Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:5501

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
03/700193-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:1530, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag; geen onvoltooide poging/vrijwillige terugtred; gevangenisstraf van vier jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700193-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 september 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsvrouw is mr. S.C.H. Poelman, advocaat te Brunssum.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 18 juni en 3 september 2013, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd zijn moeder te doden.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangeefster heeft verklaard dat verdachte degene is die haar in haar woning heeft proberen te wurgen. Er is geen enkele aanleiding om aan deze aangifte te twijfelen. Verder heeft verdachte aantoonbaar gelogen in zijn verklaringen en heeft hij zijn verhaal keer op keer bijgesteld.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft niet geprobeerd zijn moeder te wurgen. Toen hij thuis kwam trof hij haar aan en heeft toen zelf de buren gealarmeerd en 112 gebeld. Verdachte is van meet af aan consistent in zijn verklaring dat hij zijn moeder niets heeft aangedaan. Enig motief daartoe ontbreekt ook.

Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat de vermeende verwurging, die verdachte stellig ontkent te hebben gepleegd, niet is voltooid door actief handelen van verdachte.

Meer subsidiair komt uit het dossier niet naar voren dat het slachtoffer zou zijn komen te overlijden zonder tussenkomst van de buren en de ambulancebroeders.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 17 maart 2013 is door een surveillance-eenheid van de politie een onderzoek ingesteld op de afdeling Spoedeisende Hulp van het AZM. Door medewerkers van de ambulancezorg was een melding gedaan dat zij op 17 maart 2013 een vrouw, genaamd [slachtoffer], vanaf het adres [adres] te Maastricht naar het AZM hadden gebracht.

Uit medische informatie betreffende [slachtoffer] is naar voren gekomen dat aan de linker achterzijde in de nek een tweetal horizontaal verlopende huidverkleuringen zichtbaar zijn. Ook aan de linkerzijde van de hals lopen in de richting van de keel twee rode huidverkleuringen. Aan de rechterzijde van de hals zijn eveneens een aantal rode huidverkleuringen zichtbaar. Ook heeft zij een rood aangezicht. Conclusie is dat deze letsels het gevolg zijn van stomp, langsschurend geweld. Het is niet duidelijk of het rode gelaat ook door stuwing veroorzaakt zou kunnen zijn.2

Op 18 maart 2013 is [slachtoffer] kort door de politie gehoord. Zij heeft toen verklaard dat haar zoon, [verdachte], haar in haar woning aan de [adres] te Maastricht heeft gewurgd met een veter of een stukje touw.3 Op 25 maart 2013 heeft [slachtoffer] een uitgebreide verklaring afgelegd. Zij heeft toen verklaard dat zij op 17 maart 2013 samen met verdachte en diens zoon [naam] in genoemde woning was. Na het eten, omstreeks 17.15-17.30 uur, ging [naam] naar het busstation. Zij en verdachte bleven in de woning. Op een gegeven moment kwam verdachte naar haar toe gelopen en draaide een koordje om haar nek. De uiteindes hield hij vast en draaide hij rond, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Vervolgens pakte verdachte haar met beide handen vast om haar hals en begon te drukken tegen haar strottenhoofd tot zij weg viel.4

Verdachte heeft ontkend dat hij degene is die [slachtoffer] iets heeft aangedaan. Hij heeft verklaard dat hij zijn zoon [naam] is gevolgd naar het busstation, om te kijken of hij wel echt de bus naar huis zou nemen. Zijn zoon is rond 17.20 uur of 17.25 uur vertrokken uit de woning van [slachtoffer]. Om 17.48 uur zag hij dat de bus waarin zijn zoon was gestapt, vertrok. Door zijn handicap doet hij er ongeveer een half uur over om van het busstation naar de woning van [slachtoffer] te lopen, aldus verdachte. Toen hij terug kwam in de woning van [slachtoffer] trof hij haar onderuit gezakt in een stoel aan en zag hij bloed op de grond liggen. Hij is toen meteen naar de buren gegaan en vervolgens heeft hij 112 gebeld.

Uit de telefoongegevens5 van verdachte blijkt dat om 18:52 uur naar het alarmnummer 112 is gebeld.

