Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5778

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
AWB-12_679u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aan de derde-partij verleende vergunning op grond van de Waterwet ingetrokken en beslist dat het stallen van twee vrachtauto’s en een aanhangwagen vergunningvrij is en het stallen van een europallet meldingplichtig is geworden. De (in bezwaar geconcretiseerde) aanvraag is in zoverre als een melding aangemerkt die verweerder heeft geaccepteerd. Het beroep richt zich tegen deze beslissingen. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing op bezwaar als zodanig weliswaar een besluit is, maar dat de hiervoor vermelde beslissingen geen besluit inhouden als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom niet appellabel zijn. Eiseres kan daarom met haar beroep niet bereiken hetgeen zij daarmee beoogt te bereiken namelijk dat de opslag wordt teruggebracht tot hetgeen ter plaatse is toegestaan. Daartoe dient een verzoek om handhaving te worden ingediend. De rechtbank verklaart het beroep wegens ontbreken procesbelang niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 679

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 september 2013 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres,

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres]),

en

de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, verweerder,

(gemachtigden: mr. J.E. Hodselmans en C.A.P. Geurts),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te [woonplaats vergunninghouder],

(gemachtigde: [gemachtigde vergunninghouder]).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij (hierna: [vergunninghouder]) een vergunning in het kader van de Waterwet verleend voor het maken en behouden van een opslagterrein gelegen aan de rechteroever van de rivier de Maas ter hoogte van km 92.300 in de gemeente Beesel.

Bij besluit van 10 april 2012, verzonden 12 april 2012, (het bestreden besluit) heeft verweerder op het bezwaar van eiseres beslist.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

[vergunninghouder] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Op 13 december 2010 heeft verweerder een aanvraag van [vergunninghouder] ontvangen om een vergunning in het kader van de Waterwet te verlenen voor het maken en behouden van een opslagterrein voor het plaatsen van afzetbakken/containers en machines, gelegen aan de rechter oever van de rivier de Maas ter hoogte van km 92.300 in de gemeente Beesel. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 6.5, onder c, van de Waterwet verleend. Verweerder heeft aan de vergunning een aantal voorwaarden verbonden.

3.

Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt bij verweerder. In bezwaar is onder meer aangevoerd dat de vergunning geweigerd had moeten worden omdat de belangen die artikel 2.1 van de Waterwet beoogt te beschermen, zich daartegen verzetten. Verweerder heeft vervolgens [vergunninghouder] gevraagd de aanvraag te verduidelijken en aan te geven waarop de opslag maximaal betrekking heeft. [vergunninghouder] heeft de aanvraag in die zin geconcretiseerd dat hij twee vrachtauto’s en een europallet met bouwmaterialen op zijn perceel wil stallen. [vergunninghouder] heeft de aanvraag aangevuld met het mogen stallen van een twee-assige aanhangwagen en heeft ter toelichting vermeld dat deze opslag past binnen de relevante bepalingen van het ter plaatse geldend bestemmingsplan “Kernen”. Meer is ter plaatse planologisch niet toegestaan door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel.

4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder:

  • -

    Het bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat terecht is aangevoerd dat de vergunningaanvraag niet compleet is;

  • -

    de overige aangevoerde bezwaren buiten beschouwing gelaten;

  • -

    het primaire besluit herroepen door intrekking daarvan;

  • -

    aan [vergunninghouder] goedkeuring verleend voor het stallen van een europallet met bouwmaterialen op de percelen kadastraal bekend gemeente Beesel, [sectienummers] aan de rechteroever van de rivier de Maas ter hoogte van km 92.300 in de gemeente Beesel en;

  • -

    aan eiseres een proceskostenvergoeding toegekend.

Verder heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat het stallen van twee vrachtauto’s en een aanhangwagen op genoemde percelen geen vergunningplichtige activiteiten zijn die vallen onder artikel 6.5, onder c, van de Waterwet, zodat alleen het plaatsen en behouden van de europallet beoordeeld dient te worden. In dat kader heeft verweerder overwogen dat de Waterregeling op 1 januari 2012 is gewijzigd, waardoor een ingreep als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, onder l, van de Waterregeling niet langer vergunningplichtig is, maar meldingplichtig is geworden. Om die reden is de aanvraag in zoverre als een melding aangemerkt.

