een stroomstootwapen.

De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake zou zijn van een zogenoemd obscuur libel. Zij heeft echter niet gesteld dat verdachte niet heeft begrepen dat haar wordt verweten dat zij een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad. Dat verdachte dit niet zou hebben begrepen is ook anderszins niet aannemelijk geworden. Mede bezien tegen de achtergrond van het dossier leidt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat verdachte wordt verweten dat zij een stroomstootwapen, zijnde een wapen van categorie II van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in regel 2 van feit 1 niet vermelden van een wapen van categorie II slechts een kennelijke misslag is. Zij zal het onder feit 1 ten laste gelegde dan ook verbeterd lezen. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat feit 1 van de dagvaarding voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht de dagvaarding dan ook geldig en verwerpt het verweer.

3.2

De overige voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, al dan niet samen met medeverdachte [getuige], het automatisch vuurwapen (feit 1a) voorhanden heeft gehad. Hij heeft dan ook gevorderd verdachte hiervan vrij te spreken.

Het medeplegen van het voorhanden hebben van de overige wapens – te weten het pistool (feit 1b), het stroomstootwapen (feit 1c), de airsoftpistoolmitrailleur (feit 2a), het gasdrukpistool (feit 2b) en de ploertendoder (feit 2) – en van de munitie behorend bij het pistool (feit 1d) acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen. Hiervoor heeft hij verwezen naar het aantreffen van de wapens en de munitie, de resultaten van het onderzoek naar de wapens en de munitie en het feit dat verdachte wist dat de betreffende wapens en munitie aanwezig waren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet wist dat het automatisch vuurwapen en het pistool in de woning lagen. Van de aanwezigheid van het automatisch vuurwapen heeft verdachte nooit geweten. Van de aanwezigheid van het pistool heeft verdachte wel geweten, maar ze meende dat medeverdachte [getuige] het had weggedaan, omdat verdachte er in het verleden een probleem van had gemaakt en te kennen had gegeven dat zij niet wenste dat het wapen in de woning aanwezig was. Op de ten laste gelegde pleegdatum wist verdachte dan ook niet dat het pistool (nog) in de woning lag.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het automatisch vuurwapen in een koffer op de ijskast lag; het pistool lag daarbovenop in een tasje. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat het spullen – gereedschap en visspullen – van medeverdachte [getuige] waren.

Gelet hierop heeft de verdediging verzocht verdachte vrij te spreken van het medeplegen van het voorhanden hebben van beide vuurwapens en de daarbij behorende munitie.

Voor het overige heeft de verdediging geen bewijsverweren gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De bewustheid van de aanwezigheid van de vuurwapens en de munitie

Onder feit 1 is ten laste gelegd dat verdachte op 21 mei 2013 een automatisch vuurwapen/ pistool en een vuurwapen/pistool voorhanden heeft gehad.

Over het automatisch pistool (onder feit 1a) heeft verdachte verklaard dat ze dit nooit heeft gezien en niet heeft geweten dat dit in huis lag.

Over het pistool (onder feit 1b) heeft verdachte verklaard dat ze weliswaar wist dat medeverdachte [getuige] dit ooit had aangeschaft, doch dat ze in de veronderstelling verkeerde dat dit niet meer in huis lag. Nadat ze destijds tegen medeverdachte [getuige] had gezegd dat ze niet wilde dat het pistool in huis lag, zou hij het pistool hebben weggedaan, althans zo had hij haar verteld.

Deze verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaring die medeverdachte [getuige] in deze zaak als getuige ter terechtzitting heeft afgelegd.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat zij niet wist van de aanwezigheid van de vuurwapens in de woning, niet onaannemelijk. Deze verklaring wordt bovendien niet weerlegd door de omstandigheden waaronder deze wapens werden gevonden: ze werden aangetroffen in een doorgang van de keuken naar de garage, op een ongeveer twee meter hoge koel-, vrieskast, in een koffer (automatisch pistool) respectievelijk in een tas (pistool). De vuurwapens lagen dus niet open en bloot, voor de verdachte zichtbaar, in de woning.

Gelet hierop acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat verdachte zich op 21 mei 2013 niet bewust is geweest van de aanwezigheid van deze vuurwapens in haar woning.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie, is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen. (Zie bijvoorbeeld HR 10 juni 1986, LJN AC1490, HR 17 november 1998, LJN ZD1403 en HR 14 juni 2011, LJN BQ3804.)

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het voorhanden hebben van de vuurwapens onder feit 1a en 1b. Hetzelfde geldt voor het voorhanden hebben van de bij deze vuurwapens behorende munitie onder feit 1d.