De buurvrouw, [getuige 1], heeft verklaard dat zij omstreeks 18:12 uur zag dat verdachte buiten een sigaret stond te roken. Daarna is ze gaan eten en de was gaan doen. Opeens hoorde ze haar dochter roepen dat er iets met de buurvrouw was. [getuige 1] is toen naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Zij zag dat verdachte buiten stond en aan het bellen was. Binnen gekomen zag zij [slachtoffer] hangen in een stoel. Haar hoofd hing helemaal naar achteren en er lag bloed op de grond. Zij voelde aan de onderkant van haar kin om te kijken of ze iets kon voelen of horen. Ze voelde en hoorde niets. Ze heeft verdachte herhaaldelijk om zijn telefoon gevraagd teneinde 112 te kunnen bellen. Ondertussen heeft zij [slachtoffer] op de grond gelegd die daarbij in het geheel niet blijk gaf van enige reactie. Door de meldkamer van 112 werd gevraagd of zij kon reanimeren. [getuige 1] heeft hier ja op geantwoord en is hiermee begonnen. Toen zij voor de derde keer op de borst drukte kwam er bloed uit de mond van [slachtoffer] en kwam ze een beetje bij. Zij voelde toen dat [slachtoffer] weer een beetje ademde. Toen kwam het ambulancepersoneel. Die plaatsten een buisje in haar keel en toen kwam er bloed naar buiten. De buurvrouw heeft verder verklaard dat zij al veel heeft gezien vanwege het feit dat ze EHBO heeft en in een park werkt, maar dit had ze nog nooit gezien.6

De dochter van de buurvrouw, [getuige 2], heeft verklaard dat verdachte om 18:45 uur op het raam klopte en zei dat er iets met zijn moeder aan de hand was. [getuige 2] trof [slachtoffer] in een eetkamerstoel aan. Zij is vervolgens haar moeder gaan halen en verdachte heeft 112 gebeld.7

De verwurging

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of iemand [slachtoffer] heeft getracht te wurgen. De raadsvrouw heeft immers aangevoerd dat hiervoor geen bewijs voorhanden is nu het letsel niet eenduidig is. Misschien is [slachtoffer] - waarvan vast staat dat zij veel alcohol gedronken had - wel gevallen tegen een voorwerp, bijvoorbeeld een kast.

De rechtbank deelt die mening niet. In de eerste plaats niet vanwege haar eigen verklaring, luidende dat zij gewurgd is met een koord. Het geconstateerde letsel – rode striemen in de nek - past hierbij en niet bij een val. Verder is het voor de rechtbank moeilijk voorstelbaar dat [slachtoffer] zo hard tegen een voorwerp is gevallen dat zij daardoor het bewustzijn is verloren, maar dat zij wel eerst nog in een stoel is gaan zitten.

De dader

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is de vraag of er voldoende bewijs voorhanden is dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] heeft proberen te wurgen.

De rechtbank is van oordeel dat dit bewijs inderdaad voorhanden is. De rechtbank baseert dit oordeel in de eerste plaats op de verklaring van [slachtoffer] die heeft verklaard dat verdachte degene is die geprobeerd heeft haar te wurgen.

Met betrekking tot de geloofwaardigheid van deze verklaring merkt de rechtbank op dat de rechtbank het zich niet kan voorstellen dat, indien het niet haar zoon zou zijn geweest die zou hebben geprobeerd haar te wurgen maar een vreemde indringer, zij deze vreemde indringer in bescherming zou hebben willen nemen ten koste van haar zoon door hem als de dader aan te wijzen. Uit het dossier blijkt dat behalve zijn moeder zich niemand om verdachte bekommerde. Zij was de enige die hem opving en bij haar thuis liet slapen zodat in de relatie tussen [slachtoffer] en haar zoon voor een dergelijk “plot” geen enkele aanwijzing te vinden is.

De verklaring van verdachte acht de rechtbank bovendien niet geloofwaardig. Indien verdachte om 17:48 uur vanaf het busstation zou zijn vertrokken naar de woning, zoals hij heeft verklaard, en hij hier naar eigen zeggen ongeveer een half uur over heeft gedaan, dan zou hij pas rond 18:20 uur weer in de woning terug zijn geweest.

Uit de verklaring van buurvrouw [getuige 1] blijkt echter dat zij hem omstreeks 18:12 uur bij de woning een sigaret heeft zien roken. Zij weet dit zeker, omdat zij op dit tijdstip een sms-bericht8 ontving van de zus van verdachte met het verzoek even bij haar moeder te gaan kijken of daar alles in orde was. De zus van verdachte heeft verklaard dat zij om 18:03 uur een telefoontje van haar moeder had gekregen met het verzoek of ze langs wilde komen, omdat moeder ruzie had met verdachte. Moeder durfde niet met de buurvrouw te bellen, omdat verdachte buiten stond te roken en zij bang was dat hij het zou merken. Aangezien de zus van verdachte op dat moment onderweg was naar de huisartsenpost heeft zij de buurvrouw een sms gestuurd met het verzoek om even te gaan kijken.9 De buurvrouw heeft toen naar buiten gekeken om te zien of ze iets vreemds zag en zag verdachte een sigaret roken.