5.

Eiseres betoogt in beroep dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de activiteiten, waarvoor vergunning is gevraagd, deels vergunningvrij en deels meldingplichtig zijn. Daartoe heeft eiseres aangevoerd dat de feitelijke situatie zodanig is dat van vergunningplichtige activiteiten sprake is. In de optiek van eiseres had verweerder de gevraagde vergunning moeten weigeren.

6.

De rechtbank ziet zich ambtshalve geplaatst voor de vraag of eiseres een procesbelang heeft bij het door haar ingestelde beroep.

7.

Volgens vaste jurisprudentie van de appelrechters is de bestuursrechter alleen tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen, indien het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor betrokkene feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd (recent bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) 13 februari 2013, LJN: BZ1249).

8.

De rechtbank stelt vast dat eiseres met haar beroep wil bereiken dat wordt vastgesteld dat de aangevraagde waterwetvergunning niet kan worden verleend. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het primaire besluit, waarbij vergunning was verleend, ingetrokken. Verweerder heeft in bezwaar alsnog in die zin beslist dat [vergunninghouder] is meegedeeld dat voor de aangevraagde activiteit, het stallen van twee vrachtauto’s en een aanhangwagen, geen vergunning op grond van de Waterwet is vereist en dat voor de activiteit, het plaatsen en behouden van een europallet, met een melding als bedoeld in artikel 6.14 van de Waterregeling kan worden volstaan en dat die melding is geaccepteerd.

9.

De rechtbank is verder van oordeel dat de beslissing op bezwaar als zodanig weliswaar een besluit is, maar dat de hiervoor vermelde beslissingen geen besluit inhouden als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat beide mededelingen geen (publiekrechtelijke) rechtsgevolgen hebben en daarom niet appellabel zijn.

10.

De rechtbank baseert zijn oordeel dat de mededeling dat de aangevraagde stallingactiviteiten vergunningvrij zijn, geen besluit is op vaste jurisprudentie over bestuurlijke rechtsoordelen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de stalling reeds plaatsvindt en dat het dus niet onevenredig bezwarend kan worden geacht om van eiseres te verlangen dat zij op andere wijze, namelijk door het indienen van een handhavingsverzoek, duidelijkheid verkrijgt over de vraag of de stalling op grond van artikel 6.12, tweede lid, onder f, van de Waterregeling vergunningvrij is (AbRS 20 april 2004, LJN: AT4214 en AbRS 15 januari 2006, LJN: AV0229). Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat eiseres betoogt dat de opslag op het perceel van [vergunninghouder] in werkelijkheid veel meer omvat dan in de geconcretiseerde aanvraag is vermeld. Als dat het geval is dan is het vragen om handhavend op te treden in elk geval de enige mogelijkheid om te bereiken wat eiseres wil, namelijk dat de opslag wordt teruggebracht tot hetgeen ter plaatse is toegestaan.

11.

Wat betreft de beslissing tot acceptatie van de melding in het kader van artikel 6.14 van de Waterregeling baseert de rechtbank haar oordeel dat ook in zoverre geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb op vaste jurisprudentie in milieuzaken. Tegen een beslissing tot acceptatie van een melding staat geen rechtsmiddel open (AbRS 16 oktober 1997, LJN: ZF 2964 en 11 februari 2004, LJN: AO3401). De rechtbank ziet geen reden om in het kader van de Waterwet anders te oordelen.

12.

Nu het beroep van eiseres juist gericht is tegen de beslissingen van verweerder over het ontbreken van een vergunningplicht en het bestaan van een meldingplicht, volgt uit het voorgaande dat eiseres hetgeen zij met haar beroep wil bereiken, niet kan bereiken. Het beroep is wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.

13.

Voor een proceskostenveroordeling wordt geen aanleiding gezien.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, voorzitter, mr. Th.M. Schelfhout en mr. R.J.G.H. Seerden, leden, in aanwezigheid van

mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2013.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier

w.g. mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 september 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.