Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5777

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
AWB-12_234u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning van de derde-partij voor bewoning afgewezen omdat handhavend optreden onevenredig zou zijn. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden gebruik had moeten maken. De rechtbank overweegt dat om deze beroepsgrond te kunnen beoordelen eerst de daaraan voorafgaande rechtsvraag of verweerder tot handhavend optreden bevoegd was, moet worden beantwoord. De derde-partij heeft in 1973 een onherroepelijke bouwvergunning voor het veranderen van een opslagruimte in een woonhuis gekregen en daarmee het recht om dit woonhuis als woning te gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het onderhavige geval het gebruik voor de verbouwing tot woonhuis dat geruime tijd heeft geduurd, op één lijn worden gesteld met gebruik voor bewoning in strikte zin en kan dit onder het gebruiksovergangsrecht worden gebracht. Verweerder was daarom niet bevoegd daartegen handhavend op te treden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 234

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 september 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [Woonplaats eiser], eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde eiser]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel, verweerder

(gemachtigde: mr. P.E.R. Slegers),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [Belanghebbende], te[Woonplaats belanghebbende]

(gemachtigde: [naam gemachtigde belanghebbende]).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen het gebruik door de derde-partij (hierna: [Belanghebbende]) van de woning aan de[Adres belanghebbende] voor bewoning, afgewezen.

Bij besluit van 9 januari 2012, verzonden 11 januari 2012, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

[Belanghebbende] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Bij besluit van 14 maart 1973 heeft verweerder aan [naam], de overleden echtgenoot van [Belanghebbende], een bouwvergunning verleend voor het veranderen van een opslagruimte in een woonhuis op het perceel, kadastraal bekend gemeente Beesel, sectie [sectienummer]. Bij de behandeling ter zitting heeft [Belanghebbende] desgevraagd toegelicht dat haar echtgenoot vanaf 1973 in zijn vrije tijd aan de woning heeft gewerkt. De hele bouw heeft vijf jaar in beslag genomen en in oktober 1977 zijn beiden daar permanent gaan wonen. Uit een uittreksel uit de basisadministratie van de gemeente Beesel blijkt dat [Belanghebbende] per 1 juli 1977 op het adres[Adres belanghebbende] is ingeschreven.

3.

Op 6 april 2011 heeft eiser verweerder gevraagd handhavend op te treden in die zin dat het met de vigerende bestemming strijdige gebruik van de opstal aan de[Adres belanghebbende] als ‘burgerwoning’ wordt beëindigd.

4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, waarbij het verzoek om handhaving is afgewezen, gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van de woning aan de[Adres belanghebbende] voor (burger)bewoning in strijd is met het geldende bestemmingsplan “Kernen” en het overgangsrecht niet van toepassing is. Verweerder heeft echter het belang van [Belanghebbende] zwaarder laten wegen dan het belang van handhaving van de bestemmingsplanvoorschriften. Daartoe is in aanmerking genomen dat in 1973 een bouwvergunning is verleend die het gebruik voor bewoning legaliseert. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat [Belanghebbende] er al sinds 1977 woont en - anders dan bij eiser - is verzuimd om op haar perceel een woonbestemming te leggen. Van een bewust ‘wegbestemmen’ is volgens verweerder dan ook geen sprake geweest en verweerder is voornemens bij de herziening van het bestemmingsplan ervoor te zorgen dat de woonbestemming ook op de [Adres belanghebbende] terugkeert. Handhavend optreden zou in het onderhavige geval onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, aldus verweerder.

5.

Eiser heeft aangevoerd dat waar [Belanghebbende] van hem een stipte naleving van het bestemmingsplan verlangt, dat ook voor haar heeft te gelden. Eiser heeft erop gewezen dat tussen partijen niet in geding is dat bewoning in strijd is met het geldend bestemmingsplan en dat geen beroep op het overgangsrecht kan worden gedaan. Gelet op de op verweerder rustende beginselplicht tot handhaving, de omstandigheid dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat, door verweerder nooit het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat van handhavend optreden zou worden afgezien en de omstandigheid dat geen sprake is van een bagatelovertreding, heeft eiser betoogd dat verweerder in redelijkheid niet van handhaving heeft kunnen afzien. Daarbij is nog aangevoerd dat verweerder niet heeft onderbouwd uit welke bescheiden zou blijken dat de woning destijds niet bewust is wegbestemd. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat verweerder aan het bestreden besluit een heel andere motivering ten grondslag heeft gelegd dan aan het primaire besluit, hetgeen verweerder aanleiding had moeten geven eisers bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen.

6.

De rechtbank overweegt als volgt.

7.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 27-10-2004, LJN: AR4609 en vele andere)

8.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden gebruik had moeten maken. De rechtbank dient om deze beroepsgrond te kunnen beoordelen eerst vast te stellen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij bevoegd was ter zake van de bewoning door [Belanghebbende] handhavend op te treden. Aan de thans in beroep voorliggende rechtsvraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen om van handhavend optreden af te zien, komt de rechtbank immers pas toe na beantwoording van de daaraan voorafgaande vraag of verweerder daartoe bevoegd was.

