Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5558

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
03/700954-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden terzake een overval op {benadeelde partij}.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700954-12

Datum uitspraak : 18 september 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst, Op de Geer 1 te Sittard.

Raadsman is mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2013.

De rechtbank heeft op 4 september 2013 de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht terzake dat:

hij op of omstreeks 20 december 2012 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en/of een hoeveelheid goud en/of (gouden) sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- met een helm op zijn/hun hoofd [benadeelde] heeft/hebben betreden en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] een ploertendoder, in elk geval een slagwapen, althans een ander (hard) voorwerp heeft/hebben getoond en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] met die ploertendoder, in elk geval een slagwapen, althans een (hard) voorwerp (tegen zijn hoofd) heeft/hebben geslagen en/of

- die [slachtoffer] een hagelgeweer, althans een vuurwapen heeft getoond, althans in bezit van een hagelgeweer, althans een vuurwapen [benadeelde] heeft/hebben betreden.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft, zoals hij ter terechtzitting ook heeft erkend, op 20 december 2012 samen met drie andere personen [benadeelde] in Hoensbroek overvallen, waarbij aangever [slachtoffer] door een van de andere personen met een ploertendoder op het hoofd werd geslagen. Het gebruikte geweld kan volgens de officier van justitie ook aan verdachte toegerekend worden. Verdachte droeg immers ten tijde van de overval een ingekort hagelgeweer bij zich en wist tevens dat een van de andere personen een ploertendoder bij zich droeg. Onder die omstandigheid heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dergelijke wapens werden gebruikt. Voorts heeft verdachte zich, nadat [slachtoffer] met een ploertendoder op het hoofd werd geslagen, niet van de andere personen gedistantieerd, maar is hij op zoek gegaan naar goederen van zijn gading. Ook uit deze omstandigheid kan worden geconcludeerd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een van de andere personen geweld zou gebruiken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een partiële vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Volgens de raadsman kan het door een van de andere personen gebruikte geweld niet op het conto van verdachte worden geschreven. Verdachte heeft namelijk verklaard dat vooraf was afgesproken dat de ploertendoder en het ingekorte hagelgeweer louter zouden dienen ter afdreiging. Uit het dossier is gebleken dat verdachte zelf geen geweld tegen aangever [slachtoffer] heeft gebruikt en dat hij in eerste instantie bij de ingang van [benadeelde] bleef staan.

Dat verdachte vervolgens op zoek is gegaan naar geld en/of goud, maakt niet dat hij de aanmerkelijke kans op het gebruik van geweld bewust heeft aanvaard. De omstandigheid dat verdachte aangever [slachtoffer] geen strobreed in de weg heeft gelegd bij het naar buiten vluchten, vormt - aldus de raadsman - een contra-indicatie voor het bewust aanvaarden van deze aanmerkelijke kans. Voorts kan het dreigen met een hagelgeweer door het tonen en/of voorhanden hebben daarvan niet bewezen worden, nu aangever [slachtoffer] een dergelijk vuurwapen niet heeft waargenomen. Daarbij komt dat het louter vasthouden van een vuurwapen niet kan worden opgevat als dreigen met geweld.

3.3

.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 20 december 2012 kwamen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse bij de [adres] te Hoensbroek, alwaar ter hoogte van perceel 21 een overval gepleegd zou zijn. Zij zagen dat een persoon, gekleed in donkere kleding en gebruikmakend van een zwartkleurige integraalhelm, gehurkt op de grond lag in het midden van het voetgangersgebied. De verbalisanten namen waar dat deze persoon door een drietal personen in bedwang werd gehouden. Meerdere omstanders beweerden dat de persoon die werd vastgehouden de overval gepleegd had. Daarop werd deze persoon aangehouden. De aangehouden persoon gaf op te zijn [verdachte](hierna: verdachte).

Bij het bekijken van de omgeving van de vermoedelijke plaats delict zag verbalisant [verbalisant 1] dat midden in het voetgangersgebied een bromscooter op de rechterzijde lag en dat voor deze scooter een zwartkleurige fiets lag. In de directe nabijheid van deze scooter/fiets lag een gebogen ploertendoder en een dubbelloops jachtgeweer, waarvan de loop was afgezaagd.

