Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5680

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-09-2013
Datum publicatie
23-09-2013
Zaaknummer
AWB-13_23204u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat zijn inbewaringstelling disproportioneel is en verweerder had dienen te volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling. Hiertoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden feitelijk juist zijn en hieruit kan worden afgeleid dat er een risico bestaat op onttrekking aan het toezicht dan wel op ontwijking of belemmering van het vertrek.

Dat eiser zich, zo hij heeft gesteld, heeft gehouden aan zijn meldplicht, zijn verblijfsadres bij verweerder bekend is en hij maatschappelijk actief is, heeft de rechtbank daarbij van onvoldoende gewicht geacht om te komen tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid een lichter middel had moeten toepassen. Namens eiser is weliswaar gesteld dat hij medewerking verleent aan zijn terugkeer, uit zijn verklaringen kan die medewerking niet zonder meer worden afgeleid. Daarnaast is van belang dat de Angolese autoriteiten al hebben toegezegd voor eiser een laissez passer te verstrekken en uitzetting dus op korte termijn mogelijk is. Gelet hierop heeft verweerder niet het risico hoeven aanvaarden dat eiser zich met zijn uitzetting in het vooruitzicht zou onttrekken aan zijn verwijdering. Op grond van het vorenstaande heeft verweerder zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 23204

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2013 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. L.L.C. Habets)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2013 heeft verweerder eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarbij is tevens verzocht om schadevergoeding.

Op 16 september 2013 zijn door eiser gronden van beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser zegt te zijn geboren op [geboortedatum] en burger van Angola te zijn. Door de Angolese autoriteiten is op 28 februari 2013 toegezegd een laissez passer voor eiser te verstrekken.

2.

De rechtbank overweegt dat in deze procedure enkel aan haar ter beoordeling voorligt of – gelet op de beroepsgronden – de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de Vw 2000 en het daarbij behorende Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). De vraag of eiser al dan niet in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het zogenoemde kinderpardon kan geen onderwerp van geschil in deze bewaringsprocedure zijn. Hetgeen namens eiser in dat verband naar voren is gebracht, zal in het navolgende dan ook buiten bespreking blijven. Datzelfde geldt gelet op de vaste jurisprudentie voor wat eiser heeft gesteld over de verblijfsomstandigheden / het regime waarmee hij in het detentiecentrum te maken heeft. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO8075).

3.

De rechtbank overweegt over de rechtmatigheid van de aan eiser opgelegde bewaringsmaatregel als volgt.

4.

Eiser is op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld in het belang van de openbare orde aangezien er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft aan dit standpunt ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoel in artikel 4.21 van het Vb 2000; hij niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Daarnaast is vermeld dat eisers verzoek om een verblijfsvergunning op grond van het kinderpardon is afgewezen, hij zich niet heeft gemeld op 21 augustus 2013 en hij niet vrijwillig is vertrokken met de International Organisation for Migration (IOM). Door verweerder is op 5 september 2013 een nieuwe versie van het besluit uitgereikt, maar hiermee is, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, geen inhoudelijke wijziging beoogd. Nu het verweerder niet vrijstaat om na het opleggen van de maatregel van bewaring nieuwe gronden voor die maatregel toe te voegen, zal de rechtbank de nieuwe versie van het bestreden besluit buiten beschouwing laten.

5.

Eiser heeft bestreden dat sprake is van gevaar voor onttrekking en het ontwijken dan wel belemmeren van het vertrek of de uitzettingsprocedure. Hiertoe heeft hij gesteld dat hij na de afwijzing van zijn aanvraag betreffende het kinderpardon niet heeft voldaan aan de op hem rustende vertrekplicht omdat het voor hem praktisch onmogelijk is om Nederland te verlaten en hij bovendien goede hoop heeft om naar aanleiding van zijn bezwaar in die procedure alsnog in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning. Het op 21 augustus 2013 niet verschijnen op de zogenoemde meldplicht vertrekgesprek kan eiser niet worden verweten, nu hij op die dag een stuk naar zijn advocaat heeft gebracht. Eiser heeft daarover op zitting gesteld dat doorgaans met het overleggen van de brief betreffende de afspraak met de gemachtigde op de volgende melddatum genoegen werd genomen. Gemachtigde heeft het bestaan van de betreffende afspraak ter zitting bevestigd. Dat eiser niet vrijwillig is vertrokken met de hulp van de IOM kan volgens eiser hem evenmin worden aangerekend. Op dat moment liep immers nog een verblijfsprocedure. Daarnaast heeft eiser, anders dan verweerder stelt, wel meegewerkt aan zijn terugkeer. Hij heeft aan diverse projecten deelgenomen, een paspoort proberen te verkrijgen, de IOM ingeschakeld en samengewerkt met de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V). Gelet op het vorenstaande is de maatregel van bewaring disproportioneel en had verweerder, volgens eiser, hem dan ook niet in bewaring mogen stellen en dienen te volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Hierbij is van belang dat eiser zich heeft gehouden aan zijn tweewekelijkse meldplicht, zijn verblijfsadres bij verweerder bekend is en hij maatschappelijk actief is. Het voorgaande klemt te meer nu de staatssecretaris recent heeft aangekondigd dat hij voornemens is vreemdelingen minder vaak in vreemdelingenbewaring te stellen en vaker een lichter middel toe te passen.

