Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5503

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
AWB-13_227u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderhavige zaak betreft een herhaalde asielaanvraag. Als novum stelt de vreemdeling onder meer dat hij is bekeerd. Voorts stelt hij ernstige psychische problemen te hebben. In een parallelle procedure is aan eiser door verweerder uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000 wegens de voornoemde psychische problematiek. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze de psychische gesteldheid van eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag is verdisconteerd in de bestreden besluitvorming. Verweerder heeft niet kunnen volstaan met de overweging dat de medische situatie van eiser niet leidt tot een situatie waarbij bij uitzetting naar het land van herkomst sprake zal zijn van schending van artikel 3 van het EVRM. Nu uit het bestreden besluit niet blijkt op welke wijze rekening is gehouden met de psychische problemen van eiser en hoe verweerder de psychische gesteldheid van eiser heeft geduid in relatie tot de (mogelijke) invloed hiervan op de verklaringen van eiser gedurende het voornoemd gehoor, kan de rechtbank geen zorgvuldige beoordeling gegeven over de gestelde bekering in het kader van artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13 / 7178

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2013 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Talsma).

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraakse nationaliteit. Eiser heeft op 6 maart 2013 de eerder genoemde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingediend. Voorafgaande aan die aanvraag, op 25 januari 2006 en op 2 september 2011, heeft eiser eveneens aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2.

Aan zijn eerste aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij en zijn vader als vermeende tegenstanders van de Baath partij gevangen zijn genomen en gemarteld. Nadat zij weer zijn vrijgelaten en het regime ten val is gekomen hebben zij auto’s aan de Amerikanen verkocht. Hierdoor zijn eiser en zijn vader bedreigd door terroristen. Zij hebben geprobeerd om de terroristen af te kopen, maar uiteindelijk hebben ze eisers vader vermoord. Vervolgens is eiser bedreigd en uit het Irak gevlucht.

3.

Verweerder heeft bij besluit van 7 juni 2007 de aanvraag van 25 januari 2006 ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Bij besluit van 24 maart 2010 is de verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verder is aan eiser artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d en f, van de Vw 2000 tegengeworpen en is zijn asielrelaas ongeloofwaardig bevonden. Het hier tegen gericht beroep is bij uitspraak van 3 november 2010 door deze rechtbank ongegrond verklaard. Aangezien hiertegen geen hoger beroep is ingesteld is dit oordeel in rechte onaantastbaar geworden.

4.

Aan zijn tweede aanvraag van 2 september 2011 heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij samen met zijn overleden oom gespioneerd heeft voor de Amerikanen, als gevolg waarvan personen zijn opgepakt en gedood. Hij wordt hierdoor door zijn schoonvader bedreigd en zijn oom en neef zijn vermoord. Eiser verkeert in psychische nood.

Verweerder heeft bij besluit van 12 september 2011 eisers tweede aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van

3 oktober 2011 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zutphen (AWB 11/29544) het hiertegen gericht beroep ongegrond verklaard.

5.

Aan zijn nieuwe aanvraag van 6 maart 2013 heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij tijdens de vorige aanvragen niet de juiste identiteit heeft opgegeven. Voorts heeft eiser een aantal documenten overgelegd. Verder heeft hij verklaard dat hij zijn vrouw en dochter is kwijtgeraakt, dat hij sinds 2010 op straat leeft en dat hij psychische problemen heeft. Daarnaast stelt eiser zich te hebben bekeerd tot het christendom. Verweerder heeft deze aanvraag bij het thans bestreden besluit afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb waarbij verweerder over eisers gestelde bekering tot het christendom heeft overwogen dat deze ongeloofwaardig is en derhalve, zo begrijpt de rechtbank, geen novum oplevert in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

6.

Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft aangevoerd dat aan zijn bekering dient te worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Hij is gedoopt en bezoekt de kerk om daar te bidden tot God. Eiser heeft zijn bekering dan ook voldoende aannemelijk gemaakt. Hij heeft uit een innerlijke overtuiging gekozen voor het christendom. Reeds in Mosul heeft hij de kerk bezocht. Eiser heeft zich laten dopen omdat hij naar eigen zeggen herboren is. Eiser is nog maar onlangs begonnen met het bestuderen van de bijbel. Daarnaast is eiser van mening dat het niet noodzakelijk is om innerlijk bekeerd te zijn. Hij is daarom nog niet op de hoogte van alle stromingen binnen het christelijk geloof. Door zijn medische klachten kan eiser namen en dergelijke niet goed onthouden. Verweerder heeft zowel tijdens het gehoor als bij het beslissen onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische problemen. Met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 5 september 2012 heeft eiser gesteld dat terugkeer naar Irak in strijd is met het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

7.

Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

8.

Op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerder afwijzende beschikking.

9.

Artikel 4:6 van de Awb geeft voor de bestuurlijke besluitvorming invulling aan het algemene rechtsbeginsel, volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). De bepaling verleent het bestuur de bevoegdheid om een herhaalde aanvraag, waaraan geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, doch laat het vrij om inhoudelijk over een dergelijke aanvraag te beslissen.

10.