Het bewijs 1

Op 20 december 2012 deed [slachtoffer] (hierna: aangever) aangifte terzake diefstal met geweld. Op voornoemde datum, tussen 11:30 uur en 12:00 uur, bevond aangever zich in zijn zaak, genaamd [benadeelde], gelegen aan de [adres] te Hoensbroek. Hij zag dat twee personen met een helm op hun hoofd de winkel binnenkwamen en naar hem toeliepen. Een van deze personen trok een slagstok uit zijn kleding en haalde daarmee uit naar aangever. Aangever wilde naar buiten rennen. Toen zag hij dat er nog een persoon bij de deur van zijn zaak stond. Aangever kon de deur opentrekken en naar buiten gaan. Daar zag hij nog een persoon op een scooter staan. Vervolgens kwamen de personen naar buiten. Hij zag dat een of twee personen de zaak weer inliepen en iets uit zijn bureau pakten. Daarna verlieten de personen wederom de winkel en probeerden zij te vluchten op twee scooters. Een scooter wist te ontkomen, maar de andere scooter viel door een fiets. De bestuurder van de gevallen scooter zag kans te vluchten. Aangever en een aantal andere personen konden de passagier van de scooter echter overmeesteren. Deze persoon werd daarna op de grond vastgehouden.

De buit van de overval bestond uit ingekocht goud ter waarde van ongeveer € 1.000,--.2

Door verbalisant [verbalisant 3] werden op 23 december 2012 de camerabeelden van de bewakingscamera’s van [benadeelde] bekeken. Op deze beelden is te zien dat op 20 december 2012 te 11:37:32 uur twee personen met een helm op hun hoofd de winkel via de voordeur naar binnen gaan. De eerste persoon haalt vervolgens met zijn linkerhand een ploertendoder uit zijn broekzak en loopt richting de eigenaar (de rechtbank begrijpt: aangever). Daarna komt een derde persoon, eveneens met een helm op zijn hoofd, de winkelruimte binnen met een op een vuurwapen gelijkend groot voorwerp in handen; hij blijft in de toegangsdeur staan. De aangever ziet kans om richting de uitgang van de winkel te vluchten. Daarbij wordt hij gevolgd door de twee personen. De derde persoon stapt achteruit en laat de aangever naar buiten vluchten.

Daarna is op de beelden waar te nemen dat de tweede en de derde persoon weer de winkel binnengaan. De tweede persoon doorzoekt het rechter ladenblok en de derde persoon tracht het linker ladenblok te openen. Uiteindelijk slaagt de derde persoon erin een partij wit verpakkingsmateriaal uit de onderste lade van het linker ladenblok te halen. De derde persoon legt het wit verpakkingsmateriaal op het bureau. De tweede persoon pakt vervolgens een zwarte tas uit zijn kleding, waarna beide personen naast het linker ladenblok knielen en iets van de grond oprapen. Vervolgens verlaat de tweede persoon met de zwarte zak de winkel, gevolgd door de derde persoon (tijdstip 11:38:32).3

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de periode voor 20 december 2012 door een persoon was benaderd voor het plegen van een overval op [benadeelde] te Hoensbroek. Verdachte stemde daarmee in. Naar eigen zeggen heeft hij toen op 20 december 2012 met deze persoon en nog twee andere personen bij elkaar gezeten om de overval door te spreken. Tijdens deze bijeenkomst werd verhullende kleding uitgedeeld en werden wapens, waaronder een ploertendoder, getoond die zouden worden meegenomen. Er werd afgesproken dat de wapens louter ter afdreiging zouden worden gebruikt, zodat de sieraden gemakkelijker konden worden meegenomen. Verdachte werd opgedragen tijdens de overval bij de toegangsdeur van [benadeelde] te blijven staan. Hem werd een jachtgeweer met afgezaagde loop toebedeeld.