6.

De rechtbank overweegt dat bij besluit van 7 augustus 2013 eisers aanvraag op grond van het zogenoemde kinderpardon is afgewezen en bij die beslissing is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en kan worden uitgezet. Niet in geschil is dat eiser sinds die datum geen rechtmatig verblijf meer in Nederland heeft. Evenmin is in geschil dat eiser de door hem tegen deze afwijzing ingediende rechtsmiddelen niet hier te lande mag afwachten. Nu eiser ondanks het vorenstaande Nederland niet heeft verlaten, heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn. Dat eiser geen aanleiding zag om Nederland te verlaten omdat hij zijn bezwaar betreffende het kinderpardon kansrijk acht, kan daaraan niet afdoen. Niet gebleken is verder dat het voor eiser praktisch niet mogelijk is om gevolg te geven aan de op hem rustende vertrekplicht. In dit verband overweegt de rechtbank dat (serieuze) pogingen van de zijde van eiser om Nederland vrijwillig te verlaten, niet met stukken zijn onderbouwd, noch blijken deze uit de door verweerder overgelegd stukken. Eisers verklaring dat de door hem op dat moment gevoerde verblijfsprocedure(s) hieraan in de weg stond(en), wordt niet door de rechtbank gedeeld. Uit de stukken komt immers naar voren dat eiser tussen 23 juli 2010 en 18 maart 2013 geen verblijfsprocedure heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden feitelijk juist en kan hieruit worden afgeleid dat er een risico bestaat op onttrekking aan het toezicht dan wel op ontwijking of belemmering van het vertrek of de uitzettingsprocedure.

7.

Dat eiser zich, zo hij heeft gesteld, heeft gehouden aan zijn meldplicht, zijn verblijfsadres bij verweerder bekend is en hij maatschappelijk actief is, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om te komen tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid een lichter middel had moeten toepassen. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser zich eenmaal niet aan zijn meldplicht heeft gehouden, zonder zich af te melden, namelijk op 21 augustus 2013. Eisers stelling dat afmelden niet nodig was omdat, zoals hij eerder zou hebben ervaren, bij een volgende meldplicht genoegen wordt genomen met een afspraakbrief van zijn gemachtigde is niet voldoende onderbouwd. Het bestaan van de afspraak is weliswaar bevestigd door de gemachtigde, maar dat eiser een afspraakbrief had en hij deze op 4 september 2013 wilde tonen, is niet gebleken.

Voorts kent de rechtbank gewicht toe aan de verklaringen die eiser tijdens de met hem gevoerde vertrekgesprekken heeft afgelegd. Namens eiser is weliswaar gesteld dat hij medewerking verleent aan zijn terugkeer, uit zijn verklaringen kan die medewerking niet zonder meer worden afgeleid. Op uitdrukkelijke vragen naar zijn bereidheid tot vertrek na afwijzing van zijn aanvraag inzake het Kinderpardon, houdt eiser zich op de vlakte en zegt hij ‘dan zijn plan te zullen trekken’. De rechtbank verwijst in dit verband met name naar het verslag van het vertrekgesprek van 20 maart 2013.

Gelet op de omstandigheid dat de Angolese autoriteiten al hebben toegezegd voor eiser een laissez passer te verstrekken en uitzetting dus op korte termijn mogelijk is, heeft verweerder niet het risico hoeven aanvaarden dat eiser zich met zijn uitzetting in het vooruitzicht zou onttrekken aan zijn verwijdering. De rechtbank verwerpt eisers stelling dat de maatregel van bewaring disproportioneel is. Eiser heeft allerlei omstandigheden aangevoerd waarom hij in Nederland wil blijven, maar dat is onvoldoende om te oordelen dat zijn belang om de procedure betreffende de afwijzing van een verblijfsvergunning op grond van het Kinderpardon in Nederland af te wachten, toch zwaarder moet wegen dan verweerders belang bij het opleggen van de maatregel van bewaring met het oog op uitzetting. De rechtbank herhaalt dat bij deze afweging niet de kans op succes in de lopende procedure over zijn verblijfsrecht kan worden betrokken. Verweerder heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.

8.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van de maatregel onrechtmatig is. Daarom acht de rechtbank het beroep ongegrond en wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Schutte, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2013.

w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier

w.g. mr. A.M. Schutte,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 september 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.