De verklaring van verdachte is ook om een andere reden ongeloofwaardig. Indien hij inderdaad naar het busstation zou zijn gegaan en van daaruit rond 17.48 uur weer naar de woning van [slachtoffer] zou zijn gelopen, dan zou hij daar – uitgaande van zijn eigen verklaring – omstreeks 18:20 uur zijn aangekomen. Verdachte heeft verklaard dat hij bij zijn thuiskomst [slachtoffer] gewond aantrof en dat hij toen meteen hulp is gaan halen bij de buren.

Uit de verklaring van de getuige [getuige 2] (de dochter van de buurvrouw) blijkt echter dat verdachte pas om 18:45 uur op het raam van de buren heeft geklopt en volgens de telefoongegevens is pas om 18:52 uur door verdachte naar 112 gebeld. Indien wordt uitgegaan van de tijden/tijdstippen die verdachte noemt, was hij dus al 25 minuten thuis voordat hij hulp ging halen. Dit strookt niet met zijn verklaring dat hij [slachtoffer] bij thuiskomst gewond aantrof en meteen hulp is gaan halen.

De rechtbank is gelet op de hierboven genoemde verklaringen van de buurvrouw, de dochter van de buurvrouw en de zus van verdachte van oordeel dat de verklaringen van verdachte dat hij niet in de woning was toen [slachtoffer] werd gewurgd en dat hij haar op haar stoel heeft gevonden en meteen hulp is gaan halen ongeloofwaardig zijn. De rechtbank is op basis van genoemde verklaringen van oordeel dat verdachte de woning van [slachtoffer] niet heeft verlaten toen zijn zoon naar de bushalte ging, maar daar is gebleven. De rechtbank is tevens van oordeel dat [slachtoffer] nog ongedeerd was toen zij rond 18:03 uur met haar dochter belde. Verdachte stond rond diezelfde tijd buiten de woning een sigaret te roken. Aangezien er geen enkele aanwijzing is dat er na dat tijdstip iemand anders in de woning is geweest die [slachtoffer] heeft geprobeerd te wurgen en [slachtoffer] verdachte aanwijst als de dader, is er voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte degene is geweest die zijn moeder heeft geprobeerd te wurgen.

Opzet

Vervolgens is de vraag aan de orde of verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Uit de verklaring van verdachte kan dat opzet niet worden afgeleid. Uit de verklaring van [slachtoffer] leidt de rechtbank af dat verdachte [slachtoffer] een touw of koord om de hals heeft gedaan en dit vervolgens heeft aangetrokken, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Ook heeft verdachte haar daarna met beide handen om de hals vastgepakt en deze dichtgeknepen, waardoor [slachtoffer] wederom geen lucht kreeg en het bewustzijn verloor. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat [slachtoffer] niet aanspreekbaar was op het moment dat zij haar aantroffen en dat zij haar zelfs hebben moeten reanimeren. Zij begon pas daarna weer een beetje te ademen.

De rechtbank is gelet op deze verklaringen van oordeel dat verdachte de keel van [slachtoffer] met zoveel kracht en gedurende zo lange tijd heeft dichtgehouden dat zij buiten bewustzijn is geraakt, niet meer ademde en moest worden gereanimeerd. Verdachte heeft zich daarmee op zijn minst blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn moeder hierdoor zou komen te overlijden. Verdachte heeft die aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard. Het zo lang dichtgeknepen houden van iemands keel totdat die persoon het bewustzijn verliest is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd zijn moeder te doden.

Onvoltooide poging/vrijwillige terugtred

De raadsvrouw heeft subsidiair nog gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat er sprake is van een vrijwillige terugtred dan wel van een onvoltooide poging. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, waardoor zij niet kon ademhalen en zelfs het bewustzijn heeft verloren. De buurvrouw trof haar bewegingloos aan op een stoel. Pas nadat zij met reanimeren was gestart begon [slachtoffer] weer te ademen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zodanig “begin van uitvoering” dat gesproken kan worden van een voltooide poging.