Vervolgens is verdachte op 20 december 2012 samen met drie andere personen op twee scooters naar [benadeelde] te Hoensbroek gereden. Verdachte heeft erkend dat hij de persoon was die aanvankelijk in de toegangsdeur bleef staan. Toen verdachte zag dat een van de andere personen de ploertendoder hanteerde, schrok hij. Verdachte liet de aangever naar buiten vluchten. Daarna is verdachte samen met een andere persoon de winkel weer binnen gegaan en heeft hij enkele zakjes uit het linker ladenblok gepakt, welke door de andere persoon mee naar buiten werden genomen.4

Op grond van de aangifte van [slachtoffer], het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen bij [benadeelde] goud en/of gouden sieraden heeft weggenomen, waarbij gedreigd werd met geweld.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat het oogmerk van verdachte gericht was op het plegen van geweld teneinde de diefstal voor te bereiden.

Verdachte heeft daarover verklaard dat voorafgaand aan de overval expliciet was afgesproken dat de overval niet gepaard zou gaan met geweld en dat de wapens louter zouden worden gebruikt ter afdreiging. De door de officier van justitie genoemde omstandigheden, te weten dat verdachte wist dat er wapens werden meegenomen en dat verdachte, nadat aangever door een van de andere personen met een ploertendoder werd geslagen, de overval heeft doorgezet, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om van een dergelijk oogmerk te kunnen spreken. Dat er wel geweld is gebruikt staat vast, maar de rechtbank acht aannemelijk geworden dat dit geweldsgebruik niet strookte met het opzet van verdachte. De rechtbank zal verdachte derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Voorts acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte aangever heeft bedreigd door hem een hagelgeweer te tonen dan wel de winkel met een hagelgeweer te betreden, nu geen bewijs voorhanden is dat aangever een dergelijk wapen heeft waargenomen. Verdachte heeft weliswaar een voor een bedreiging uiterst geschikt wapen meegenomen en dat met de bedoeling om te dreigen, maar voor een bewezenverklaring dient vast te staan dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. Dat blijkt hier echter niet. Van de bewezenverklaring van een bedreiging met geweld kan in dat geval geen sprake zijn. De rechtbank zal verdachte ook van de daarop betrekking hebbende onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 20 december 2012 te Hoensbroek, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid goud en/of (gouden) sieraden, toebehorende aan [benadeelde], welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders

- met een helm op hun hoofd [benadeelde] hebben betreden en

- vervolgens die [slachtoffer] een ploertendoder hebben getoond.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - indien de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het geweld zou komen - zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, zijnde het toepasselijke LOVS-oriëntatiepunt. Bij de op te leggen straf dient rekening te worden gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte, het feit dat hij de afgelopen jaren niet terzake misdrijven met politie en justitie in aanraking is gekomen en de omstandigheid dat verdachte geen initiërende rol heeft gespeeld bij de overval.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte en drie onbekend gebleven personen zijn op 20 december 2012 op twee scooters naar [benadeelde] te Hoensbroek gereden met het doel om deze winkel te overvallen. Terwijl twee personen met hun helm op de winkel binnengingen en aangever met een ploertendoder belaagd werd door een van hen, stond verdachte in de toegangsdeur van de winkel met een, naar later bleek geladen, dubbelloops jachtgeweer.

Nadat aangever kans zag om de winkel uit te vluchten, is verdachte samen met een van de andere personen de winkel weer binnen gegaan en heeft hij de ladenblokken doorzocht. De buit bestond uit een hoeveelheid goud ter waarde van ongeveer € 1.000,--.

Een winkeloverval is een zeer ernstig misdrijf en slachtoffers kunnen - naar de ervaring

leert - nog lang last houden van de psychische gevolgen van een dergelijk misdrijf.

Uit het schade-onderbouwingsformulier van aangever blijkt dat hij gevoelens van angst en onveiligheid aan de overval heeft overgehouden. Verder heeft het handelen van verdachte en de andere personen bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het in de [adres] aanwezige winkelende publiek zal waarschijnlijk nog vaak met verbazing en verontrusting terugdenken aan de overval op klaarlichte dag waarvan het ongevraagd en onverlangd getuige werd.