9.

Tussen partijen is niet in geding dat [Belanghebbende] in strijd met het thans geldend bestemmingsplan “Kernen” ter plaatse woont. Op grond van dit bestemmingsplan heeft haar perceel de bestemming ‘Agrarische doeleinden, zonder bebouwing (A9zb)’.

10.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het gebruik van de woning onder het gebruiksovergangsrecht valt, zodat de overtreding op grond daarvan wordt gelegaliseerd. Die vraag beantwoordt de rechtbank op grond van de navolgende overwegingen bevestigend.

11.

Ten tijde van de verlening van de bouwvergunning vigeerde ter plaatse het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan, aanwijzende de bestemmingen in hoofdzaak”, dat door de raad van de gemeente Beesel op 21 maart 1960 is vastgesteld en door Gedeputeerde Staten van Limburg op 1 april 1961 is goedgekeurd. Op grond van dit bestemmingsplan mochten ter plaatse van het perceel van [Belanghebbende] eengezinswoningen worden opgericht.

Op 20 augustus 1973 heeft de raad van de gemeente Beesel het bestemmingsplan “Algemeen bestemmingsplan Beesel 1972” vastgesteld dat door Gedeputeerde Staten van Limburg op 29 april 1974 is goedgekeurd. Op grond van dit bestemmingsplan geldt voor het perceel van [Belanghebbende] de bestemming ‘Agrarisch gebied II’. Deze bestemming laat bewoning, anders dan ten behoeve van de uitoefening van agrarische bedrijven, niet toe. Ingevolge artikel 24 van het “Algemeen bestemmingsplan Beesel 1972” mag het gebruik van opstallen, dat ten tijde van het van kracht worden van dit plan afwijkt van de voorschriften van het plan worden voortgezet.

Op 19 juli 2004 heeft de raad van de gemeente Beesel het bestemmingsplan “Kernen” vastgesteld. Ingevolge artikel 3.08, tweede lid, van het bestemmingsplan mag, indien op het tijdstip van het van kracht worden van het plan gronden en bouwwerken worden gebruikt in strijd met het in dit plan voorgeschreven gebruik, dit strijdige gebruik van gronden en bouwwerken worden voortgezet. Ingevolge het derde lid is lid 2 niet van toepassing indien het betreft gebruik dat met de in het vorige bestemmingsplan aangewezen bestemming strijdig was en welk strijdig gebruik een aanvang heeft genomen nadat dit vorige bestemmingsplan rechtskracht heeft gekregen.

12.

Ingevolge art. 3.08, derde lid, van het bestemmingsplan “Kernen” mag illegaal gebruik alleen worden voortgezet indien het een aanvang heeft genomen nadat het daaraan voorafgaande bestemmingsplan plan rechtskracht heeft gekregen. Het bestemmingsplan “Algemeen bestemmingsplan Beesel 1972” is op 29 april 1974 goedgekeurd en is, gelet op het bepaalde in artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), zoals die destijds luidde, 6 weken na die datum in werking getreden. Aan de echtgenoot van [Belanghebbende] is op 14 maart 1973 een bouwvergunning voor het veranderen van een opslagruimte in een woonhuis verleend. Deze bouwvergunning is in rechte onaantastbaar. De vraag of destijds een aanhoudingsplicht heeft gegolden, zoals door eiser ter zitting is betoogd, acht de rechtbank daarom niet relevant. Door verlening van de bouwvergunning beschikte [Belanghebbende] over een bouwtitel voor het veranderen van een opslagruimte in een woonhuis en daarmee het recht om dit woonhuis als woning te gebruiken. Vanaf 1973 heeft de overleden echtgenoot van [Belanghebbende] in de woning gewerkt. Omdat, zoals ter zitting onbestreden gebleven is verklaard, de verbouwing lange tijd in beslag heeft genomen, zijn beiden daar pas eind 1977 definitief gaan wonen. Naar het oordeel van de rechtbank kan die situatie voor de toepassing van het overgangsrecht op één lijn worden gesteld met een situatie waarin het gebruik voor bewoning meteen een aanvang zou hebben genomen. Hieruit volgt dat de overtreding door artikel 3.08, derde lid, van het bestemmingsplan “Kernen” wordt gelegaliseerd. Verweerder was dan ook niet bevoegd daartegen handhavend op te treden. Het bestreden besluit komt dan ook wegens een motiveringsgesprek als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Het daartegen ingestelde beroep is om die reden gegrond.

13.

Aangezien verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd is terzake handhavend op te treden, ziet de rechtbank om redenen van proceseconomie, nu verweerder na heroverweging geen ander besluit dan het vernietigde zal (kunnen) nemen, aanleiding om gebruik te maken van de in artikel 8:72, derde lid, van de Awb aan de rechter toegekende bevoegdheid tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

14.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

15.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1). Tevens komen de door eiser geclaimde verletkosten ad

€ 70,00 voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.014,00, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, voorzitter, mr. Th.M. Schelfhouten en mr. R.J.G.H. Seerden, leden, in aanwezigheid van

mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2013.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier

w.g. mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 september 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.