Het algemeen beginsel dat aan artikel 4:6 van de Awb ten grondslag ligt geldt ook voor de rechtspraak: buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen, kan eenzelfde geschil niet nogmaals aan de rechter worden voorgelegd. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur, niet voorziet in discretie, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode open staat.

11.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7124) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova, enkelvoud novum) zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

12.

Onder nova moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na de eerder beslissing zijn voorgevallen of die niet vóór die beslissing konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van de eerdere beslissing konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nova die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan de eerdere beslissing en de overwegingen waarop die rust, kan afdoen.

13.

Naar het oordeel van de rechtbank is de onderhavige aanvraag, gelet op de overeenkomsten met de aanvragen van 25 januari 2006 en van 2 september 2011, aan te merken als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Derhalve treedt de rechtbank direct in de vraag of aan de aanvraag die geleid heeft tot het bestreden besluit, nova ten grondslag zijn gelegd.

14.

De rechtbank is van oordeel dat het door eiser overgelegde paspoort en de kopie van zijn nationaliteitskaart niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, omdat eiser deze documenten bij zijn eerdere aanvragen had kunnen en derhalve had moeten overleggen. Ook de door eiser gestelde juiste identiteit kan niet worden aangemerkt als een dergelijk feit of omstandigheid, omdat hij deze identiteit had kunnen, en derhalve behoren op te geven bij zijn eerdere aanvraag.

15.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de gestelde omstandigheid dat eiser zijn echtgenote en dochter is kwijtgeraakt niet af kan doen aan het besluit van 24 maart 2010, nu bij dit besluit eisers asielrelaas ongeloofwaardig is geacht en dit besluit inmiddels in rechte vast staat.

16.

Ook de door eiser overgelegde foto’s kunnen niet afdoen aan het eerdere besluit van 24 maart 2010, omdat daaruit niet blijkt dat eisers asielrelaas alsnog geloofwaardig moet worden geacht. Deze foto’s kunnen derhalve niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

17.

De rechtbank is van oordeel dat eisers stelling dat hij vanaf 2010 op straat leeft niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid, omdat op voorhand is uitgesloten dat deze stelling kan afdoen aan het eerdere besluit van 24 maart 2010. Deze stelling kan immers bij de beoordeling of eiser in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van de Vw 2000 geen rol spelen.

18.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser onbestreden verklaard dat eiser meerdere pogingen tot zelfmoord heeft gedaan en dat hem op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek is verleend wegens zijn ernstige psychische problemen. In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met deze psychische problemen gedurende het gehoor en bij het nemen van de beslissing. Met name bij de beoordeling van de bekering hebben de psychische beperkingen van eiser een grote rol gespeeld.

19.

Verweerder heeft betoogd dat rekening is gehouden met de psychische gesteldheid van eiser en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn psychische problemen van invloed waren op zijn verklaringen. Ter onderbouwing van dit betoog heeft verweerder ter zitting er op gewezen dat tijdens het gehoor is gepauzeerd toen eiser emotioneel en agressief werd.

20.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat, en zo ja op welke wijze, rekening is gehouden met de psychische beperkingen van eiser bij het gehoor opvolgende aanvraag van 8 maart 2013 en bij het nemen van het bestreden besluit. In het rapport van gehoor opvolgende aanvraag staat dat eiser heeft verklaard dat hij gesprekken heeft met de psychiater van het Leger des Heils, dat het heel slecht met hem gaat, dat hij veel medicijnen gebruikt, dat hij onder behandeling van heel veel artsen staat (pagina 3) en dat hij in Duitsland was opgenomen (pagina 4). Voorts heeft hij verklaard dat hij psychisch gebroken is (pagina 14) en heeft de rapporteur opgemerkt dat eiser emotioneel en agressief wordt (pagina 15) waarna een pauze is gehouden in het gehoor. In de correcties en aanvullingen op voornoemd rapport heeft de gemachtigde van eiser opgemerkt dat eiser ernstige psychische klachten heeft en suïcidaal is. Eiser heeft verweerder verzocht om hem medisch te laten onderzoeken. Gelet op deze verklaringen, het door verweerder verleende uitstel van vertrek wegens zijn psychische problemen en de verklaringen van beide partijen ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze de psychische gesteldheid van eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag is verdisconteerd in de bestreden besluitvorming. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit aldus niet kunnen volstaan met de overweging dat de medische situatie van eiser niet leidt tot een situatie waarbij bij uitzetting naar het land van herkomst sprake zal zijn van schending van artikel 3 van het EVRM.

21.

Nu uit het bestreden besluit niet blijkt op welke wijze rekening is gehouden met de psychische problemen van eiser en hoe verweerder de psyschische gesteldheid van eiser heeft geduid in relatie tot de (mogelijke) invloed hiervan op de verklaringen van eiser gedurende het voornoemd gehoor, kan de rechtbank geen zorgvuldige beoordeling geven over de gestelde bekering. Het is nu immers niet duidelijk welke waarde gehecht moet worden aan eisers verklaringen. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank niet kan beoordelen of de gestelde bekering een novum is in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

22.

Het bestreden besluit is gelet op het vorenstaande onvoldoende gemotiveerd.

23.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

24.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.M.M. Gijselaers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2013.

w.g. F. Schulmer,

griffier

w.g. R.A.M.M. Gijselaers,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 4 september 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.