Verdachte en de andere personen hebben zich bij hun handelen enkel laten leiden door eigen geldelijk gewin en er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen en het psychisch welzijn van een ander. De rechtbank acht dit alles bijzonder ernstig. Dat verdachte er daarbij geen been in zag de kans van slagen van het plan te verhogen door ter afdreiging gebruik te willen maken van een zeer gevaarlijk vuurwapen, acht de rechtbank eveneens bijzonder ernstig. Weliswaar is de bedreiging met het vuurwapen niet bewezenverklaard, maar het is wel een omstandigheid die bij de strafmaat betrokken kan en moet worden, nu dit een indicatie geeft hoe ernstig de belustheid op eigen gewin en de bereidheid tot voorbijgaan aan het welzijn van de ander bij verdachte was.

Voor een winkeloverval waarbij er sprake is van bedreiging of licht geweld, nemen de oriëntatiepunten van het LOVS een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren als uitgangspunt. De rechtbank neemt dit eveneens als uitgangspunt.

In strafverzwarende zin neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte en de andere personen professioneel te werk zijn gegaan. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat er een voorverkenning heeft plaatsgevonden en dat vooraf een taakverdeling is gemaakt. Voorts betrekt de rechtbank hierbij dat verdachte en de andere personen onherkenbaar waren, doordat zij allen donkere kleding en helmen droegen. Tevens neemt de rechtbank in strafverzwarende zin in aanmerking dat verdachte en zijn medeverdachten bij de overval gebruik hebben gemaakt van wapens. De omstandigheid dat de overval plaatsvond op klaarlichte dag, te midden van het winkelend publiek, werkt naar het oordeel van de rechtbank eveneens strafverzwarend.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden. Zij zal die straf dan ook aan verdachte opleggen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank acht, mede gelet op de ernst van het feit, geen termen aanwezig om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. De rechtbank overweegt dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldingsgebod en enkele gedragsinterventies, eventueel als voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen worden verbonden.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding van € 568,08 gevorderd, waarvan € 350,-- aan immateriële schade.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een integrale toewijzing van de schadevergoeding gevorderd.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om de schadevergoedingsmaatregel voor het gehele bedrag aan verdachte op te leggen.



7.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag niet onredelijk is.



7.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de materiële schade voor wat betreft het eigen risico van de zorgverzekeraar niet voor toewijzing in aanmerking komt, nu dit bedrag een gevolg is van het toegepaste geweld en verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Dit maakt dat dit deel van de gevorderde materiële schade niet als een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit kan worden gezien, reden waarom de rechtbank de vordering voor dat gedeelte zal afwijzen. Het overige bedrag aan materiële schade ad € 17,08 kan worden toegewezen.

De rechtbank is evenzeer van oordeel dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

Zij acht het bedrag ad € 350,-- alleszins redelijk, reden waarom zij de vordering voor dat bedrag zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2012.

De rechtbank zal verdachte tevens veroordelen in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

De rechtbank zal voorts aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 367,08 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2012, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis, te betalen ten behoeve van [slachtoffer], [adres], zoals hierna in het dictum genoemd.

8 Het beslag

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen hagelgeweer vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, nu het een voorwerp betreft met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid. Tevens is het voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres], van een bedrag van 367,08 euro (driehonderd zevenenzestig euro en acht eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente van 20 december 2012 tot aan de dag van volledige voldoening;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2012;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer] vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd met 1.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. A.J. Hazen en mr. R.M.M. Kleijkers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Bouts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 september 2013.

Buiten staat

Mr. R.M.M. Kleijkers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700954-12

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 18 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 4 september 2013 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd 1 t/m 172 d.d. 21 mei 2013 (zaaksdossier) en 30 mei 2013 (persoonsdossier) en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 20 december 2012, p. 95/96

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 december 2012, p. 116/117

4 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 4 september 2013