Het bewijs

De rechtbank acht de feiten 1 (voor het overige) en 2 wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- het aantreffen van de wapens2;

- de kennisgevingen van inbeslagneming van de wapens3;

- het onderzoek naar de wapens ten aanzien van de feiten 2a en 2b4;

- het onderzoek naar het wapen ten aanzien van feit 1c5;

- het onderzoek naar het wapen ten aanzien van feit 2 (ploertendoder)6;

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 september 2013;

  • -

    de verklaring van getuige [getuige] afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 september 2013.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaat de rechtbank met een opgave van bewijsmiddelen, nu verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, terwijl zij nadien niet anders heeft verklaard en er door haar of door haar raadsman ten aanzien van het bewezenverklaarde geen vrijspraak werd bepleit.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op 21 mei 2013 te Heerlen tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie II van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad te weten:

c) een wapen van categorie II onder 5, een voorwerp (stroomstootwapen), waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel;

feit 2

op 21 mei 2013 te Heerlen tezamen en in verenging met een ander wapens van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten:

a. a) een airsoft pistoolmitrailleur

en

b) een gasdrukpistool,

zijnde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonden met vuurwapens te weten:

ad a) een pistoolmitrailleur (merk Auto Ordnance, model Thompson Model 1928)

ad b) een pistool (merk Beretta, model 92 Brigadier)

en

een wapen van categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder,

voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

ten aanzien van feit 1

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

ten aanzien van feit 2

medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Het misdrijf onder feit 1 is strafbaar gesteld bij artikel 55 in verband met artikel 26 van de Wet wapens en munitie.

De misdrijven onder feit 2 zijn strafbaar gesteld bij artikel 55 in verband met artikel 13 van de Wet wapens en munitie.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 200 uren, waarvan 100 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Hierbij heeft hij in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met haar houding ten aanzien van het pistool. Weliswaar wist verdachte van de aanwezigheid van het pistool en heeft ze gedoogd dat het wapen in huis lag, doch ze heeft eveneens tegen medeverdachte [getuige] gezegd dat ze het pistool niet in huis wilde hebben. Voorts heeft de officier van justitie bij zijn eis rekening gehouden met het feit dat verdachte op dit moment alleen de zorg draagt voor haar kinderen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat volgens de oriëntatiepunten van het LOVS voor het voorhanden hebben van de wapens, ten aanzien waarvan de verdediging meent dat die bewezen verklaard kunnen worden, telkens een geldboete op zijn plaats is. Gelet echter op de financiële omstandigheden van verdachte, heeft de verdediging verzocht geen geldboete op te leggen, maar een voorwaardelijke taakstraf of een lichte taakstraf.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft in haar auto een stroomstootwapen en een ploertendoder voorhanden gehad. Daarnaast zijn in verdachtes woning een op een pistoolmitrailleur gelijkend voorwerp en een gasdrukpistool aangetroffen. Verdachte wist dat deze voorwerpen, die door haar vriend waren aangeschaft en werden gebruikt, in de woning lagen.

Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten van het LOVS. Voor het voorhanden hebben van de betreffende wapens zijn de oriëntatiepunten geldboetes, te weten voor:

  • -

    een stroomstootwapen een geldboete van € 550,00;

  • -

    een speelgoedpistool (airsoft pistoolmitrailleur) een geldboete van € 550,00;

  • -

    een gasdrukpistool een geldboete van € 550,00 en

  • -

    een ploertendoder een geldboete van € 170,00.

Een strafverzwarende omstandigheid ten aanzien van het stroomstootwapen en de ploertendoder is het feit dat deze wapens binnen handbereik in een auto lagen.

Het bovenstaande in aanmerking nemend, is in beginsel het opleggen van een geldboete van om en nabij € 2.000,00 op zijn plaats.

Gelet echter op de nijpende financiële omstandigheden van verdachte, zal de rechtbank niet deze geldboete opleggen, maar een taakstraf van 80 uren.

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een voorwaardelijke taakstraf op te leggen, omdat zij alleen de zorg draagt voor haar beide minderjarige kinderen. De rechtbank is echter van oordeel dat het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf geen recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Voorts acht de rechtbank het niet nodig om naast de onvoorwaardelijke taakstraf nog een voorwaardelijke straf op te leggen.

8 Het beslag

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de beslaglijst ingetrokken. De rechtbank zal in deze zaak dan ook geen beslissing nemen over de inbeslaggenomen voorwerpen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf, naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en mr. C.M.W. Nobis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 september 2013.

Buiten staat

Mr. C.G.A. Wouters is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700329-13

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 17 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat zij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, met BVH-nummer 2013052528 d.d. 20 juni 2013 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 156.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2013 op de pagina’s 77, 79 en 80.

3 De kennisgeving van inbeslagneming op de pagina’s 129 (ten aanzien van feit 1c), 123 (ten aanzien van feit 2a), 125 (ten aanzien van feit 2b), 131 (ten aanzien van de ploertendoder in feit 2).

4 Het proces-verbaal van de Forensische Opsporing, Expertise Wapens, Munitie en Explosieven d.d. 24 mei 2013 op de pagina’s 101 en 102 (ten aanzien van feit 2a), 102 en 103 (ten aanzien van feit 2b).

5 Het proces-verbaal Onderzoek wapen d.d. 22 mei 2013 op pagina 94.

6 Het proces-verbaal Onderzoek wapen d.d. 22 mei 2013 op pagina 106.