Voor een beroep op vrijwillige terugtred is vereist dat verdachte uit zich zelf, zonder invloed van buiten af, tot inkeer is gekomen. Daarvoor heeft de rechtbank geen enkele aanwijzing in het dossier aangetroffen. In de eerste plaats heeft verdachte zelf daar niets over verklaard, maar komt het beroep uit de mond van de raadsvrouw, zonder enige feitelijke onderbouwing. De rechtbank merkt daar bij op dat het feit dat verdachte niet direct zelf 112 heeft gebeld, maar eerst naar de buren is gegaan en pas na aandringen van de buurvrouw 112 is gaan bellen, het beroep niet sterker maakt. Verder gaat de rechtbank er van uit dat verdachte de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen tot zij niet meer bewoog en geen teken van leven meer gaf. Zo is zij immers door de buurvrouw aangetroffen. Dat duidt volgens de rechtbank niet op “tot inkeer komen” maar op doorgaan tot men denkt dat het feit is uitgevoerd.

Gelet hierop en op de aard van de reeds verrichte gedragingen is de rechtbank van oordeel dat er niet alleen gesproken kan worden van een voltooide poging, maar acht de rechtbank het tevens niet aannemelijk dat er bij verdachte sprake is geweest van vrijwillige terugtred.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 17 maart 2013 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], zijnde de moeder van verdachte, van het leven te beroven, met dat opzet een koord/touw om de nek en/of hals van die [slachtoffer] heeft gedraaid en vervolgens dat koord/touw heeft aangetrokken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] het bewustzijn heeft verloren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1

De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

4.2

De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de verdachte is door H.E.M. van Beek, psychiater, een psychiatrisch onderzoek naar de geestesvermogens van verdachte ingesteld. Van dit onderzoek heeft de psychiater een rapport opgemaakt, gedateerd 22 mei 2013. Dit rapport vermeldt als conclusie dat onderzochte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Of dat ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit wel zo was, heeft de psychiater niet kunnen vaststellen omdat onderzochte dit ontkent. Over de toerekeningsvatbaarheid heeft de psychiater derhalve evenmin een conclusie kunnen geven.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van het voorarrest.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij verzocht eerdere rapporten omtrent de persoon van verdachte buiten beschouwing te laten en rekening te houden met het feit dat verdachte nooit eerder ter zake van een levensdelict is veroordeeld.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn 65-jarige moeder. Een zeer ernstig geweldsdelict, dat voor het slachtoffer evengoed veel slechter had kunnen aflopen. Verdachte heeft het slachtoffer met een koordje of touw en later ook met zijn handen zolang gewurgd dat zij het bewustzijn is verloren. Het is niet aan enige verdienste van verdachte te danken dat het slachtoffer deze aanval heeft overleefd. Pas na reanimatie door de buurvrouw begon het slachtoffer weer te ademen. Gelet op de aard van het letsel en het feit dat het slachtoffer enige tijd buiten bewustzijn is geweest, was een fatale afloop zeker niet ondenkbaar. Dit soort misdrijven roept niet alleen bij het slachtoffer, maar ook in de samenleving gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid op. Het voorgaande rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Daarbij komt dat verdachte geen vaste woon- en verblijfplaats heeft en regelmatig bij zijn moeder kon verblijven. De maanden voorafgaand aan het delict heeft hij in de woning van zijn moeder verbleven, waar in de weekeinden ook zijn zoon terecht kon. Het slachtoffer vervulde dan ook een hulpverlenende rol in het leven van verdachte, wat het voor de rechtbank nog onbegrijpelijker maakt dat verdachte haar van het leven heeft willen beroven.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van een aanzienlijke duur. Met de op te leggen straf wil de rechtbank verdachte duidelijk maken dat zijn gedrag niet getolereerd wordt door de samenleving.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van vier jaar, met aftrek van het voorarrest.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.472,03, waarvan € 722,03 ter zake van materiële schade en € 750,- ter zake van immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering ten aanzien van de immateriële schade geheel toe te wijzen. Met betrekking tot de gevorderde materiële schade heeft hij naar voren gebracht dat de benadeelde partij ten aanzien van de post “gestolen contant geld” niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu onvoldoende uit het dossier naar voren komt dat verdachte € 200,- uit de woning van zijn moeder heeft gestolen. De overige posten ad

€ 522,03 dienen volgens de officier van justitie wel te worden toegewezen. Tevens heeft hij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

Primair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit en derhalve niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij. Subsidiair heeft zij het volgende naar voren gebracht.

De opgevoerde posten “medische kosten” worden normaliter door de zorgverzekeraar vergoed. De post “eigen risico” heeft blijkens de bijgevoegde nota betrekking op behandelingen in februari 2013 en dus voorafgaand aan het gepleegde delict. Deze kosten kunnen dus niet voor rekening van verdachte komen. De post “reiskosten” is onvoldoende onderbouwd. Tevens worden reiskosten opgevoerd die voor het tenlastegelegde zijn gemaakt. De post “gestolen geld” dient te worden afgewezen, nu aan verdachte geen diefstal van geld ten laste is gelegd. Wel is verdachte bereid de post “gepind geld” ad € 20,- te vergoeden. De post “ziekenhuisopname” is onvoldoende onderbouwd, nu niet bekend is wanneer het slachtoffer het ziekenhuis heeft mogen verlaten.

Er is verder geen aanleiding tot vergoeding van de opgevoerde immateriële schade. Dat het slachtoffer hersenletsel heeft opgelopen en dat zij niet meer in staat is huishoudelijke werkzaamheden te verrichten is onvoldoende onderbouwd. Nu het slachtoffer zich ten aanzien van de psychische gevolgen niet onder behandeling van een medicus heeft gesteld, zijn deze klachten niet objectiveerbaar. Ook dient er rekening gehouden te worden met het feit dat het slachtoffer grote hoeveelheden alcohol heeft genuttigd en dat niet vast staat wat het effect daarvan is op haar klachten.

Ten slotte is er volgens de raadsvrouw geen aanleiding om wettelijke rente te vorderen. Dit verzoek, alsmede het verzoek de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, dienen te worden afgewezen, nu deze onvoldoende zijn onderbouwd.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De rechtbank is ten aanzien van de materiële schade van oordeel dat de kostenposten “medische kosten” ad € 33,31, “vergoeding ziekenhuisopname” ad € 112,- en “reiskosten” tot een bedrag van € 4,48 zijn aan te merken als schade die het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde feit.

De benadeelde partij vordert verder reiskosten die betrekking hebben op 27 februari 2013. Aangezien deze datum voor 17 maart 2013 gelegen is, is er geen rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij vordert tevens € 350,- ter zake van de post “eigen risico ziekenhuisopname”. Uit de daartoe bijgevoegde nota komt echter niet duidelijk naar voren dat het eigen risico in rekening is gebracht. Ook worden er behandelingen gefactureerd die voor 17 maart 2013 hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat deze post daarom onvoldoende is onderbouwd en verklaart de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk ten aanzien van dit onderdeel van haar vordering.

Ten slotte heeft de benadeelde partij € 200,- gevorderd ter zake van de post “gestolen contant geld” en € 20,- ter zake van de post “gepind geld”. Nu deze posten niet zijn aan te merken als schade die het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit, zal de rechtbank de benadeelde partij ook ter zake van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade derhalve toewijzen tot een bedrag van € 149,79.

Naar het oordeel van de rechtbank staat verder voldoende vast dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Zij overweegt hiertoe dat verdachte haar heeft proberen te wurgen en dat er daardoor fysiek letsel is ontstaan. Ook is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde immateriële schade een passend bedrag is voor de fysieke schade die de benadeelde partij tot heden heeft geleden. Derhalve zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van de immateriële schade ad € 750,- volledig toewijzen.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] derhalve toe tot een totaalbedrag van € 899,79.

Voorts veroordeelt de rechtbank verdachte tot het betalen van de gevorderde wettelijke rente van 17 maart 2013 tot aan de dag van volledige voldoening en zal zij tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de benadeelde partij daar nadrukkelijk om heeft verzocht. Een verdere onderbouwing, zoals door de raadsvrouw bepleit, is naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 899,79, bestaande uit € 149,79 materiële schade en € 750,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 899,79 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 17 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en

mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 september 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 maart 2013 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], zijnde de moeder van verdachte, van het leven te beroven, met dat opzet een koord/touw om de nek en/of hals van die [slachtoffer] heeft gedraaid en/of (vervolgens) dat koord/touw heeft aangetrokken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] het bewustzijn heeft verloren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700193-13

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 17 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 3 september 2013 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouw is mr. S.C.H. Poelman, advocaat te Brunssum.

1 Voor zover de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent. Tenzij anders aangegeven, maken deze bewijsmiddelen deel uit van het stamproces-verbaal van de politie eenheid Limburg, District Maastricht, Afdeling Recherche, met proces-verbaalnummer 2013028106-69, dat is doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 340 en in de wettelijke vorm is opgemaakt.

2 Het geschrift, inhoudende het forensisch geneeskundig onderzoek d.d. 18 maart 2013, pagina 267-268.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 249.

4 Het proces-verbaal verhoor aangeefster, pagina 258-259.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 170.

6 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], pagina 317-318.

7 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], pagina 292.

8 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], pagina 317.

9 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], pagina 282-283.